terug  begin  verder
[p. 29]

Meneer Alexander. VII

Daar komt meneer Alexander aan.

Meneer Alexander is een dichter. Hij heeft al een massa versjes gemaakt, lange en korte, door elkaar vast wel duizend. Hij heeft gedichten gemaakt op de zon, en op de maan, en op de koeien en op den burgemeester en op het krentenbrood en op den baard van Daantje.

Het gedicht op den burgemeester is zóó:

 
De burgemeester is een man,
 
Die veel doen en veel laten kan.
 
Zijn huis staat aan een breede straat.
 
Je ziet hem vroeg, je ziet hem laat.
 
Hij is juist vijftig jaren oud,
 
En hij is met zijn vrouw getrouwd.

Aardig, hè?

Het gedicht op het krentenbrood is zóó:

 
O krentenbrood, o krentenbrood,
 
Wie zou niet van je houden?
 
Je bent zoo lekker en gezond,
 
Je smaakt als honing in mijn mond,
 
O krentenbrood, o krentenbrood,
 
Wie zou niet van je houden?
[p. 30]



illustratie

En het gedicht op den baard van Daantje is zóó:

 
Er staan veel sterren aan de lucht,
 
Toch is er maar één maantje.
 
Er zijn veel mannen in het dorp,
 
Slechts één ervan heet Daantje.
 
Vriend Daantje heeft een langen baard
 
Je kunt er wel in klimmen.
 
Hij wascht hem veel met groene zeep,
 
Daar gaat hij mooi van glimmen.
 
Hij is drie decimeter lang,
 
Hij groeit recht naar beneden.
[p. 31]
 
‘Hij wordt steeds langer, ied'ren dag,’
 
Zegt Daantje, heel tevreden.
 
 
 
Er staan veel sterren aan de lucht,
 
Toch is er maar één maantje.
 
Er zijn veel baarden in het dorp,
 
De mooiste is van Daantje.

Ja, ja, meneer Alexander is een knappe man!

Als hij een nieuw gedicht wil maken, gaat hij een poosje wandelen. Dan kan hij beter denken, weet je!

Nu wandelt hij wéér. Want hij wil een gedicht maken op juffer Annemarie, de nicht van den burgemeester. Juffer Annemarie is gauw jarig en meneer Alexander wil haar met een gedicht verrassen.

't Begint zóó:

 
Dag lieve juffer Annemarie,
 
'k Ben altijd blij als ik u zie.

Nu loopt meneer Alexander over de rest te denken. 't Valt hem niets mee, hoor! Dichten is een moeilijk werkje. Als je 't niet gelooven wilt, moet je 't ook maar eens probeeren. Dan zal je 't wel merken!

Daar is Daantje.

‘Goeden middag, meneer Alexander,’ zegt hij vroolijk. ‘Best weertje, vindt u niet?’

[p. 32]

Meneer Alexander kijkt verbaasd op.

Hij herkent Daantje niet.

‘Wat is dat?’ denkt hij. ‘Wie groet me daar zoo vriendelijk? Wat een vreemd mannetje is

illustratie

dat! Ik weet niet, wie het is. Maar toch komt zijn stem me wel bekend voor!’

‘Is u weer aan 't rijmen, meneer Alexander?’ vraagt Daantje.

Meneer Alexander knikt. ‘Ja, ja...,’ zegt hij.

‘Dat dacht ik wel,’ zegt Daantje. ‘Nou, doet u dan maar goed uw best. Goeden middag.’

[p. 33]

Lachend gaat hij verder.

Meneer Alexander is heelemaal in de war.

Hij begrijpt er niemendal van.

Dat dikke mannetje met dat rare pakje aan kent hem! En hij kent dat dikke mannetje niet! Alleen zijn stem.... Ja, die stem.... Die heeft hij méér gehoord. Ja, die heeft hij vast meer gehoord!

Maar wanneer...? En waar...?

Meneer Alexander denkt en denkt, totdat er diepe rimpels in zijn voorhoofd komen.

Hij haalt een klein boekje en een potlood uit zijn zak en begint te schrijven.

Hij maakt een nieuw gedicht.

 

Dit schrijft hij:

 

Op een vreemd mannetje met een bekende stem.

 

En zóó zijn de eerste regels:

 
Ik raad, ik denk, ik gis,
 
Maar 'k weet niet, wie het is!

Hij denkt niet meer aan het gedicht op juffer Annemarie.

terug  begin  verder