Daantje heeft nog geen twintig stappen gedaan, of daar komt hij zijn neef Teunis tegen.
Teunis is knecht bij Jeroen den molenaar. Hij draagt een zak op zijn rug. Er zit meel in dien zak.
Daantje is in zijn schik. Hij houdt veel van zijn neef, weet je!
‘Dag Teunis!’ roept hij. ‘Dag jongen, hoe gaat het met je? En hoe is 't met vader en moeder?’
Teunis kijkt met groote oogen naar het ventje vóór hem. Maar ook hij herkent Daantje niet, net als meneer Alexander.
‘Wel Teunis!’ zegt Daantje weer. ‘Waarom geef je me geen antwoord? Toe, vertel eens!’
Teunis doet zijn mond wagenwijd open.
‘Ik weet niet, wie je bent!’ roept hij luid.
Vóór Daantje wat terug kan zeggen, draait Teunis zich om en loopt met groote stappen weg.
Daantje is verwonderd.
‘Wat is dat?’ zegt hij tegen zichzelf. ‘Zou ik er dan zóó vreemd uitzien, dat niemand meer

weet, wie ik ben? Kom, kom, dat kan ik toch bijna niet gelooven! Nee hoor, dat kan ik niet gelooven!’
Nadenkend gaat hij zitten in het gras aan den kant van den weg. Hij strijkt met zijn hand over zijn dikke wangen.
‘Mijn baard is weg,’ fluistert hij.
Hij haalt den ouden hoed van zijn hoofd.
‘Mijn pet ligt in 't water,’ fluistert hij.
Hij kijkt naar de oude gevlekte jas, die hij aan heeft.
‘Mijn kiel is kapot,’ fluistert hij.
Verdrietig staart hij eventjes voor zich uit.
Zijn maag rammelt.
‘Ik wil eten...,’ knort zijn maag. ‘Ik heb honger...!’
‘Zuurkool met spek,’ fluistert Daantje.
‘Zuurkool met spek!’
Hij staat op en wandelt verder.
‘Wat zal Grietje wel zeggen, als ze me ziet?’ denkt hij. ‘Zou zij.... zou zij me óók niet herkennen?’
Opeens begint hij te lachen!
Voor hem loopt een klein jochie, een ventje van een jaar of vijf. 't Is Klaasje, Daantjes buurjongetje.

‘Wacht eens even!’ denkt Daantje.
Hij loopt héél stilletjes naar Klaasje toe, legt zijn groote handen op de kleine oogjes van 't ventje en vraagt:
‘Klaasje, wie ben ik?’
‘Buurman Daantje! Buurman Daantje!’ roept Klaasje.
‘Mooi zoo!’ zegt Daantje blij. ‘Goed geraden, hoor!’
Hij haalt zijn handen van Klaasjes oogen af. Het ventje draait zich lachend om en kijkt
Daantje aan. Meteen betrekt zijn gezichtje, zijn lipjes beginnen te trillen en... hij loopt op een holletje weg!
Maar Daantje is tevreden.
‘Zie je wel!’ zegt hij. ‘Klaasje heeft me wèl herkend! En hij zàg me niet eens! O zoo! Ja, ik wist het wel...!’
Domme Daantje!