terug  begin  verder
[p. 480]

De Lange Gele

 
Zaterdagmiddag na de noen
 
kan je hem door de Oude Stad zien dwalen:
 
de in zichzelf gekeerde vale
 
schim van Jan Pieterszoon Coen,
 
een somber voorteken als de fatale
 
spookfiguur van Schipper van der Halen.
 
 
 
Pintoe Ketjil, Kali Besar vervluchten
 
in een wolk en traag komt het beruchte
 
‘Graf der Hollanders’ weer boven:
 
wat goedangs en een factorij,
 
omsingeld door de nipahs en mangroven,
 
zwartwaterkoorts, scheurbuik en dysenterie.
 
In de Tjiliwoeng drijven lijken.
 
 
 
Hier waart hij rond, wil voor hem wijken,
 
want hij is groter nog dan de Verheven Compagnie:
 
hij is de ‘Djangkong Koneng’, ha! En wat
 
is dan een voze titel of een naam?
 
Hem is de glorie en de faam
 
van ‘De Gestreepte’ en ‘Mata Empat’:
 
een levende legende tussen
 
vuur uit donderbussen,
 
kanonnen en musketten,
 
en nimmer weg te wetten
 
bramen, butsen, schaarden
 
op ponjaards en op zwaarden!
 
 
 
Hij is een recreatie van Iskander,
 
zijn vlag geen feestlap maar een bander,
 
een panache! Hij rekent niet
[p. 481]
 
in zilveren dubloenen en florijnen;
 
voor hem het strijdgedruis op het reduit,
 
op de redoutes en de ravelijnen!
 
 
 
Hij haast zich want reeds is zijn tijd op handen.
 
Zie naar het laatste schrijden van de gele leeuw,
 
hoor naar het hels gekrijzel van zijn tanden,
 
zie, op zijn wassen voorhoofd schuimt het reeuw.
 
 
 
Gewonnen is de stad, verloren is de keet!
 
Hoor naar de spottende en hese kreet
 
van Long John Silver's kaketoe: ‘Pieces-of-eight!
 
Pieces-of-eight, pieces-of-eight!!’
terug  begin  verder