terug  begin  verder
[p. 56]

In het dorp. XII

Alle menschen praten er over! ‘Weet je 't al?’ zegt Sientje tegen Dieuwertje. ‘Weet je 't al? Er is een kleerendief in het dorp. Hij heeft een massa kleeren gestolen, jassen en broeken en hoeden! En brutaal dat hij is! Daar is het eind van weg! Hij zegt maar tegen iedereen “goedenmorgen” en “goedenavond”, net of hij alle menschen kent.’

Sientje woont naast den molen van Jeroen.

En Dieuwertje is de vrouw van Jeroen.

‘Ja,’ zegt Dieuwertje. En ze schudt haar hoofd heen en weer. Haar dikke wangen schudden bibberend mee. ‘Ja! Hij heeft onzen knecht, Teunis, weet je, óók aangesproken. En je zult 't niet gelooven, buurvrouw, maar 't is waar: hij vroeg aan Teunis, hoe 't met zijn vader en zijn moeder ging. Wat zeg je me daarvan?’

‘Misschien wou hij de broek van Teunis wel stelen!’ zegt Sientje.

‘Jij zegt het...,’ zegt Dieuwertje. ‘En ik denk het...!’

Daar is Jansje.

[p. 57]

Jansje is de buurvrouw van Daantje en de moeder van Klaasje. Met groote stappen komt ze naderbij.

‘Luister toch eens!’ roept ze luid. ‘Luister toch eens, Dieuwertje en Sientje. Die rare dief heeft mijn Klaasje ook te pakken gehad. Denk eens aan: hij heeft zijn handen op Klaasjes oogen gelegd. En toen heeft hij Daantjes stem nagemaakt. En toen vroeg hij: Wie ben ik?’

‘Och, och,’ zegt Dieuwertje, ‘wat zal het kind geschrokken zijn!’

‘Dat zeg je wèl, Dieuwertje,’ zegt Jansje. ‘Hij kwam huilend thuis. En hij wou de straat niet meer op.’

‘Het arme wurm...,’ zegt Sientje hoofdschuddend.

‘Maar waar is die leelijke dief nou?’ vraagt Dieuwertje. ‘Heeft Swadde hem al gepakt? Weten jullie er wat van?’

De molenaar komt naderbij.

Hij heeft de vraag van Dieuwertje gehoord.

‘Swadde zoekt hem,’ zegt hij. ‘En de burgemeester zoekt mee. Ik hoorde het zoopas van Hendrik den klepperman.’

‘Ik hoop, dat ze hem gauw te pakken krijgen,’ zegt Sientje.

‘Ik ga meteen mijn natte wasch van de lijn

[p. 58]

halen. Een mensch kan nooit voorzichtig genoeg zijn.’

‘Gelijk heb je, Sientje,’ zegt Jansje. ‘Ik doe 't óók!’

Haastig trippelt ze weg.

‘Ik haal mijn lakens binnen,’ zegt Dieuwertje. ‘Stel je voor, dat hij daar ook eens zin in had!’

illustratie

‘En ik ga mijn zakken opbergen,’ zegt de molenaar. ‘Je kunt nooit weten!’

‘O zoo!’ Dieuwertje knikt. ‘Als ze weg zijn, ben je ze kwijt! En niemand komt je andere brengen.’

Vijf minuten later liggen de natte kleeren van Sientje en van Jansje in de keuken.

Dieuwertje hangt haar lakens bij het fornuis.

En de molenaar stapelt zijn zakken in het schuurtje op elkaar.

‘Oppassen...,’ mompelt hij. ‘Oppassen.... Je weet nooit, wat er gebeuren kan!’

terug  begin  verder