terug  begin  verderprepost
[p. 171]

24 Retoriek als molochisme (Maurits Mok)

Maurits Mok is een schrijver die lange tijd in de schaduw van zijn eigen faam heeft gestaan. Misschien is faam een te groot woord: laten we zeggen dat hij het ongeluk gehad heeft, litterair gesproken als museumstuk ter wereld gekomen te zijn. Hij is de-dichter-met-de-lange-adem, de epicus in een wereld van kortademige lyrici en anecdotici, een curiosum waar men meteen een etiket op kan plakken, een fenomeen dat men meteen in de litteratuurgeschiedenis kan bijzetten. Kortom: een ‘verschijnsel’, en daarom door de kritiek dan ook met een zekere toegeeflijke tederheid behandeld. Een ‘verschijnsel’ kritiseert men niet, men kijkt er alleen naar en zegt ‘oh’ of ‘ah’. Buiten de obligate recensies heeft de kritiek zich dan ook, voorzover mij bekend, nauwelijks met Mok als dichter beziggehouden. Wie Mok zegt, zegt Kaas-en-Broodspel of Exodus en verder alleen ‘oh’ en ‘ah’; misschien nuanceert men zijn ‘ah’ weleens door inzinkingen en holle retoriek te signaleren, maar, vervolgt men dan meteen, dat hoort nu eenmaal bij het ‘verschijnsel’ - zoals het craquelé bij een museumstuk.

Het is niet mijn bedoeling, in deze bespreking de dichter Mok - de dichter achter het ‘verschijnsel’ - ten voeten uit te gaan tekenen; ik wil er, in verband met zijn twee recente bundels Woorden in het donker en Stormen en stilten, alleen op wijzen dat de lyricus Mok tot dusver niet de aandacht gekregen heeft die hij verdient - en ik meen, dat dit alleen te verklaren valt uit het feit dat men zich blind heeft gestaard op de Mok-met-de-lange-adem. Intussen is Stormen en stilten, dunkt mij, een van de beste bundels poëzie die er de laatste jaren verschenen zijn.

Laat ik preciseren: er staan in deze lyrische bundels, vooral in de eerstgenoemde, een aantal gedichten die men ronduit slecht kan noemen; door een kennelijk gebrek aan zelfkritiek is Mok mede schuld aan de lage waardering van zijn lyrisch werk. En dan is er waarschijnlijk nog een ander misverstand in het spel, een heel merkwaardig misverstand. Het ‘thema’ van Moks gedichten is voor een belangrijk deel de Jodenvervolging, het tragisch lot van (de) Joden; de lezer staat daardoor a priori al ‘sympathiek’ tegenover deze gedichten: maar juist daardoor ziet hij maar al te vaak over het hoofd hoe voortreffelijk vele dezer gedichten zijn. ‘Sympathiek’ betekent in het moderne kritische jargon zo ongeveer het tegendeel van ‘goed’ en degeen die zich a priori op het standpunt

[p. 172]

van de menselijke sympathie stelt, loopt gemakkelijk gevaar te vergeten dat hij óók nog met poëzie te maken heeft - een gebied dat aan gene zijde van sympathie of antipathie ligt, dat aan gene zijde van ieder menselijk ‘gevoel’ ligt.

Er staan dus slechte gedichten in deze bundels; het titelgedicht van Woorden in het donker bijvoorbeeld is een aaneenschakeling van holle frasen. Regels als:

 
Ik kan de koude ogen voelen staren
 
der wereld aan de vensterruit.

zijn zonder meer gepruts; de splitsing, terwille van rijm en metrum, van ‘de koude ogen’ en ‘der wereld’ is niet alleen stilistisch lelijk, maar maakt van de concrete sensatie een abstracte mededeling die als zodanig alleen maar belachelijk kan aandoen. Een frase, want niet werkelijk beleefd, is het ook wanneer de dichter van de naast hem slapende vrouw zegt:

 
en aan de einder van haar onbewuste
 
gaan dromen voort als wolken in de nacht.

En, even verder in de bundel bladerend: ‘vergeefse namen’, een ‘uitgewoed tempeest’, de tijd die ‘schuift’, de dalen van ‘uw rijk’, ‘met ogen vol vergeten beelden’, het uitzenden van ‘de vogel van een woord’, het vallen ‘binnen de tijd’, de tijd die ‘verwildert’ enz. enz. - het zijn evenzovele cliché's, ontleend aan het contemporaine dichterjargon (Keuls, Hoornik, Achterberg e.a.) in plaats van aan de eigen dichterlijke vormwil. En meer dan eens, ten slotte, overstemt het houterige ta-toem-ta-toem van het metrum de individuele versmelodie.

Dit dus terwille van de kritische objectiviteit vooropgesteld. Maar in zekere zin vormen deze tekortkomingen de keerzijde van een zeer wezenlijk bestanddeel van het talent van Mok, nl. de retoriek. Ook als lyricus is Mok retorisch, maar het is hier niet de brede retoriek van het epische genre, maar als het ware een versmalde, een geconcentreerde retoriek, een retoriek die niet pompeus over hetve rs heen ligt gedrapeerd (de verkeerde retoriek) en die ook niet de spieren zelf van het vers vormt (de goede retoriek), maar die binnen het vers een zeer bepaalde lyrische functie vervult. Laat ik trachten te verduidelijken wat ik hiermee bedoel.

Geerten Gossaert heeft de retoriek in tweeërlei opzicht gedefinieerd: retorische poëzie is poëzie, waarin niet het woord maar de volzin domineert, en: retorische poëzie is poëzie van de traditie, zij

[p. 173]

legt het accent op de continuïteit (zoals ook de volzin het woord in een continu verband plaatst). In de gedachten- en gevoelswereld van Mok's poëzie speelt de traditie een grote rol; de eerste en laatste twee regels van het gedicht Sabbath luiden aldus:

 
Des Vrijdagsavonds liep de kamer vol
 
met huiveringen van een oude kracht;
 
. . . . . . . . . . . . . . .
 
en lichtend boven alle daken stond
 
de sterrenhemel van het oud verbond.

Dit ‘oud verbond’, dit besef van continuïteit, vormt de achtergrond van deze poëzie; een gevoel van opgenomen-zijn, van deelhebbenaan, dat zich poëtisch manifesteert als datgene wat men retoriek noemt, d.i. het prijsgeven van de subjectieve, individuele stem voor de objectieve stem van een geloof, een volk, een partij, een (o.a. poëtische) traditie.

Maar dit ‘oud verbond’, dit besef van deel te zijn van een groter geheel, onderworpen te zijn aan een hogere wet, neemt in de lyriek van Mok een speciale kleur aan: het is verleden geworden, geschiedenis; geschiedenis die in het heden nog na-beleefd kan worden, maar die geen toekomstkracht meer heeft. Want in de geborgenheid van de als ‘verbond’ ervaren wereld (verbond in vreugde en leed) is iets machtigs, ijzigs, vernietigends binnengevallen, een onvoorstelbare ontzetting die de mens op de naakte existentie terugwerpt. Het ‘oude verbond’ heeft zijn geldigheid niet verloren, maar het is als het ware in een luchtledig komen te hangen; tussen de naakte existentie en de geborgenheid van het grote geheel - of men dit als ‘de wet’ of als ‘de natuur’ opvat - heeft zich een koude, dodelijke leegte geschoven: ‘het zwarte waaie n’, een ‘vlies van angst’. Elders spreekt hij van een wonde die openligt en waarvoor iedere droom, ieder denken terugkrimpt; die wonde is als het ware het enige levende, daarbuiten is alles, hemel en aarde, dood, versteend:

 
...er blijft alleen
 
een hemel als een holle lens,
 
een aarde als een verzonken steen.

En niet alleen hemel en aarde, ook de medemens ervaart hij niet meer in de levende werkelijkheid van het ‘verbond’ of het menselijk verband, maar als van hem gescheiden door een zone van leegte en dood. Waar de medemens in zijn gedichten optreedt, is het daarom

[p. 174]

bijna steeds een dode, wiens levende werkelijkheid hij vergeefs zoekt te achterhalen (maar ook de levenden zijn omgeven door een zone van leegte, b.v.: ‘Mijn dochter loopt daar in haar eenzaam licht’).

Zijn poëzie, zo geheel anders van inspiratie, vertoont hier soms een treffende overeenkomst met die van Achterberg - eveneens een retorisch dichter, althans een dichter die van retorische elementen op een specifieke en zeer persoonlijke wijze gebruik weet te maken in zijn poëzie (een aspect van Achterberg dat nog te weinig belicht is). Bij Mok krijgt de retoriek ook een specifieke functie, die ongeveer te vergelijken is met de ambtenarenstijl bij Kafka: zij suggereert het ‘verbond’, het grotere geheel - maar suggereert er tevens de onbereikbaarheid van. M.a.w. de retoriek dient in hoofdzaak om de existentiële eenzaamheid van de mens te accentueren, soms ironisch zoals in het gedicht Congresganger:

 
Ik was daar in het bezige gezelschap
 
van mensen, aangegord tot het verbouwen
 
der samenleving, en ik zag hen doende,
 
bouwmeesters, metselaars en timmerlieden,
 
en boog het hoofd en zocht de fundamenten,
 
nieuwsgierig en bezorgd; ik vond alleen
 
mijn beide schoenen die daar eenzaam stonden
 
ergens op aarde, ik vernam
 
als wind het reppen van de vele voeten,
 
geestdriftig naar de toekomst onderweg.
 
Ik wou wel meegaan, ik geloofde ook
 
in morgenstonden met vergulde monden
 
en armen die een brug van liefde slaan;
 
maar toen ik opkeek was het al te laat:
 
ik had een ogenblik niet meegeleefd
 
en reeds was ik een eeuwigheid ten achter.

- maar vaker met een accent van surreële ontzetting, een molochistisch accent, waarbij de retoriek in haar supra-individuele poëtische macht de onvatbare ontzetting van een wereld, waaraan het individu naakt en hulpeloos is uitgeleverd, moet suggereren. Dit is wat ik in het begin van deze bespreking op het oog had, toen ik zei, dat de retoriek bij Mok lyrisch functioneel werd: zij ligt niet pompeus over het gedicht heen gedrapeerd, maar dient om een specifieke lyrische spanning te scheppen, zij dient als repoussoir.

Het spreekt wel vanzelf dat hiermee niet alles over de lyrische poëzie van Mok gezegd is. Tederder momenten, momenten van

[p. 175]

stille weemoed, spelen er ook een rol in; maar juist onder het hierboven aangevoerde aspect bereikt Mok vaak een grootsheid van visie die hem in de nabijheid brengt van Achterberg en A. Roland Holst. Ik geloof dat wij in Mok een van onze belangrijkste dichters moeten zien, een dichter die nog veel mogelijkheden in zich heeft. Ter illustratie zou ik een enkel gedicht uit Stormen en Stilten willen citeren:

 
Met haar vergeten stem begint zij weer
 
de avond te doordringen, er ontstaat
 
beweging in de bomen, stenen trillen
 
van angst, lippen onzichtbaar
 
houden zich dicht om het niet uit te schreeuwen;
 
de ogen van de vensters worden droog
 
en brandend, gaten wit en zwart
 
verraden overal de blinde vingers
 
der pijn, die eenmaal hebben rondgestoken
 
in de versteende huid der atmosfeer.
 
 
 
Er kruipen handen langs de grond,
 
wentelend houdt een lichaam daar
 
zijn kreunen in, dat toch niet wordt verstaan.

(1957)

prepostterug  begin  verder