terug  begin  verder
[p. 467]

Gedichten

[p. 469]

Posteerjacht op Pepanggo

 
Na de nacht,
 
de schoorvoetende nacht en
 
dwaallichtjes in veld en gedachten;
 
na het lied,
 
dat van Khayyams verdriet,
 
in de dreun van bedoeqs in ‘t verschiet,
 
de Dag.
 
Steels bewegend rag
 
van rawa-nevels: schimmen-escadrons:
 
‘Serrez les rangs!’ (gefluisterd). Dauw als dons
 
op wimpers en op handen.
 
De dageraad ontwaakt behoedzaam blauwer
 
eerst in de tweelinglopen van de Sauer.
 
Priok krijgt kopervijlsel op de randen.
 
Een boot roept helemaal uit Holland, en bedeesd
 
komt dan toch wel de zon weer uit de vouw,
 
die ouwe natte blonde zon van achter Schellingwou
 
weetjewel. Tranenomfloerst maar onbevreesd.
 
 
 
Maar wat dan onverhoeds en schrijnend nieuw is:
 
de lage snelle vlucht van een meliwis;
 
schichtig opdoemend uit de assen kim,
 
twee tellen silhouet en dan weer schim.
 
Wanhopig roept zijn stervend stemmetje:
 
Waar-is-mijn-neteldoekse-hemmetje?
terug  begin  verder