De dichter kent geen linkse weg, hij kent geen rechtse weg, en zelfs geen derde weg; hij kent alleen de éne weg, de weg die hij gaat. En eigenlijk zelfs deze niet: hij is die weg. Er staat geen kennis, geen keuze tussen hem en zijn weg, hij behoort niet tot de kennenden noch tot de kiezenden: hij is een aanwezige.
De kennende is nooit helemaal aanwezig: kennis is een lek waardoor voortdurend aanwezigheid wegstroomt; de kiezende is discontinu aanwezig, van daad tot daad verspringende, zijn leven een beeldroman en elke daad een prent, een beeld, meteen bij haar ontstaan reeds tot schijnaanwezigheid verhard. De dichter is een aanwezige; kennis doet hem geen schade, hij weet het lek te dichten, en van de daad weet hij alleen het creatieve moment, het moment waarop hij één is met zijn daad, te behouden en de prent, de verharding, van zich te schudden als een slang zijn oude huid. Kennis noch keuze werpen hun schaduw op de glans van zijn aanwezigheid. De glans: want in een wereld van afwezigen en halfwezigen doet het puurste en simpelste, de onschuld van de schaduwloze aanwezigheid, als een glans, een schittering aan; het is deze zuivere glans van de aanwezigheid die de dichter met het kind gemeen heeft.
A. Roland Holst is een aanwezige. Het is geen hyperbool, geen gezochte formule, het is een directe ervaring: nog nooit heb ik een mens ontmoet die zozeer en zo primair een indruk van aanwezigheid maakte, - niet de holle schijnaanwezigheid van de drukte, geen protserig vertoon van aanwezigheid, maar omgekeerd, een aanwezigheid die frappeert als stilte, - en alweer niet de stilte die een absentie is van geluid, maar die oorspronkelijke stilte waaruit alle geluid geboren wordt en waarin alle geluid terugkeert. Maar dit alles zijn benaderingen; de indruk die ik met de term ‘aanwezigheid’ wil aanduiden valt waarschijnlijk niet verder te analyseren; men herkent het licht aan zijn schaduw en misschien omschrijf ik het fenomeen aanwezigheid het best door te zeggen dat, in gezelschap van A. Roland Holst, anderen een af-wezige indruk maken.
Een aanwezige - dat wil zeggen een tegenwoordige. De meeste mensen zijn niet tegenwoordig, zij vertegenwoordigen: een kerk, een partij, een opinie, een weg, een groep, een haat, een liefde, een poëzie, - en ten slotte zichzelf, hun eigen profiel, hun eigen standbeeld of statuet. Een opinie, een groep, een persoonlijk profiel heeft
zich gevormd, vertegenwoordigt een verleden, een dood verleden; de tegenwoordige is het omgekeerde van de vertegenwoordiger: hij is op ieder moment zelf en totaal aanwezig, hij wordt op ieder moment uit zichzelf geboren, hij is altijd nieuw.
Zo is de mens Roland Holst geen vertegenwoordiger van de dichter Roland Holst, noch de dichter van de mens: mens en dichter, dichter en burger zijn volmaakt één-en-tegenwoordig, en ook dit is een aspect van die gave, schaduwloze aanwezigheid - schaduwloos, want zonder het slechte geweten van dichter jegens burger en burger jegens dichter, dat kenmerkend is voor zoveel moderne dichters die het volstrekte geloof in hun dichterschap verloren hebben. Roland Holst is zonder meer een groot dichter, een dichter van een zodanig formaat dat de moderne tegenstelling dichterburger voor hem geen enkele betekenis heeft; als dichter en ziener, in de antieke betekenis van het woord, staat hij midden in de maatschappij, niet in de wisselende werkelijkheid van de maatschappij, niet in het zogenaamde ‘volle leven’ (waar hij de spot mee drijft), maar in de waarheid van de maatschappij; en wanneer hij zich in de jaren vóór en tijdens de laatste oorlog fel en hartstochtelijk tegen de ‘gedrilde drommen’ en de ‘brallende onderkaak’ keerde, dan betekende dat niet een ‘zwenking’ van een onwereldse naar een wereldse poëzie, maar was het evenzeer een uitvloeisel van zijn zienerschap, zijn tegenwoordigheid, als zijn bemoeienis met de voorwereld en Helena van Troje.
Dit laatste klinkt paradoxaal: is de bemoeienis met de voorwereld niet veeleer een vlucht in het verleden, een anti-tegenwoordigheid, een afwezigheid? Inderdaad - voor de kennenden en kiezenden, de afwezigen en de halfwezigen; voor de afwezige is aanwezigheid afwezigheid, zoals voor de geluidenmaker stilte absentie van geluid is. Een andere paradox is dat aanwezigheid zich altijd bij voorkeur in termen van verleden vertolkt (Gorter deed een grootse, maar mislukte poging zijn aanwezigheid in termen van toekomst te vertolken). Maar is het heden niet een fictie van de afwezigen? Bestaat het heden? In ieder geval heeft aanwezigheid niet met tijd maar met duur te maken, niet met werkelijkheden - wat men werkelijkheden noemt -, maar met waarheden. En wat de aanwezige betreft: omringd door afwezigen, afwezig voortschrijdend op linkse, rechtse en derde wegen, blijft er voor hem maar één weg open (open van ‘het heden’ uit gezien, de aanwezige kiest niet): de weg terug, dat wil zeggen de eigen weg, de weg van de creativiteit die altijd een weg naar de oorsprong is.
De dubbelganger, het groter, heviger ik: het zijn de ervaringen van een aanwezige in een wereld van afwezigen, van een ziende in een
wereld van blinden of één ogigen (rechts- of linksogigen); hij gaat niet ‘op’ in deze wereld, hij wordt erdoor gesneden, maar zijn grotere ik staat er verticaal boven en onder. Deze wereld is niet de ware - alle grote dichters hebben het geweten, en talloze kleine; maar de andere, omvattender wereld tegenwoordig maken hebben alleen de groten gekund.
De dichter is een aanwezige, en zijn aanwezigheid is een dubbele aanwezigheid: in deze en in de omvattender wereld, de ‘ruimte van het volledige leven’ (Lucebert); hij is middelaar, ziener en heraut. Deze waarheid van het dichterschap heeft A. Roland Holst op sublieme wijze tegenwoordig gemaakt in een tijd waarin de afwezigen en halfwezigen, de rationalisten en de ‘volle levers’ de toon aangaven. Ik citeerde zojuist Lucebert: met de jongere dichters, Lucebert, Andreus, schijnt een tijd, een klimaat aangebroken te zijn waarin men in Roland Holst weer het volmaakte voorbeeld van de dichter als middelaar, heraut en lichtbrenger zal zien; hun poëzie moge op het eerste gezicht hemelsbreed van die van A. Roland Holst verschillen, - maar betekent de naam Lucebert niet ‘lichtbrenger’ en heeft Andreus zich niet in de figuur van Empedocles herkend? Roland Holst is aanwezig en daagt de dichter uit, weer dichter te durven zijn, integraal en zonder slecht geweten.
(1958)