Even buiten het dorp, waar Daantje woont, is een groot korenveld.
Dat veld is van boer Goemans.
Er is een hek omheen getimmerd.
Bovenop het hek zit een mannetje, een klein, dik mannetje.
Je raadt al, wie het is: 't is Daantje!
‘Ik wil terug naar Grietje,’ zegt Daantje tegen zichzelf. ‘Maar ik kan niet. Ik heb geen kiel aan en ik heb geen pet op. Ik kan toch niet zóó in mijn overhemd door het dorp loopen. Wat zouden de menschen daar wel van zeggen?’
Verlegen keek hij om zich heen.
Maar opeens beginnen zijn oogen te glinsteren. Hij kijkt niet meer zoo treurig. Hij lacht warempel!
Hoe komt dat zoo?
Wel, Daantje heeft iets gezien.
Wat heeft hij gezien?
Een... grooten vogelverschrikker! Midden in het korenveld van boer Goemans staat een vogelverschrikker!
‘Sapperloot,’ zegt Daantje. ‘Daar bof ik bij. Een jas om aan te trekken en een hoed om op te zetten. En 't koren is al gemaaid. De vogels hoeven niet meer weggejaagd te worden.’

Een, twee, hoepla!
Daantje springt van het hek op den grond.
Voorwaarts marsch!
Tien tellen later staat hij naast den vogelverschrikker. Haastig haalt hij de jas en den hoed van 't houten kruis af en gaat ermee naar den weg terug.
't Is een oud stelletje!
De hoed is een beetje gedeukt.
En de jas is ook niet nieuw meer. De mouwen zijn gerafeld en er zitten nogal wat scheuren in.
Ja, 't is een heel oud stelletje!
Maar Daantje is in zijn schik. Vlug trekt hij de jas aan. Ai! Die is hem veel te nauw! Krak, krak, zegt de rug van de jas.
‘Een scheurtje,’ denkt Daantje. ‘Dat hindert niet.’
Hij zet den hoed op zijn bol. Die is hem óók al te klein!
‘Hindert óók niet,’ denkt Daantje. ‘Ik ben gered. En dat is de hoofdzaak. Nou ga ik naar huis. Wat zullen de menschen kijken, als ze me zien. En wat zal Grietje groote oogen opzetten.’
Daar gaat Daantje.
Heel deftig zwaait hij met zijn armen.
De panden van zijn jas wapperen achter hem aan.
De hoed op zijn hoofd schommelt heen en weer.
De vogels langs den weg vliegen haastig op. ‘De vogelverschrikker loopt weg,’ piepen ze tegen elkaar. ‘De vogelverschrikker loopt weg. Heb je ooit zoo iets gezien?’
Drie oude kraaien gaan rustig zitten op 't kale houten kruis in 't korenveld.
Ze kijken elkaar aan.
‘Wij zijn niet bang,’ zeggen ze. ‘We zijn ook nooit bang geweest.’
‘We worden een dagje ouder,’ bromt de grootste. ‘We zijn geen kuikens meer! En we verwonderen ons ook nergens meer over.’
‘Precies,’ zegt de tweede. ‘We maken ons niet druk!’
‘Ook niet over loopende vogelverschrikkers,’ zegt de derde. ‘Toch vind ik 't hier, nu hij weg is, veel gezelliger. Eerlijk is eerlijk!’

‘Krak, krak,’ zegt de rug van de jas.
‘Kra!’ zegt de oudste.
Dat beteekent: ‘Houd nu je mond maar!’
Dan zwijgen ze.
't Zonnetje schijnt op hun oude wijze koppen.
Ondertusschen wandelt Daantje kalmpjes verder.
