Er zijn schrijvers, die zich met een bepaald aspect of deel van hun werk zulk een vermaardheid hebben verworven, dat zij daarna voorgoed in hun eigen schaduw staan. Zo is Jan Engelman de dichter van de vocalises, misschien kan men zelfs zeggen van één vers: Vera Janacopoulos, en is Baudelaire de dichter van de Fleurs du Mal. Wie kent, buiten de engere kring van actieve en passieve litteratuurbeoefenaren, de prozaïst, de scherpzinnige en briljante moralist Baudelaire? En toch: wanneer Baudelaire nooit gedichten geschreven had, zou hij in de litteratuurgeschiedenissen een welhaast even belangrijke plaats hebben ingenomen als vernieuwer van de grote Franse moralistische traditie van Montaigne en Saint-Simon als hij het nu doet als dichter.
Het is met Paul van Ostaijen een soortgelijk geval; de prozaïst, scheppend en kritiserend, is volkomen in de schaduw geraaktvan de dichter Paul van Ostaijen, men kan eigenlijk wel zeggen: in de schaduw van enkele anthologische paradepaardjes, zoals Polonaise, Marc groet 's morgens de Dingen, Rijke Armoede van de Trekharmonika, Melopee enz. Daarom is het verschijnen, na de eerste twee delen poëzie, van het deel Grotesken en Ander Proza van Paul van Ostaijen's Verzameld Werk van bijzondere betekenis. Van het scheppend proza van Van Ostaijen lag een gedeelte in moeilijk bereikbare uitgaven begraven, terwijl een ander gedeelte niet eerder gepubliceerd was, hetzij omdat een aantal van deze grotesken onvoltooid bleef, hetzij om andere redenen. Het schijnt ook wel aan de onvermoeide speurzin van de consciëntieuze tekstverzorger G. Borgers te danken te zijn, dat verscheidene ongepubliceerde manuscripten überhaupt terug werden gevonden.
Men zou het litteraire tijdvak na de laatste wereldoorlog kunnen kenschetsen als de Periode van Rekenschap; het is de tijd van de verzamelde werken, de tijd waarin de natie (als linguïstische eenheid; juist deze ‘verzamelde werken’ brengen de Nederlandse en Vlaamse uitgevers herhaaldelijk bij elkaar) zich rekenschap geeft van haar litteraire bezittingen en verworvenheden. Een zich-rekenschap-geven, dat ongetwijfeld een ondergrondse samenhang vertoont met een latent gistingsproces, dat pas rond '50 meer manifest aan de dag trad als ‘de experimentele beweging’. Rekenschap en vernieuwing zijn cultuursociologisch gezien eigenlijk twee aspecten van één en dezelfde zaak, zoals in het organische leven iedere
nieuwe groei- of bloeiperiode tevens een versterking, een consolidatie betekent van het bestaande organisme.
Het is daarbij typerend, dat Paul van Ostaijen een der laatsten is, die in deze reeks van ‘verzamelde werken’ aan de beurt kwam. Ofschoon hij immers reeds in 1928 op tweeëndertigjarige leeftijd overleed, is hij onmiskenbaar nog steeds ‘de jongste’ in deze rij van auteurs, die zich door de uitgave van hun verzamelde werken als het ware het predikaat ‘klassiek’ hebben verworven. Hij is zo springlevend, dat het zich-rekenschap-geven bij deze schrijver op zichzelf reeds een litteraire vernieuwing betekent, een betrokkenzijn op een toekomst, meer dan op een verleden van litteratuur (al kan men deze dingen natuurlijk nooit absoluut scheiden: elke plaatsbepaling ten opzichte van een klassiek auteur betekent een speculatie over de toekomst van de litteratuur).
Nu heeft Van Ostaijen als dichter een onmiskenbare invloed op veel experimentelen uitgeoefend; hoe staat het met Van Ostaijen als prozaschrijver? Ik moet hierbij vooropstellen dat hij, zoals ik hierboven reeds opmerkte, als prozaschrijver aanzienlijk minder gekend en gelezen is, terwijl bovendien de vernieuwing, die wij op het ogenblik in de litteratuur beleven, welhaast uitsluitend een poëtische vernieuwing is; met uitzondering van Bert Schierbeek schrijven de experimentelen, wanneer zij proza schrijven, doodgewone, conventionele verhalen en romans. Aan de andere kant schijnt het genre van de groteske de Nederlander in het algemeen al niet te liggen; we hebben Belcampo, maar verder? Til Brugman heeft voor haar grotesken nog steeds geen uitgever kunnen vinden. En in de litteratuurgeschiedenis staat de groteske te boek als een genre dat, natuurlijk, zijn verdiensten heeft, maar dat toch eigenlijk meer tot de amusementslectuur dan tot de ‘serieuze’ litteratuur behoort.
In de groteske Het Beroep van Dichter of Qui s'accuse s'excuse spreekt Paul van Ostaijen over ‘mijn grote voorganger Jonathan Swift’: een naam die meteen duidelijk maakt, waarom de groteske wel degelijk een volwaardig litterair genre is. En het is volstrekt niet ten onrechte, dat hij zichzelf met Swift vergelijkt; in zijn beste verhalen doet hij zeker niet voor zijn voorganger onder. Niet alleen wat niveau betreft trouwens: in zijn hele geestelijke habitus vertoont Van Ostaijen merkwaardige affiniteiten met Swift; zijn satire, evenals die van Swift, draagt een sterk mathematisch karakter. Hij werkt graag met termen en symbolen, aan de mathematiek en in het algemeen aan de exacte wetenschappen ontleend, en zijn hele litteraire bewijsvoering - want ieder verhaal is bij hem een ‘bewijsvoering’ - is met mathematische precisie opgebouwd. Vol-
gens de strenge logica van twee maal twee is vier weet hij de maatschappelijke toestanden, waartegen hij zich keert, onweerlegbaar ad absurdum te voeren. Men zou hem in dit opzicht, in deze mathematische klaarheid, bijna een Mondriaan van het verhalend proza willen noemen, maar dan een wredere, een meer demonische Mondriaan. Want ook dit heeft hij met Swift gemeen: een demonische vernietigingsdrang, die zich dwars door de sociale satire heen op de conditie van de mens zelf richt; een vernietigingsdrang, die misschien als de donkere keerzijde is te beschouwen van het ethisch humanisme, dat hij in Het Sienjaal, ten toon spreidde - een psychisch dualisme, zoals wij dat ook bij schrijvers als Dostojewski en Kafka tegenkomen. Kafka, van wie Van Ostaijen als een der eersten in West-Europa enkele stukken vertaalde en wiens invloed hij onmiskenbaar ondergaan heeft (ook in zijn poëzie: Alpejagerslied bijvoorbeeld), met name ook weer in de ad absurdum doorgevoerde abstracte redeneringen; en Dostojewski van wie niet zozeer een directe litteraire beïnvloeding valt aan te wijzen, maar met wie hij karakterologisch toch niet te miskennen overeenkomsten vertoont. In ieder geval is de groteskenschrijver Van Ostaijen een heel wat problematischer, existentieel-gepijnigder figuur dan de dichter, wiens ‘cynisme’ in Bezette Stad toch wel erg aan de oppervlakte blijft.
Wanneer ik nu nog Alfred Jarry noem, die met zijn ‘mechanisering van de seksualiteit’, zoals hij die in Le Surmâle doorvoert, naar alle waarschijnlijkheid wel de conceptie van grotesken als Het Bordeel van Ika Loch of De Generaal zal hebben bepaald, meen ik hierbij Van Ostaijen in een kader, in een ‘klimaat’ geplaatst te hebben, dat zijn litteraire figuur een geheel nieuw aspect geeft. Met opzet heb ik enkele namen van ‘grootheden’ uit de wereldlitteratuur genoemd, niet om invloeden te construeren, die au fond niet zo belangrijk zijn, maar om het niveau aan te duiden, waarop hij mijns inziens als prozaschrijver thuishoort; ik geloof, dat de prozaïst Van Ostaijen - en daarom is deze bundel verzameld proza zulk een belangrijke aanwinst voor de litteratuur - tot dusverre schromelijk verwaarloosd is ten voordele van de dichter. Zeker, zijn beste gedichten behoren tot de wereldlitteratuur; maar waar men bij zijn nagelaten gedichten de indruk krijgt dat hier op een of andere manier een eindpunt is bereikt (men kan zulke dingen natuurlijk nooit met zekerheid zeggen), geloof ik dat hij als prozaïst nog een grote toekomst voor zich had en onvermoede hoogten had kunnen bereiken. Zijn beste bladzijden zijn zonder meer grandioos; sommige van zijn stijl-eigenaardigheden doen op het ogenblik misschien wat verouderd aan, maar waar hij op zijn best is, zal zijn
klare, intelligente, als elektrisch geladen stijl op de duur een even gunstige invloed op de ontwikkeling van het jonge proza kunnen uitoefenen als zijn verzen het op de ontwikkeling van de jonge poëzie hebben gedaan.
(1955)