Misschien kwam het omdat Eddy al lang een voorgevoel gehad had. Daar waren eerst de dromen. Van hemzelf en van Truitje. Erg beroerde dromen. Truitje was 's nachts huilende overeind gevaren en hij had erg veel moeite moeten doen om haar weer tot bedaren te brengen. Hijzelf had eens gedroomd dat hij huilde en huilde. De tranen stroomden hem langs de wangen. Hij werd er wakker van. Maar tot zijn verbazing merkte hij toen dat zijn ogen droog waren. Zo gek! Hij had durven zweren dat zijn hele gezicht en de goeling nat geweest waren van tranen. Later had hij het lachend verteld aan zijn moeder. Maar die had met een ernstig gezicht het hoofd geschud: ‘Niet goed, deze, Ed. Niet goed!’
Dan waren er de voortekens: eerst die hond 's nachts toen Truitje zo'n buikpijn had. Dat beest ging tekeer! Huilen, huilen! Hij was ten laatste kwaad naar buiten gelopen, in zijn pendek, had in het donker in het stof gegraaid naar een steen en ten slotte een handvol krikil naar dat rotbeest gegooid. Truitje had hem uitgelachen toen hij terugkwam: ‘Adoeh! Bijgelovig jij, Ed!’ En de pijnen had ze geweten aan haar toestand. Ze was twee maanden ver. Als je het tenminste zo noemen mocht. 's Morgens was het natuurlijk helemaal mis. Met een sado naar het hospitaal. Acute blindedarmontsteking. Operatie. ‘Maakt u zich maar niet ongerust, meneer Lapré,’ had de dokter gezegd, ‘zo erg is het nog niet en dan is een operatie maar een wissewasje. Uw vrouw gaat niet eens onder narcose. Plaatselijke verdoving. Vijf minuten klaar!’ Maar toen ze op het witte wagentje over de galerij gereden werd naar de operatiezaal, was ze lijkbleek. Hij liep glimlachend naast haar en keek zo opbeurend mogelijk. Maar ze fluisterde: ‘Ik kom hier niet meer uit Ed. Niet meer!’ Eddy had de wenkbrauwen gefronst. Even maar. Net als anders als hij er meteen bij zei: ‘Doe toch niet zo gek!’ Dit keer had hij het niet gezegd. Hij had weer gelachen en haar hand, die hij vasthield, even steviger gedrukt.
Maar toen ze binnen bezig waren, waren er plotseling drie kraaien in de tjemara naast de operatiezaal neergestreken. Luid krassend: ‘Gaok! Gaok!!’ Hij had zich rot geschrokken en was naar buiten gelopen. En hij had een steen opgeraapt. Maar toen zag hij ook al de witte glazen ruiten van de hospitaalzalen. En hij had de steen laten vallen. Meteen (want natuurlijk hadden anderen hem gezien) was hij verlegen weer naar binnen gegaan.
Toen de dokter stil en ernstig buiten kwam (hij had een bloedvlek op zijn lange witte jas), had Eddy zich niet aangesteld. Hij wist het immers al? En hij kon het toch rustig hebben? Hij knikte de dokter toe met een zweem van een glimlach om zijn mond: ‘Maak je maar niet druk. We kunnen er immers geen van beiden wat aan doen? Moet dood ja moet dood.’ Dit had hij niet gezegd natuurlijk. Dat was onzin. Maar daarom was ook alles wat de dokter verder zei en wat wél zin had, ook onzin. Hij luisterde verstrooid. Knikte verstrooid toen de dokter wat onbeholpen en hakkelend vroeg om toestemming voor een na-onderzoek. Het was een merkwaardig geval. Hij moest zeker zijn. Iets dergelijks. Voor verder verzorgen van het stoffelijk overschot zorgde natuurlijk het hospitaal. 's Middags zou de teraardebestelling kunnen plaatshebben vanuit het lijkenhuis. Hij kreeg een briefje met een naam en een nummer en zo.
De uitbarstingen van verdriet bij de familie, toen hij het bericht kwam brengen, maakten hem alleen maar kregelig. Men wilde hem almaar omhelzen en troosten. En het maakte hem maar misselijk en kwaad. De jammerbuien werden gelukkig nog afgewisseld door momenten waarin heel zakelijk werd gesproken. Over het regelen van de begrafenis, over het kisten, enzovoort. Een gedeelte van al deze voorbereidende werkzaamheden werd gelukkig overgenomen door diep meevoelende of diep meewarige ooms, neven en broers. De tantes echter met hun technische details van het wassen, kleden en kisten van Truitje maakten hem wederom prikkelbaar. Ten laatste maakte hij er nadrukkelijk een eind aan met zo'n donkere blik in zijn ogen, dat niemand er wat tegenin durfde te brengen: ‘Ik zal het doen. Ik, ik, ik. En niemand d'r bij. Geef mij straks die bruidsjurk maar mee en wat nog meer. Al, ja? Al!’
Met de bruidsjurk, de bruidskrans, witte kousen en schoenen en wat nog meer in een boodschappentas was hij de volgende middag op de tram gestapt. Het was twee uur ongeveer en de trams waren gelukkig zowat leeg. Evenzo de in de hitte stovende straten. Hij was alleen met zijn gedachten. En zijn gedachtenkamer was net zo
leeg als de tram. Hij was nog steeds verbaasd dat hij niet huilde of zelfs maar verdrietig was. Misschien kwam het omdat hij het al lang wist. Misschien omdat alles after all toch te plotseling kwam. Hoe dan ook... uitstappen. Salemba.
Aarzelend liep hij het gestorven straatje naar het sterfhuis af. De grote deuren stonden op een kier. Hij trok de deur open en ging naar binnen, de deur achter zich dichttrekkend. Het was een vreemde kamer. Net als een zijkamertje van een toneel, waar allerlei dingen bewaard worden, die op het toneel vol leven zijn en in het kamertje dood. Er gonsde en stampte ergens een motor. Het was er erg koud. Midden in de kamer stond een lijkkist op twee schragen. De lijkkist was open. Er lag niemand in. Het deksel lag opzij tegen de schragen geleund. In een hoek van de kamer stond een hospitaalkarretje. Daarop lag een lijk en daarover lag een doek. Hij kon de zolen van de voeten zien. Die waren geel alsof ze ingewreven waren met koenir. Daarboven begon donkerbruin en toch met een levenloze bleke ondertoon, de kleur van de huid. Zeker een Arabier of een Ambonees. Zo zwart. Verder was er niets. Alleen een soort kast, maar dan erg groot, met luikjes met nummers erop.
Wat moest hij doen? Eddy zag een andere deur. Hij ging ernaar toe en klopte erop. Het klonk zo hol en hard, dat hij wat geschrokken een paar passen terug stapte. Hij hoorde naderbij schuifelende voetstappen. De deur ging open en twee mannen stapten binnen. Ze vroegen op gewone zakelijke toon wat meneer kwam doen. De stemmen klonken toch erg hard. Eddy zocht in zijn zakken naar het briefje en intussen keek hij aldoor naar de gezichten van de mannen. Waarom leken alle mensen die wat met kerkhoven en doden te maken hebben op elkaar? Iets maskerachtigs. Hij vond geen oplossing, maar gaf het intussen gevonden briefje af.
De mannen bekeken het en liepen toen naar de grote kast toe. Ze trokken een deurtje open en trokken een lijk op een soort lade half naar buiten. ‘Tida, tida!’ zei Eddy haastig en wrevelig. Het lijk ging weer terug en het deurtje klapte dicht. Een ander deurtje werd geopend. Dat was het. De mannen wilden aan het werk gaan, maar Eddy kwam haastig tussenbeide. Nee, ze konden gerust gaan. Hij zou verder zelf alles wel doen. De mannen kwamen van hun gehurkte houding (het was een van de laagste kastjes) overeind en gingen zwijgend heen. Eddy bleef doodstil staan tot ze weg waren en de deur achter ze dichtgevallen was.
Toen trok hij de lade helemaal naar buiten en tilde Truitje ervan af. Het was erg moeilijk. Ze was opeens veel zwaarder nu en on-
handelbaar. Tot driemaal toe moest hij haar weer neerleggen en het op een andere manier proberen. Hij werd er zenuwachtig van en het zweet brak hem uit. ‘Het is me een corvee!’ dacht hij, ‘het is me een corvee!’ En intussen wist hij dat hij een fielt was om zo rot te denken. Eindelijk wist hij Truitje goed op te tillen en naar de kist te dragen. Het kostte toen nog moeite om haar er goed in te krijgen, want de kist was precies op maat gemaakt en de lijkwade, die half van Truitje afgleed, kwam er vervelend tussen. Veel onprettiger was, dat toen ook het litteken van de operatie zichtbaar was. Het was een ontzettend litteken. Eddy keek er niet meer naar toen hij het lijk verder goed legde en de doek snel over het litteken heen trok. Maar hij dacht er aldoor aan.
Een litteken van een blindedarmoperatie was toch veel kleiner. Wat had die dokter ook weer gezegd? Na-onderzoek? Hadden ze haar verder helemaal open moeten snijden? En waarom dan met zulke grove steken dichtgenaaid? Het was allemaal zo absurd wreed dat hij ervan in de war raakte. Maar intussen deden gelukkig zijn handen zoveel werk, dat hij er langzamerhand door in beslag genomen werd. Na enkele vergeefse pogingen om de bruidsjurk over het hoofd heen te krijgen, werd hij ongeduldig. Hij nam zijn zakmes en sneed de jurk aan de achterkant helemaal open. Toen deed hij Truitje de jurk aan. Dat ging veel gemakkelijker. De kousen hoefden gelukkig niet helemaal te worden opgesjord, want de bruidsjurk kwam tot aan de enkels. Het aandoen van de schoenen was wederom een hele toer, evenals het vouwen van de handen op de borst en het netjes aanbrengen van de krans in het haar.
Eddy was ondanks de kou in de kamer volkomen doorgetranspireerd toen hij eindelijk klaar was. Toen nam hij het zware deksel en legde het op de kist zo dat het gezicht van Truitje vrij bleef. Nog even bleef hij kijken. Moest hij nu niet iets speciaals fluisteren of denken? Het kon niet. Het gezicht van Truitje was volkomen uitdrukkingsloos. Het was Truitje niet. Niet meer. En als haar geest ergens moest zijn, dan was die geest zeker niet hier in deze beroerde kamer.
Eddy keerde zich langzaam om en ging weg. Hij deed de buitendeur extra hard dicht om die mannen te laten horen dat hij klaar was. Toen sjokte hij het laantje af naar de hoofdweg en de tramhalte. Hij merkte opeens dat hij erg moe was. Vaag dacht hij nog aan het grote litteken. En aan de bloedvlek op de jas van de dokter. Hoe zag die vent er ook weer uit? Het was erg heet en het duurde lang voordat er een tram kwam. Iemand fietste voorbij en riep:
‘Hallo Lapré! Hoe gaat het?!’ Het was de stem van Willy Dutineux. Eddy keek even op, glimlachte verstrooid en zei: ‘Goed, goed. Merci!’ Willy reed door. De tram kwam aan en stopte. Eddy stapte in en bleef op het balkonnetje staan.
Het was hetzelfde balkonnetje van altijd. Het was dezelfde kantoortram. Het was dezelfde weg. Alles was hetzelfde. Eddy ook. Was Truitje weg? Was ze er ooit geweest? Eddy merkte dat hij gek ging denken. Hij was behoorlijk moe. Daarom ging hij binnen zitten en stak een sigaret op. Daarna begon hij zorgelijk te denken aan thuis.
***
Eddy Lapré stierf acht jaar later in krijgsgevangenschap. Met vrij veel anderen. Tante Coba, die een klein valiesje vol vertrouwde bezittingen van Eddy trouw bewaard had, besloot bij het vernemen van het toch wel verwachte bericht, om alles nu maar te vernietigen en te verkopen. In het valiesje bleek maar heel weinig van waarde te zitten. Een grijs gabardine kostuum (dat Eddy bij de begrafenis van Truitje gedragen had), een groene jagershoed, een doosje van stekelvarkenspennen, waarin een uit een kanarinoot gesneden ring, en een stapeltje boeken, de meeste waardeloze dichtbundels. Verder een map met losse velletjes postpapier, waarop veel half begonnen en twee afgemaakte gedichten. Er stond ook een datum op, die na zorgvuldige berekening van tante Cootje, terugviel tot vlak na Truitjes dood.
Met gefronste wenkbrauwen las tante Cootje de enigszins onbegrijpelijke en moeilijke verzen:
en