terug  begin  verder
[p. 441]

Er was eens een man

Er was eens een man in Tanger. Hij woonde er niet of misschien toch wel. Wat is wonen? Maar hij was er in elk geval. En hij zocht iets. Alle mensen zoeken iets. Deze man zocht nu eens systematisch en dan weer op goed geluk. En wat hij zocht wist hij eigenlijk zelf niet goed. Soms had hij een onrustig gevoel als hij bedacht dat hij wel eens zou kunnen vinden wat hij zocht. En wat dan? Ermee stilzitten en gelukkig zijn? Of opnieuw iets anders zoeken? Liever dacht hij daar dus niet aan. Ook meende hij vaak dat juist omdat hij niet wilde vinden, het zoeken nooit resultaat zou hebben. Hij zwierf dus maar door de stad rond en zag veel merkwaardige dingen. En ontdekte dat de mensen over de hele wereld weliswaar elkaar gelijk waren, maar toch ook weer essentieel anders. Bruine mensen bij voorbeeld waren zeker heel anders dan blanke mensen, ook al stalen zij of waren eerlijk, hoopvol of ongelukkig. Ook zochten zij iets onvindbaars vaak en vonden zij eveneens niets. Het was toch eigenlijk wel vreemd om in de wereld te zijn en te leven zo maar voor een onbepaalde tijd zonder enige zin. De man had vaak vlagen van grote wanhoop, want geen enkele filosofie, geen enkel geloof gaf hem enige bevrediging of uitzicht. Alles was niets en eindigde in niets. Niets was zeker. En het grootste raadsel van alles was: hoewel hij niets was, was hij er toch.

Omdat hij niets erkende, geen waardeverschil kon vinden tussen rijk en arm, goed en slecht, lelijk en mooi (alles was immers niets?), keek de man met gelijke aandacht naar de waardeloze en waardevolle zaken in de wereld (volgens de bestaande maatschappelijke maatstaven althans). Hij stond soms een uur lang voor de uitstalkast van een rijke winkel, maar hij stond ook wel een uur lang stil bij een vuilnishoop. Deze vreemde stad Tanger passeerde zijn ogen als een landschap aan een man in een trein: hij ziet alles, maar heeft er niets mee te maken omdat hij er toch voorbij gaat. En wie is wel eens uit een rijdende trein gesprongen of heeft met de noodrem

[p. 442]

deze trein tot stilstand gebracht omdat hij iets zag dat hij werkelijk hebben moest en waardoor de rest van de treinreis volkomen waardeloos werd? Zo iets gebeurt nooit. Dus schuifelde de man door de vreemde stad en zag alles en zag dat ene niet.

Maar eens, toen hij langs een vuilnishoop kwam, een vormeloze, kleurloze, onbestemd ruikende massa, zag zijn oog iets bijzonders. De man was al enkele stappen verder gelopen, voor zijn gedachten de waarneming van het oog opvingen. Hij keerde op zijn schreden terug en schoof met zijn voet de vuilmassa uiteen. Hij zag een verkreukelde kleurenplaat of liever een afgescheurd stuk ervan. Het was een glanzende chromolitho met goedkope aansprekende kleuren, zoals alle chromolitho's. Deze plaat stelde Christus voor aan het kruis. De man was op een verwarde wijze getroffen, geroerd. Duizend en één gedachten vlogen door zijn hoofd: hoe kon hij Christus vinden in een mohammedaanse stad? Hoe kon hij de verhevenste gedachte sedert vele eeuwen terugvinden in een hoop vuilnis? Een boodschap in het verworpene?

Hij streek de plaat glad en bekeek de voorstelling met een gemengde aandacht voor de echte en toevallige artistieke verdiensten en voor de boodschap die zij ongetwijfeld bracht. Deze Christus was uitgebeeld schuins van opzij. Hij was met grote werkelijkheidszin uitgebeeld en zonder enige romantiek: geen nobel gelaat, geen aureool, nee, een haast somber en zwart gelaat met ruige baard en ontdaan over het voorhoofd vallend haar. De achtergrond was een zwarte hemel over een woestijnig rotsachtig gebied zonder enig teken van leven. Ter linkerzijde gloorde iets als een verwachting van licht. Dit was de eerste Christusvoorstelling die hij zag van een beklemmende verlatenheid en hoopverlorenheid. Of hij had Christus voordien nooit zo gezien? Dit was het absolute einde van het leven, van alle leven. Nu was alles te laat. Voor iedere mens komt dit onverbiddelijke einde. Wij hebben allemaal maar één korte kans: een levensduur om iets te doen tot voorbij de grens van onze beperktheid. Dit was de zin van het leven: dat wij leven kunnen tot voorbij onze dood. Niet alleen deze Christus kan leven tot voorbij Zijn dood: wij allemaal kunnen het, de een meer dan de ander, ieder mens naar zijn vermogen, maar wij allemaal kunnen het. Inderdaad: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’

Met een wonderbaarlijke klaarheid sprong de boodschap, het symbool tot leven in al zijn handelingen. Hij liep niet meer rond als buitengeslotene van het leven. Hij zag alles, letterlijk alles met een mogelijkheid voor hem om eraan deel te nemen, om het te ver-

[p. 443]

rijken met een stukje van zijn persoonlijkheid. En het kostte hem moeite om niet dadelijk spontaan zijn aanwezigheid en zijn hulp aan iedereen op te dringen. Hij had winkels kunnen binnengaan om de winkelier te tonen hoe hij nuttiger kon etaleren. Of om het werk te doen van de verkoper die gevraagd werd door het kartonnen bordje voor het raam. Hij kon de veel te volgeladen marktvrouwtjes helpen in de bus te komen en hij kon gepofte kastanjes kopen van die ene kerel op de hoek, die maar steeds geen klanten kreeg. Zeker deed hij die dingen niet, want diezelfde boodschap bracht hem de genade om de zaken ook te zien zoals zij gezien moesten worden, namelijk dat helpen niet betekent werk of verantwoordelijkheid uit handen nemen, maar alleen steun om de voltrekking te bewerkstelligen. Dus was vaak de belangstelling alleen al in de vorm van een goedkeurend knikje of een ernstige en begrijpende betoeschouwing genoeg.

Maar hij kon blijven stilstaan bij de bedelares op de hoek van de Straat van het Bad, haar lang bekijken en luisteren naar haar klagend ‘adarse, adarse’ en weten dat hij haar wat geven moest. En hij zocht nu geen tien centimesstuk in zijn jaszak, maar gaf de eerste grote munt die zijn vingers voelden: een vijf pesetastuk. En hij betreurde het dat hij altijd zulke vorstelijke fooien gegeven had aan Pépé van de Bar Romero en trouwens alle welvarende kelners van alle restaurants. Hij ontdekte dat hij altijd veel te weelderig at en dat het volksvoedsel voor hem genoeg kon zijn en moest zijn. Hij zou voortaan eten bij Mohamed Larbi of bij Layachi. Waarom zou hij zoveel verkeren in de Europeanenstad aan het rijke Place de France? En waarom niet meer in de Kasbah, aan de markt Zoco Grande of in de randgemeente om de Zoco Chico? Hij merkte dat de doolhof van zigzaggende weggetjes en trappen en poortjes en tunnels hem niet meer beangstte en geen gevoel meer gaf van verdwaald te zijn en verloren. Want er was geen doel meer, geen zoektocht. Elke meter die hij aflegde was doel, elk plekje grond waarop hij stond. Zelfs zonder dat hij een woord Arabisch of Spaans sprak of verstond kon hij de blinde helpen, die alleen door de onzichtbare stad liep. En hij kocht toch maar een lot van de beenloze oude man, die in zijn invalide invalidenwagentje zat in de Straat van het Postkantoor en met een kwaadaardige stem altijd riep ‘Cinco millones! Cinco millones!’ tot de gehaaste en onverschillige voorbijgangers, die weigerden stil te staan om het geluk hier te vinden in plaats van het dáár te zoeken. Hij trakteerde het gidsje Abd-el-Kadr op een vorstelijke maaltijd van lham patatas met ketib en hete thee met geuri-

[p. 444]

ge nana-bladeren en leerde te kaarten en gebarentaal te spreken met de doofstomme Moestafa.

Het leven kreeg een volheid die de man nooit gekend had. 's Avonds ver na twaalven zocht hij pas zijn bed op en hij merkte zonder verwondering dat hij nooit bad, hoewel hij Christus teruggevonden had: hij had het zó druk met te handelen dat er geen tijd meer over was om te bidden. Ook was hij soms verbaasd dat hij geen angst meer had voor zijn bestaan. Hij maakte zijn geld zorgeloos op, geen moment denkend aan de noodzaak om nieuw geld te zoeken en te winnen. Als hij niets had, zou hij ook bedelaar zijn. Er waren toch overal bedelaars op de wereld en overal barmhartige mensen! De Christusplaat had hij in zijn schamele hotelkamer opgehangen. Alleen heel soms keek hij ernaar, een enkele maal met een soort knipoog van verstandhouding: ook hij had het eeuwige leven gevonden. Hij maakte zich nooit meer druk of kwaad om de verkeerde dingen die gebeurden op de wereld, maar hij trachtte elke minuut van de dag te vullen met het doen van goede dingen: de dingen die hij kon en moest doen. Soms betrapte hij er zichzelf op dat hij verlangde rijkdommen van de een te nemen en te geven aan de ander. Zo iets is diefstal, dat had hij geleerd. Maar zo slecht zag hij nog bezit als werkelijk eigendom van de mens, zozeer wist hij dat mensen die te veel hebben alleen maar blind zijn, dat hij het beschouwde als een plicht van hem als ziende om te voltrekken wat uit zichzelf voltrokken had moeten zijn: het overbrengen van het teveel naar het te weinig. Hoe zou het eigenlijk ook anders kunnen? Al zo lang zat de man nu in allerlei obscure eethuisjes waar dieven, rovers, moordenaars en hasjisj-rokers kwamen, die hij beschouwde als zijn medemens, dat zijn juiste oordeel over goed en slecht, mijn en dijn, wel verzwakken moest. Ja toch?

Op een dag was er plotselinge grote commotie in de stad. Midden op de dag sloten alle winkels en kantoren. Iedereen verdween van de straten. Er waarde plotseling een grote vrees door de stad rond. De man begreep niet waarom. Hij ging naar zijn hotel terug en vernam dat er een algemene staking afgekondigd was en dat er anti-Europese stemming heerste in de stad, zodat het gevaarlijk was zich op straat te begeven. Wat erger was: de hoteleigenaar grendelde zijn deuren en stond zijn gasten niet meer toe op straat te gaan. De man betreurde het dat zijn leven op straat tijdelijk onmogelijk was gemaakt, maar hij legde zich bij de toestand neer. Later keek hij vrij onbewogen uit het venster neer op de optochten van fanaten, die hun anti-koloniale leuzen uitschreeuwden in ein-

[p. 445]

deloos herhaalde slagzinnen, die dreigend en moordlustig klonken. Zulke benden, dacht hij, hebben ook Christus vermoord. Dat zijn dus de benden van Layachi en Abd-el-Kadr en Mohamed en Moestafa. Die niet slecht zijn. Zij zijn niet veroordeelbaar. Zij zijn in de greep van iets onbegrijpelijks voor ons nu, maar begrijpelijk voor de historie als de noodzakelijke voltrekking van nieuwe gebeurtenissen, die hun gang moeten hebben.

Hij peinsde er voortdurend over en waarde daarbij door het hotel, want het stilzitten lag hem slecht. Hij liep maar steeds weer trappen op en af en door gangen en galerijen. Of hij zat te denken in de stille en halfdonkere patio en dan liep hij weer. Soms, bij het passeren van een openstaande deur, keek hij even zonder nieuwsgierigheid naar binnen. En wederom werd hij plotseling door zijn oog gevangen en omver geworpen.

Want hij zag in een van die kamers dezelfde Christusplaat die hij gevonden had, maar nu niet als afgescheurd stuk. En hij zag dat het stuk dat hij in zijn kamer had niet Christus was, maar de misdadiger aan Christus’ linkerzijde. Christus zelf was afgebeeld zoals op alle soortgelijke voorstellingen: stralend in het licht der genade, waartegen de duisternis rondom de misdadigers des te zwarter en genadelozer afstak.

De man bleef als versteend staan, de plaat ziend en niet ziend. Ook zag hij de man niet, die plotseling in de deuropening verscheen, hem vragend aankeek en toen ontsteld de blik van zijn ogen volgde, maar dan verbijsterd de deur weer sloot. De deur was groen geschilderd met een gele bies en met een gele 8 in een vierkantje. Het was een gewone, onverschillige hoteldeur. De man liep naar zijn kamer terug en ging op de rand van zijn bed zitten. Zijn brein schoot als bij een vuurwerk bonte banen en regens van gedachten door de duisternis van zijn bewustzijn. Zonder richting, zonder bestaanskracht en zonder vat. Sommige vuurwerkfiguren kwamen herhaaldelijk terug. Zoals:

‘Ik dacht dat ik Christus diende, maar ik diende de misdadiger.’

‘Elke misdadiger is goed genoeg om Christus te zijn voor een mens die het niet weet.’

‘Elke misdadiger verwerft aan Christus’ zijde de eeuwigheid.’

‘Hoe vreselijk dat te zamen met Christus een kindje geboren moet worden, alleen maar voorbestemd om Christus gezelschap te houden in Zijn laatste ogenblikken en om verder alle eeuwen door tot heilzaam afschrikwekkend voorbeeld te dienen voor alle zaligheid zoekenden.’

[p. 446]

‘Wie ben ik? Christus of de man die mee aanzit aan tafel en te horen krijgt dat hij de verrader zijn zal? Wij worden aangewezen of wij willen of niet. Wij worden er speciaal voor geboren. Wij ontkomen er niet aan en met onze boete boeten wij voor eeuwen.’

En nog veel meer gedachten. Want aangezien hij maar een gewoon mens was (hij heette misschien J. Jansen of zo), was hij natuurlijk niet zó ontdaan en verscheurd door ellende dat hij zelfmoord pleegde. Of besloot hij een zo zondig leven te leiden (naar de ‘Christus’ die hij aanbad) dat hij aan een kruis zou genageld worden. Er was feitelijk helemaal niets aan hem te merken. Hij stak een sigaret op, bekeek dromerig de Christusprent aan zijn muur en stond dan op om bij het raam te staan. De dag was bijna om. In de verte klonk het dreigend geroep van horden demonstranten. Ergens vlakbij begon een islamiet te bidden, monotoon half zingend, dreigend, wanhopig, berustend, extatisch, vredig, woest, smekend, tartend, snikkend, op en neer en op en neer, God is God en God is God en God is God:

‘Allah-il-Allah, Allah-il-Allah, Allah-il-Allah, Allah-il-Allah, Allah-il-Allah!’

 

p.s. Pas veel later - hij zat toen achter een café chico aan de José Antonio in Madrid en voelde zich een echt wijze en wijsneuzige toerist - dacht hij opeens aan het lot. Hij zocht al zijn zakken na, maar hij was het lot op de een of andere verwenste manier kwijtgeraakt. En dus ook de vijf miljoen. Of niets? Wat weten wij nou, zelfs onze verhevenste gedachten, onze subliemste ontdekkingen zijn niets, niets, niets.

terug  begin  verder