|
|
|
| |
| | | |
Vertrouwelijke naamgeving(*)
De naam die we bij onze geboorte meekrijgen, is meer dan een administratieve
persoonsaanduiding. Hij is ook een element van onze taal, een woord dat in
het dagelijks gesprek verschillende vormen kan aannemen en doorgaans zelfs
meer dan een gewoon woord vatbaar is voor allerlei variaties. Dat vloeit
voort uit het specifiek karakter van de persoonsnaam, die o.m. dient om de
persoon direkt aan te spreken en die aldus, zonder gevaar voor misverstand
of zonderlingheid, een grotere vrijheid biedt om onze wisselende
gemoedsstemmingen en gevoelens ten opzichte van die persoon in de
benoemingswijze zelf te laten meespreken. Zo komt het ook dat
eigenaardigheden uit de kindertaal sterker nawerken in de naamvormen dan in
de gewone woordenschat. Als een kind b.v. di, of didi, zegt (of nazegt) als het wil
‘drinken’, dan zal het na korte tijd automatisch
overschakelen naar het courante taalgebruik van zijn omgeving en die
kinderlijke woordvorm spontaan vervangen door de daar traditioneel gangbare
uitdrukking(en). Bij uitzondering kan di(di) later nog
eens gezegd worden, als men wil schertsen of kinderlijk wil doen. Maar in
toepassing op een ‘Dirk’ is de verkorting Di, met geredupliceerd Didi, een variant die het
veel langer kan uithouden en zelfs in de familiariteit van gezin en vrienden
een leven lang kan meegaan.
| | | |
De kindertaal ligt aan het begin van het individuele taalgebruik en is ook
een van de belangrijkste bronnen voor het opkomen van naamvarianten. Andere
bronnen daarvoor zijn de groepstalen of sociolekten van huiskring en van
familie in ruimere zin, van school- en spelgenoten, leger, werk- en
ontspanningsmilieu, kortom de familiare of gemeenzame taal van alledag.
Daarom spreken we van familiare naamvarianten of familiarismen. Eigenlijk is
dat een verzamelterm voor een bonte verscheidenheid van vormen die alle als
gemeenschappelijk kenmerk een vertrouwelijk karakter vertonen. Het zijn
stilistische varianten die met de zakelijke (neutrale of
referentiële) aanduiding van de persoon ook de momentele houding
van de spreker weergeven: zijn stemmingen en gevoelens op het ogenblik dat
de naam wordt uitgesproken. Die kunnen affektief van aard zijn, of
gekenmerkt worden door goed of kwaad humeur, scherts of spel, waardering of
kleinering, ironie enz. De hele gamma van expressies vindt haar weerklank in
de naamvarianten, die uit dit bepaald standpunt dan ook
‘expressieve varianten’ worden genoemd. Daarbij kan elke
vormvariant, naar gelang van de omstandigheden en de kontekst, verschillende
van die expressieve waarden aannemen, die dan vaak door verschillende
intonatie worden vertolkt. Een scheldwoord kan liefkozend gebruikt worden en
omgekeerd krijgt een troetelwoord soms de funktie van scheldwoord of
minachting. De grenzen zijn niet scherp genoeg om de verschillende soorten
van expressieve varianten op grond van hun inhoud of kleur duidelijk van
elkaar te scheiden. Naast dominante zijn er steeds latente kenmerken die als
wisselende facetten in elkaar vloeien en om beurten in het licht treden.
Termen als vleinaam of troetelnaam b.v.,
in vaktaal hypokoristische naamvorm (naar het Grieks),
geven letterlijk slechts één bepaald aspekt van
expressiva weer, maar worden in feite vaak bij uitbreiding toegepast op
varianten die ook buiten het strikt affektieve taalgebruik gangbaar zijn.
Een ander standpunt gaf aanleiding tot de term lalnaam
(eventueel bakernaam), die geïnspireerd werd
door het lallen of spelen met klanken bij de aanvang van de kindertaal, in
de maanden vóór de eigenlijke taalverwerving. Het
onderscheid tussen lalnamen en vleinamen is echter te vaag en onzeker om als
vaste basis van indeling te kunnen gelden. Daarom verkiezen we de termen expressiva, of familiarismen, die een
ruimere inhoud hebben en beter de complexiteit van het verschijnsel
weergeven. En als criterium voor de beschrijving van hun ontstaan en
evolutie nemen we liefst de vormkenmerken, | | | | de formele
bijzonderheden die, anders dan de ineenvloeiende stijlwaarden, volkomen
duidelijk en doorgaans ondubbelzinnig van elkaar te onderscheiden zijn.
Familienamen blijven hier buiten beschouwing. De veranderingen die daarin
voorkomen zijn immers van dezelfde aard, maar minder talrijk dan bij
voornamen. Stilistische verschillen in plaatsnamen worden beter afzonderlijk
onderzocht.
| | | |
1.1.
Het eerste en belangrijkste vormkenmerk van vertrouwelijk taalgebruik
in 't algemeen is de woordverkorting. Wie bib zegt
voor ‘biblioteek’ is ongetwijfeld een student,
of iemand die studentikoos wil doen. Buiten de vertrouwde kring
gebruikt men normaal het traditionele woord, zonder verkorting. Dat
geldt ook voor de naam en wel in zulke mate dat de meest gebruikte
ook doorgaans het meest verkort wordt. Spreekt men toevallig over
Napoleon, dan laat men de naam zoals hij is. Maar wordt op school
een leraar Napoleon genoemd, dan kan die in de
dagelijkse gesprekken der leerlingen al vlug Nappeke heten. Uit ervaring weten we allen dat een naam in
dagelijks gebruik gemakkelijk verkort wordt en dat ook omgekeerd een
naamverkorting alleen in vertrouwelijke omgang plaatsheeft. De
eerste keer dat men een Johannes of een Johan Jan
genoemd heeft, deed men dat uit een gevoel van familiariteit. Door
herhaalde toepassing in verschillende gezinnen en verschillende
generaties werd Jan een courante naamvorm en als
zodanig opgenomen in de traditie, met het gevolg dat het familiaar
karakter ervan verdween en dat daarvoor andere varianten in de
plaats konden komen. Als men nu iemand die ‘Jan’
heet met Johannes aanspreekt, dan is dat duidelijk
een teken van speelse familiariteit en genegenheid. Zo kan een
vertrouwelijke variant door toenemende frekwentie een vaste naam
worden en een traditionele naamvorm door afnemende frekwentie de
funktie van familiare variant gaan vervullen. In dat opzicht is de
evolutie van de naamgeving en de naamvorming een uitermate dankbaar
studieobjekt om een beter inzicht te verkrijgen in het fundamentele
probleem van taalverandering in 't algemeen, omdat in
taalverandering dezelfde krachten werken als in naamverandering,
maar minder vlug en niet zo opvallend duidelijk.
We keren nu terug naar het procédé van de
verkorting, dat in zijn eerste toepassingen, zolang het als
verkorting wordt aangevoeld, in se een familiariserende waarde
heeft.
| | | |
Gewoonlijk wordt de aard der verkorting (in meerlettergrepige namen)
bepaald door de aksentuering, maar dat is geen absolute regel. Naar
gelang van het deel dat wordt weggelaten, onderscheiden we
verschillende types: verkorting vooraan (aferese), achteraan
(apokope), of binnen in de naam (synkope), soms zelfs in
verschillende delen tegelijk. Het resultaat is
één- of tweelettergrepig en bevat meestal de
hoofdtonige syllabe, of de hoofdtonige vokaal met konsonanten uit
verschillende syllaben. Voorbeelden liggen voor het grijpen. Ik noem
slechts van het eerste type, met aferese: (Au)gust, (Gu)staf,
(Adri)jaan, (Ma)thilda. Van het tweede type, met apokope:
Lode(wijk), Ludo(vic), Nic(olaas), Clem(ent), Bea(trijs). Van het
derde type, met synkope of sterkere samentrekking: Pe(t)er,
Geu(ve)rt, J(os)ée. Met reduktie van begin- én
eindsyllaben: (Fran)cis(cus), (Se)bas(tiaan). In zo'n tweeledige reduktie kan echter de
verkorting in twee stadia voltrokken zijn, door successieve
toepassing van beide eerstgenoemde types, eventueel in verschillende
volgorde: eerst Francis(cus) resp. (Se)bastiaan, dan (Fran)cis resp.
Bas(tiaan). Dat is zeker het geval met Do, dat niet direkt uit (Lu)do(vic) is ontstaan, maar wel in een tweede fase uit daaruit
verkort Ludo (met aksent vooraan!) is
voortgekomen.
Ook bij de samentrekking, in het derde type, moet men rekening houden
met mogelijke tussenstadia. Josée kan
wel ineens Jée gegeven hebben, maar in
concreto zal men haar als kind misschien eerst Josée-ke genoemd hebben en deze vrij lange
naamvorm kon dan gemakkelijk, in uiteraard veelvuldig en affektief
gebruik, tot Jée-ke worden ingekort,
wat nadien met het opgroeien vanzelf Jée is geworden. Vooral drastische samentrekkingen
als Kees, uit Cornelis, zijn vermoedelijk het
resultaat van meerfazige verkortingen, uitgegaan van het diminutief
dat in de intimiteit van de eerste levensjaren vaak als dagelijkse
benoemingsvorm primeert boven de officieel geregistreerde naam. Een
Corneliske zou dan in speelse variatie via Kreliske/Kneliske, eventueel Keelske/Keeske (c.q. -je/-ie), tot Kees opgegroeid
zijn. Is Kees echter rechtstreeks uit Cornelis ontstaan, dan zal dat toch ook wel voor het eerst
in de kindertaal gebeurd zijn. De gewone verkorting heeft immers het
type Cor, of het type Nelis
opgeleverd.
| |
1.2.
Langere namen zijn uiteraard gemakkelijker vatbaar voor verschillende
vormen van af- of inkortingen, al dan niet variërend
volgens streek of tijd. Toen Bartholomeus nog als
voornaam gangbaar was, werd hij zowel tot Bartel
als tot Me(e)us verkort. Vandaar | | | |
familienamen als Bartels, Bertels en anderzijds
Mee(u)s, Meeuwis(sen). Dergelijke splitsingen
vormen een kleine minderheid in verhouding tot de andere types en
blijken in de dagelijkse omgang vlugger tot afzonderlijke namen
geleksemiseerd te worden (vgl. Cor/Nelis, Theo/Fiel,
Magda/Lena). Omdat beide naamdelen alleen historisch
samenhoren en het ene niet uit het andere is afgeleid, worden ze
slechts zelden als onderlinge varianten op een en dezelfde persoon
toegepast en kunnen ze van meet af, los van elkaar, gaan dienst doen
om eventueel gelijknamige personen duidelijker van elkaar te
onderscheiden.
Een grotere vormvariatie berust vaak op geografische en kronologische
verschillen, met wisselende betoning naar gelang van de wisselende
modes in de mondelinge naamgeving of het gebruik der namen. Het
Griekse Nikólaos, met variant Nikólas, kwam uit de Byzantijnse
traditie terecht in Zuid-Italië, vandaar in
Normandië, werd dan verder verfranst tot Nicolle(s), Nicholes(1) en
vernederlandst tot Nicol(e), Nicoel, met
verkorting Coele en afleiding Coelin,
Colen enz.(2). Gelatiniseerd Nicoláus werd met overgangsklank w of j geadapteerd tot mnl. Niclawes/Niclauus resp. Nicholais/Niclais (vgl. Niccholaius en
Niccolaio bij Brattö, t.a.p.). Uit de -au(u)-varianten ontstond dan mnl. Claus, uit
die met -ai- mnl. (vooral vla.) Claies; Clais e.a. Een derde type,
berustend op de lat. vorm, vertoont gerekte ā en blijkbaar ermee samenhangende reduktie van
de volgende u: vgl. in mnl. teksten Niclaeus/Claeus(3) en Niclaes/Claes, met limb. varianten
Nicloes/Cloes(4). Zo kwam men tot een
reeks van eenlettergrepige familiarismen: Cool, Claus,
Clais, Claes/Cloes, waarbij nog naast het type Clais ook Clai en Lai
optraden (dimin. Claykin, Laikin). Mogelijk zijn
de vormen met ae en ai mede
onder Franse invloed opgekomen: vgl. daar middeleeuwse spellingen
als (saint) Nicolas, | | | |
Nicollais, Nicolai(5)? De familienamen
Colaes en Laes lijken wel op
mfra. Col(l)as terug te gaan. De Latijnse (en
Franse) uitspraak, met aksent achteraan, kon in de Germaanse talen
tenslotte verder worden aangepast door verplaatsing van de klemtoon
naar de eerste syllabe, wat eventueel tot andere types van
verkortingen heeft kunnen aanleiding geven. In 't Nederlands is (Sint-)Nícolaas
vermoedelijk een zeer jonge vorm(6) en had de volle
naam vroeger uitsluitend het lat.-rom. finaal aksent. Ook ndl. Nic, of Nico, dat er formeel
direkt bij aansluit, is van jonge datum. Daarentegen is die
aanvangsbetoning al sinds de middeleeuwen gebruikelijk in Engeland
(Nícholas/Nick, vgl. familienaam
Nixon) en in Skandinavië, b.v. in
de Deense ontwikkeling (ca. 1225-1355) Niclas
> Nicles > Nigles > Nig(e)ls
> Niels/Nils. Hieruit ontstond nog in
de tweede helft van de 14e eeuw een variant Nis(7), waarin
dus uiteindelijk alleen de hoofdtonige vokaal met begin- en
eindkonsonant zijn overgebleven, precies zoals in ndl. Kees uit Cornelis, dat echter niet door
klankwettige veranderingen maar door sterke samentrekking is
ontstaan. Wie de vele Nicolaus-varianten nader wil
bestuderen, zal misschien meer dan bij andere kristelijke namen
moeten rekening houden met mogelijke wisselwerkingen tussen de
traditie van de heiligennaam en de gewone naamgeving.
De verschillende types van verkortingen zijn naast of na elkaar o.m.
nog in volgende namen toegepast: Johannes, met
behoud van h in Hannes en Hans, later in h-loze dialekten
Jowannes > Wannes
(vgl. ital. Giovanni); intussen ook geapokopeerd
Johan waaruit al vroeg Jehan
en Jan, later zowel Jo als Han. - Jacob(us), op basis van de lat. vorm Kob(us) en (via 't diminutief) limb. Keup; nadien uit de ndl. vorm verkort Jaak en samengetrokken Jaap (in 't Deens al
15e-eeuws Jep en Ib door evolutie k >
g > i, vgl. de
fn. Ibsen). - Gerard, recent Ger tegenover verfranst (Ge)raar; mnl. Gheera(r)t > Geert en met eindaksent Gherae(r)d > limb. Graad. - Maria, enerzijds Ria, anderzijds
(uit de kindertaal) Maai(ke) en met kon- | | | | traktie Mia. - Margareta, mnl. Griet(e), later Greta, resp. Marga en Meta, uit ital. ook Rita.
| |
1.3.
Het procédé der verkorting leidt soms tot
verwarring van namen, omdat dezelfde vorm op verschillende namen kan
teruggaan, b.v. Jo verwijzend naar Johan of Jozef, Door uit Theodoor of Isidoor, Pol bij Leopold of Paul, Lia voor Emilia of Cornelia enz. Maar
zelfs zonder die overeenkomst in familiaar gebruik kon door
onachtzaamheid bij toekenning of registratie - vroeger wel meer dan
thans - sporadisch nog naamverwarring optreden, o.m. in gevallen
waar de respektieve namen dezelfde syllabe bevatten of enkele
klanken gemeen hadden. In een Boomse familie werd een man met name
Richard (1875-1924) altijd Charel genoemd en zijn zoon Richard
(1909-1965) werd officieel als Karel ingeschreven.
Zijn zuster Polien (1882-1947) was gehuwd met Denis, officieel Benoni
(1879-1973): op háar doodsprentje heten ze beiden Paulina en Denis, op
zíjn doodsprentje Benonies en Angelina; hun zoon Richard
(1911-1962) draagt jop zijn doodsbrief de namen Gerard Rozalia (vergissing van de drukker?).
| |
1.4.
Ook eenlettergrepige namen kunnen soms nog verkort worden. Dat
gebeurt echter speciaal in de kindertaal, waar een aantal
konsonanten (als r, s) of konsonantische
verbindingen doorgaans in om 't even welk woord worden weggelaten.
Zulke kinderlijke varianten zijn aanvankelijk meer affektief
gekleurd en meestal verdwijnen ze na enkele jaren. Als een grotere
Frans echter Fa wordt genoemd, een Dirk Di - of een Kristin Kitti - dan
is dat wel een overblijfsel uit de prille jeugd, toen de taal van
het peutertje nog zeer gebrekkig was en het ook in spontane
affektiviteit op die manier werd toegesproken. Zo'n
‘kozenaam’ krijgt soms zelfs door aanhoudend
gebruik een ruimer familiaar karakter en kan dan, evenals de andere
types van familiarismen, in een volgend stadium eventueel een vaste
naam worden. Dat kinderlijke naamtype vertoont een variant met
reduplikatie of verdubbeling van syllabe, b.v. Didi (Dirk), Deedee (André), Mimi (Marie), Bebet (Elisabet),
alom bekend in gewone woorden of appellatieven als kikin (kind), papa, mama, enz. Zulke
reduplikatie heeft vooral sukses in het Frans en de reden ervan ligt
waarschijnlijk in het feit dat konkurrerende types als diminutieven
daar minder gebruikelijk zijn geworden.
| |
| | | | | |
2.1.
Met de diminutieven komen we tot de tweede groep van familiarismen,
na de verkortingen, die welke door afleiding met suffiksen worden
gevormd. Vaak gaan beide procédés samen en
treden afleiding en verkorting tegelijk op, b.v. bij Jozef een diminutief Józefke
of Joke; bij fra. Joseph,
Jozéfke of Jefke, Joske
(telkens met ž-) enz. In de naamgeving
werkt het diminutief eerst verkleinend en vertederend, nadien ook
gewoon vertrouwelijk. Een voorbeeld van het daaropvolgende
eindstadium in de evolutiecyclus, nl. de integratie van de variant
als zelfstandige vorm in de namenschat, is o.m. de vrouwelijke
voornaam Marijke die, evenals b.v. het appellatief
meisje, volkomen geïsoleerd is van
zijn grondwoord en dus niet meer als diminutief fungeert. Hetzelfde
gebeurt nog (in Nederland) op een andere manier, met het
feminiserende of moverende diminutief dat van mansnamen vrouwennamen
maakt, zoals van Hendrik Hendrikje (Stoffels), van
Jan Jannetje, van Klaas Klaasje
(Zevenster).
Typisch voor de gevoelstaal is de onderlinge variatie van
suffiksvormen. In een dialektsysteem waar een kleine voet normaal
voetsje en een kleine bloem bloemeke heet, kan kinderlijk-affektief voeteke en bloemsje gezegd worden, met
omwisseling van suffiksvariant, en verderop gaat het dan - met
suffiksuitbreiding of metanalyse - van voet-eke
naar knie-teke, of soortgelijke speelse formaties.
Het zijn uiteraard okkasionele vormen, soms slechts
ééndagsvliegen, die echter geregeld ook in de
naamgeving opduiken. Naast een systeem-gebonden brab. Jan/Janneke - zoals pan/panneke - staat
b.v. in vrije variatie Jantsje, Jansje, Ja(n)ke,
mogelijk ook *Jansjeke maar dat heb ik zelf nooit
gehoord.
| |
2.2.
De tegenpool van verkleining of diminutief is vergroting of
augmentatief. Daarvoor bestond vroeger in het Nederlands een suffiks
-in, dat ten dele nog voortleeft in brab. en
vla. -e(n). Vandaar afleidingen als Giele (Gielis resp. Guillaume), Frenne
(Frans), Nare (Bernard), War(r)e
(Edouard), Stanne (Constant), Monne (Raymond/Edmond) enz., speciaal bij mansnamen, en
daaruit ook in enkele appellatieven (b.v. ne lemme
= een groot lam). Zulke augmentatieven zijn echter op verschillende
manieren ontstaan, uit vroegere (-in) en jongere
diminutiefformaties (zie 2.3), en hebben dan
precies in oppositie daarmee een vergrotend karakter gekregen, om
tenslotte samen met de diminutieven in de groep der familiarismen
terecht te komen. | | | | Gewone verkortingen konden zich
daarbij aansluiten: Lode(wijk), Ede(waar), Melle(nie).
Sporadisch worden augmentatieven ook anders gevormd, b.v. door
afleidingen op -man: Janneman,
Rieman (Henri), Wieman (Louis). Een Janneman
voelt zich heel wat groter en belangrijker dan een Jantje, omdat hij
met die benaming opgenomen wordt in de kategorie der mannen, naast
een timmerman, voerman, groenteman.
Dezelfde funktie als -man heeft het suffiks -er in beroepsnamen en andere persoonsaanduidingen
(bakker, visser, brouwer, rakker, kleuter) en zo verschijnen naast
Rieman en Wieman ook
augmentatieve varianten van het type Rikker en Wieter/Lowikker/Wikser.
Een vierde augmentatiefsuffiks is okkasioneel ontleend aan lat.
vormen op -us. Naar het patroon van Riekus (Henricus), Gradus (Gerardus),
Dokus (Judocus), Kobus
(Jacobus), ontstond het type Nikus (Nicolaas) en
verder Fokus (Fons), Makes
(Herman), Fakkes (Frans), Wietus
(Louis), die sekundair op diminutieven of augmentatieven kunnen
berusten. Hier zien we hoe verkleining en vergroting in de
gevoelstaal nauw samenhangen en soms moeilijk te ontwarren zijn: Fokke (Fons) en Fakke (Frans)
zijn zowel diminutief (met kinderlijke reduktie van konsonanten) als
augmentatief. Alleen het genus is verschillend, want diminutieven
zijn hier onzijdig en augmentatieven mannelijk. Direkte afleiding
van diminutief naar augmentatief is duidelijk in gevallen als Ritsjes (Henri) en Witsjes
(Louis), die echter eventueel ook op kontaminatie van dim. Ritsje + augm. Riekus, resp. Witsje + Wietus kunnen berusten.
Een opvallend kenmerk van de Brabantse augmentatieven is hun
eigenschap om courant met het lidwoord gebruikt te worden. Meestal
zegt men: de Witte, de Wieman, de Wieter, de Wietus, de Witsjes. Een
traditionele naamvorm kan daar echter evengoed met het lidwoord
verbonden worden: de Louis, de Rik, de Jan. Een enkele maal is het
zelfs zo gesystematiseerd dat men met betrekking tot zijn eigen
ouders vertrouwelijk van de moe en de
va kan spreken. Gewoonlijk heeft een vrouwennaam echter
geen lidwoord. Door toevoeging van het lidwoord aan de algemeen
gangbare naam (de Louis) bekomt deze hetzelfde
effekt van familiariteit als de augmentatief-afleiding (de Witsjes enz.), maar hun gevoelswaarde is aanvankelijk
wel verschillend. Het type de Louis is een
lichtere of zwakkere vorm van augmentatief, omdat het lidwoord er in
de eerste plaats dient om de persoon in kwestie expliciet te
definiëren of expliciet als een goede | | | |
bekende voor te stellen. Wie over de Louis of de Rik spreekt, geeft daarmee uitdrukkelijk te
kennen dat hij een bepaalde Louis of Rik bedoelt en geen andere,
namelijk die welke tot zijn kring van kennissen behoort, of daartoe
gerekend wordt, en van wie hij weet of onderstelt dat de
gesprekspartner hem evengoed kent of uit de gegeven kontekst direkt
kan thuisbrengen. Het is soms zelfs een middel om indruk te maken en
iemand ten onrechte te doen geloven dat men met de bedoelde
(invloedrijke) persoon op vertrouwde voet staat.
Het gebruik van het lidwoord heeft bij een persoonsnaam dus enigszins
dezelfde determinerende en individualiserende funktie als bij een
soortnaam en het moet ook uit deze kategorie op die van de
eigennamen overgedragen zijn. Naar het voorbeeld van een huiselijke
mededeling als ‘de bakker is vandaag niet
gekomen’, zegt men ook ‘de Louis (resp. de
Wikser enz.) is vandaag niet gekomen’, om precies die
bepaalde Louis evenals die bepaalde bakker van de andere Louis of
bakkers te onderscheiden. In zulke kontekst zal trouwens het bepaald
lidwoord zelf in de Indo-europese taalgroep uit het demonstrativum
ontstaan zijn. En tegelijk illustreert dit voorbeeld hoe
appellatieven inwerken op persoonsnamen (vgl. ook augmentatief -er, -man), zoals ook in omgekeerde orde
persoonsnamen expressief inwerken op de appellatieve woordenschat,
vooral met betrekking tot mens en dier, soms toegepast op zaaknamen.
Dat gebeurt door appellativering van de naam zonder meer (b.v. een jan, piet, tist, stoffel, griet), ofwel door
suffigering van namen of antroponymische elementen (-rik, -aard, -hans, -piet, -mie enz.). In beide gevallen
gaat het om personifikaties, die in se augmentatieve varianten van
soortnamen vormen en als zodanig ook gemakkelijk een emotieve en
pejoratieve lading krijgen.
| |
2.3.
Een speciaal soort van afleiding volgt een tegenovergestelde
richting. In plaats van een suffiks toe te voegen wordt een
gesuffigeerde vorm verkort door gehele of gedeeltelijke weglating
van het suffiks. Dat noemt men regressieve of retrograde afleiding,
in 't Duits Rückbildung, in 't Engels back-formation. Op
deze manier ontstond een reeks van de al genoemde Brabantse
augmentatieven op -e. Uit verfranst Raymond ontstond verkort Mon,
progressief Mon-eke, vandaar regressief Mon-e. Dat type is samengevallen met -e, ouder -en, uit oorspronkelijk
diminutief -in. In Limburg is hetzelfde
procédé ondubbelzinnig herkenbaar aan de
umlautsvokaal, die normaal in 't | | | | diminutief thuishoort:
fra. Jean wordt daar Sjang,
diminutief Sjengske/Sjenkske, daaruit regressief
en augmentatief Sjeng (met š-, dž-, of ž-); Fernand wordt Nang → Nenkske
→ Neng; Armand > Mang → Menkske
→ Meng; Frans → Frenske → Frens; Jacob
→ Ke(u)pke → Ke(u)p(8).
In een volkskundige licentiaatsverhandeling over sagen uit de
Maasstreek(9)
vond ik de vrouwennaam Berbke met variant Bej. We kunnen die vormen vergelijken met het
ruimer bekende Maaike = Maria, met Hamonts
Deurke/Deuj (Theodoor), of te Leopoldsburg
Waaike = Edward(10), waarin telkens
r door j vervangen wordt.
Dat wijst onmiskenbaar op de kindertaal, want daar komt dat
verschijnsel regelmatig voor. Zoals Maaike soms
vergroot wordt tot Maai, zo zal ook Bej regressief uit een Bejke, Deuj uit
een voorafgaand *Deujke ontstaan zijn. Het
diminutief Beyken wordt als variant van Barbara verschillende keren aangetroffen in Antwerpse teksten uit de 17e eeuw(11).
De ‘moeilijke’ r wordt in de
kindertaal vaak niet gesubstitueerd door j (of l), maar gewoon weggelaten. Voor Erik geldt dan diminutief Eekske, vervolgens
Eek (meegedeeld door kollega H. Draye). In dit geval zit de -k al in het grondwoord en gaat het dus blijkbaar
om een samentrekking door synkope van r
(+ i). Soms echter verschijnt een -k onverwacht, als toegevoegd element, in
familiarismen van namen die zelf niet zo'n konsonant bevatten: b.v.
in Bek = Albert en Vrak =
Evrard, beide te Tongeren (volgens
mededeling van A. Stevens). Dit type
levert andermaal een duidelijk bewijs voor | | | | de
primordialiteit van het (kinderlijke) diminutief, want -k kan daar alleen uit dimin. -ke
overgebleven zijn(12).
De grootste variatie van zulke augmentatieve Rückbildungen
is waar te nemen bij de populaire voornaam Marie.
Daar heeft men blijkbaar van alle mogelijkheden gebruik gemaakt en
is de reeks kompleet: Mies, Miet, Miek, Miep, uit
de vier diminutiefsuffixen in Mie-sje, Mie-tje, Mie-ke, Mie-pje. De hele reeks is dus ontstaan door toepassing van een en
dezelfde regel. Op basis van de tweede syllabe (Ma)rie blijken alleen Riet en Riek ingang te hebben gevonden(13). Alleen deze
twee formaties beantwoorden trouwens aan de regels van de meest
gangbare diminutiefsystemen die van Rie normaal
tot Rie-tje of tot Rie-ke
leiden. De twee andere vormen, Rie-sje en Rie-pje, met regressief Ries en
Riep, zijn als sterk affektieve varianten best
mogelijk, maar voorzover ik weet nergens opgetekend. Mies en Miep zijn wel bekend en dat
lijkt erop te wijzen dat een meer gebruikelijke naamvorm (i.c. Mie) precies uit dwang van vernieuwing en
differentiëring ook een grotere verscheidenheid van
varianten moet opleveren dan een minder gebruikelijke (i.c. Rie). In historisch opzicht zou dan het aantal
varianten mede als maatstaf voor de populariteit van de naam kunnen
gelden.
Het sterk individualiserende karakter van de persoonsnaam, dat vooral
in steeds nieuwe affektieve varianten tot uiting komt, zorgt soms
voor merkwaardige verrassingen. Een mooi voorbeeld daarvan is de Sem, bijnaam van een zekere Herman in de streek
van Antwerpen. Thuis werd hij eerst ons (H)ermke genoemd, met hypokoristische
assimilatie onz-emmeke, en daaruit is hij dan
opgegroeid tot de Sem.
Dat zovele vormen ontstaan zijn uit diminutieven, uit de taal van en
tot het kind, hoeft ons niet te verwonderen. Iedereen begint eerst
te spreken in kindertaal, groeit van daaruit verder op in
vertrouwelijke taal en komt pas daarna terecht in de ruimere kring
van regionaal en algemeen taalgebruik. De studie van taalverandering
kan dus gerust diezelfde weg trachten te volgen. En daarvoor zijn
o.m. de familiarismen in de naamgeving bijzonder illustratief en
leerrijk.
| |
| | | | | |
3.1.
In volgorde van hun belang bespraken we eerst de types van
verkorting, daarna de types van progressieve en van regressieve
afleiding. De overblijvende gevallen vertonen, doorgaans met
verkorting en/of afleiding, allerlei verschijnselen die minder
systematisch optreden en meer van incidentele aard zijn. In de Sem hadden we al een voorbeeld daarvan:
verkorting, met regressieve afleiding, maar bovendien ook ongewone
voorvoeging van s-, (in dit éne geval)
voortgekomen uit voorafgaand possessief ons. Zo
zijn er heel wat types van naamvormen, waarvan afzonderlijke klanken
niet door de normaal geldende regels van verkorting of afleiding te
verklaren zijn. Die klankafwijkingen betreffen zowel de konsonanten
als de vokalen. In Sem is het speciaal de
voorgevoegde konsonant die als begeleidend of konkomitant
verschijnsel aan de verkorte en ‘regressieve’
vorm een bijzondere augmentatief-familiare kleur geeft. Als een
kleuter vraagt naar een spistolet, dan gebruikt
hij ook een vorm met voorgevoegde s-. Maar we zien
direkt dat hier een andere kracht werkzaam is dan in het geval van
Sem, nl. de tendens om een woord te laten
beginnen met dezelfde konsonant als die welke aan 't eind van de
syllabe of verderop in 't woord staat. Zulke anticiperende
gelijkschakeling op s vindt men o.m. nog in
kinderlijk seps uit dial. eps,
voor ‘hesp’, en zo gebeurt het in 't Antwerpse
dat volwassenen aan de gezellige koffietafel schertsend kunnen
spreken van een spistolet mee seps, wat dan voor
hen even smakelijk is als wanneer ze ‘op z'n
Hollands’ een broodje met ham zouden
vragen. De variant spose voor pose ‘portie’ is dialektisch in ruimer
gebruik doorgedrongen en we kunnen alleen maar vermoeden dat hij
voor het eerst, in diezelfde sfeer, als een lekkere smakelijke
portie in de mond werd genomen. Het is dan ook waarschijnlijk dat
dial. smossen < morsen en zwissen < wissen, zelfs ndl. slinks < links, door dergelijke vergissing -
eventueel buiten de kindertaal - zijn opgekomen en oorspronkelijk
als intensieven op ruimere schaal verbreid zijn.
Ik heb dat verhaal hier terloops ingelast, omdat zulke anticipatie
van konsonant ook en vooral optreedt in persoonsnamen en in velerlei
talen een middel is om okkasioneel - mét de gangbare
patronen van verkorting en afleiding - nieuwe en meer treffende
hypokoristika te vormen, die op hun beurt via familiarisering soms
zelfs tot nieuwe namen zullen evolueren. Aansluitend bij de
appellatieve voorbeelden met anticipatie van s
herinner ik eerst aan de alombekende vleinaam | | | | van
Elisabeth van Beieren. Volgens het traditioneel geldend systeem had
men daar alvast de keuze tussen Liese, Liesel of
mogelijk ook Li(s)si. Zij is echter als Sissi de geschiedenis ingegaan, dus met een naam
van het kinderlijke type die tegelijk reduplikatie vertoont. Haar
zuster Helene werd op precies dezelfde manier Nēnē genoemd, met een vleinaam
bestaande uit reduplikatie van de hoofdtonige vokaal en
geanticipeerde konsonant. Een soortgelijk proces resulterend in een
identiek reduplikatietype leidde o.m. in Zweden van Jenny tot hypokoristisch Nenne, in
Italië van Luigi tot Gigi en van Giuseppe tot Peppe (augmentatief Peppone), in 't
Nederlands van Erik tot Kiki.
Andere ndl. voorbeelden zijn, ditmaal zonder reduplikatie, Ida > Dida, Irma
> Mima, Katrine > Nine met dimin. Nienke, enz.
Vooral in Engeland hebben zulke hypokoristika veel sukses gehad.
Denk aan Anny > Nanny/Nancy, Andy > Dandy,
Eddy > Teddy, Betsy >
Tetsy, Helen > Nelly,
Roger > Dodge, Ricard
> Dick(ens), Robert > Bob. In 1829 werd de Londense politie
gereorganiseerd door Robert Peel, toen minister van Binnenlandse
Zaken. Het leksikaal gevolg daarvan is goed bekend: een agent is er
een bobby geworden, naar de voornaam van de
minister. Robert Peel had al vroeger zijn sporen verdiend in Ierland
en daar werd naar zijn familienaam een politieagent a
peeler genoemd(14).
In omgekeerde richting kunnen ook midden- of eindkonsonanten
gelijkgemaakt worden aan voorafgaande, b.v. van Hubert en augmentatief Bère naar
Bebbe. De Engelse koningin Elisabeth heette in
haar jeugd vertrouwelijk Lilibet. Blijkbaar heeft
daar ook reduplikatie van de hoofdtonige syllabe meegespeeld, wat op
zichzelf al het courante Lily heeft opgeleverd
(elders soms uit Emilie).
| |
3.2.
In deze voorbeelden konstateren we dus dat konsonanten van plaats
veranderd zijn, of op een andere plaats voor- of achteraan herhaald
worden. Behalve hun plaats in het woord zijn ze ook in zichzelf
vatbaar voor veranderingen. In de kindertaal is dat dagelijks waar
te nemen, vandaar leidt het soms tot expressieve varianten en
verderop eventueel tot familiarismen en zelfs tot nieuwe namen. Een
uitspraak japél in plaats van jawel is in de mond van een kleuter te wijten aan
een incidentele vergissing of nog onvoldoende ervaring, | | | |
waardoor frikatieven gemakkelijk vervangen worden door
korresponderende okklusieven. Het is een voorbijgaand verschijnsel,
maar soms laat het sporen na, zoals in de naamgeving, waar de
kinderlijke uitspraak van w met okklusief p of b als familiarisme kan
blijven gelden voor de opgroeiende knaap en eventueel als
individuele bijnaam in gebruik blijft voor de volwassene. Zo is het
gegaan in 't geval van een zekere Lowie die na ruim dertig jaar nog
de Pie wordt genoemd(15), terwijl anderzijds
meer dan één Wi(lle)m vertrouwelijk Pim heet en in Engeland nagenoeg voor elke
Will(iam) Bill kan gezegd worden. Parallelle
vervanging van f door p geeft
een enkele keer voor een jongetje Frans hypokoristisch Panneke, Pammeke, Pammy (te Herent), maar zijn naamgenoten
lijken in Friesland vrij courant Panne en in
Spanje zeer gewoon Paco of Pancho te heten. Het is zo goed als zeker dat zulke varianten,
die voortkomen uit de kindertaal, in hun oorsprong niet aan tijd of
plaats gebonden zijn - wat wel het geval is met andere
klankveranderingen. Zo kunnen middeleeuwse namen als Pippīn (> Pepijn),
Poppo, Steppo uit traditionele namen met w of f ontstaan zijn: Steppo uit Stephanus(16); Pippīn o.m.
uit Wil- of Wig- +
tweede lid -bald of -ber(h)t,
bij voorkeur met anticiperende assimilatie uit Wib(b)o,
Wip(p)o(17); Poppo eventueel uit Folk-ber(h)t.
Substitutie van frikatief door korresponderende of homorgane
okklusief is vrij gewoon en vloeit vanzelf voort uit de natuurlijke
rangorde van die klanken in het proces der taalverwerving, waarbij
over 't algemeen de minder gemarkeerde okklusieven vlugger worden
aangeleerd dan de meer gecompliceerde frikatieven. Andere
substituties bewijzen echter dat de gangbare rangorde geen absolute
regel vormt. Het hangt ervan af, in welke fase de naam toevallig
gefixeerd wordt. Gebeurt dat b.v. in een k-loze
periode, dan wordt k meestal door t vervangen. Betreft het echter een k-rijke
fase - eventueel na recente aanwinst en daarmee samengaande
proliferatie van k - dan kan deze klank als een
soort van archifoneem gaan dienst doen. Aldus is te Herent een Peter prompt (de) Kee geworden, tegen de normale rang- | | | | orde in, die van de tenues precies eerst p en t en pas daarna k
oplevert.
Soms wordt een stemhebbende konsonant vervangen door de
korresponderende stemloze. Verschillende faktoren komen daarbij in
aanmerking. Zo is de verscherping in vrouwelijk Sjos (Josephine) tegenover mannelijk Zjos
(Joseph), o.m. te Boom, te wijten aan
gewone assimilatie in een frekwente verbinding als ons
Sjos, tegenover mannelijk onze Zjos waar
die sandhiregel uiteraard niet van toepassing is. De vrouwelijke
naam is dan in die vorm veralgemeend om verwarring uit te sluiten.
Misschien is Hamonts
Set (Lisette) op dezelfde manier ontstaan, maar in
bovengenoemd mannelijk Sem moet de verscherping
van z tot s wel van meet af als
een expressief verschijnsel opgekomen zijn. Deze laatste naam bevat
bovendien een m uit -rm- en
levert dus tegelijk een voorbeeld van hypokoristische verkorting
door r-synkope, wat men eventueel ook
hypokoristische assimilatie kan noemen, hoewel deze term als
tegenhanger van de hypokoristische geminatie bij voorkeur te
reserveren is voor middeleeuws materiaal.
| |
3.3.
We zullen thans niet nader daarop ingaan, omdat we in dit overzicht
niet al te zeer in details mogen treden en nog een paar andere types
van familiarismen moeten vermelden. Evenals de konsonanten kunnen
immers ook de vokalen, zij het dan in mindere mate, een rol spelen
bij de onophoudelijke uitbreiding van de hypokoristische namenschat.
Vokalen zijn vatbaar voor veranderingen in lengte, of in timbre, en
bieden aldus in zichzelf of subsidiair verschillende mogelijkheden
voor potentiële vormvariaties. In oppositie tot Lode, of Nelis, is Lodde resp. Nelles, met verkorte vokaal,
een minder frekwente en dus sterkere variant die zelf als
augmentatief van Lode resp. Nelis kan dienst doen. Tegenover diminutief Lowieke staat augmentatief Lowikker met
-er-suffiks en tegelijk vokaalverkorting. In
omgekeerde richting bekomt men hetzelfde effekt: bij Fons, augmentatief Fokke, ontstond (te
Boom) een zeldzamere variant Fokus, met -us-suffiks en tegelijk gerekte vokaal. Elders is
Fons in de kindertaal Puns
geworden(18): daar is de vokaal kort gebleven, maar van | | | | kleur veranderd (en werd f andermaal
door p vervangen). Beide soorten van
vokaalverandering, zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve, vindt
men samen in een vorm als Joep, vgl. Joop en Jozef; voorts in eng. James/Jim (via Jamie, Jemmy,
Jimmy) enz.
| |
4. Verlenging en rijmspel.
Afwijkend van de algemene tendens tot verkorting en afleiding, worden
namen incidenteel verlengd of uitgerekt, speciaal in speelse
rijmformaties en roepvormen zoals Rikketik, Rikpetik
(bij Rik) en dergelijke meer. Zij hebben uiteraard
slechts een zeer beperkte geldigheid, maar in sommige types heeft het
rijmspel toch zoveel sukses dat het nieuwe hypokoristika en zelfs nieuwe
namen kan produceren. Er bestaat immers een mekanisme van rijmen met
alleen maar alternerende beginklanken, hetzij door samenvoeging van
afzonderlijk bestaande woorden (b.v. rollebollen),
hetzij door toevoeging van een fiktief element (b.v. honnepon(nig), hinkepinken). Toegepast op de naamgeving levert
dat vormen als Molliebollie voor ‘Maria
Bollen’(19), Zjeppe-Teppe, Janneke-Panneke,
Anneke-Tanneke, waarvan het tweede lid dan afzonderlijk kan
gaan optreden, b.v. in Tanneken en vandaar ook Tanmieken(20). Vooral in Engeland heeft zulk rijmspel produktief
gewerkt; vgl. bij Robert: Rob, Hob, Nob, Dob en laatst
van al met anticipatie Bob; bij Margaret: Meg(ge) en Peg(gy), Mog(ge) en Pog(gy) enz.(21).
| |
5. Substitutie.
Met dat alles zijn de mogelijkheden van familiare naamvariatie nog niet
volledig uitgeput. In plaats van een gegeven naam in vorm of | | | | klank te wijzigen, gebeurt het tussendoor dat een naam vervangen
wordt door een andere, om dezelfde stemming toch weer eens anders dan
gewoonlijk te laten aanvoelen. Een meisjesnaam krijgt b.v. okkasioneel
een variant ontleend aan een korresponderende jongensnaam, wat in feite
overeenkomt met de genusverandering die soms in augmentatieven optreedt.
Paula wordt dan Polle, Frieda Fritz;
in zo'n geval kan ook het lidwoord eraan toegevoegd worden, wat bij
echte vrouwennamen zelden of nooit voorkomt. Een enkele maal gaat het in
omgekeerde richting, b.v. als een Geert (m.) speels met Gerarda wordt aangesproken. Ofwel gebruikt men (schertsend)
een leenwoord, als Jean voor Jan, of een willekeurige
andere naam, als Lowieke voor Frederik. Maar zulke
uitingen van familiariteit blijven uiteraard beperkt tot situaties
waarin men zich rechtstreeks tot de persoon zelf richt. Zij zijn even
vluchtig als hun klanken en toch behoren ze tot het register dat de taal
verlevendigt en de vriendschap bevestigt met een onverwachte,
verrassende begroeting. Wordt de naam vervangen door een appellatief,
b.v. zus of broer, dan bestaat de
kans dat die benaming langere tijd in de familie blijft gelden en als
echte naam gaat dienst doen. De volgende stap in de evolutie is dan dat
die specifiek familiale benaming geïntegreerd wordt in de
groep van gangbare voornamen en van bij de geboorte als
officiële naam aan het kind wordt gegeven. Vandaar b.v. de
Skandinavische voornaam Broder, Bror (misschien ook
Bo), de Friese voornamen Broer
(Broar) en Suster, zelfs Broerkje als meisjesnaam met moverend diminutief(22). In andere richting is het huiselijke
‘broertje’ al tijdens de middeleeuwen
geëvolueerd tot boeleken en boel, eng. boy, fri. boi,
boije, mogelijk nog vroeger tot hgd. Bube, ndl.
boef(je).
Zo heeft een soortnaam, als individuele eigennaam toegepast op
afzonderlijke jongetjes, nieuwe woorden voor ‘knaap’
en voor ‘liefje’ voortgebracht en in laatstgenoemde
betekenis verder een verglijding in pejoratieve zin meegemaakt. In
dezelfde sfeer worden talloze troetel- en scheldwoorden, van
appellatieve of propriale herkomst, als affektieve aanspreekvormen en
eventueel als okkasionele of zelfs vaste vervangingsnamen gebruikt. Zij
behoren eveneens tot de familiare naamgeving, maar vormen een apart
hoofdstuk dat hier niet nader wordt uitgewerkt.
| | | |
Het lag immers in de bedoeling, alleen maar een algemeen overzicht te
geven van de verschillende (inz. Brabantse) vormtypes en
kategorieën van familiarismen, dat tevens nuttig kan zijn om
praktische moeilijkheden van identifikaties via bepaalde mechanismen te
helpen oplossen en om de evolutie van traditioneel naar vertrouwelijk en
vooral van vertrouwelijk naar traditioneel taalgebruik nader in het
licht te stellen. Daarbij moet men steeds bedacht zijn op een aantal
aspekten die hier slechts in 't voorbijgaan of helemaal niet ter sprake
zijn gekomen: historische en geografische verschillen in de verbreiding
der respektieve types, met verschillende en vaak wisselende graden van
familiariteit, naar gelang van de onderscheiden leeftijden, het sociale
milieu, de gesprekssituatie enz. Dat is voor elk vormtype afzonderlijk
en kontrastief te onderzoeken, maar dan moet men zich met betrekking tot
de huidige situatie beperken tot een minutieuze beschrijving van de
aanspreek- en benoemingsvarianten binnen kleinere groepen van families,
vrienden en werkgenoten.
Leuven.
K. Roelandts
|
(*)Enigszins
bijgewerkte tekst van de lezing die op het vierde kongres van de
Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde werd gehouden in het
Maasland-centrum te Elsloo op 30 september 1978. Bronnenopgaven en
bibliografische verwijzingen zijn tot een minimum herleid, omdat
verschillende aspekten van het onderwerp al uitvoeriger met de nodige
referenties werden behandeld in enkele van mijn vroegere bijdragen, o.m.
in Med. Ver. Naamk. 36 (1960), Versl. en
Med. Kon. Vla. Acad. 1962 en 1966. Zie thans ook van Duitse
zijde H. Naumann - G. Schlimpert - J. Schultheis,
Vornamen heute. Leipzig 1977.
(1)O. Brattö, Studi di antroponimia
fiorentina. Il Libro di Montaperti (Diss. Göteborg 1953), 56, 165-166; H. Jacobsson, Études d'anthroponymie
lorraine. Les bans de tréfonds de Metz (Diss. Göteborg 1955), 68-69.
(2)Deze en volgende mnl.
vormen zijn ontleend aan het Corpus van middel-nederlandse
teksten, Reeks I: Ambtelijke bescheiden, uitg. door M. Gysseling m.m.v. en van woordindices
voorzien door W. Pijnenburg ( 's-Gravenhage 1977).
(3)De spelling ae zal hier wel als ā, niet als ai te lezen
zijn.
(4)Vele
voorbeelden in Het oudste goederenregister van Oudenbiezen,
uitg. door J. Buntinx en M.
Gysseling ( Tongeren en Brussel 1965), met woordindices door F.
de Tollenaere e.a. ( 's-Gravenhage en
Leuven 1977).
(5)E. Langlois, Table des noms propres de toute
nature compris dans les chansons de geste imprimées
( Paris 1904), 485.
(6)Nichilson verschijnt één
enkele keer in het Corpus-Gysseling (I, 294): 3 e kwart 13 e eeuw, wot er ver nichilsons lant, te Vogeldijk bij Aksel. Het zal
wel de naam van een vreemdeling (uit Engeland, eventueel
Skandinavië) geweest zijn.
(7)G.
Knudsen - M. Kristensen - R. Hornby, Danmarks gamle
Personnavne I ( København 1936-40),
1007. In Duitsland lijkt Ni(c)kil (14 e eeuw: Bach I, 60-61) op
een vroege variant met initiaal aksent te wijzen.
(8)J.
Grauls, Iets over de Hasseltsche voornamen. Hand. Com. Top. Dial. 4 (1930), 217-229, inz. 221-222;
G. Moonen, Oude en moderne bijnamen in
Hamont (Lic. Leuven 1969), 233, 268 en passim.
(9)P.
Knabben, Sagenonderzoek in het zuidelijke deel van de
Belgisch-Limburgse Maasvallei (Lic. Leuven 1970), 119.
(10)Voor
Hamont: G. Moonen, t.a.p., 45 en 247 (ibid.
215 Berb uit Berbke =
Barbara). - Voor Leopoldsburg: R. Caels,
Volkskundige studie over de moderne bijnamen in de streek van
Leopoldsburg (Lic. Leuven 1968), nr. 60.
(11)K. Roelandts -
P.J. Meertens, Nederlandse familienamen in historisch
perspectief (Anthroponymica IV. Leuven-Brussel
1951), 16. - Vergelijk o.m. C.-E. Thors
onlangs nog in Namn och Bygd 67 (1979), 25:
zwe. Maja (Maria), Eje
(Erik), Moje (Mauritz), dial. Bâjjê (Ingeborg), Kajjê (Karin), hier dus telkens met j(j) uit r + i/j, uiteraard zonder diminutief, maar
doorgaans wel met hypokoristisch - e.
(12)Vgl. brab. Mank (Armand) en Fok (Fons), fri.
Swobk, eng. Jack, al
behandeld in Versl. en Med. Kon. Vla. Acad.
1966, 228 e.v.; ook appellatief moek uit
dimin. moeke (moeder).
(13)Die vormen bij J. van der Schaar,
Woordenboek van voornamen ( Utrecht-Antwerpen
1975 8), s.v. Maria.
(14)E.
Weekley, Words and Names ( London
1933), 16; C.T. Onions e.a., The Oxford
Dictionary of English Etymology ( Oxford 1966),
103 geeft als datum 1828.
(15)Te Niel in de Rupelstreek, volgens mededeling van
J. van Loon.
(16)Vgl. in Duitsland: A.
Hansen, Steppke, der kleine Stephan. Korrespondenzblatt des Vereins f. ndt. Sprachforschung
69 (1962), 47.
(17)Deze vormen bij H. Kaufmann, Untersuchungen zu altdeutschen
Rufnamen ( München 1965), 14; Id., E. Förstemann. Altdeutsche
Personennamen, Ergänzungsband ( München 1968), 396 en anders over Pippīn ibid. 60.
(18)R.
T'Syen, De persoonsnaamgeving te Larum-Geel (Lic. Leuven
1973), 117 en 141 [də pøns] thans bijnaam.
- Vgl. voor dezelfde naam te Beverlo Foesjke
en te Webbekom de Fungel (beide al genoemd in
Naamk. 2 (1970), 86); te Vliermaal
augmentatief Foene, met korte oe, naast dimin. Fonske ( J. Leyssen, Nominale patronen met moderne
persoonsnamen in het dialekt van Vliermaal. Lic. Leuven 1970, 10
en 93).
(19)Te Leopoldsburg: R. Caels, t.a.p., 469. - Ook Schellebelle in Streuvels'
Vlaschaard?
(20)K.
Roelandts, Anticipatie van konsonant. Med.
Ver. Naamk. 35 (1959), 123-128, inz. 127. Mijn voorkeur
gaat thans naar interpretatie uit rijmspel, wat toen slechts
secundair in aanmerking werd genomen. In de ndd. parallellen is
voorgevoegde T- of D- volgens
J. Hartig (Die
münsterländischen Rufnamen im
späten Mittelalter. Köln-Graz 1967, 61-65) bij voorrang uit het bepaald
lidwoord te verklaren. In Nieuwpoortse vonnissen van 1650, resp.
1652 ( Biekorf 45 (1939), 97) is er sprake van twee
toverheksen, met name Janne Panne (rijmspel, of
toevallig bijnaam?) en Tanneken de
Potters.
(21)E.
Weekley, The Romance of Names ( London
1922 3), 62 en Id., Words
and Names ( London 1933), 93, betr. Robert; P.H. Reaney, A Dictionary of
British Surnames ( London-Boston 1976 2), s.vv.
(22)P. Sipma, Fryske nammekunde
I. Foar- en skaeinammen ( Drachten 1952),
72-73.
|
|