Met groote stappen loopt Daantje het dorp uit.
Het zonnetje schijnt vroolijk.
De vogels in de boomen zingen lustig hun wijsjes.
De bloemen geuren o zoo heerlijk.
Alle menschen zijn blij.
Alleen Daantje is.... boos! Op de zuurkool. En op het spek. En op Grietje, zijn vrouw.
Er staat een groote vogel aan den waterkant. Hij heeft een langen snavel en hooge pooten. Zijn veeren zijn rose gekleurd. 't Is een grutto.
Als de vogel Daantje met zijn booze gezicht ziet aankomen, vliegt hij klapwiekend de lucht in.
Hij roept zijn eigen naam.
‘Gru-to! Gru-to!’ roept hij.
Daantje, kwade Daantje, verstaat heel wat anders.
‘Zuur-kool! Zuur-kool!’ verstaat hij.
‘Leelijke vogel!’ roept hij. ‘Moet je mij voor den gek houden?’
‘Gru-to!’ roept de vogel.
‘Zuur-kool!’ verstaat Daantje.
Hij grijpt een steen van den weg en gooit dien den vogel achterna.
Maar hij gooit een heel eind mis. Gelukkig maar!
Boos stapt hij verder.
In de sloot drijven groote groene plompeblaren.

Op één zoo'n blad zit... een dikke kikker.
De kikker is in zijn schik.
‘Rek-kek! Rek-kek!’ kwaakt hij.
Daantje verstaat al wéér heel wat anders.
‘Met spek! Met spek!’ verstaat hij.
‘Wel nou nog mooier!’ roept hij. ‘Moet jij me óók al voor den gek houden, leelijke groene kikker? Pas op, ik zal je leeren!’
In twee stappen is hij bij den slootkant.
Maar de kikker wacht niet! Hij neemt een sprong en duikt met zijn kop vooruit in het frissche water.
Plons! Weg is hij!
Daantje heeft het nakijken.
Brommend loopt hij verder.
Telkens hoort hij hoog in de lucht: ‘Zuur-kool! Zuur-kool!’
En in het water: ‘Met spek! Met spek!’
Daantjes boosheid wordt steeds grooter.
Dàn kijkt hij omhoog, dàn kijkt hij omlaag.
Hij let niet goed meer op den weg.

Opeens struikelt hij over een grooten steen, die midden op zijn pad ligt.
Plof!
Hij valt voorover, met zijn neus in het zand.
‘Au! Au!’ roept hij luid.
Haastig wil hij weer opstaan.
Maar.... hij kan niet! 't Is net, of iemand hem bij zijn baard weer naar beneden trekt.
‘Wat is dat nou?’ denkt hij.
Wild slaat hij met zijn armen om zich heen.
‘Au! Au!’ roept hij weer.
't Is net, of er spelden in zijn armen prikken.
‘Krik-krak...!’ hoort hij.
O wee, zijn mooie donkerblauwe kiel scheurt.
Zijn hooge zijden pet rolt weg.... in de sloot!
Een kikker roept: ‘Kwak! Kwak!’