van Atjehse vechters aan soldaten van het Nederlands-Indische Leger [uitspraak: kafee].
djalan maar, enz. - rij maar, chauffeur, we hebben nog veel tijd.
djali - vruchtdragende plant. Van de vruchten wordt pap gemaakt.
djamboe bol, djamboe aer, djamboe kloetoek - vruchtbomen.
de Djampangs - roemrucht jachtgebied in West-Java, waar het wilde rund, de banteng, gejaagd werd.
Zuid-Sumatra was een jachtdorado voor jagers op alle soorten wild.
djangan leuter pandjang - klets niet te veel.
djangan loepa - vergeet niet.
djangan takoet - wees niet bang.
Djangkong Koneng - De Lange Gele, Coen zag immers geel door de aanhoudende malaria-aanvallen.
djoekoeng - sloep, prauw.
djoeloeng-djoeloeng - vissoort.
d'ng-d'ng-d'ng - klanknabootsing.
doeren (doerian) - grote, sterk ruikende vrucht met romige pitten.
dolken - boomstammen, balken.
é(h) - uitroep om aandacht te trekken.
emper - luifelachtige doortrekking van het dak, rustend op palen, zo breed dat er een brede galerij of zelfs een smalle zaal ontstaat.
emping - kleine knabbelkoekjes die als pinda's worden gesnoept.
etjeng - waterplant die aan de kust groeit. Soms worden er stukken weggeslagen en ziet men ze op zee drijven.
gading - eigenlijk: ivoor; blank, wit.
gaga - verstomd, alleen in staat tot wat gehakkel, als een imbeciel.
gatjoek - lievelingsknikker.
geblandja - van blandja: inkopen doen.
gedek - gevlochten wand van bamboe.
gekipas - van kipas: waaier, waaieren.
gekoekoet - gekoesterd, met alle aandacht en zorgen omringd.
gendie - waterkaraf, meestal van aardewerk.