Onlangs zei iemand mij: ‘Eigenlijk is Vroman de enige echte experimenteel’; en hij keek enigszins verwonderd toen ik antwoordde dat men Vroman, wanneer men eenmaal wil gaan indelen, mijns inziens ongetwijfeld bij de traditionalisten zou moeten indelen. Nu zijn indelingen en etiketten op zichzelf uiteraard van geen enkel belang; wat ons in een dichter raakt is juist het individuele, het on-deelbare, on-in-deelbare. Maar wanneer men zich bewust blijft dat een indeling nooit meer is dan een technisch hulpmiddel (men plaatst de dichter tijdelijk onder een éénzijdige belichting teneinde een bepaald reliëf te krijgen, hem op een bepaalde manier te doen ‘reageren’) - een kritisch middel dus, geen kritisch doel -, dan kunnen etiketten en indelingen zeer zeker hun nut hebben en in bepaalde opzichten verhelderend werken.
Ik geloof, dat de structuur van Vroman's poëzie inderdaad aan helderheid wint, wanneer wij hem onder de gezichtshoek van de traditie beschouwen, nl. als een rebelse traditionalist. Kenmerkend voor de experimentelen is dat zij dichten van een nulpunt uit; hun dichten gaat niet tegen de traditie in maar staat er eenvoudig buiten. Zij hebben - formeel gesproken - geen enkele relatie tot de traditie. Heel anders Vroman: men kan hem een rebelse, een ondeugende, een tegendraadse traditionalist noemen, maar hij is en blijft gebonden aan de traditie, aan versschema en rijm. Hij speelt ermee, hij solt ermee, maar - ermee: hij blijft op schema en rijm betrokken, zij vormen zijn uitgangspunt en aan dit uitgangspunt juist dankt hij zijn meest speelse vondsten (zoals ook bij die oudere dichter, met wie Vroman in veel opzichten verwantschap vertoont: Pierre Kemp, het geval is). Hij is, ook in zijn jongste bundel Uit Slaapwandelen, voortdurend bezig de starre vormen op een grilligpersoonlijke wijze te doorbreken, maar niettemin zijn juist deze traditionele vormen de onmisbare achtergrond waartegen zijn speelsheid zich als speelsheid kan aftekenen.
En dit alles is niet alleen een kwestie van vormen. In het gedicht ‘Indian Summer’ komen de inmiddels beroemd geworden woorden voor: ‘liever heimwee dan Holland’ (Marnix Gijsen heeft er reeds ‘Some Scholarly Comments’ aan gewijd). De attitude die hij hier aanneemt komt precies overeen met zijn prosodische attitude: hij houdt zich liefst zo ver mogelijk van de traditie (Holland) op, maar blijft er niettemin op betrokken (heimwee). Het is een attitude van
zich-op-een-afstand-houden, zich-zwevende-houden, die dan ook aan zijn hele poëzie, naar de vorm zowel als naar de inhoud, iets zwevends meedeelt. Naar de vorm: het ironische spel met de traditie, zonder deze ooit geheel los te laten. Naar de inhoud: men lette eens op hoe vaak Vroman woorden als zweven, wiegen, deinen, of woorden met soortgelijke gevoelswaarde gebruikt; en dat niet alleen: het wereldbeeld dat er uit deze verzen spreekt is al evenzeer ‘zwevend’, een wereldbeeld dat hij zelf karakteriseert waar hij schrijft:
Zijn waarheid, zijn wereld is een ‘beeld van rook’, een wereld van schijngestalten die even gemakkelijk ontstaan als weer oplossen; een wereld zonder ‘vastigheid’. Panta rhei: zoals woorden, regels nu eens uitdijen dan weer inkrimpen, zelfstandige naamwoorden in werkwoorden verkeren en omgekeerd, zo glijden ook figuren, gestalten, mensen, wolken en dingen voortdurend in elkaar over. Mensen veranderen in lucht of water, een gezicht is een kleurvlek (een ‘schijf huidkleurig licht’) of een kneedbare substantie waar men van alles van maken kan, een papje bijvoorbeeld:
Individuen vallen tot veelheid uiteen en de veelheid groeit ineen tot één enkel individu:
Materie lost op in niets, in schijn, en geestelijke, psychische werkelijkheden worden op de meest onthutsende manier materie:
of:
Het gedicht zelf is voor Vroman iets onwezenlijks, iets tussen ‘gesprek en spook’, iets dat noch tot het leven noch tot de dood behoort, maar tussen beide in zweeft:
Maar is er in deze zwevende, deinende, voortdurend veranderende wereld dan geen enkel vast punt? Ja: Vroman:
Maar het is inderdaad een ‘dodelijk vrezende’ Vroman, die geheel alleen - een solipsistisch dichter - de last van een zinloze wereld, waarin alle waarheid rook is, moet torsen.
Vandaar zijn wanhopige pogingen om de lezer als het ware lichamelijk te bereiken, vandaar het zich emotioneel vastklampen aan wat hem het naast is, wat hem nog enige continuïteit biedt: vrouw en gezin; vandaar zijn voorliefde voor lieve woordjes, diminutiva: woorden die als het ware een klein, persoonlijk holletje scheppen in een chaotische, ongrijpbare wereld. Maar vandaar ook, dat deze op het eerste gezicht zo speelse en nonchalante poëzie in wezen een poëzie is, doortrokken van een krankzinnige doodsangst; zijn humor is, méér nog dan die van Achterberg, een ‘humor op leven en dood’, het laatste wapen van de geest in een absurde wereld die maar één werkelijke zekerheid kent: de dood. Meer nog dan in
voorgaande bundels is in Uit Slaapwandelen de dood in het centrum van zijn poëzie komen te staan en tot een obsessie geworden, waar de humor soms nauwelijks nog tegenop kan. Maar het resultaat van deze bijna lichamelijke worsteling met de dood is dan ook een van de oorspronkelijkste, indrukwekkendste en fascinerendste bundels die er sedert lange tijd verschenen zijn.
(1958)