Lud keek over zijn schouder en liet zijn schop vallen. ‘Aflossing,’ zei hij. Ook de andere drie lieten hun werktuigen vallen en keerden zich om. Langzaam en onzeker stappend door de plassen en modderhopen liepen ze naar de uitgang van de tunnel, die als een helwit trapezium in de donkerte hing, zo ongeveer als het doek in een bioscoop als net de lichten uit zijn. Maar dan veel kleiner. In deze helle figuur bewoog een meervoudig mensensilhouet: de naderende aflossingsploeg.
Ze passeerden elkaar halfweg in de tunnel. Zwijgend. De blote voeten smakten en slobberden in de modder. Ze liepen rakelings langs de vochtige beschoeiingen van de tunnel, ongeveer een armlengte van elkaar. Want in het midden van de tunnel, onzichtbaar onder water en modder, lag het railsje van de kiepkarretjes, waar ieder altijd over struikelde of de voeten verwondde. Pas bij het begin van de tunnel school het railsje voorzichtig uit de brij om dan knakkend en onzeker naar buiten te lopen.
Hier bleef Holbach, die voorop liep, staan. Op de rand van de tunnelschaduw. Hij hield zijn natte, met gele klei besmeurde hand boven de knipperende ogen en keek in het ziedende middaglicht. Golvend en kreukend stond honderd passen verder de wachttent met de Japanse ploegbaas in de hitte. Daarachter eveneens golvend en kreukend de zwartberookte gamel met thee boven een uitgaand vuur. Alles golfde en wemelde en kreukte in de twee uurs zon van Johore. Maar in de ingang van de tunnel was het koel.
Holbach hurkte neer en ging dan tegen het glibberige beschot geleund zitten, dwars in de tunnel. Zijn lange benen strekte hij voorzichtig voor zich uit over het railsje. De andere drie keken over hem heen naar buiten. Dan gingen ze ook zitten. Ze keken recht voor zich uit, naar het beschot voor zich. Ze keken aandachtig naar de plankjes en de reten ertussen, waar hier en daar wat gele klei uitgeknepen kwam. Ze keken naar de mossen en schimmels. Ze
keken naar de zware verticale stutten, die droger waren. Maar ook zwart en ook bedekt met grauwe schimmels en mossen. Ze keken aandachtig naar elke plank en naar de vorm van elke vlek. Uit de diepte van de tunnel kwam het doffe geluid van patjolslagen en het wroegend dringen van schoppen in zware aarde. Buiten was het nadrukkelijk stil. De vrije vogels sliepen. De vrije mensen sliepen. De Jap sliep. Zij sliepen half.
Toen Tony de stem hoorde, lette hij er nauwlijks op. Ze hoorde half en half bij zijn gemijmer. Ze was onlogisch en onwerkelijk. Maar toen hij de woorden herkende en hij wist dat hij wakker was en in de tunnel, keek hij verbaasd op. Het was Holbach. Holbach kwam langzaam uit zijn weggezakte houding overeind en trok zijn voeten onder zich. En in een hurkende houding wendde hij zich naar de ingang van de tunnel. Intussen maakte hij met zijn linkerhand knippende geluiden en lokte met vleiende stem: ‘Poes, poes, poes.’ Zijn stem was hoog en zoet en vreemd van hem. Als de stem van een buikspreker.
De andere drie keken met plotselinge interesse toe.
Het was een magere, verwaarloosde kampongkat, op zoek naar eten.
De kat bleef op het vernemen van de stem verbaasd staan, lokaliseerde de richting van het stemgeluid en keek in het donkere gat van de tunnel. Toen hij de menselijke gedaanten erin zag, dook hij verschrikt ineen, maar de flemende stem verwarde hem. Hij bleef kijken. Deze stem was soms geassocieerd met kleine hapjes. Het was de stem van vriendschap. De kat miauwde heel even en nauwlijks hoorbaar. En ging zitten.
‘Poes, poes, poe-oes. Kom dan bij de baas. Poeskepoes.’
Holbach kroop in hurkende houding haast onmerkbaar naar voren. En toen zag Tony dat zijn rechterhand achter de rug dringende gebaren maakte. Korn en Bloem begrepen het dadelijk. Hun handen zochten zenuwachtig en gretig naast zich in het water. Lud Korn vond het: een stuk zwaar bandijzer. Dat duwde hij Holbach in de hand. Tony's ogen werden groot. Hij verstijfde geheel, zijn adem begon sneller te gaan en hij hoorde zijn hart heftig bonzen.
Holbach bleef langzaam vooruit kruipen. Nu was hij geheel in de zon. Hij was een grote Hollander, maar nu de vlees- en vetvulling overal verdwenen was, bleef er een eigenaardig staketsel over dat op Tony voortdurend de indruk maakte van een foute constructie. De ineengedoken houding van Holbach op dit moment versterkte die indruk te meer; op een zakelijke en onverschillige wijze hielden
aan alle kanten de beenderen het vel omhoog als stutten een tentzeil. Dit beeld werd vervolledigd door de modderige lendendoek aan Holbachs onderlijf: hier hing het tentzeil ongestut in slappe, natte plooien tot op de grond neer. Het vreemde element in al dit vreemde bleef echter Holbachs huidkleur, die blank was als van een vrouw. Want Holbach had twee weken thuis gelegen met dysenterie. Dus was hij mager en dus had hij grote honger.
Zo ook de kat. Zo ook de anderen.
Holbach schoof vooruit. De kat werd opeens wantrouwig en ging staan, terwijl hij gespannen naar Holbach keek. Holbach verstarde. Zijn stem sloeg plotseling over, stokte even en ging dan weer opgeruimd en vrolijk verder met een haast onmerkbaar wanhopig jankerig ophaaltje bij het eind van elk zinnetje: ‘Ach, die poes! Kom dan poesepoes. Kom dan bij de baas. Poesie, tsk, tsk, tsk.’
Holbachs hand tastte langs de grond en kwam vooruit met een brokje aarde, dat hij speels en lokkend op en neer bewoog. Intussen ging de rechterhand nonchalant omhoog en krabde met de pink achter het oor. De kat keek met half toegeknepen ogen. De staart ging met verende, stijve rukken heen en weer. Maar hij verzette geen poot.
De gestrekte linkerarm waarop Tony steunde begon plotseling hevig te trillen en pijn te doen. Het kostte hem moeite de arm door te buigen in de elleboog en een andere houding aan te nemen. De pijn en de trilling verdwenen even plotseling. Maar intussen hielden zijn ogen zonder te knipperen het beeld gevangen van de loerende kat en de kruipende Holbach.
De kat keek naar Holbachs uitgestoken hand en rekte de hals. De kattekop ging verkennend op en neer. De kat deed een stap voorwaarts. En nog een. De knokkels op Holbachs rechterhand werden wit. Plotseling stonden er strengen en pezen onder de huid van rechterarm en -schouder. Het bovenlichaam bewoog zich als een stalen veer naar links, de rechterarm met de druipende stang ging met een schokje omhoog en bleef dan onwezenlijk lang bewegingloos wachten, terwijl Holbachs stem overging in een zangerig geprevel. Het hele beeld verstolde.
Toen sloeg Holbach bliksemsnel toe en werd het tafereel op slag geëlektrificeerd. Tony, Korn en Bloem sprongen op. De ontzettende schreeuw van de kat scheurde dwars door de hese kreet van Holbach. Holbachs lange gestalte vloog overeind en zwiepte weer neer en rukte naar boven en zwaaide weer omlaag. Het ijzer dreun-
de telkens op de aarde en joeg stofwolkjes op, telkens vlak naast de kat, die stuiptrekkend en wentelend voor Holbachs voeten heen en weer fladderde. Holbach schreeuwde en vloekte; de kat gaf geen geluid; slechts krasten telkens zijn wild slaande klauwen langs de grond. De kat draaide om zijn lengteas en als hij op zijn poten kwam, maakten de woeste rukken dat hij een eind verder kwam; maar dan rolde hij weer om en sloegen zijn poten wild in de lucht. En keer op keer beukte Holbach toe uit alle macht en miste hij.
De twee onstuimig fladderende helwitte figuren boven de kleinere even krampachtig trekkende inktzwarte schaduwen bewogen zich snel zigzaggend zijwaarts en opeens brak de kat in een dichte ananashaag. Nog even duurde het geraas van het wentelende kattelichaam door de doornige bladeren en het neerspattende geweld van Holbachs ijzer. Toen was de kat weg.
Holbach bleef opeens bewegingloos staan, het hoofd gebogen. Toen slingerde hij het ijzer met een matte beweging van de hand in de haag. De drie krijgsgevangenen in de tunnel leunden weer achterover tegen het natte beschot. Tony voelde een hevige pijn in zijn middenrif. Zijn speeksel was kleverig en taai geworden in zijn mond en het kostte hem moeite en pijn om te slikken. Maar hij wendde geen oog af van Holbach, die nog lang buiten bleef staan met gebogen hoofd.
Eindelijk keerde hij zich om en moe en loom schuifelde hij naar de tunnel terug. Het zweet liep hem in lange bruingele stralen langs het lijf. Hij liep met neergeslagen ogen en het blauw eromheen zag nu bijna zwart. Om zijn mondhoeken stond fijn schuim; zijn handen trilden. Hij zakte weer op zijn plaats neer, zo plotseling dat zijn achterste kletste in de modder. Hij vouwde zijn armen op de opgetrokken knieën en liet zijn hoofd erop steunen.
‘God,’ zei hij en smakte even om weer speeksel in zijn mond te krijgen, ‘daar wor je moe van.’
Hij bleef even zo zitten, strekte dan de benen en leunde met zijn hoofd tegen het beschot. En terwijl hij staarde naar de planken tegenover hem, zei hij bedaard: ‘Jullie zijn een stelletje zeldzame ouwehoeren. Op jullie luie verdommenis zitten en de godsluizigste dakhaas laten wegkomen.’
De andere drie zwegen, Holbach zweeg. Diep in de tunnel klonk gedempt het graven en spitten. Tony merkte tot zijn verbazing dat hij geen honger had. Dat hij zelfs niet meer wee was van de honger. Zijn hart klopte nog steeds vervaarlijk. Hij hield zijn hand er tegenaan. Die hand was nat, modderig en koud. Het was lekker kalmerend zo.