terug  begin  verder
[p. 19]

Bij den barbier. V

Een uur lang loopt Daantje verder.

De weinige menschen, die hij voorbijkomt, kijken hem verbaasd aan.

‘Wat ziet die man er vreemd uit,’ denken ze. ‘'t Is net, of de muizen aan zijn baard geknabbeld hebben. En waarom heeft hij geen kiel aan?’

Daantje begrijpt wel, wat de menschen denken.

Hij vindt het heelemaal niet prettig, dat ze hem zoo aankijken.

Maar hij weet heusch niet, wat hij daartegen moet beginnen.

De weg maakt een groote bocht.

Daantje volgt de bocht en komt terecht op het marktplein van het naburige dorp.

Er staat een kerk midden op het plein.

Om die kerk staan twaalf huizen.

Aan een van die huizen is een uithangbord vastgemaakt.

Daantje kijkt, wat er op dat bord te lezen is.

Dit staat er op: ‘Joris Jansen, scheerder.’

Opeens begint Daantje te lachen.

[p. 20]

‘Pas op,’ zegt hij tegen zich zelf. ‘Nu weet ik, wat ik ga doen!’

illustratie

Meteen stapt hij den scheerwinkel binnen.

Er is niemand in den winkel.

Een paar groote vliegen draaien om de lamp heen en weer. Een dikke bij vliegt brommend achter de blauwe horretjes tegen de ruiten aan. Aan den zolder hangt een kooi met een kanarievogeltje er in.

Daantje gaat op een stoel zitten.

‘Volk!’ roept hij.

Er komt niemand.

‘Volk!’ roept hij weer, nu een beetje luider.

Stap! Stap! Stap! Daar is de barbier. Hij kijkt een beetje verwonderd, want er komen in den middag nooit klanten bij hem.

‘Goedendag,’ zegt Daantje.

‘Goedenmiddag,’ zegt de barbier. ‘Wat is er van je dienst?’

‘Kijk eens,’ antwoordt Daantje verlegen, ‘ik heb een ongeluk gehad met mijn baard. 't Ziet er niet mooi uit, hè?’

‘'t Ziet er leelijk uit,’ zegt de barbier.

[p. 21]

‘Kan je 't niet een beetje bijknippen?’ vraagt Daantje.

De barbier knijpt een oog dicht. ‘Bijknippen?’ zegt hij langzaam. ‘Nee baas, dat zal niet gaan. Dan zou je niets dan een kort stoppelbaardje overhouden. De heele boel moet er af! Dat is 't beste!’

Daantje springt verschrikt op.

‘Er af?’ roept hij. ‘Mijn mooie baard er heelemaal af? Dat meen je toch niet?’

‘Welzeker meen ik dat,’ zegt de barbier. ‘Ik weet er niets anders op. En zóó kan je niet blijven loopen. De menschen zouden je uitlachen en de kinderen zouden bang voor je worden!’

Daantje kijkt in den spiegel, die tusschen de ramen hangt. Ja, de barbier heeft gelijk. Foei, wat een gezicht. Hij lijkt wel een wildeman....

‘Nou?’ vraagt de barbier.

Daantje zucht zwaar.

‘Ga je gang,’ zegt hij ten slotte, terwijl hij weer in den grooten stoel gaat zitten.

De barbier zeept Daantjes gezicht in, haalt zijn scheermes voor den dag en begint aan zijn werk.

Tien minuten later is de baard.... weg, heelemaal weg!

‘Ziezoo,’ zegt de barbier.

[p. 22]

Hij kamt Daantjes haren wat netter en knipt de langste pieken er af.

‘Klaar, sinjeur!’ lacht hij.

Daantje kijkt weer in den spiegel.

‘W...w...wat ..?’ stottert hij. ‘B .. ben ik dat? Is dat vollemaans-gezicht van mij? O, mijn baard, mijn mooie baard...!’

illustratie

‘Kom, kom,’ zegt de barbier. ‘Kom baas, zóó erg is 't niet. Die baard groeit wel weer aan. Als je maar een poosje wacht!’

Daantje antwoordt niet. ‘Nou tel ik niet meer mee,’ mompelt hij. ‘Eerst was ik nummer één en nou tel ik niet meer mee. Nou is Hendrik de klepperman de baas...!’

Hij betaalt den barbier een dubbeltje en gaat den winkel uit.

Hij heeft verdriet, véél verdriet!

Hij heeft berouw, een klein beetje berouw!

En... hij heeft honger!

Een heeleboel honger!

[p. 23]

Langzaam, de handen in de zakken, gaat hij naar zijn eigen dorp terug.

De barbier gaat weer naar zijn tuin.

't Is stil in den scheerwinkel.

De vliegen zitten rustig op de lamp.

De dikke bij poetst ijverig zijn vleugeltjes glad.

Het kanarievogeltje zit stilletjes op zijn stokje.

Zijn zwarte kraaloogjes kijken droevig in 't rond.

terug  begin  verder