Elke revolutionaire vernieuwing in de poëzie leidt in de litteraire belangstellingssfeer tot een enigszins star zwart-witschema; een dichter behoort tot de ‘nieuwen’ of tot de ‘ouden’; de onafhankelijken, zij die een eigen weg gaan, raken enigszins in de verdrukking. Zij immers ‘representeren’ niets, zij zijn alleen maar zichzelf; maar in tijden van revolutie denkt men nu eenmaal niet in personen maar in ‘ideeën’, treedt niet de individuele nuance, niet het onderscheidende kenmerk, maar het bindende, het generaliserende kenmerk op de voorgrond. De dichter wordt in eerste instantie beoordeeld naar de idee waarvan hij ‘representant’ is - in onze tijd bijvoorbeeld naar de ideeën ‘traditioneel’ en ‘experimenteel’.
Tussen zwart en wit, tussen rood en wit, tussen pro en contra worden de nuances doodgedrukt, geabsorbeerd, leeggezogen of ‘weggezuiverd’: dat is de dialectiek van iedere revolutie, op het politieke evengoed als op het culturele vlak. Daar komt bij, dat in het revolutionair perspectief het zwart-witschema tevens een tijdelijke relatie gaat vertonen: de revolutionaire groep is historisch ‘vóór’, de conservatieven of traditionelen zijn ‘achter’; het gevolg is dat elke zelfstandige nuance, elke onafhankelijke uiting gesitueerd wordt op een lijn, die loopt van het ancien régime naar de revolutionaire groep, van de traditie naar de avantgarde, m.a.w. iedere zelfstandige uiting, die afwijkt van de traditie maar niet precies bij de ideeën van de revolutionaire groep aansluit, maakt de indruk van iets halfslachtigs, van half werk: men spreekt van ‘meelopers’, van ‘medereizigers’ - terwijl deze mensen in werkelijkheid misschien een heel andere richting uit reizen. Maar in het zwart-wit-achter-vóórperspectief maken deze zelfstandigen de indruk van lieden die halverwege de lijn van ‘oud’ naar ‘nieuw’ zijn blijven steken.
Dergelijke generalisaties en zwart-witschema's zijn noodzakelijk en nuttig; zonder eenzijdigheid en generalisaties geen evolutie, geen ontwikkeling; en op het culturele, het ‘geestelijke’ vlak trouwens treedt er spoedig genoeg weer een evenwichtstoestand in die tot een genuanceerder oordeel leidt (op het politieke vlak, waar de revolutie een verbintenis met de materiële macht aangaat, speelt de wet van de traagheid, waaraan alle materie onderworpen is, een grotere en voor de betrokkenen noodlottiger rol).
Al is de rol van de ‘experimentele poëzie’ nog lang niet uitgespeeld,
de zwart-witfase schijnt wel langzamerhand ten einde te lopen; men kan zich trouwens, nu de betekenis van de experimentele poëzie vrijwel allerwegen erkend is (ook al is het met voorbehoud), een genuanceerder oordeel veroorloven. De ‘experimentele revolutie’ is haar tweede fase ingegaan; de bindende ‘idee’ (het is overigens nauwelijks een bewuste idee geweest) raakt op de achtergrond, de individuele dichterpersoonlijkheden komen meer op de voorgrond; de ‘theorie’ (ook alweer niet altijd een erg bewuste aangelegenheid) maakt plaats voor de praktijk. Maar waar het accent weer meer op de individualiteit begint te vallen, treden ook andere figuren, die in het zwart-witschema niet geheel tot hun recht waren gekomen, duidelijker naar voren, niet als ‘medereizigers’ of ‘halve’ experimentelen, maar als dichters die van het begin af aan hun eigen weg gegaan zijn.
Tot deze figuren van de ‘derde weg’, om het zo maar eens uit te drukken, behoren twee dichters die ongetwijfeld tot de belangrijksten onder de modernen gerekend moeten worden: Guillaume van der Graft en Hans Warren, beiden voortgekomen uit wat na de oorlog de ‘Columbus’-groep heette. Men kan van Van der Graft eigenlijk niet zeggen dat hij onvoldoende aandacht heeft gekregen, en Hans Warren heeft zich betrekkelijk laat volledig als dichter ontplooid; maar het aanzien dat Van der Graft geniet berust toch, meen ik, voor een belangrijk deel op zijn protestants-christelijke inslag: zijn populariteit is althans het grootst in protestants-christelijke kringen, hetgeen bewijst dat deze niet in de eerste plaats uit zijn poëtische kwaliteiten als zodanig voortkomt, m.a.w. dat hij als dichter miskend wordt - zowel in eigen kring (waar een deel van zijn ‘publiek’ hem waarschijnlijk meer als dichtende predikant dan als dichter apprecieert) als daarbuiten. En Hans Warren heeft men, misschien uit onbekendheid met zijn vroegere werk dat weliswaar ‘traditioneel’ is maar waarin men de stijlkwaliteiten van de latere Warren toch reeds duidelijk herkent, ten onrechte als een late meeloper van de experimentelen gedoodverfd. In werkelijkheid nemen beide dichters, als typische ‘modernen’, een geheel zelfstandige plaats in naast Andreus, Lucebert of Elburg, een plaats die niets met de tegenstelling experimenteel-traditioneel te maken heeft (want men kan op meer manieren modern d.w.z. on-traditioneel zijn dan op de experimentele manier: de ‘experimentelen’ zelf ontwikkelen zich steeds weer in verschillende richtingen).
In zijn laatste bundel Woorden van brood is Guillaume van der Graft inderdaad ‘christelijker’ dan ooit, maar dat is geen reden om hem in een bepaald hoekje te duwen; men behoeft geen protestant en zelfs geen christen te zijn om door de ‘Liederen voor de gedach-
tenis des Heren’ getroffen te worden. Misschien moet men zelfs geen christen zijn om deze poëzie zuiver als poëzie te waarderen (hetgeen overigens niet de bedoeling van de dichter is: hij wil immers dat zijn woorden ‘als brood’ genuttigd worden, dus een geestelijke, i.c. christelijke, spijziging betekenen; maar laat ik ter geruststelling zeggen dat ik onder ‘poëzie’ ook niet alleen maar taalkunst versta). Van der Graft, die zich in voorgaande bundels nogal eens tot een weliswaar charmant maar de eenheid van vorm en inhoud verbrekend ‘poëtisch goochelen’ liet verleiden - hij heeft ergens iets van een Cocteau in zich -, is in deze bundel tot een eenvoud en limpiditeit gekomen die hem (om nogmaals een vergelijking met de Franse poëzie te trekken) zeer dicht in de buurt van de latere Eluard brengt, van wie hij trouwens ook wel enige invloed ondergaan schijnt te hebben, vooral merkbaar in de suite ‘Mei’. Zoveel helderheid en eenvoud met zoveel geestelijke diepgang te kunnen verbinden is op zichzelf al een ongewone prestatie; wat deze poëzie echter dubbel opmerkelijk maakt en haar een werkelijk unieke plaats in de gehele moderne Nederlandse poëzie geeft, is de krachtige, positieve toon van levensaanvaarding en levensvreugde waarvan zij doorstroomd is - een toon die sedert de romantiek in de poëzie eigenlijk ‘taboe’ is:
Of in ‘Ochtendgebed voor als het nog donker is’, misschien wel het mooiste gedicht uit deze bundel, maar helaas te lang om in zijn geheel te citeren:
De dichters van de Columbus-groep hebben zichzelf indertijd aangeduid als dichters van het ‘klein geluk’. Men zou bijna zeggen dat dit kleine geluk intussen tot een groot geluk is uitgegroeid, want ook de poëzie van Hans Warren kenmerkt zich sedert zijn bundel ‘Leeuw Lente’ door een levensvreugde en een diep geluksgevoel dat alle grenzen doorbreekt, alle melancholie (die als ondertoon aanwezig blijft) overspoelt. Het is een levensvreugde die minder robuust, minder mannelijk en zelfverzekerd is dan die van Guillaume van der Graft, maar daarentegen feller, brandender, hartstochtelijker; zijn poëzie doet, ook in haar weelderige plastiek, soms sterk aan de oude Moors-Andaloesische poëzie denken (die echter, anders dan de modernistische poëzie van Warren, aan strenge formele regels gebonden was). Een vergelijking die overigens voor de hand schijnt te liggen, waar Warren vooral in zijn laatste bundel Saïd een zeer nadrukkelijk gebruik maakt van Arabische en oosterse motieven in het algemeen; maar het is een verwantschap die verder reikt dan het ‘motief’ alleen. Er ligt in deze poëzie iets van de op verpuurde (wat heel iets anders is dan ‘vergeestelijkte’, d.w.z. ont-zinnelijkte!) zinnelijkheid berustende mediterrane helderheid, die Marsman, de romantische barbaar uit het
noorden, nooit heeft kunnen bereiken - getuige het soldateske slotstuk van zijn ‘Tempel en Kruis’: ‘Wie schrijft, schrijv’ in de geest van deze zee / of schrijve niet...,’ waarin hij blijk geeft verder dan ooit van deze geest verwijderd te zijn. De poëzie van Hans Warren echter heeft heel de sensuele verfijning en gratie, het gevoel voor luxe en pracht, voor wreedheid en lucide ekstase die kenmerkend voor de mediterrane volkeren zijn: het is bijna onbegrijpelijk dat een Nederlands dichter, en nog wel een die, naar de flap van zijn bundel vermeldt, meer dan vijfentwintig jaar vrijwel onafgebroken in zijn geboortedorp Borssele gewoond heeft, zulk een poëzie kan schrijven! (Maar Zeeuwen schijnen in dit opzicht tot merkwaardige dingen in staat te zijn: men denke aan Boutens, wiens beeldspraak eveneens vaak een zuidelijke fonkeling heeft). Was ‘Leeuw Lente’ soms nog wat overladen en onevenwichtig, brooddronken bijna van zon en geluk, Saïd is aanzienlijk beheerster en geconcentreerder - beheerster niet in de zin van ‘bezonnener’, maar in de zin van helderder, scherper, lucider; het is of de ‘lente’-zon plaatsgemaakt heeft voor de gloeiende, loodrechte zomerzon: midi le juste.
Het lijkt mij na de verschijning van Saïd aan geen twijfel onderhevig dat wij Hans Warren als een van onze belangrijkste en origineelste moderne dichters kunnen beschouwen. Ik zou deze bewering graag met vele citaten willen staven, maar zijn beste gedichten zijn wat lang; ik volsta daarom met een enkel korter gedicht, het titelgedicht, over te schrijven, dat in ieder geval een goede indruk geeft van zijn schriftuur en beeldspraak:
(1958)