[p. 484]
Gebed
Schepper,
aangezien alles toch voorbij gaat
en alles wat is waardeloos is,
geef mij de waardeloosheid van een kogel
en schiet mij af:
ik leef!
Laat mijn schrijven dan maar
het fluiten van die kogel zijn, Schepper,
meer niet;
wat is schoon?
Verpletter mij aan het eind
van mijn doorluchte kogelbaan, Schepper,
ik ben tóch waardeloos,
en laat mij vergeten zijn
en verborgen in de aarde
als alle verschoten kogels.
Maar houd mij niet in een doos,
hoe schoon en hoe veilig ook,
hang mij niet aan een gouden ketting,
zet mij niet te pronk
op een fluwelen sokkel,
compleet met prijskaartje;
nee, niet dat.
Maak mij kogel,
schiet mij af.
[p. 485]
Geprezen zij Uw Grote Naam, Schepper,
duizend maal duizend maal.
Amen.
(Terzijde, profaan:
Geef geen kritiek,
maar ballistiek)