[p. 477]
Pasar Ikan
Boven de dakenkarteling
begint in speelse darteling
de middaglucht te krullen
en ver weg in het zuiden
gaan de Pangrango en Gedeh
zich als bedeesde bruiden
in amber mousseline hullen.
Het noorden is een halve zee:
links zijn de tambaks en mangroven
en in het midden is de papier,
de Westerpier. Daar boven
zijn de elangs aan de zwier
in de ijsblauwe lucht.
Soms komt wat kruimelig gerucht
gewaaid van Priok dat daar op de ooster-
horizon ligt uitgerakeld als een rand
van matglinsterend grind,
daar links van die vergane coaster
op het strand.
Er is bijna geen wind.
Tussen de pieren maakt met ver geklater
een kinderbaggerschuit het water
zo zwart als een net afgesponsde lei
en vlak bij mij
liggen tevreden zij aan zij
de koleks en de sampangs,
de lìtìks en de majangs,
met masten die als stutten en perkoenen
[p. 478]
in pretverwachting naar de hemel wijzen
alsof er straks een Pasar Malem gaat verrijzen.
Op de tjeroeks staan de blazoenen
verweerd en trots: een waaier en een klok,
een staartster en de vogel Roq,
een wekker ook en een Ardjoena.
De namen zijn zoet om te horen:
Siboelat, Gondel en Taroena,
Sinar Laoet en Erkiles
of zo maar voor de fop M.S.,
de n's en r's achterstevoren.
Alleen het houtsnijwerk is chic
tot in de kleinste krul klassiek,
als oudperzisch kanteel.
Vaantjes zijn sherry-geel
of helderrood als port.
Alles is goed, zelfs het macaber
beeld op een der kolekboorden
van iemand die zich gaat vermoorden
en blij voorover in de golven stort,
geschilderd in magenta en cinnaber
met een contour van juichend blauw.
In feestelijk verbeiden als in ondertrouw
liggen de grote zeilers aan de overkant;
de trampers met de felle menierand,
de slanke Makassaren en de ronde Boetonnezen,
de fiere Boegis en de zware Madoerezen,
de tongkangs en de wangkangs uit
het land van Li Tai Peh.
Er wordt lawaaierig gehesen en gekruid
met kisten, krandjangs, balen, vaten;
er is de stank van kopra en tjengkeh
en het gezwatel van harpuizen en kalfaten.
Maar soms verruitelt al die blije
drukte in een landtong aan een
haf van stilte.
[p. 479]
Dan staat daar de ontdane
schim van Ril te
schreien
om de verloren ‘Rommeling en Stof’.
De vreugde van de zon wordt dof
onder de cirruslamfer om zijn gouden hoed:
een tulen schaduw brengt een laatste groet.
Dan springt de Zeven Zeeën Karanvanserai
weer in zijn opgetogen kleuren en lawaai.
Slechts voor blijvers is de rouw,
maar Ril is met zijn paarlemoeren prauw
aan Marsmans zij
de openbliksemende firmamenten
in gevaren.
Zie: het verrukkend glaren
op mast en ra en gei
van hun kristallen sacramenten!