‘Willem Beukelszoon’, zei Bram tegen Brinio, ‘Willem Beukelszoon vond het haringkaken uit, en Laurens Janszoon Coster de boekdrukkunst’.
‘Waf, waf’, blafte Brinio.
‘Nou ja’, zei Bram, ‘maak je maar niet zoo kwaad, mannetje. Ik zeg Laurens Janszoon Coster en jij zegt Gutenberg. Goed, jij krijgt je zin: Gutenberg vond de boekdrukkunst uit’.
Brinio bromde tevreden en staarde weer, net als hij eerst gedaan had, droomerig naar een dikke bromvlieg, die door de kamer vloog. Brinio was een Duitsche herder, moet je weten.

‘Ik ga verder’, zei Bram weer. ‘Barthold Schwarz vond het buskruit uit. Ook een Duitscher, hè?’
't Was net, of Brinio grijnslachte.
‘Eigenlijk was 't zijn bedoeling, om goud te maken’, zoo vervolgde Bram zijn alleenspraak. ‘Hij nam een beetje zwavel en een beetje houtskool en nog meer rommeltjes en dat deed hij allemaal in een pannetje en dat hield hij boven een vlammetje. En toen dacht hij, dat 't goud zou worden. Maar 't werd buskruit. Al was 't nou niet precies, wat hij bedoelde, tòch had hij een uitvinding gedaan.’
Brinio keek met zijn verstandigen snoet Bram vragend aan.
‘En Edison vond de gramofoon uit en nog veel meer andere dingen en dan heb je nog Simon Stevin en Marconi en Leeuwenhoek en Celsius en... noem maar op! Er zijn er nog veel meer.
Je kunt met al die uitvinders wel een paar steden vullen’.
Brinio bromde weer.
‘Goed, misschien overdrijf ik een beetje’, antwoordde Bram, ‘maar een paar dorpen zeker. Kijk eens: alle dingen, die wij op de wereld hebben: kopjes en schoteltjes, stoelen, piano's, bioscopen, telefoontoestellen en nog veel meer, zijn toch ook eenmaal uitgevonden, nietwaar?’
Brinio keek Bram aan, alsof hij ‘ja’ wou zeggen.
‘En al die uitvinders moeten toch ook eerst jongens zijn geweest, net als ik’, zei Bram. ‘Edison is als krantenjongen begonnen. Ik ben geen krantenjongen...’
‘Wat is nou eigenlijk je bedoeling?’ vroeg Brinio met zijn oogen. Bram stond op, gooide zijn geschiedenisboek dicht, stak zijn handen in zijn zakken en zei:
‘Waarom zou ik òòk niet eens wat uitvinden?’
Brinio keek Bram een beetje ongeloovig aan.
Maar Bram zei: ‘Ja, waarom niet? Ik heb toch goeie hersens, ik kan mijn gedachten concentreeren, zooals Vader zegt, ik kan, ik kan.... ik kan een heeleboel!’
‘Waf!’ zei Brinio, en daarmee bedoelde hij: ‘Gelijk heb je, maar doe 't maar eens! Praten helpt niet veel. Dóén, mannetje, dóén!!’
‘Wacht maar een poosje af,’ zei Bram, ‘dan zal je eens wat zien. Mijn verbleekend mengsel is al een begin. Maar ik ga verder, ik zàl wat uitvinden, ik weet nog niet wat, maar ik zal persé wat uitvinden. En nou eerst mijn geschiedenis en mijn Duitsche thema's en mijn algebra....’
Bram ging weer zitten en na een poosje was hij verdiept in zijn jaartallen. Brinio staarde weer naar de vlieg, die sufferig rondvloog en af en toe ergens in een hoekje zichzelf ging zitten oppoetsen. Bram vond, dat zijn hond op een Batavier leek, en daarom had hij hem Brinio genoemd. Eerst had hij nog gedacht aan Claudius Civilis, maar bij nader inzien vond hij Brinio beter. Claudius Civilis was te lang, Brinio was kort en krachtig.
Wie Bram was?
Eigenlijk heette hij Abraham Jacobus Vingerling. Brams vader heette Jacobus Abraham Vingerling en zijn grootvader weer
Abraham Jacobus. Zoo waren vele geslachten lang, de voornamen om en om steeds dezelfde geweest.
Brams vader was notaris, evenals zijn grootvader geweest was. Bram moest ook notaris worden en nu was hij leerling, 2e klasse H.B.S.
‘Bram Vinger, H.B.S. 2’. Zoo werd hij door zijn vrienden genoemd.
Bram was een gezellige, flinke vent. Hij was de woordvoerder van zijn klas. Hij zorgde voor verzoeken om ijsvacantie, en om zwemvacantie, bij warm zomerweer. Hij feliciteerde zijn leeraren, als ze jarig waren ‘uit naam van de geheele klasse’. Hij bedacht leuke plannetjes, hij was captain van 't klasse-elftal; hij was voorzitter van de fietsclub ‘Jaap Eden’, en nog een heeleboel meer.
Hij had een zwarten krullebol en blauwe oogen. Den krullebol had hij van zijn moeder en de blauwe oogen van zijn vader.
Het huis van de familie Vingerling stond heelemaal aan 't eind van den Haag, zoodat Bram steeds op zijn fiets naar school ging. Op de tweede verdieping was zijn studeerkamer. Op de vliering had hij met planken en lappen een hoekje afgeschut, waar hij dikwijls zat te knutselen. Allerlei vreemdsoortige dingen had hij daar in elkaar gepeuterd: een schijf met touwtjes eraan, die in een bak met water ronddraaide: z'n perpetuum mobile, dat helaas nooit langer dan een minuut in beweging wou blijven; een poppenkast, met beweegbare poppetjes, die door middel van 't uurwerk van een afgedankten wekker keurig in 't rond konden wandelen; een vliegmachinetje, dat eigenlijk uit zichzelf moest vliegen, maar dat alleen aan een touwtje gebonden, 't luchtruim wou doorklieven; een spel kaarten, dat voor je oogen plotseling in 33 schoppenboeren kon veranderen, en nog veel meer van dat soort dingen.
In een rekje stonden fleschjes met allerlei geheimzinnige vloeistoffen, die hij gebruikte om te fotografeeren. Ook had hij een doosje met zwavel, en kalium en natrium, dat hij in petroleum bewaarde. Al die dingen had hij voor z'n spaargeld gekocht.
Dikwijls zat Bram urenlang in zijn ‘laboratorium’, zooals hij zijn vlieringhoekje wel eens noemde, te werken. Dan gooide hij allerlei verschillende dingen door elkaar, om te zien, wat er van
terecht zou komen. Of hij deed de proeven na, die hij op school geleerd had.
Eéns was de boel in brand gevlogen. Niet erg, hoor! Uit het fleschje sprong toen een roode vlam. Hoe die vlam eigenlijk daar gekomen was, wist Bram niet. Hij had een massa dingetjes door elkaar gegooid; wat, dat wist hij niet precies meer, maar opeens was de boel gaan branden en dat had een mooi effect gegeven.

Toen was bij Bram plotseling het idee opgekomen, om vuurwerkfabrikant te worden. Zoo iemand verdiende veel geld, dacht hij. Voor z'n losse centen had hij in die dagen in een klein winkeltje allerlei vuurwerk gekocht, en 't in zijn hokje uit elkaar gepeuterd, om te zien, wat er in zat. Toch was hij na een dag of wat tot de conclusie gekomen, dat vuurwerkfabrikant óók niet alles was.
De scheikundige proeven bevielen hem nog het beste. Op school was hij met natuurkunde nummer één, moet je weten. Brams vader, die wel wist, dat zijn zoon geen domme of onvoorzichtige dingen zou doen, liet hem stilletjes begaan, als hij in zijn laboratorium proeven nam.
Op een goeien dag had Bram toch resultaat gehad. Hij had nl. een vloeistof samengesteld, die inktletters kon verbleeken. Dat was iets geweldigs, nietwaar? En van die uitvinding had hij veel plezier gehad. Alles liet hij liggen voor z'n verbleekend mengsel; z'n vuurwerk, z'n poppenkast met mechaniek, z'n vliegmachine en z'n schoppenboeren keek hij niet meer aan.
Nee, dàn zijn verbleekend mengsel! O, die ééne dag toen hij bij toeval zijn uitvinding gedaan had! Dien dag zou hij nooit vergeten. Weet je, hoe alles gegaan was? Bram had weer lang allerlei vloeistoffen door elkaar zitten gooien; hij was, zooals hij zei, een beetje aan 't prutsen geweest. Eindelijk had hij in een fleschje een geelachtig vocht gekregen. Wat hij nu precies door elkaar gegooid had, wist hij niet meer. Maar toen hij even morste,
en er een druppeltje van het goedje op een schoolschrift was gevallen, verbleekte plotseling de inkt. En op de plek, waar zooeven nog ‘Clovis’ gestaan had, stond nu alleen nog ‘Cl s’. Wel waren, toen 't papier opgedroogd was, de ontbrekende letters weer langzaam teruggekomen. Toch was Bram blij geweest met zijn uitvinding. Hij ging zitten denken, hoe hij er iets grappigs mee kon doen, en met veel plezier herinnerde hij zich af en toe nog, hoe hij zijn moeder op haar verjaardag verrast had met een stukje wit papier, waarop langzamerhand een hartelijke gelukwensch was verschenen! Overigens had zijn uitvinding weinig practisch nut gehad. Bram zelf noemde het niet eens een uitvinding, maar een ‘aardigheidje’.
Ook had hij geprobeerd, een radiotoestel te fabriceeren, dat je door 't heele huis zou kunnen hooren. Maar... dat zou te veel geld gekost hebben, en daarom was hij maar van 't plan afgestapt.
Nee, het eenige, wat hij ooit tot stand had gebracht, was zijn verbleekend mengsel. Goed, 't was een aardigheidje, maar Bram was niet van plan, om 't daarbij te laten zitten. Eéns zou de wereld zien, dat het ras van de uitvinders nog niet uitgestorven was en hij, Bram Vingerling, zou als een tweede Edison de heele menschheid verbazen, met iets geweldigs, wàt, dat zou de toekomst leeren!
Bram klapte zijn boek dicht. De jaartallen zaten er in. ‘Ga je mee, Brinio?’
Brinio stond lui rekkerig op, keek met een minachtenden snoet naar de vlieg, die nog steeds langzaam in het rond vloog, en stapte achter zijn jongen baas aan, de deur uit. Ze gingen de trap af, terwijl Bram zong:
‘Waf!’ zei Brinio. Hij was 't weer niet met zijn baas eens.
Maar Bram holde naar beneden, sprong op zijn fiets en vloog naat het badhuis.
En toen hij na een poosje in 't heldere water rondplaste, bedacht hij: ‘Water is toch eigenlijk óók een verbleekend mengsel. Hou dat vast, Bram!’