Vincent Mahieu en Tjalie Robinson zijn twee schrijversnamen voor een en dezelfde persoon: J.J.Th. Boon, geboren in 1911 en overleden in 1974. In de Indische groep is hij onder de naam Tjalie Robinson een legendarische figuur geworden als voorvechter van een eigen Indische identiteit en als schrijver van honderden grote en kleine stukken. Voor een deel zijn deze stukken eerst als feuilleton verschenen en later gebundeld onder de titel Piekerans van een straatslijper. Iedere Nederlander uit Indië heeft ze gelezen, of ze nu Indo-Europeanen waren, zoals Tjalie zelf, of ‘Indische Nederlanders’, of geboren Europeanen, kortom een ieder die met wortel en al aan Indië verbonden was, ook talrijke Indonesiërs. Voor iedereen heette hij Tjalie Robinson of kortweg Tjalie, en dat wilde hij zelf ook. Maar Boon blijft Boon. Zijn vader heette zo en zijn zoons bleven zich zo noemen. Maar waar het hier in dit Verzameld werk om gaat, is Vincent Mahieu, de ongeëvenaarde verteller van verhalen die hij óók was. Hij was drie in één en over die ene die zich liefst Tjalie noemde, gaat het volgende vooraf.
Jans vader was een totok, een volbloed Hollander dus, die in 1906 als militair naar Indië was gegaan. Daar leerde hij het Indische meisje Fela Robinson kennen. Zij was de dochter van een Engelsman en een Javaanse vrouw, dochter van een loerah, een Javaans dorpshoofd. Volgens mededeling van de familie had deze Javaanse moeder iets waardigs en trots over zich, zoals ook haar dochter, en zoals ook Jan zelf. Jan was niet het type van de bescheiden, onderdanige Indo. Hij kon zeer zelfbewust en strijdbaar zijn. Hij werd tijdens een tijdelijk verblijf van zijn ouders in Nijmegen geboren, om precies te zijn, op 10 januari 1911. Zijn vader was toen ‘sergeant der Koloniale Reserve’.
Dat zijn kinderjaren en jeugd Indisch waren, dat zijn leefwijze Indisch was, dat alles komt van de kant van zijn moeder, van haar familie, maar vooral van zijn Indische speelkameraadjes, straatslij-
pers zoals hij. De familie van zijn vader heeft hij nooit gekend. Zo verging het vele Indische kinderen.
Dat hij voor zijn beide pseudoniemen namen koos uit de familie van zijn moeder en de groep waartoe zij behoorde, had naar zijn eigen zeggen de betekenis van een bewuste keuze voor het Indische in hem, voor de Indo-Europeaan die hij zich voelde en altijd gevoeld heeft: de mengbloed. Wat betekende het voor Tjalie (we zullen deze naam voortaan maar aanhouden) een mengbloed of halfbloed te zijn? ‘Een halfbloed,’ schreef hij eens, ‘is een mens die zich van beiderlei afkomst gelijkelijk bewust is. In mijn opstellen zoek ik naar een formulering van die bewustheid.’ En inderdaad, dit citaat (uit Moesson, 1982, nr. 2, pagina 8) voert rechtstreeks naar hem zelf en zijn werk. Tjalie schreef vanuit zijn Indo-Europeaanschap en vanuit de Indo-cultuur, maar hij was wel een bijzondere Indo-Europeaan met uitzonderlijke gaven die hem maatschappelijk gesproken boven zijn groep deden uitstijgen, hij ontwikkelde zich tot intellectueel en schrijver. Hij was een der hunnen en tegelijk was hij het niet meer - de ideale positie overigens om over ze te kunnen schrijven. Als een ‘participant observer’ van de werkelijkheid.
Tjalie is zich altijd solidair blijven voelen met de groep waaruit hij voortkwam en waartussen hij verkeerd had: die van de ‘kleine Indo’, de ‘kleine boeng’, letterlijk: de ‘kleine broer’, de groep die sociaal vaak ‘ketjepit’, dat wil zeggen, ‘ingeklemd’ zat tussen de ‘echte’ Europeanen en de hem omringende bevolking waartoe hij vaak in een directe familierelatie stond. Hij leefde daardoor in een sociaal tussengebied of, zoals Tjalie het zei, ‘in de marge tussen twee eindeloos grote vlakken’, en al is die marge relatief smal, hij is er niet minder karakteristiek om.
De Indo-Europeaan en in het bijzonder de ‘kleine Indo’ is naar twee kanten onderscheiden: van de Europeaan én van de Indonesiër, al staat hij meestal door zijn vroegere leefwijze dichter bij de hem omringende bevolking dan de Europeaan ooit vermoed heeft. Hij is Europeaan voor de wet, maar hij onderscheidt zich in uiterlijk en innerlijk van de totok, de ‘echte’ Hollander. In de eerste plaats door zijn huidskleur met alle overgangen tussen blank en bruin, door zijn Indisch accent, door te spreken op een andere, zangeriger toonhoogte en met een andere stembuiging, door een afwijkend taalgebruik waarin vele Indonesische woorden (Javaans, Maleis, Soendanees of welke andere Indonesische taal) binnengedrongen zijn, met de veelvuldige, zo karakteristieke klanknabootsingen. Deze taal van de Indo, in het bijzonder van de ‘kleine Indo’, heeft
niets met gebroken Nederlands te maken: ze is of was een zelfstandige mengtaal van een min of meer gesloten gemeenschap. Tjalie kende de taal van de ‘kleine Indo’, het petjoek zoals het genoemd werd, heel goed, maar hij zelf schreef een zeer zuiver Nederlands, zonder ooit taal-, stijl- en spelfouten te maken, een levend Nederlands, dicht op de spreektaal, origineel, beeldend, getuigend van een uitzonderlijk observatievermogen.
Net zomin als we van het Indisch kunnen spreken, omdat er zoveel gradaties in zitten afhankelijk van afkomst en sociale status, van stad of platteland (‘binnenland’, zei men in Indië), net zomin zijn alle Indo's in karakter en gedrag onder één noemer te brengen. De doorsnee-Indo, voor zover wij daarvan kunnen spreken, gedroeg zich bescheiden, ingetogen, soms zelfs onderdanig, althans naar Europese opvattingen, gesteld op formele regels, beleefd en gastvrij en onder elkaar ongedwongen. Maar soms ook in zichzelf gekeerd als iemand die altijd iets te verwerken heeft en die heeft leren slikken. Tjalie Robinson/Vincent Mahieu heeft ze met meedogen en sympathie geportretteerd, omdat hij hen door en door kende en begreep, compleet met hun Indische voornamen en familienamen: Djos, Non, Meiti, Tètèt, Priet, Pèng, Nono of Wiewie en met hun achternamen, waaronder zeer fraaie uit het vreemdenlegioen dat het Indische leger feitelijk was: De Brétancourt, Lusanet de Sablonnière, Von Ranzow, Von Lawick von Pabst, Micola von Fürstenrecht, maar ook niet-adellijke namen als Martherus, Lapré, Blondeau, Mahieu of simpelweg Boon! Al die mensen uit de vorige eeuw die tot de pauperklasse behoorden, de ‘kleine boengs’ die zich in ondergeschikte betrekkingen trachtten te handhaven, de klerken, de opzichters, de weegbrugemployés, de commiezen bij de douane, het kadaster, bij de post of bij de spoorwegen en de arme pensioentrekkers, levend in de kampong of aan de rand van de kampong.
Maar tot deze groep van meestal ouderen behoorde Tjalie niet. Hij zelf behoorde tot de opstandige en strijdvaardiger generatie van daarna, al was hij door zijn opleiding en belangstelling niet geheel meer een van de hunnen. Toch voelde hij zich aan hen verwant. Hij begreep hun rancunes en hun agressiviteit tegenover de buitenwereld, de brede Europese maatschappij in Indië. Hij doorzag haar hypocrisie. Hij nam het alweer voor de ‘kleine Indo’ op, alleen door hem in verschillende situaties uit te beelden.
Tjalie schreef eens in Moesson 1982, nr. 2: ‘Ik ben strijdbaar en ik houd van strijdbare mensen.’ In zijn verhalen komt telkens de ‘dja-
go’ voor, de vechtersbaas, de vrouwenjager, in het algemeen macho-achtige figuren, levend buiten de westerse verhoudingen en westerse ethiek, wreed en meedogenloos, maar ook instinctmatig trouw en opofferend in hun aanhankelijkheid, zoals Marcel Blondeau in een van de mooiste verhalen: ‘Sonja’.
Niet alleen voor zijn figuren, maar ook voor Tjalie zelf was het gevaar een uitdaging, hij wilde gevaarlijk leven. Een van de verhalen van Vincent Mahieu in de bundel Tjies heet ‘Vivere pericolosamente’. Hij hield van motorrijden en -racen. ‘Eigenlijk reden we zelden gewoon, altijd demarreerden en chargeerden we’, zoals in het verhaal met de titel die een klanknabootsing is: ‘Wharrrr-wharrrr-wharrrrr! uit de bundel Tjies. Hij hield ook van boksen (‘Little Nono’ uit Tjoek) en van vechten (het prachtige verhaal ‘Arcola’ uit Tjoek). Hij was een wandelaar, een zwerver die alles wilde meemaken en alles gezien wilde hebben: de straatslijper in de stad en de bosloper in de natuur.
Tjalie kon vooral lyrisch over de jacht schrijven. De jacht was universeel voor de hele Indo-groep! Tjalie verheerlijkte de jacht - al was hij zelf geen echte jager - niet om het doden, maar als een vorm van intens en lijfelijk leven in de natuur. Ook als symbool voor het leven, voor het jagen en gejaagd worden. Vincent Mahieus langste verhaal ‘Tjoek’ uit de gelijknamige bundel is strikt genomen geen jachtverhaal, maar een verhaal dat alles met de filosofie van de jacht te maken heeft en dat weer met dood en leven, met Tjalies eigen verhouding tot het leven en de dood. ‘Tjoek’ bevat vele dubbele bodems, veel toespelingen en aangrijpingspunten die toch niet tot een systeem zijn samen te voegen. Dat zou bij Tjalie niet passen. Het is en blijft een geheimzinnig verhaal waarin werkelijkheid en symboliek met elkaar verweven zijn. Een hoogtepunt in zijn werk.
Ook de beide titels van zijn bundels Tjies en Tjoek zijn aan de jacht ontleend. Een tjies is een klein 5.8 millimeter geweer, het kleinste jachtgeweer waarmee iedere Indische jongen wel eens gejaagd zal hebben. Tjoek is de jagersverbastering van het Engelse choke, een vernauwing aan het eind van de loop, waardoor een geconcentreerder schot mogelijk is, ook bij het woordgebruik. In elk van zijn verhalen zit spanning en vaart. De vergelijkingen zijn vaak treffend en origineel.
De verhalen die Tjalie Robinson als Vincent Mahieu schreef, die hij liefst vertellingen noemde omdat dit woord in een meer oosterse traditie past, getuigen hiervan op bijna elke bladzijde. Zelfs zijn gedichten noemde hij vertellingen: ‘sing-song vertellingen’. Daar-
naast schreef hij als Tjalie Robinson honderden beschouwingen en overpeinzingen die meer dan zijn vertellingen zijn persoonlijke ervaringen, beschouwingen en overpeinzingen bevatten, in de ik-vorm geschreven: zijn populaire Piekerans, maar ook zijn polemieken, boek- en filmbesprekingen, die altijd uitliepen op dat ene onderwerp: de identiteit van de Indo en het onbegrip daarbuiten. Ze zijn te vinden in het Indische maandblad Oriëntatie (november 1947-januari 1954) en natuurlijk bij tientallen in het in Nederland verschijnende veertiendaags tijdschrift Tong Tong, dat door hem zelf werd opgericht en later tot Moesson werd omgedoopt en dat nog zo heet.
Wie Tjalie Robinson of Vincent Mahieu leest, zal onmiddellijk aangesproken worden en zal merken hoe duidelijk en recht op de man af hij schrijft, met een geweld en levendigheid die men zelden aantreft. Hij is uniek. Als het woord niet tot een cliché was verworden, zouden we hem zelfs een ‘groot’ schrijver kunnen noemen.
Rob Nieuwenhuys