[p. 472]
Senen bij middag
Een tuimelende dakenrij
uitbundig ongelijk en vrij,
een koekoeksklokkenwinkel
met kleur, krul en gerinkel.
Toch badinerend wisselvallig, nét
een waaier, flitsend open-dicht
voor ‘t dansverhitte lachgezicht
(poudre-de-riz, méchant, coquet)
van de frivole lucht.
Met onbedaarlijk feestgerucht
als een kinderaubade
met rode limonade.
Dat is Senen in stof en zon:
droomstad van Sindbad, in chiffon.
Chiffon met parelen pailletten
‘Zo lief zo mooi jij ben, Sjorsjette,
mijn njonja-manis-sapa-jang-poenja!
Ik ben verliefd op jou, mag ja?
Ik ga met jou naar waar?’
Ik ruik het stoute parfum in je haar.
Waarheen? Waarheen? Laat maar.