terug  begin  verder
[p. 470]

Nog eenmaal

Aan R. N.

 
Nog eenmaal springt hij huppend naar de rode djamboes,
 
nog eenmaal zingt het heupschot van zijn katapult
 
en mitrailleert zijn houten ponjaard langs de paggerbamboes;
 
nog eenmaal sneeft de leeuw, die in de djalie brult.
 
Nog eenmaal is hij Milton Sills, Maciste,
 
Winnetou, Pawnee Bill of zo maar Pengkie
 
(‘Ik zweer!’ De Rode Hand. Met Tikoes en met Henkie),
 
nog eenmaal draaft hautain zijn schimmel door de piste
 
van het verlaten achtererf.
 
Dan ziet hij toch wel stof
 
en rag en bladders in de verf
 
van het verwelkend jeugd-decor. En alle kleur wordt dof.
 
Nog eenmaal?
 
Zijn mijmerende ogen gaan zijn voeten voor,
 
die groot, geschoeid en netjes schrijden,
 
omzichtig tussen vuil, beling en doeries door.
 
Waar eens de Inca-schatten lagen. En het mijden
 
van gevaar verachtelijk was.
 
Hoog en victoriekraaiend staat het gras.
 
De oude djamboe schreit om haar gevluchte minnaar.
 
Ze weet zich lelijk: zwart, met panoe-vlekken,
 
knoestig en krom en schandelijk onvruchtbaar;
 
getreiterd door de pasilans: kostgangers die vuilbekken.
 
Het huis houdt zich afzijdig, gegeneerd
 
achter het rijtje palmen in de scheve potten.
 
Kent nog wat zelfrespect, is goed geconserveerd;
 
heeft zich niet door zo'n blaag laten bedotten.
 
Ach ja, haar jurk is wat gerafeld en bevuild
 
(Zo gaat het, hè, met bijgebouwen?),
 
het dak verkommert daar in kreukels en in vouwen.
[p. 471]
 
De muren zijn besnotterd en behuild.
 
De houten palen staan leproos te wachten;
 
levend alleen in de torpide nachten
 
bij ‘t knisterend knagen van de boeboek,
 
het uren tellen van de tokeh-klok, die bastaardkoekoek,
 
en het geroezemoes in holle bamboes van de muizen.
 
De galerij is brokkelig en goor
 
over het platgetreden graf van de plavuizen.
 
Hoor
 
de doffe roffel van de verre trom!
 
En Khayyams: ‘Wees niet dom,
 
de roos
 
stierf al zo lang...’
 
Nee, nee! Nog eenmaal de mustang
 
met dondervaart en bliksem
 
en met - en met niks en
 
alles is toch rot en voos
 
en...
 
...Mevrouw komt trouwens in de achtergalerij
 
en kijkt naar de vreemde sinjeur die
 
al terugkomt van zijn sentimental journey
 
en stamelt van ‘Ik dank u wel. Dat was van mij
 
(een armgebaar), ziet u, eh, ik bedoel...’
 
Een vreemde kerel ‘met gevoel’.
 
Hij is opeens ook, amper zonder groeten, weggegaan.
 
En zag niet eens dat zij een andere jurk had aangedaan.
terug  begin  verder