De experimentele poëzie, kan men zeggen, is zo langzamerhand in een ‘tweede fase’ getreden, waarin niet de bindende maar de onderscheidende kenmerken op de voorgrond komen te staan. Men kan op het ogenblik in het kamp van de experimentele jongeren (intussen al niet zó jong meer; maar waar de jongste, ‘post-experimentele’ generatie vooralsnog vrij kleurloos is, vormen de experimentelen nog altijd de vitale kern van de nieuwe poëzie) - men kan dus bij de experimentelen op het ogenblik reeds twee, misschien drie, verschillende stromingen onderscheiden.
In de eerste plaats is er de tegenstelling tussen een meer mystiek of metafysisch gerichte stroming, waarvan elk op hun wijze Hans Andreus en Bert Schierbeek wel de voornaamste representanten zijn, en een meer ‘diesseitige’, aards-humanitaire stroming die vooral door Gerrit Kouwenaar en Jan G. Elburg wordt vertegenwoordigd. Wil men een litterairhistorische achtergrond, dan kan men zeggen dat de poëzie van Andreus meer in de ‘lijn’ van A. Roland Holst ligt (wiens invloed op zijn latere werk onmiskenbaar is), terwijl de poëzie van Kouwenaar en Elburg meer verwant is aan de Amsterdamse school, de poëzie van de vroegere Den Brabander en Van Hattum, maar dan minus het anekdotische element (en, natuurlijk, plus de winst van het experimentele woordbesef en de zintuiglijke directheid van de experimentele poëzie). Lucebert, en op een heel andere manier ook Vinkenoog, schijnen een derde stroming te vertegenwoordigen; tot op zekere hoogte zou men Lucebert weliswaar tot de meer metafysische, Vinkenoog tot de meer aardse richting kunnen rekenen, maar het zou een wat gewrongen constructie worden: voor beide dichters is een bepaald profetisch, of althans opstandig, pathos kenmerkend dat als het ware vóór de dichotomie aards-metafysisch ligt.
Natuurlijk zijn dit zeer vage en onduidelijke formuleringen, maar het is nog te vroeg om deze accentverschillen reeds in duidelijke definities vast te leggen; en bovendien heeft een vage richtingsaanduiding het voordeel dat zij de individuele verschillen niet verdoezelt, die voorlopig poëtisch belangrijker zijn dan de richtingsverschillen: er is op het moment nog nauwelijks sprake van een bewuste, theoretisch gefundeerde antithese tussen een ‘aards’ en een ‘metafysisch’ kamp. En wanneer ik Kouwenaar en Elburg hier tezamen bespreek als representanten van de aards-humanitaire
richting, dan wil daarmee niet gezegd zijn dat zij gezamenlijk en welbewust een factie binnen de experimentele poëzie vertegenwoordigen, noch ook dat hun poëzie zoveel innerlijke gelijkenis zou vertonen dat men er ‘vanzelf’ toe komt beide dichters in één adem te noemen. Als dichters verschillen zij aanzienlijk in toon, ritme en plastiek; Kouwenaar is droger, nuchterder, beschouwelijker, Elburg onstuimiger, lyrischer, onmatiger, en ook sensueler en robuuster, hetgeen overigens niet altijd positieve kwaliteiten hoeven te zijn: een zekere gezwollenheid enerzijds (al schijnt dit element gaandeweg af te nemen), een zekere vulgariteit anderzijds zijn Elburg niet vreemd. Maar, zegt hij zelf:
Kouwenaar maakt naast de wildeman Elburg de indruk van een keurig-nette, wat verlegen heer, en wanneer het primitivisme een wezenskenmerk van de experimentele poëzie was - zoals velen schijnen te denken - dan zou Elburg ongetwijfeld een ‘betere’ experimenteel zijn dan Kouwenaar. Het zal overigens wel waar zijn, dat de robuuste poëzie van Elburg de lezer meer ‘aanspreekt’ dan die van Kouwenaar: sinds de romantiek, en vooral sinds de dagen van het vitalisme en expressionisme, gelden de primitieve en vitale waarden nu eenmaal als poëtisch superieur per se; maar dit is een poëtisch gezichtsbedrog, en de experimentele poëzie is als zodanig ook nooit een reprise van het expressionistische vitalisme van Marsman geweest: daarvoor waren deze dichters tezeer geinteresseerd in de mogelijkheden van de taal, het woord, en het woord is ten slotte naar zijn wezen een geestelijke waarde. Weliswaar ging het interesse van de experimentelen vooral naar de zinnelijke kwaliteiten van het woord uit, echter niet om deze zinnelijke kwaliteiten als zodanig te exalteren, maar om de band tussen zinnelijkheid en geest te herstellen. Lag de geestelijke achtergrond van vitalisme en expressionisme in de Lebensphilosophie, die van de experimentele poëzie ligt meer in de sfeer van de existentiefilosofie - twee radicaal tegengestelde vormen van filosoferen.
Maar poëzie is geen filosofie, de ‘filosofische’ posities zijn in de poëzie minder sterk gemarkeerd, en al heeft de experimentele poëzie als geheel eerder een existentiefilosofische ondergrond, niettemin spelen ook resten van de Lebensphilosophie er nog een zekere rol in; en zo zou men om de verschillen tussen Kouwenaar en Elburg te karakteriseren kunnen zeggen dat Elburg dichter bij de Lebensphilosophie, Kouwenaar dichter bij de existentiefilosofie staat. De Lebensphilosophie brengt een zekere exuberantie mee, een exaltatie van de vitale waarden; zij staat in het teken van ‘meer’: leven - meer leven - meer dan leven. De existentiefilosofie staat in het teken van ‘minder’: er vindt een reductie van de volte van het leven naar de ‘naakte’ existentie plaats, een ‘Schwinden’ om met Rilke te spreken; de Lebensphilosophie is een uitstromen, naar buiten stromen, de existentiefilosofie een zich terugtrekken op de kern.
In poëtisch opzicht betekent dit laatste: versobering, en de poëzie van Kouwenaar - die zijn existentiefilosofische, of in zijn geval meer bepaaldelijk sartriaanse, bindingen in zijn poëzie overigens niet onder stoelen of banken steekt - is dan ook gekenmerkt door een toenemende versobering en versmalling: ‘ik wil mager zijn als mist’ schrijft hij op blz. 18 van zijn bundel Hand o.a. (Elburg daarentegen in De vlag van de werkelijkheid: ‘eerder meer wordend dan minder’). De pure vitaliteit, het leven als waarde op zichzelf, vervult hem met angst en walging:
Het zuivere fysische contact met een hand boezemt hem afkeer in, evenals de zinloze biologische volte van ‘vlees’ (blz. 18, 25) - de tegenstelling tot de poëzie van Elburg, die juist demonstratief allerlei voor onsmakelijk doorgaande fysiologische functies in zijn poëzie incorporeert, is duidelijk. Ik plaats ter vergelijking nog twee fragmenten tegenover elkaar, waaruit de fundamentele tegenstelling tussen de poëzie van Kouwenaar en die van Elburg voor wie kan luisteren wel afdoende blijkt. Kouwenaar:
Elburg:
Misschien is het dit verschil in filosofische achtergrond dat maakt dat de poëzie van Elburg, die trouwens een paar jaar ouder is dan Kouwenaar, een wat ‘ouderwetse’ indruk maakt en ondanks een nadrukkelijk ‘geëxperimenteer’ in wezen meer aan het oude expressionisme dan aan de experimentele poëzie verwant lijkt. Waarmee ik overigens noch bedoel dat zijn poëzie daarom ‘minder’ zou zijn (het gaat alleen om een typering), noch ook dat de richting waarin de poëzie van Kouwenaar zich ontwikkelt de enig-mogelijke ontwikkelingslijn van de experimentele poëzie zou zijn. Dit laatste geloof ik zelfs zeer bepaald niet: het gevaar dat de poëzie van Kouwenaar bedreigt is, dunkt mij, dat van een tekort aan poëtische spanning; soberheid kan heel gemakkelijk in simpelheid ontaarden (men zie een gedicht als ‘een huis’ op blz. 14/15 van Hand o.a.), en de ‘kern’ in het hier-en-nu van de dagelijkse realiteit, misschien een op een nieuwe en zeer intense manier beleefde realiteit, maar niettemin een realiteit van het platte vlak. Maar dit zijn theoretische overwegingen die op het ogenblik eigenlijk niet ter zake doen. Het verschil nu, dat er te constateren viel tussen de poëzie van Elburg en die van Kouwenaar, werkt ook daar door waar zij allebei een overeenkomstige ‘richting’ binnen de experimentele poëzie vertegenwoordigen, nl. wat ik de aards-humanitaire richting noemde. Nu moet men bij ‘humanitair’ niet direct denken aan het humanitarisme van na de eerste wereldoorlog, toen de mensheidsgedachte op de voorgrond stond; voor Kouwenaar zowel als Elburg is de mensheid een nietszeggende abstractie, het gaat hun om levende, concrete mensen. Hun poëzie wil een poëzie zijn van de mens onder mensen, van mensen in hun natuurlijke en sociale verbondenheid; zo schrijft Elburg:
En Kouwenaar schrijft in zijn bundel reisgedichten De ondoordringbare landkaart:
Dit in tegenstelling, enerzijds tot Andreus, die de waarheid àchter de werkelijkheid zoekt, anderzijds tot Lucebert, die de werkelijkheid in mythische, apocalyptische proporties ziet en de mensen niet in hun concrete, alledaagse werkelijkheid, maar als exponenten van buitenwereldse machten, van goed en kwaad, van dood en vruchtbaarheid. Maar al staan Kouwenaar en Elburg hier dan op gemeenschappelijk terrein, al zoeken zij beiden het ‘gewone’ leven (het woord ‘gewoon’ komt vooral bij Kouwenaar herhaaldelijk voor, reeds als titel van een van zijn vroegste gedichten), het verschil in benadering van dit gewone menselijke leven blijkt reeds wanneer we de regel van Kouwenaar ‘ik ben bang voor een handdruk’ vergelijken met die van Elburg: ‘het is zijn hand, die goed is om te hebben’. De menselijke gemeenschap, die voor de vitalist Elburg als het ware een biologische vanzelfsprekendheid is, is voor de existentialist Kouwenaar een probleem. Elburg voelt zich direct en vitaal met de medemens verbonden; de geestelijke waarden vriendschap, liefde, politieke strijd en verbondenheid komen voort uit de dialectiek van het leven zelf: leven - meer leven - meer dan leven. Kouwenaar begint met een reeks vraagtekens te plaatsen:
en hij ervaart de daadwerkelijke verbondenheid met de medemensen voornamelijk daar, waar het vitale elan tot een minimum gereduceerd is (waar er dus geen sprake is van een ‘meer’, maar van een ‘minder’):
Kouwenaar is cerebraler, problematischer dan Elburg; voor Elburg staat de medemens als het ware open: je kunt er zo in binnenwandelen; voor Kouwenaar is de medemens een ommuurde vesting die veroverd moet worden - maar die niettemin veroverd kàn worden:
(1958)