terug  begin  verderprepost
[p. 253]

5 Cultuur

Toen Adam - om met Alberdingk Thijm te spreken - ‘zijn gade uit schoonheidsliefde aan 't harte drukte’ op die netelige morgen na de zondeval, werd de kunst geboren1; de wetenschap moet wel stammen uit Adams weduwnaarstijd. In elk geval is zij jonger dan de kunst. Primitieven hebben van de wetenschap geen notie en dat is voor overbeschaafden zelfs hun grootste aantrekkelijkheid. De kunst daarentegen schijnt hun dagelijks tijdverdrijf, zelfs min of meer de reden van hun bestaan en althans die van onze belangstelling voor hen. Wat voor de volkeren der aarde geldt, gaat ook op voor de groepen, waarin in de nieuwe geschiedenis confessionele en politieke desintegratie hen deed uiteengaan. Dat de negentiende-eeuwse herleving van de katholieken in Nederland zich vroeger openbaarde in de sector der kunst dan in die van de wetenschap, lijkt dus de demonstratie van een natuurwet. Het ligt in de rede, dat daarbij de bouwkunst en de muziek de litteratuur vóór waren, want de laatste heeft in haar nauw contact met de wetenschap iets van de halfbloed. Het verschijnsel vloeit echter ook voort uit het karakter van de katholieke eredienst, die het bedrijf van de kerkenbouw en de kerkmuziek altijd en overal maakt tot een oefenterrein van de scheppende geest, tot object van ambachtelijke wedijver en openbare belangstelling. Nooit kan een katholieke gemeenschap zo diep vernederd worden, zo zielig verpauperd geraken, dat in haar de natuurdrang zou sterven om de Schepper te loven met het werk der vaardige handen en de klank van stemmen en snaren.

Als in de hier volgende proeve van synthetische behandeling van de relatie der vaderen tot het culturele leven der natie de kunst aan de wetenschap voorafgaat, is dit dus geen eigengereid hanteren van de schaal der waarden, maar betrachting der chronologische orde. Gedurende heel de negentiende eeuw heeft de Nederlandse katholieken de plicht om kerken te bouwen voor ogen gestaan, maar het derde kwart van de eeuw gaf ook in deze bedrijvigheid een verdichting te zien. De dringende noodzaak en de in 1853 verbeterde kansen verklaren haar, maar dat de geest van een Europese beweging haar bezielde, werd de oorzaak dat opeens - tot verrassing van velen en tot ergernis van sommigen - uit het katholieke volksdeel de leiders naar voren traden van een aesthetisch réveil der natie.

[p. 254]



illustratie
Spotprent op het door de architect Cuypers gebouwde Rijksmuseum te Amsterdam
Op het Museumplein liggen De Stuers, Alberdingk Thijm en Cuypers geknield. Achter hen verrijst het Rijksmuseum, waarvan de torens in de wolken verdwijnen.
Naar een lithografie door J.P. Holswilder in De Lantaarn, 1885
Atlas van Stolk, Rotterdam


[p. 255]

Weinig spotprenten zijn zo veelzeggende historische documenten als die op de bouw van het Rijksmuseum: daar ligt het machtig drietal devoot neergeknield op één matje: middenin Thijm met de leeuwenmanen en op het bakkebaardig gezicht de ietwat zure trek, die zijn zoon onverklaard heeft gelaten; rechts van hem de dictatoriale departementschef Victor de Stuers; links de Petruskop van de bouwmeester Cuypers. Het wàs in 1885, toen op de 13de Juli het Rijksmuseum door de oude Heemskerk geopend werd, inderdaad zo: de eerste hoogleraar in de aesthetica hier te lande was de katholiek Thijm; de leider van de afdeling kunstzaken aan het departement van Binnenlandse Zaken was de katholiek De Stuers; de architect, die met kop en schouders boven de vakgenoten uitrees en die de herleving der vaderlandse bouwkunst in ambachtelijke en aesthetische zin voor een beslissend deel had teweeggebracht, was de katholiek Cuypers. Bij zoveel achterblijvens in bekwaamheid en in bereidheid tot culturele dienstbaarheid aan de natie op andere terreinen verdient dit feit in zijn veelzeggendheid relief.

De Heer een huis te bouwen was de taak, waarvoor de Noordnederlandse katholieken zich heel de negentiende eeuw keer op keer gesteld hebben gezien en als er ooit een tijdvak geweest is, waarin Huygens weer had kunnen spreken van ‘'t blinde Nederlands mis-bouwende gezicht’, is het de tweede helft van de negentiende eeuw geweest, die overigens wraak op de heftig anti-middeleeuwse dichter nam door de eens triomfantelijk verwijderde ‘vuyle Gotsche schell’ programmatisch in eer te herstellen.1 Immers was het al gotisch, wat de klok sloeg, sinds aan 's Rijks waterstaat het monopolie ontnomen was. De herauten en de representanten van de neo-gotiek hebben de ingenieurs van de waterstaat vooral om hun kerkenbouw heftig gelaakt, ze gescholden voor plasteraars en ridders van plamuur, verf en vernis.2 Wat Alberdingk Thijm hun, eerst in de Spektator en later in de Dietsche Warande, placht toe te voegen, is te indrukwekkend om geheel waar te zijn, maar ook de helft zou al erg genoeg wezen. Vandaag weten wij de dingen echter weer veel minder stellig dan hij. Ons is immers bij ondervinding inmiddels gebleken, dat lang niet alle waterstaatsarchitecten onvakkundige knoeiers waren en dat er daarentegen neo-gotieke gewrochten zijn, die na driekwart eeuw het frequent herstelwerk, dat zij vergen, nauwelijks meer waard zijn. En komt het alleen omdat alle teveel verveelt, dat wij gapen bij het zien van de zoveelste neo-gotieke kerk, maar soms prettig verrast een kloeke waterstaatstempel her-ontdekken? Tot de pijnlijkste verliezen, die Rotterdam leed op de dies ater van 14 Mei 1940, behoort de rampzalige ondergang van Pieter Adams' Steigerse kerk, een kloek waterstaatsgewrocht trots het beste. Wat deert de kunstgevoelige Rotterdammer - zo die bestaat - achteraf bij zulk een verlies de ondergang van de karakterloze Heilig-Hartkerk in de Van Oldenbarneveltstraat?

Maar het pseudo-klassicisme van de waterstaatsstijl werd bij monde van Thijm uitgevloekt en weggehoond. Voorlopig kwam onderwijl de pseudo-gotiek aan het bod: zij begon juist het veld te winnen, toen de hiërarchie werd hersteld. Koning Willem II had in Engeland zijn licht te overrompelen hart verloren aan de pleistergotiek, waarin onder de invloed van Walter Scott's romans constructies van allerlei bestemming werden opgetrokken, met name de dépendances van de oude colleges te Oxford en Cambridge, en gaf, op de troon der Nederlanden gevestigd, de natie het voorbeeld met een gotische galerij, door hem zelf ontworpen en door de timmerman G. Brouwer gecon-

[p. 256]



illustratie
Interieur van de Kerk van de H. Dominicus op de Steiger te Rotterdam
Naar een foto van J.H.C. Vermeulen
Gemeente-Archief, Rotterdam


[p. 257]

strueerd.1 ‘Prulbouwwerken’ noemt de temperamentvolle Victor de Stuers dit gewrocht en zijn bijpassende belendingen.2 Het vorstelijk initiatief vond o.a. navolging in het oudste station D.P., een kerkhofkapel en een klooster op Crooswijk te Rotterdam. Deze pleister-gotiek leverde haar meesterstukken in nieuwe kerken. Kramm zette er in 1841 zo een in Hamersveld neer en nu het eerste schaap over de dam was, bouwden ‘volwassen krullenjongens’ het ene na het andere godshuis in de zoete nieuwe stijl. Zeer in trek was omstreeks 1850 de Leidenaar Th. Molkenboer3, die o.a. Zoeterwoude, Leiden, Vogelenzang, Zeist, Bolsward en Roelofarendsveen met zulke tempels verrijkte en de hoofdstad de Redemptoristenkerk op de Keizersgracht schonk, waaraan Potgieter de verdachte hulde bracht, dat zij ‘minder het verwijt van verkeerden bouw verdient dan alle stichtingen der Roomsch Catholijke gemeente, te Amsterdam in de laatste dertig jaren verrezen.’4 Andere pseudo-gotiekelingen van het eeuw-midden waren de Bredanaars C. en P. van Genk, vermoedelijk verwanten van de bisschop-coadjutor, de Utrechtenaar Vogelpoel en verder Th. Asseler, H.J. van den Brink, J.F. Scheepers e.a. Van hun kerken staan maar weinige meer overeind: zij waren architectonische voorbarigheden, beproefd voordat de afgebroken draad der vaktechniek weer was aangeknoopt.

Dit gedaan te hebben, wederom bouwmeesters gevormd, een traditie van herleefd vakmanschap gevestigd te hebben, is de grote verdienste van de Roermondenaar Pierre Cuypers (1827-1921). Zijn eerherstel van de vaderlandse baksteen en bovenal van het beginsel, dat de constructie het uitgangspunt zal zijn van alle projecten, hebben hier te lande een gezonde omwenteling teweeggebracht. Gelet op dit feit, kunnen alle goede bouwmeesters van volgende generaties - Berlage constateerde dit openlijk - gezegd worden producten te zijn uit Cuypers' school. Het is waar: de koppige, op den duur voor geen tegenspraak meer toegankelijke, dank zij Victor de Stuers het departement overheersende rijksbouwmeester heeft zijn naam bedenkelijk geschaad door doctrinaire restauraties, die soms het vandalisme nabijkwamen, door massaproductie als aan de lopende band en niet in de laatste plaats door zijn de fabriek nabijkomend beeldenatelier. Ook schiet het Rijksmuseum naar moderne doelmatigheidsbegrippen enigszins tekort in zijn bestemming en ten slotte kwamen er onder de meer dan driehonderd kerken, die hij ontwierp, ook stalen van onbezielde zelfimitatie voor.5 Maar wat is dit alles bij zulk een blijvende nationale verdienste? Bovendien behoren een aantal van zijn kerken, over heel het land verspreid, tot de monumenten der eeuw: te Amsterdam de Vondelkerk en de Sint Willibrord buiten de Vesten, te Eindhoven de Sint Catharina, te Hilversum de Sint Vitus, te Leeuwarden de Sint Bonifatius, te Nijmegen - tot 1944 - de Sint Augustinus. Hoe arm zou de eeuw der technische wonderen, die uitmuntte in monsterbouwwerken van gegoten ijzer, te onzent aan architectonische deugdelijkheid zijn, indien ze geen Cuypers gehad had als de leider van het neo-gotisch revival en de schepper van zoveel bouwwerken, die uitmunten door fraaie voornaamheid.

In Limburg geboren, bevriend met de bisschop Paredis, aan wie hij de vroege opdracht tot de zo grondig opgevatte en radicaal uitgevoerde restauratie van de Roermondse Munsterkerk dankt, vond Cuypers in zijn geboortegewest en in het koortsachtig kerkenbouwende Brabant zijn voornaamste arbeidsveld. Ook in Holland vond hij, dank zij zijn heraut Alberdingk Thijm, ruime bijval. Zijn ster rees gelijktijdig met die van de nieuwe hiërarchie en zijn faam nam in de volgende kwarteeuw als met den dag

[p. 258]



illustratie
Katholieke Kerk te Roelofarendsveen
Gebouwd door Th. Molkenboer en in 1856 door mgr Van Vree gewijd Naar een tekening van Klouwen
Pastorie, Roelofarendsveen


[p. 259]

toe. Omstreeks 1880 was de neo-gotiek ongeveer erkend als de alleenzaligmakende stijl voor de roomse kerkbouw. Haar zin als zodanig in twijfel trekken behoorde tot de ondernemingen, waarvan scherpslijpers, die alwat hun niet zint liefst ketterij zouden noemen, in benauwenis plegen te zeggen, dat zij ‘gewaagd’ zijn. Sinds enige jaren beheerste zij ook de rijksgebouwendienst. De onvervaarde Victor de Stuers had haar de weg gebaand dwars door de departementale sleur en het bot verzet van een angstvallig anti-papisme heen.1 Een monopolie verwierf Cuypers in de kerkenbouw daarom nog niet, al was het alleen maar tengevolge van zijn onwrikbaar palstaan voor de verworven beginselen en zijn afweer van ondeskundige inmenging in zijn werk van de kant van pastoors en kerkbesturen. In het aartsbisschoppelijk Utrecht kwam in de zestiger jaren onder de stuwing van kapelaan G.W. van Heukelum een neo-gotische studie- en werkgemeenschap tot stand, waaruit zich in 1869 het St.-Bernulphusgilde onder Van Heukelums presidium constitueerde. Als student was Van Heukelum reeds in contact met Reichensperger gekomen en heel zijn leven bleef hij in nauwe relatie met de toenmalige Duitse representanten van de neo-gotische theorie en practijk. Dientengevolge werd Utrecht een soort Duitse nederzetting in de Nederlandse kerkelijke kunst. Ofschoon van verering voor Thijm en Cuypers vervuld, hield Van Heukelum zich hun directe belangstelling gaarne van het lijf, ten einde als een soort van alleenheerser de herleving van de kunst in het Utrechtse te kunnen leiden. Dat hij aldus geen krachten van de eerste rang, dan tijdelijk een enkele jongere, aan zich bond, is niet onbegrijpelijk. Dat de opgang van een dynastie van zo oorspronkelijke kunstenaars als de edelsmeden Brom onder Van Heukelums vleugels is begonnen,2 is echter, gezien de betekenis, die het werk van Jan Brom en zijn zoons Leo en Jan Eloy straks verwierf, een onwaardeerlijke dienst, aan de nationale religieus-artistieke herleving bewezen.

De eerste van dit geslacht was de in 1882 op 51-jarige leeftijd gestorven Gerardus Bartholomeus, vader van ten minste drie beroemde mannen: de edelsmid Jan Hendrik (1860-1915), die zich van Van Heukelum en de neo-gotiek vrijvocht, de priester-historicus Gisbert (1864-1915) en de veelzijdige cultuurhistoricus Gerard, in 1882 posthuum geboren. Hij maakte deel uit van het zogenaamde Utrechtse kwartet, een viertal Utrechtenaars, die zich als een soort Gilde-beschermelingen in een bevoorrechte en daarom ook benijde positie bevonden tegenover andere kunstenaars. Met G.B. Brom behoorden daartoe de uit Keulen geboortige glasbrander Heinrich Geuer, de half-Duitser Alfred Tepe, na Cuypers vermoedelijk de belangrijkste bouwmeester der neo-gotische school,3 o.a. schepper van de Amsterdamse Krijtberg en herschepper van de Utrechtse kathedraal, en ten slotte de exuberante Friedrich Wilhelm Mengelberg (1837-1919). Deze Keulenaar - vader van de dirigent Willem Mengelberg - was een bijna ongelooflijk productief kerkschilder en beeldhouwer, groot-fabrikant van neo-gotische altaren, beelden, kruisbeelden en wandschilderingen. Eer een kwarteeuw na het herstel van de kerkelijke hiërarchie was verstreken, waren - naast oudere ateliers als dat van Veneman te Den Bosch - te Roermond en te Utrecht ware grootbedrijven van kerkelijke kunst ontstaan, die een zondvloed van neo-gotische kerkmeubelen en beelden over alle gewesten uitgoten. Tegen het eind van de negentiende eeuw was de dictatuur der fabriek te onzent bijna volkomen geworden. Pas met de ontworsteling aan de neo-gotiek begon het mediocre, vaak zelfs inferieure fabriekswerk langzaam de volkomen alleen-

[p. 260]



illustratie
De kerk van de H. Catharina te Eindhoven
in de jaren 1859-1869 door dr P.J.H. Cuypers gebouwd.
Naar een anonieme lithografie
Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant


[p. 261]

heerschappij te verliezen en kwam er lucht voor de vrije ontplooiing van het persoonlijk talent. Eerst toen begon er een religieuze kunst te groeien.

Aan talenten was onder de vele nijvere kerkelijke kunstenaars in het derde kwart van de eeuw allerminst een overvloed voorhanden en helaas benam de neo-gotische alleenheerschappij aan de enkele begaafde, zelfstandige kunstenaars de beste kansen. Maar mogelijk bewaarden zulke enkelingen juist in hun betrekkelijk isolement zich voor de gevaren van de massa-productie. Dit geldt misschien voor Alberdingk Thijms oom Louis Royer, die een tijdlang ongeveer de alleenlevering van de Nederlandse standbeelden had en o.a. dat van Vondel vervaardigde, maar nauwelijks kerkelijke opdrachten heeft gekregen, en zeker voor de gebroeders Stracké, Jan Theodoor en Frans, benevens voor Leo, zoon van de eerstgenoemde, allen voorname klassiek-aangelegde beeldhouwers, die slechts sporadisch voor kerken gewerkt hebben. Schilders van betekenis zijn - de romanticus J.A. Canta uitgezonderd - vóór de opkomst van Antoon Derkinderen in de tachtiger jaren onder de Nederlandse katholieken nog niet naar voren gekomen. Ook op hun terrein werden de kerkelijke opdrachten merendeels toevertrouwd aan de ateliers van Cuypers en Mengelberg.

 

De kans is groot, dat het katholieke volksdeel in een land met gemengde bevolking in de beoefening van de muziek steeds een behoorlijk figuur maakt, vooral daar, waar het calvinisme eeuwenlang de toon heeft aangegeven. In de katholieke eredienst neemt de muziek nu eenmaal een belangrijke plaats in en het is nog in tal van steden te constateren, dat personele unies tussen de zangkoren der kerken en de min of meer officiële muziekgenootschappen normale verschijnselen zijn. Van de bekende orkest- en koorleiders, componisten en solisten in de negentiende en de twintigste eeuw ontmoeten wij de meerderheid tevens als dirigenten of medewerkers aan koren of als organisten in katholieke kerken: J.B. van Bree, J.J.H. Verhulst, J.J. Viotta, J.G. Bertelman, W. Hutschenruyter Sr. († 1878) en zijn zoon Willem Jacob, Willem Smit, C.C.A. de Vliegh, Jos. Beltjens, Carolus Craeyvanger, Sundorff, ook vrouwen als Helene Hutschenruyter, C.S. Karels en M.L. Morel, later Bernard Zweers, Hubert Cuypers, de Andriessens, Johan Winnubst, Ph. Loots, Ant. Averkamp, Jos. Vrancken, Jos. Holthaus, Ph. Dusch en talloze anderen. Wij weten wel, dat er althans tot aan het Provinciaal Concilie van 1865 zeer veel haperde aan de kerkelijke muziekbeoefening - zoveel, dat men van een vervaltijd moet spreken - en ook zullen wij het peil van de toonkunst te onzent in haar al te slaafse afhankelijkheid van buitenlandse romantici zeker niet overschatten, maar het blijft waar, dat de muziekwereld en de katholieke kerkkoren wel tot omstreeks 1880 een soort suite vormden, waar men onder veel knoeiers en mediocriteiten toch ook de meeste corypheeën kon ontmoeten. Een niet-katholiek geschiedschrijver der Nederlandse muziekbeoefening heeft dan ook naar waarheid vastgesteld, dat op de muziekbeoefening te onzent in de achttiende en de negentiende eeuw ‘groote invloed is uitgegaan van de koren der roomsch-katholieke kerken, waarin toen nog veelal muziekmissen gezongen werden, niet zelden met orkestbegeleiding. De resultaten dezer beoefening van de gewijde muziek - zo gaat hij dan verder - springen vooral in dezen tijd - d.i. omstreeks het midden der eeuw - zeer duidelijk in het oog, want nagenoeg alle musici van beteekenis waren katholieken.’ Dit is zeker te absoluut

[p. 262]

gesproken: namen als G.A. Heinze, Richard Hol, Daniël de Lange bewijzen het en ook besluite men uit het geregelde optreden onder de godsdienst-oefeningen der katholieke kerken niet te argeloos tot katholieke geloofsbelijdenis1, maar de algemene zin is exact. ‘Reeds als kind - aldus luidt de gegeven verklaring - zongen zij mee in de koren; men

illustratie
De Munsterkerk te Roermond, door Dr P.J.H. Cuypers gerestaureerd
Naar een foto van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 's-Gravenhage


ontdekte hun muzikale aanleg, gaf hun eenige opleiding en aldus ontwikkelde zich menig talent, dat in onze kleine muziekwereld naar voren kwam.’2 Vooral het koor van de Mozes en Aäron te Amsterdam, dat een nationale naam had en waarvoor dan ook bovenal geldt, dat de misbruiken er ernstig waren en de concertmuziek er lang hoogtij vierde, heeft deze dienst aan de gemeenschap zeer duidelijk bewezen. Eigenlijk was dit al een zeer oude traditie: het ‘Musyck-collegie in de XVIIe eeuw,’ waarvan

[p. 263]

J.A. Alberdingk Thijm in zijn bekende schets een zeer romantisch beeld heeft getekend,1 was vrijwel identiek met het ‘koor’ van de Mozes.

De boven terloops aangeduide misbruiken, die - vooral in de grote steden van Holland, maar ook in veel provinciesteden, met name te Nijmegen, Den Bosch en Maastricht - de grens tussen kerk en concertzaal vrijwel hadden uitgewist, zijn natuurlijk met het herstel van de hiërarchie niet onverwijld uitgeroeid. Tot aan het Provinciaal Concilie van 1865 is er nauwelijks een begin mee gemaakt en ook daarna bleef er lange tijd genoeg van in wezen om ouden van dagen nog vandaag in staat te stellen er op grond van persoonlijke herinneringen het kleurig verhaal van te doen, speciaal van de min of meer duurzame verbintenissen, op de veelal gemengde stedelijke kerkkoren ontstaan tussen leden van onderscheiden kunne en over derzelver minnelijk verkeer tot onder Hoogmis en Lof toe. In zulke bijkomstige bijdragen tot de toekomst der katholieke samenleving door het bijeenbrengen van gelijkgestemde muzikale zielen zal niemand kwaad zien, die zich herinnert, dat böse Menschen keine Lieder haben, maar Missen met volle orkestbezetting: eerste en tweede viool, altviool, violoncel, contra-bas, tot pauken en trompetten toe, Missen met zware solopartijen, Missen met een maximum aan ‘lawaaimogelijkheid,’ ‘jolige’ Missen, ‘sentimentele’ Missen met reminiscenties aan amoureuze duetten2 rechtvaardigen de uitspraak, dat de muziek - ver over haar doel heengeschoten - de eredienst had overwoekerd, geabsorbeerd of ter zijde geschoven en de godsdienstoefeningen gedenatureerd. In de grotere kerken vertoonde men ten minste tot 1866 toe - eerst toen werden de bepalingen van het concilie van kracht - caricaturen van hoogmissen, die ‘eigenlijk een combinatie waren van twee totaal onderscheiden zaken, die slechts in naam met elkander overeenkwamen, te weten: een Mis als godsdienstige handeling en een Mis als concertstuk.’3

De oorzaak van deze verwording ligt in de degeneratie der liturgische begrippen. Hoe ver dit proces in 1853 gevorderd was, valt te schatten aan de hardnekkige restanten, die nog hier en daar bestaan: uitstelling van het Allerheiligste onder de Hoogmis, onmogelijkheid van communiceren onder die Mis, scheiden van Mis en Communie der gelovigen, rode en blauwe misdienaarstogen, stafdragende ceremoniarii enz. Vermakelijke stalen van wanbegrip en nauwelijks geloofwaardige eigengereidheid, die de eredienst soms op hoogtijdagen naar een poppenkast deden zwemen, zijn ons overgeleverd: een van de aardigste is het door J.A.S. van Schaik geboekte verhaal van ‘den pastoor, die in den kerstnacht zijn parochianen verbaasde met aan het begin der Heilige Mis plat voorover ter aarde te vallen, omdat hij dien Goede-Vrijdagritus zoo stichtend vond,’4 Argeloze getuigenissen leveren allerlei passages uit brieven van Alberdingk Thijm, die met zijn muzikale vader, zusters en broers in de nadagen van de Hollandse Zending persoonlijk aandeel nam in allerlei excessen. Oud geworden, herdacht de zo streng liturgisch- voelende Joseph nog met zekere weemoed de Zondagse Hoogmissen onder de Vasten in de Mozes en Aäron, waaronder bekende zangers en zangeressen - terwijl de priester zijn eigen gang ging - het Stabat Mater van Pergolesi, Haydn of Rossini ten gehore brachten; het laatste vulde de hele Mis.5

Toen de hiërarchie hersteld werd, was J.B. van Bree (1801-1857), dirigent van het Mozeskoor en dat van de Franse kerk te Amsterdam, benevens directeur van ‘Toonkunst’, in zijn nadagen: kort voor zijn dood brachten de verenigde koren van Mozes

[p. 264]

en Franse kerk Beethovens Missa solemnis in eerste uitvoering ten gehore. Hij was zelf een beschaafd en begaafd epigoon der klassieke componisten en werd, ofschoon ‘erfelijk belast’ met wanbegrippen ten aanzien der liturgie,1 gerekend tot de voorbereiders van een zuivering der muziekbeoefening. Daarentegen heeft de zeer romantische

illustratie
Tafereel uit de Kruiswegstatie
in de Kerk van de H. Willibrordus te 's-Gravenhage, geschilderd door J.A. Canta


J.J.H. Verhulst (1816-1891) naar het oordeel van Alphons Diepenbrock2 de gezonde ontwikkeling van het Nederlandse muziekleven en a fortiori dat van de kerkmuziek te onzent belemmerd door de populariteit, die zijn uitbundige composities bij onze koorzangers verwierven, een populariteit, die bij zeker ouderwets slag nog niet geheel weggeëbd is.3 Hij leverde bij Schaepmans daverende Pius-cantate, die 20 Juli 1871, aan de vooravond van de Parkmeeting, onder zijn leiding in het Paleis voor Volksvlijt ten gehore gebracht werd, de bijpassende muziek.4 Het is niet onvermakelijk het verslag van de contacten tussen de twee geestdriftigen te lezen. Mogelijk komt ook Verhulsts knap muzikaal gedruis een plaats in de geschiedenis van ons herlevingsproces toe en is het naast zoveel andere rhetorica iets als een natuurlijk verschijnsel: het lawaai, de schutterige drukte, waarmee de bedremmelde geëmancipeerden hun onwennigheid en hun gemis aan zelfvertrouwen poogden te camoufleren, de geladen hyperbool en de schelle fanfare, die onze negentiende-eeuwse voormannen - op weinige uitzonderingen na - lang eigen was. Dat deze enthousiaste luidruchtigheid niet zonder meer mag worden beschouwd als getuigenis van vurige devotie, bewijzen Schaepman en Verhulst beiden. De eerste leefde ongetwijfeld uit een sterk geloof,

[p. 265]

maar was geen bij uitstek devoot man - althans niet in de kracht van zijn leven - en Verhulst practiseerde zijn geloof niet.1 Verwant aan Verhulst - althans in zijn muzikale smaak - was de ongelooflijk productieve priester-musicus B.A. Pothast (1824-1894), van 1843 tot zijn dood ‘maître de chapelle’ in het college te Rolduc, componist

illustratie
Beeld van de Apostel St. Jacobus de Meerdere
in de Sint-Janskerk aan de Lange Haven te Schiedam, van Frans Stracké


van Missen, balladen, Te Deums, muziekspelen en opera's. Ook hem moest in 1866 het gebruik van strijk- en blaasinstrumenten in de kapel verboden worden. Zijn werk en zijn hele optreden geven de indruk, dat hij nooit het essentieel verschil tussen muziek voor de eredienst en muziek voor feestavonden heeft begrepen.2

Een eerste teken van gezonde kentering was de omstreeks 1850 te onzent ingezette beweging tot vernieuwing van het Gregoriaans, dat door schromelijke eigengereide inbreuken ontaard was en volgens een tijdgenoot ‘verknoeid en verbasterd’ werd.3 De stoot tot de zuivering gaf het verschijnen van een geschrift van de Noordbrabantse priester N.A. Janssen (1808-1898), een diep godsdienstig, muzikaal goed geschoold en met een zeer zuivere smaak begaafd man: De ware grondregels van den Gregoriaanschen zang. (Mechelen 1845). Straks publiceerde hij een soort manifest, getiteld Geschied- en oordeelkundige beschouwingen over de wereldsche en kerkelijke musiek. ('s-Hertogenbosch 1850). Het werkte als een knuppel in het hoenderhok en gaf o.a. aanleiding tot protestbrochures van de hand van Lambert Alberdingk Thijm, maar heeft tot groot voordeel van de eredienst hier vroegtijdig het begrip gewekt, dat het om een principieel verschil ging. De evolutie is overigens langzaam gegaan. Eerst toen in 1870 de priester M.J.A. Lans (1845-1908) belast werd met het onderwijs in de kerkzang op het seminarie Hageveld, kwam er zichtbaar schot in. Zijn in 1874 verschenen Handboekje ten gebruike bij het onderwijs in den Gregoriaanschen zang heeft, vooral sedert het in 1875 was omgewerkt naar de ‘officiële zangboeken van de H. Congregatie der Riten,’ school gemaakt in alle bisdommen - misschien aanvankelijk nog wel het traagst in zijn eigen bisdom, waar bisschop Wilmer weinig geestdrift voor de vernieuwing toonde4 en Warmond een tijdlang afbrak, wat Lans in Hageveld opgebouwd had. In het Utrechtse vond deze een overtuigd medestander in de kunstlievende G.W. van Heukelum en straks bij J.A.S. van Schaik, in het Roermondse in de hoogleraar Verzijl, in Breda in rector Vergroesen, in Den Bosch in de seminarie-leraar H. van Son, onder de regulieren vooral in de paters J. Bogaerts C. ss.R., J.A.F. Kronenburg C. ss.R. en L.J. de Sonnaville S.J., onder de uitvoerende kunstenaars o.a. in Jos. Beltjens, Ph. Loots, Jos. Vrancken, Jos. Winnubst. In 1876 verscheen als resultaat van een wijdvertakte samen-

[p. 266]

werking onder hoofdredactie van M.J.A. Lans het eerste nummer van het Sint-Gregoriusblad en in 1878 werd de Sint-Gregoriusvereeniging gesticht. Daarmee was de overwinning van de zuivere begrippen nog geenszins bezegeld en nog minder werd het voortwoekeren van taaie misbruiken er door belet, maar was althans de voorwaarde vervuld voor de gezonde hervorming van denkbeelden en practijken, welke in de volgende halve eeuw, weliswaar onder gestadige polemiek, langzaam voltrokken werd.

 

Rechtstreekse deelneming aan de beoefening der wetenschap, bleef onder de katholieken van Nederland in het derde kwart van de negentiende eeuw beperkt tot het occasioneel optreden van een zeldzame enkeling. De beoefening van de theologie bleef bij het seminarie-handboek, de tijdschrift-polemiek en de recensie steken. Nog lang zou men trouwens - bij gebrek aan elk universitair centrum - te onzent theologie en apologie bot identificeren. Sporen daarvan zijn zelfs in de twintigste eeuw aanvankelijk verre van zeldzaam. Het overzicht, dat P. van den Tempel O.P. van de Roomsche Theologie in Nederland van 1813 tot 1913 in Het Katholiek Nederland gaf, is een pijnlijke demonstratie van armoede en van begripsverwarring. Het stemt weemoedig door zijn schamelheid, maar heeft iets verontrustends door de gemoedsrust, waarmee de auteur nog in 1913 zulk een identificatie kon toepassen. Voor 1853 valt er ook met behoud van die identificatie niets van betekenis te noemen. Het beknopte geschrift van een Bredase seminarie-professor: Triga questionum quam pro studio et usu theologiae moralis S. Alphonsi de Ligorio edidit A. de Wit (Breda 1850), een van de twee godgeleerde studies, die in genoemd overzicht vóór het herstel der hiërarchie te noemen vielen, werd door de recensent in De Katholiek1 begroet met de veelzeggende verzekering: ‘Het was ons ten hoogste aangenaam, dat iemand dergenen, welke met het onderwijs der godgeleerdheid belast zijn, eene openlijke proeve van zijn wetenschappelijk streven en werken gaf.’ Overigens prijst de recensent meer het feit van het verschijnen en het doel van het werk dan het exposé zelf. Het tweede werk, dat Van den Tempel noemt, is van de Bossche seminarie-professor H. Piggen: Elementa theodicae (1851).

Na het herstel van de hiërarchie verschenen geleidelijk de handboeken van het seminarie-onderwijs, door Van den Tempel aangeduid als ‘de klassieke werken van enkele professoren der seminariën.’ De voornaamste daarvan waren die van de eerst Warmondse, later Rijsenburgse hoogleraar F.P. van de Burgt: twee tractaten over het huwelijk (1856 en 1859) en een over het opdragen van de Heilige Mis, die van prof. J.W.S. van Egeren over de moraal, (1868) die van de Roermondenaar A.J. Verhoeven (1870), de Inleiding tot de Theologie van de latere bisschop A. Godschalk (1875) en de Theologia dogmatica in 3 delen van de Utrechtenaar G.M. Jansen. Warmond, dat met het heengaan van Van de Burgt en O.A. Spitzen voorlopig onherstelbare verliezen geleden had, bleef tot het eind van de eeuw zeer steriel. Ook sommige regulieren gaven min of meer geslaagde werken met practische bestemming uit. Bekend werden de tweedelige moraaltheologie van Pius van der Velden O.F.M. (1854) en de Codex dogmaticus (1868) van H. van Rooy O.F.M. En dan is er een stroom van polemische brochures, geheel ten onrechte geclassificeerd onder de ‘Roomsche theologie’; had de auteur zich bij de strikte wetenschap gehouden, dan zou hij althans tot aan het eind van de hier behandelde periode niets te vermelden hebben gehad.

[p. 267]

Met de wijsbegeerte was het in feite niet beter gesteld; hierbij kwam men voorlopig zelfs niet aan het schrijven van handboeken toe. Dit valt te meer op, omdat ons land tot 1860 een eerste kracht bezat in de eerst Hageveldse, later Warmondse docent Broere, een merkwaardige, veelzijdig begaafde figuur. Hij was een zeer knap schilder, vooral van portretten en maakte o.a. dat van mgr F.J. van Vree, die hem als artist denkelijk meer waardeerde dan als wijsgeer. Verder was hij een dichter in de trant van Isaäc da Costa en als zodanig toonde hij bij alle rhetoriek, die zijn meeste werk, b.v. het heldendicht Constantijn1, ongenietbaar maakt, althans zuiverder smaak en gevoeliger oor voor het klankschoon dan de veertig jaar jongere Da Costa-epigoon Schaepman. Bovendien was Broere ook een meester in de prozastijl, voor een wijsgeer zelfs, naar hedendaagse smaak, te beeldenrijk en te dichterlijk in zijn taalgebruik. Ten slotte was hij belezen als weinigen, vooral in litteratuur en geschiedenis. Zijn geschiedbeschouwing is die van Bilderdijk en Da Costa, d.i. zeer subjectief, tot conclusies komend zonder onderzoek van de bronnen. Eer theoloog van aanleg dan wijsgeer, was hij naar eigen oordeel in de eerste plaats het laatste.

Cornelis Broere (1803-1860) was de zoon van een Amsterdamse grutter uit de Leidsestraat en dankte zijn vorming in de humaniora hoofdzakelijk aan C.R.A. van Bommel, als wiens privé leerling hij ook na de sluiting van het seminarie zelf te Hageveld verbleef. Hij trok met zijn leermeester naar Luik en werd daar door hem in 1830 tot priester gewijd. Van een bepaald intieme relatie tussen de Luikse bisschop en zijn onmiddellijk na de wijding te Hageveld als docent in de wijsbegeerte aangestelde leerling mag echter later niet gesproken worden. Ten minste moet, naar de briefwisseling te oordelen, de verstandhouding op den duur vrij los geworden zijn. Dat Van Bommel de Hageveldse wijsgeer zeer hoog heeft aangeslagen, blijkt, voorzover de gegevens reiken, eigenlijk niet. Het is echter niet ondenkbaar, dat de Luikse bisschop zich gestoten heeft aan allerlei uitingen, die Broere zich permitteerde over ambtgenoten en overheden. Deze uitingen moeten ons de jonge leraar doen houden voor een tot doordraven geneigd man van wankelbaar evenwicht.

Dat hij in zijn eerste Hageveldse jaren een vurig en oncritisch bewonderaar van de profeet Lamennais was, heeft niets bijzonders: die liefde zal in hem wel door Van Bommel zelf gewekt zijn. Deze had immers reeds in de jaren 1819-1821 Lamennais' Essai sur l'indifférence en matiére de religion vertaald en bleef jarenlang van bewondering voor de vader van het liberaal-katholicisme vervuld.2 Waarschijnlijk heeft hij die gevoelens ook aan zijn beste leerlingen doorgegeven; behalve Broere was vooral Bernard Hafkenscheid geruime tijd een vurig adept van de Franse meester.3 Ook dat de jonge praeceptor van Hageveld zijn leerlingen althans tot 1833 de Mennaisistische beginselen inprentte, totdat het hem op de eis van de Warmondse president Chedeville en zijn eigen regent A.A. Tomas verboden werd, mogen wij niet zeer zwaar laten wegen.

Vermoedelijk berustte de zeer uitgesproken afkeer, die zowel Chedeville als Tomas jegens Broere gevoelden, minder op de verkondigde leer dan op de karaktereigenschappen van de jonge docent. Deze was blijkens zijn brieven uit de betrokken jaren zeer weinig plooibaar en in hoge mate vervuld van zelfingenomenheid. Regent Tomas ergerde zich heftig aan de laatdunkende houding van Broere, die hij in een brief aan Chedeville van 20 Januari 1835 ‘vol stinkende eigenliefde’ noemde,4 omdat hij de geest in

[p. 268]

het seminarie grondig bedierf door zijn grillig en eigenmachtig optreden. Van zijn kant toonde de zeer prikkelbare wijsgeer voor de boven hem geplaatste autoriteiten, de Warmondse hoogleraren Chedeville en Van Wijckerslooth en vooral voor zijn onmiddellijke chef, de regent, de diepste minachting. Aan zijn oud-leermeester te Luik schreef hij over de laatste bijna ongelooflijk vinnige, zeer liefdeloze dingen als: ‘Ik zou den regent wel door het slijk willen slepen.’1 In deze onwaardige uitingen, waarop de bisschop met scherpe terechtwijzingen geantwoord schijnt te hebben, ligt vermoedelijk voor een deel de oorzaak van de merkbare verkoeling in hun verhouding. Volgens de verbitterde Tomas was de jonge Broere ook een intrigant, die zich met aanbidders wist te doen omringen en speciaal zijn collega Cornelis van Kints gebruikte om de regent tegen te werken. Inderdaad moet Van Kints, de latere praeses van Warmond, een tijdlang hoog tegen Broere opgezien hebben. Het tekent diens ijdelheid, dat hij over die trouwe satelliet naar Luik durfde schrijven: ‘Van Kints mist mijn souplesse om met alle menschen te praten.’2

Een critische behandeling van de periode 1830-1860 in de geschiedenis van Hageveld moet in het belang van de kerkhistorie dringend nodig geacht worden: het opstel, dat wijlen mgr. H.J.M. Taskin in 1917 aan de geschiedenis van het seminarie wijdde,3 glipt over alle netelige problemen radicaal heen. Van der Loos' minder gelukkig gecomponeerde, maar volkomen betrouwbare en zeer critische geschiedenis van Warmond biedt in dezen veel meer. In 1835 is de regent Tomas vervangen door A. van der Weiden, die in 1845 weer werd opgevolgd door de latere Passionist-bisschop A.J. Pluym. Naar de gegevens uit contemporaine brieven te oordelen,4 is geen van beiden een krachtig bestuurder geweest. Broere's positie schijnt onder hen die van een dominerende figuur geweest te zijn. In 1851 werd de regent Pluym met zachte drang bewogen zijn ambt neer te leggen; tegelijk werd Broere naar Warmond verplaatst. Dit is zeer duidelijk een als amotie bedoelde promotie en bovenal het werk van president Van Vree. Deze oordeelde zeer ongunstig over Broere's onderwijs in de philosophie. Reeds Chedeville had dit zeer scherp gelaakt, maar misschien meer om de doctrine dan om de methodiek. Van Vree hield tien jaar lang niet op de laatste te laken op grond van de bedroevende resultaten, waarmee hij dagelijks kennis maakte. In 1843 werd op zijn verlangen naast Broere een tweede docent in de wijsbegeerte aangesteld, wiens taak het blijkbaar geweest is de Hageveldse jongelieden een begrijpelijke philosophische propaedeuse te geven. Ook dit werd echter een lijdensgeschiedenis. Daaraan maakte eerst Broere's verplaatsing naar Warmond in 1851 een eind. Hij doceerde daar nog ruim acht jaar de kerkgeschiedenis en overleed aan een hartkwaal, die zich reeds in 1846 bij hem geopenbaard moet hebben, 28 December 1860.5

Wie zich houdt aan het oordeel van Tomas, Chedeville en vooral Van Vree, moet Broere alle didacstische gaven ontzeggen. Er is echter in hun critiek een en ander, dat aan Gezelle's wedervaren te Roesselare doet denken. Maar in ieder geval had Broere een veel minder nederig karakter dan de Westvlaamse dichter. Niettemin is het oordeel van veel dankbare leerlingen met de suggestie van Van Vree's critiek in lijnrechte strijd. Van Broere's lijkredenaar P.W. van Oorte krijgen wij de indruk, dat de Hageveldse discipelen aan zijn lippen hingen. Dit behoeft echter nog niet te bewijzen, dat zij veel van zijn lessen opstaken, want vuurwerk vindt de jeugd altijd mooier dan degelijke

[p. 269]

theorie en soms vergoden de leerlingen de meester te meer, naarmate zij minder van hem begrijpen. Vermoedelijk achtte de dichterlijke Broere de schoolse inleiding in de logica, die van hem verwacht werd, beneden zijn waardigheid van geniaal wijsgeer en voerde hij de luisterende schare gaarne naar de blinkende toppen, waar de lucht ijler

illustratie
Cornelis Broere
Naar zijn zelfportret in het Groot-Seminarie te Warmond


was dan Van Vree gezond voor hen achtte. Deze zal een compendium van elementaire leerbaarheden, schools gedicteerd en braaf gememoriseerd, als grondslag voor het theologicum onmisbaar geacht hebben, terecht van mening, dat het voorbereidend hoger onderwijs in lessen en niet in colleges moet bestaan. De stiptste schoolmeester was voor zulk onderwijs de geschiktste docent, vooral als hij de zorgvuldig gedoseerde kennis op gezette tijden peilde door middel van een stel vragen in katechismustrant. Maar Broere, die vermoedelijk met Machteld van Velzen van mening was, dat men in de ploech gheen Spaensch genet besicht,1 had zeker wel niets van de schoolmeester: hij sloeg denkelijk de propaedeuse over en begon, waar hij ten hoogste had behoren te eindigen.

De reeds geciteerde lijkredenaar heeft de gestorven meester met veronachtzaming van alle proporties ‘een genie in den meest omvattenden, meest volkomen zin des woords’ genoemd. Men heeft dit - van andere zijde natuurlijk - ook bij herhaling van Opzoomer gezegd, maar wie lacht daar tegenwoordig niet om? Geldt zulk een uitspraak voor Broere, wat zullen dan wij van Mercier en Beysens moeten zeggen om maar niet te denken aan St. Thomas? Betitelt dezelfde orator zijn Hageveldse leermeester als ‘de schepper van een nieuw wijsgerig stelsel,’ dan vragen wij, tastende in het ijle, waar dit gebleven is. ‘Kantiaanse gedachten in Cartesiaanse vorm’ gekleed te hebben, zoals een deskundige van hem getuigt,2 is geen geniale scheppingsarbeid. De harde waarheid moet wel zijn, dat ook Broere van aanleg een fideïst was als zovele romantici, al was het alleen maar uit reactie tegen het rationalisme. Ook hij heeft geen weg geweten uit de verwarring van de tijd. Door Van Bommel te Hageveld en te Luik

[p. 270]

voor Lamennais gewonnen, moet hij sinds diens veroordeling op drift geraakt zijn, hartstochtelijk zoekend naar een grond voor zijn zwevend denken. Achtereenvolgens heeft hij steun gezocht bij andere traditionalisten, met name bij Ventura, Gioberti en ten slotte bij de door Van Bommel en Sterckx geprezen en geprotegeerde Ubaghs. Gelukkig voor hem heeft hij diens veroordeling niet meer beleefd. Een argeloos leerling van Broere, pastoor C.L. Rijp, die in 1889 de wereld een dienst meende te bewijzen door de Praelectiones philosophiae, zoals hij die uit 's meesters mond in de jaren 1840-1841 had opgetekend, in druk te geven, bracht diens nagedachtenis daarmee in opspraak en zijn faam in geducht gevaar. De interventie van de Hoevense professor dr A. Resemans bij mgr Bottemanne voorkwam tijdig elke recensie en elke export, waardoor een posthume veroordeling van het Hagevelds orakel voorkomen werd1.

Ook in de ruim drieduizend bladzijden, die zijn bespiegelende opstellen in De Katholiek vormen, treedt de invloed van het fideïsme, dat hij sinds zijn kennismaking met Lamennais nooit geheel heeft prijsgegeven, voortdurend aan het licht, vooral als hij in vele variaties herhaalt, dat de wetenschap de godsdienst te volgen heeft en die nooit vooruitgaat, laat staan een autonome sfeer zou hebben. Zulk een apriorisme is typisch voor de generatie der katholieke Romantiek en in wezen gelijk aan de geesteshouding der idealisten. Broere's tekorten zijn die van nagenoeg al zijn katholieke tijdgenoten-philosofen: De Maistre, Bautain, Rosmini, Balmés, Gratry, allen reactiefiguren in krampachtig protest tegen het intellectualisme van de Aufklärung. Dit had eenzijdig en fataal de ratio beklemtoond en de fides ondermijnd; nu zochten de christenphilosofen hun toevlucht in een theologie, die de rede leerde verachten en het geloof er van losmaakte. Maar dus doende, schiepen zij geen christenphilosophie.2

Dichter is niemand wel ooit tot de kern van Broere's gestalte genaderd dan de cultuurhistoricus, die van hem schreef, dat hij altijd ‘vocht met de demon in lichtgedaante, het betoverend idealisme, dat hem niet zo verschrikkelijk kon afstoten, wanneer het hem niet zo verleidelijk aangetrokken had.’ Als echt romanticus had deze Hollander een gevaarlijke voorkeur voor de steile opgang en de ijle abstracties. Overal zag de in de ijlte zwevende philosoof pantheïsme, ‘omdat hij van angst voor pantheïsme vervuld was,’ d.i. voor ‘de vage natuuraanbidding,’ waartoe zijn kunstenaarsnatuur geneigd was.3 Voor wie het criterium vindt in de hoge vlucht, is de adelaar Broere een wijsgeer van de eerste rang, maar wie klaarheid van denken en zeggen komt zoeken, voelt zich in de meester teleurgesteld. Niet alleen door zijn apriorisme, maar ook door zijn onopgeloste inconsequenties. Zijn er idealisten, tot wie men kan zeggen: ‘Zo ik uw aprioristisch uitgangspunt kon aanvaarden, gaf ik mij tevens aan uw stelsel gewonnen,’ dan komt men nog met lege handen van Broere vandaan, die eindeloos cirkelen blijft om zijn axioma's en tot geen constructie komt. Wel zelden was iemand blinder dan Broere voor de eigen ontsporingen van de logica, die hij tegenstanders verweet. De opmerking geldt ook voor Bilderdijk, de andere christenphilosoof, die een romantisch kunstenaar was en in wiens ziel gelijke worstelingen hebben plaatsgehad.

Zeker is het voor Broere geen fortuin geweest te hebben moeten leven en werken in de eerste helft van de negentiende eeuw. Was hij een kwarteeuw later geboren en was hij jong in strakker denktucht geschoold, dan de zelf al te impulsieve Van Bommel hem kon leren, dan had hij de nu zo fataal gemiste basis kunnen vinden in het zich con-

[p. 271]

stituerende Neo-Thomisme. In wezen is de veelzijdige, diepzinnige Broere een tragische figuur, mislukt door het gemis van wat een mens van zijn aanleg misschien het hardst nodig heeft: scholing in zelftucht en wetenschappelijke methodiek, de besnoeiende leiding, die in de student de franje afsnijdt en hem lijn in zijn studeren leert brengen. Hij was een autodidact van geniale structuur gelijk Bilderdijk en Multatuli en vertoont, evenals zij, de groei van de wilde loot: stout, maar grillig. In de omgang met anderen moet ook Broere elke dag ontdekt hebben, hoeveel meer hij wist dan zij en vooral hoeveel hoger vlucht zijn gedachten namen. Helaas heeft hij veel te vroeg en verder gedurende al zijn leven de volkomen vrijheid gehad door zelfverkenning de eigen weg volstrekt te bepalen en daarbij is hij dan waarschijnlijk vroeg enigszins bedorven door oncritische lof en jeugdige gewenning aan weelde. Hij zat als een soort pleegzoon van Van Bommel van 1825 tot 1830 dagelijks aan diens tafel aan, eerst op Hageveld, dan in het bisschoppelijk paleis te Luik en - de patriciër Van Bommel placht uitvoerig te dineren. Op de soberheid van de seminariekeuken bleef Broere steeds wat schamper neerzien. Ook gevoelde hij zich, aan geen regels gewend, verheven boven de Hageveldse huisorde en ten slotte deed tegenspraak hem licht in drift of in tranen uitbarsten.1 Hij dankt het wel aan de genade van zijn priesterschap en aan de vroomheid, die hem altijd bleef kenmerken, dat hij bewaard is gebleven voor de hoogmoed, die Bilderdijk en Multatuli eigen was.

Misschien zou Broere - evenzeer als het nu met de ook zeer begaafde, maar minder hoogvliegende en veel ordelijker Borret gebeurd is - door de vaderlandse geleerdenwereld ontdekt zijn, als hij niet heel zijn leven gedoken gebleven was in zijn clericaal isolement.2 Geen verblijf in een internationaal-academisch milieu had Broere - als de oud-Romein Borret - voorbereid en gestaald tot een zending in het nationale cultuurleven. Ook had hij in dezen niets meegekregen van thuis, wat hem weer scherp onderscheidde van de patriciërszoon Borret, die thuis was aan het hof. Het feit echter, dat twee of drie generaties met oncritische lof van Broere bleven gewagen en zwegen over die andere Warmondenaar, die lid van de Koninklijke Akademie werd, doet ons de vraag stellen, of de drieduizend bladzijden met Broere's hoogvliegende, maar onklare bespiegelingen toch mogelijk nog een andere zin hebben dan die van een leerzame demonstratie van het wilde zoeken, het desperate experimenteren van de katholieke denkers in de negentiende eeuw. Terecht heeft men Broere vergeleken bij de opgesloten vlinder, die machteloos tegen het raam fladdert3, en hem tegelijk de enige waarachtige denker genoemd, die het vlakke Nederland van de negentiende eeuw voortgebracht heeft. Hoe goedkoop, hoe terre à terre is de eens vergode Opzoomer bij Broere's vlucht. Diens apriorisme mag de logica onbevredigd laten, het wordt een deugd bij de platte axioma's der positivisten. Deze verdienste mag meer van de intuïtieve, de dichterlijk-mystieke orde zijn dan van de intellectuele, ook wie van oordeel is, dat Broere's beoefenen der wijsbegeerte aldus neerkomt op een gestadig détournement de pouvoir, kan haar ten volle erkennen. Aan Broere's dichterlijk schouwen, aan Broere's begenadigde zekerheid heeft zich een geestelijk verkommerde en verschuchterde gemeenschap veeleer kunnen optrekken dan aan de vakspecialistische bekwaamheid van de christelijke archaeoloog Borret. Niemand ontkent Bilderdijks nationale betekenis, al geeft de lommerd voor diens meeste beweringen geen cent meer en al noemen wij zijn

[p. 272]

meeste gedichten rimram of ten minste bombast. Is het - om een fraai beeld aan Gerard Brom1 te ontlenen - geen verdienste genoeg het christendom over de revolutiestroom te hebben gedragen, zoals Christophoor het het Christenkind over de golven deed? Het is ook de verdienste van Broere en kwam zijn stem voorlopig niet buiten de roomse binnenkamer, hoe zouden wij vandaag op de Areopaag kunnen getuigen, als hij niet hen had bezield, die onze vaders en voortrekkers waren?

Met Borret te noemen betraden wij het terrein van taal en letteren en tevens het vaderlands academisch territorium. Gelijk uit voorafgaande paragrafen reeds bleek, waren daar de katholieken nog witte raven. Het herstel van de hiërarchie viel toevallig ongeveer samen met het aftreden van de enige katholieke hooglesraar, de reeds meermalen genoemde priester J.M. Schrant. Zijn Leids professoraat was, gelijk wij zagen, geen succes geweest en er zijn geen blijken, dat de katholieke gemeenschap bepaald roem droeg op het feit, dat Dom Pitra verheerlijkt constateerde: ‘un prêtre dans l'une des plus importantes chaires,’2 Alleen enkele oude vrienden, allen min of meer verwant aan zijn irenische aard, zoals de aartspriester B.J. Gerving en de pastoors B. Hofman, W.H. ter Horst - een oom nog wel van J. Ph. Roothaan -, Hendrik Tomas en A.C. Quant schaamden zich niet over de omgang met een priester, die zo verlicht was, dat hij genade had gevonden in de ogen der regering. Schrants debuut als hoofdredacteur van de Mengelingen en auteur van een wegens zijn dogmatische vaalheid op de Index gekaballeerd Leven van Jezus is nooit in het vergeetboek geraakt: integendeel had de ultramontaanse mythe-vorming dit verleden tot weinig minder dan verraad en afval verwrongen. Schrants dagelijks Mislezen tot in hoge ouderdom en zijn onkreukbare, stipt priesterlijke levenswandel zijn nooit voldoende geweest om de gefluisterde reminiscentie te doen vervagen. Een vertaling van het Nieuwe Testament, door de hoogleraar in zijn emeritaat ter goedkeuring aangeboden aan mgr F.J. van Vree, bleef jarenlang ongelezen liggen. Eerst mgr G.P. Wilmer antwoordde de grijsaard op diens herhaald aandringen met een niet-gemotiveerde weigering van de kerkelijke goedkeuring. Briefwisseling tussen Haarlem en Warmond wijst uit, dat het werk goeddeels ongelezen gebleven was, en doet vermoeden, dat de goedkeuring geweigerd werd om de vertaling van de Leuvense hoogleraar Beelen geen concurrentie aan te doen.

Weinig meer merkbare waardering vond in het midden der broeders de in de Nederlandse academische wereld zeer geziene Theodoor Joseph Hubert Borret (1812-1890), in 1853 hoogstwaarschijnlijk de enige theologiae doctor, die de Hollandse Zending rijk was. Hij was een voornaam man van patricische familie en hoofse levensstijl, onderhield heel zijn leven relaties met de hoogste kringen en gaf reeds in 1838 in de Haagse Hofkapel - de kerk voor de haute volée - in de Franse taal op verzoek conferenties voor andersdenkenden over het katholieke geloof.3 In deze ultramontaanse irenicus waren weifelingen overwonnen, die eerst een kleine eeuw later meer algemeen begonnen te vervagen. Zijn optreden in de wereld der vaderlandse wetenschap was zo natuurlijk, dat wij ons in alle ernst moeten afvragen, of Borret voor het terzijdestellen van anti-katholieke vooroordelen in die kring niet nog meer verdienste heeft dan Alberdingk Thijm, die zich toch meestal nog iets te uitdagend als geloofsverkondiger of -verdediger aandiende.

‘Heuse wisseling van denkbeelden’4 was voor Borret alle polemiek en zijn verhandelingen in de Koninklijke Akademie, waarvan hij in 1865 tot lid benoemd was,

[p. 273]

bewijzen, dat deze priester de academische toon en stijl meer natuurlijk beheerste dan de misschien niet minder begaafde en wel zo brede leek Thijm, in wie naast de grote deugden ook enkele ondergeschikte tekorten van de autodidact en selfmade man zichtbaar bleven. Maar voor Borret hadden van der jeugd af aan deuren wijd opengestaan,

illustratie
Theodoor Joseph Hubert Borret
Naar een fotografie
Particulier bezit


die voor bijna elke andere geloofsgenoot gesloten bleven. Een opvoeding in het buitenland en academische vorming te Rome hadden hem bovendien niet alleen hoger graad van ontwikkeling, maar ook wijder blik op de wereld gegeven dan de vaderlandse scholen en zeker de toenmalige seminaries iemand konden verschaffen. Wie andermans betekenis voor de wetenschap afmeet aan de hoeveelheid en de omvang van de door hem geschreven boeken, zal niet hoog lopen met Borret, van wie niet geheel zonder reden ondersteld is, dat hij de benoeming tot lid van de Akademie ‘misschien meer aan zijn kennissen dan aan zijn kennis te danken’ had.1 Een kwarteeuw lang woonde hij trouw de vergaderingen bij; hij trad herhaaldelijk als spreker op en nam geregeld deel aan de gedachtenwisseling op een wijze, die verscheiden medeleden, als de classici Hofman Peerlkamp en J.C.G. Booth, de theoloog Kuenen en de historicus Bakhuizen van den Brink, met waardering deed spreken van zijn uitgebreide kennis en ‘de fijne beschaving, die zijne geheele persoonlijkheid kenmerkte.’2

Van de oprichting van De Katholiek af tot zeer kort voor zijn dood toe, d.i. bijna een halve eeuw lang, werkte Borret aan dit tijdschrift mee, meestal anoniem, alleen in de latere jaren met ondertekening.3 In de Verslagen van de Koninklijke Akademie komen andere verhandelingen van hem voor, o.a. zijn belangrijkste publicatie: de studie over ‘de christenslavin in dienst bij heidensche meesters gedurende de drie eerste eeuwen.’4 Zo misschien zijn beoefening van de wetenschap wel door precieuze keurigheid uitmunt, maar niet door oorspronkelijkheid of diepzinnigheid verrast en met name de Katholiek-opstellen van zijn latere jaren zeer hinderlijk de breedsprakigheid vertonen van een man, die zich zelf overleefd heeft, behoeven wij nog niet aan te nemen, dat de deftige Borret bepaald in de Koninklijke Akademie misstond. Aan medio-

[p. 274]

criteiten was zij destijds niet zo arm, dat Thorbecke's reeds geciteerd woord omtrent de geachte geleerden zonder eigen denkbeelden op geen van haar leden toepasselijk was. Ook zonder Borret te overschatten, moeten wij de betekenis van zijn vereenzaamd representeren van de katholieke wetenschapsbeoefening in het officiële lichaam belangrijk achten. Helaas is het dan echter een sprekend blijk van ons toenmalig cultureel negativisme, dat de katholieke gemeenschap deze rol al even weinig waardeerde als het Leidse professoraat van de priester J.M. Schrant.

Gelijk wij zagen, waren de rivalen Van Vree en Borret elkaar geenszins hartelijk toegenegen. De overlevering wil, dat bij het bekend-worden van de bisschopsbenoemingen te Warmond harde woorden tussen hen gevallen zijn. In 1854 benoemde de bisschop zijn oud-collega - misschien op eigen verzoek - tot pastoor te Vogelenzang, waar hij in 1861 door de ‘prae-gotieker’ Th. Molkenboer een kerk liet bouwen. Hij was van 1858 tot 1870 deken van Noordwijk en kanunnik-theologaal, nam om tot dusver niet genoegzaam opgehelderde reden in 1870 ontslag uit beide functies en liet - naar de overlevering wil - zijn kanunnikenmanteltje vermaken tot een jasje voor zijn hond, wat op een zuinigheid wijst, die hem niet in alle dingen eigen was. Borret heeft in zijn jeugd ook de schilderkunst beoefend en - als de overlevering waarheid bevat - is het jeugdportret, dat Warmond van hem bewaart, zijn eigen werk. Ook later toonde hij zich ten minste een vaardig tekenaar: hij maakte in 1861 zelf het ontwerp van de mozaïekvloer voor het priesterkoor van zijn kerk.1 In zijn deskundige belangstelling voor de kerkelijke kunst onderscheidde hij zich door een typerend relativisme. Bereid om de neo-gotiek te aanvaarden en haar bloei te bevorderen, kantte hij zich met vrij scherpe ironie tegen haar gangbaar wordende verheffing tot de enige christelijke kunststijl. Ook dit kan velen van hem vervreemd hebben. Hij was een groot bibliophiel en daarbij een bekwaam bibliograaf en bezat misschien meer van de zin voor het beoefenen van ‘de wetenschap om de wetenschap’ dan in een clericus gewenst werd geacht. Hij was trouwens merkwaardig vreemd aan alle clericalisme, hoezeer hij in gedrag en stijl het type van een decoratief geestelijke was. Zijn zeer omvangrijke bibliotheek heeft hij bij het ingaan van zijn emeritaat in 1886 voor een belangrijk deel aan Warmond geschonken. Ten gevolge daarvan is dit seminarie b.v. uitzonderlijk rijk aan dikwijls zeer zeldzame werken over Palestina en in het algemeen aan Oriëntalia.2

Ofschoon er geen sprake van is, dat Borret te midden van de katholieke gemeenschap geleefd zou hebben in dezelfde staat van miskenning en vereenzaming als het lot bleef van Schrant, werd hij ongetwijfeld buiten de kring der geloofsgenoten vrij wat meer gewaardeerd dan er binnen. Wederom dringt zich de vergelijking met Engelse verhoudingen op. In Engeland bleven de bekeerlingen Newman en Manning heel hun leven - elk op eigen wijze - de band met de nationale geleerdenwereld aanhouden. Nog vandaag worden Newman's apartementen in het Oxfords Oriel-college in hoge ere gehouden en heel hun leven hebben de beide kardinalen roem gedragen op de universiteit, die hen had gevormd. Bij herhaling hebben zij daarvan op haar vierdagen blijk gegeven, gelijk Oxford zelf op de beide ‘fellows’ bleef groot gaan. In de steile Manning, jarenlang als de leider van ‘the right side’ patroon van een katholiek isolationisme, de antipode van Newman's ‘wrong side’ der meer open katholiciteit, valt zelfs deze bepaald gecultiveerde goede relatie tot de society der wetenschap als een inconsequentie

[p. 275]

op. Ook als kardinaal bezocht hij tot kort vóór zijn sterven geregeld de maandelijkse vergaderingen van de Metaphysical Society, waar volgens Lytton Strachey ‘in strict privacy the fundamental problems of the destiny of man’ behandeld werden.1 Manning hield als kardinaal verscheiden voordrachten voor dit selecte gehoor van Engelse corypheeën als Tyndall, Huxley, Tennyson, Gladstone, o.a. over The soul before and after death. Bij ons zou de katholiek, die omstreeks 1870 habitué was geweest van een kring tot beoefening van de wijsbegeerte c.a., waarin b.v. Opzoomer, Van Vloten, Allard Pierson en ook verder in meerderheid vrijdenkers behoorden, ten zeerste gewantrouwd zijn. Was hij een leek of een petit abbé geweest, dan zou men hem - als Alberdingk Thijm - toch wel een twijfelachtig geval gevonden hebben; van een prelaat, die het deed, zou men ten minste gezegd hebben, dat hij ‘ergernis gaf.’

 

Aan Joseph Albertus Alberdingk Thijm (1820-1889) kan in kort bestek geen recht gedaan worden, zeker niet nu in de laatste jaren het gangbaar portret de critische reconstructie aan het ondergaan is, die het hard nodig had.2 Het proces is nog te weinig gevorderd, dan dat het tot geheel concrete beeldvorming zou hebben geleid. Het heeft echter ten minste het inzicht gebracht, dat Karel en Catharina Thijm het portret van hun vader gestileerd hebben tot dat van een bijna bovenmenselijke gelijkmatigheid, die door het uitzonderlijk rijke Thijm-archief geenszins in allen dele bevestigd wordt. Dat de historische Thijm grilliger, kribbiger en hooghartiger moet geweest zijn dan die van de mythe, leert de onbevooroordeelde kennisneming van zijn briefwisseling. Ook is in de laatste tijd scherper gebleken, dat tussen hem en de katholieke gemeenschap een toenemend vervreemdingsproces heeft plaatsgehad, dat hij zelf door een niet altijd gelukkig optreden geforceerd heeft. In de laatste tien jaren van zijn leven nam deze divergentie in enige openbare botsingen, met name met Schaepman, pijnlijke afmetingen aan, vooral doordat Thijms karaktereigenschappen de polemieken, ondanks of misschien juist door zijn ijzige hoffelijkheid, meestal een zeer wrange nasmaak gaven. Dat Thijm in die jaren veel verdriet en veel materiële zorgen had, heeft zeker tot die wrangheid in zijn optreden bijgedragen.

Ook Alberdingk Thijm behoorde tot de ‘upper middle class’, die in de eerste helft van de negentiende eeuw opschoof naar de eerste plaatsen in het maatschappelijk en cultureel leven, al was hij niet - als Cramer - een parvenu. Reeds zijn grootvader had als overman van het Amsterdamse kuipersgilde vrij grote welstand en aanzien bereikt en zijn vader werd al tot de ‘deftige’ middenstanders gerekend. De familie leefde echter nog op een aanmerkelijke, eerbiedige afstand van het patriciaat, vooral ook wat haar cultureel-sociale inzichten betreft. Dit blijkt b.v. heel duidelijk door een vergelijking met het levenspeil van de familie Van Lennep, die van vrijwel gelijke afkomst is als de Alberdingks, namelijk ook Westfaalse import. Terwijl de Van Lenneps omstreeks het midden van de negentiende eeuw reeds een academische familietraditie van drie generaties kennen, komt de oude kuiper Joannes Franciscus Alberdingk - het toevoegsel Thijm is de naam van zijn vrouw Catharina, naar wie Joseph Albertus' enige dochter, de wat excentrieke veelschrijfster Catharina Alberdingk Thijm († 1908) vernoemd is - pas bij het opgroeien van zijn jongste zoon Paul, de latere Leuvense hoogleraar, tot het bewustzijn van academische mogelijkheden. Ofschoon zelf vol intellec-

[p. 276]



illustratie
Joseph Albertus Alberdingk Thijm
Naar een gravure door P.J. Arendzen
Atlas van Stolk, Rotterdam


[p. 277]

tuele en artistieke belangstelling, hield hij kunst en wetenschap voor nuttige, edele tijdspassering na serieuze arbeid en zwoer hij als selfmade man bij de auto-didactiek. Hij nam zijn oudste zoon op diens vijftiende jaar van de Nutsschool en zette hem in een zaak van verduurzaamde levensmiddelen. Evenals de Zwollenaar Potgieter, wiens komaf en vorming met die van de twaalf jaar jongere Thijm veel overeenkomst vertonen, heeft deze zich verder geheel zelf gevormd tot de man van zeer uitgebreide kennis, polyglottische welsprekendheid, zuivere smaak en scherp oordeel, die in prestige bij heel de natie voorlopig alle tijdgenoten ver achter zich liet. ‘Sedert ik Potgieter en Alberdingk Thijm leerde kennen - aldus schreef Busken Huet, toen Potgieter dood was en Thijm nog twaalf jaar te leven had1 -, ben ik genezen van den waan, dat er alleen aan hoogescholen hooger onderwijs te bekomen is.’

Thijm neemt ook in onze herleving een eigenaardige plaats in. Al te zeer hebben de geschiedschrijvers van ons negentiende-eeuws herlevingsproces dit voorgesteld als een schouder aan schouder gevoerde strijd voor emancipatie, een eensgezind optrekken naar een door allen gewenst en eender begrepen doel. In wezen komt de geschiedenis van onze herleving neer op een strijd in eigen boezem, de interne worsteling van een in inzicht verdeelde gemeenschap. Het vierde hoofdstuk van dit werk schijnt de juiste plaats om dit nader uiteen te zetten. Hier worde het slechts vermeld ter typering van Thijm, die in de internationale antithese tussen de twee partijen van een ultramontaanse geslotenheid en een humanistische openheid meestal positief de laatste kleuren droeg, d.i. die van Leo XIII tegenover zijn voorganger Pius IX, van Dupanloup en Lavigerie tegenover Veuillot, van Newman tegenover Manning. In dit land, onder dit katholieke volk, dat in eeuwen van gedwongen schuilkerkenbestaan knipperde tegen het licht en een zeer sterke neiging had tot het afficheren van de geslotenheid, was de positie van Thijm vooral moeilijk, wijl onder de zeer invloedrijke clerus voorlopig maar weinig medestanders van hem te vinden waren en - gelijk wij gezien hebben - belangstelling voor de nationale cultuur bij geestelijken en leken te sporadisch voorkwam om hen Thijm vlot te doen verstaan.

In geschiedschrijvers en met name in biografen - en onder dezen weer zeer in het bijzonder de hagiografen - leeft de natuurlijke neiging hun helden rechtlijniger te maken dan zij geweest zijn. Dit valt te bedenken, zo dikwijls wij Thijm getekend zien als de representant bij uitstek van de christelijk-humanistische levensstijl. Zo is de algemene lijn van zijn leven, maar wie hem uit zijn brieven her-ontgint, zal op allerlei grilligheden stuiten en hem soms op standpunten zien, die de bekrompenste ultramontaan nauwelijks zou durven innemen. Als een typisch gevoelsmens reageerde Alberdingk Thijm sterk met aanzien des persoons en als hij iemand niet luchten kon - er waren er vrij veel, van wie dit gold - had die altijd ongelijk. Vooral als een clericus tegen hem aanbotste, was Thijm nogal kittelorig. Het laat zich niet goedpraten, maar althans ten dele verstaan, zo het geestelijken gold, wie een bedenkelijke achterstand in cultuur, smaak en stijl niet belette met een pedant meerderheidsair te spreken. Maar hij nam een gelijke houding ook wel tegen beteren aan.

Er is terecht de nadruk op gelegd, dat de werkelijke Thijm minder minzaam moet geweest zijn dan de geïdealiseerde, die Kareltje en Catharina ons te geloven voorgesteld hebben.2 Thijm kon heel zijn leven slecht tegenspraak velen en zeer moeilijk ongelijk

[p. 278]

bekennen. Had hij eenmaal het Franse woord ‘pion’ door ‘damschijf’ vertaald, terwijl het in de betrokken tekst stellig zoiets als ‘schoolfrik’ betekende, dan hield hij, terechtgewezen, vol, dat hij welbewust en op goede grond zo gehandeld had.1 Het is met Thijms minzaamheid wel ongeveer gesteld als met die van Max Havelaar, van wie bij zijn alter ego immers geschreven staat, dat hij ‘nederig en welwillend (was) voor wie zijn geestelijk overwicht erkenden, doch lastig, wanneer men poogde zich daartegen te verzetten.’ De nederigheid wordt in deze toepassing een goedkope deugd. Hoe lastig Thijm kon worden, als men ten opzichte van zijn geestelijk overwicht niet de vereiste égards in acht nam, leren zijn brieven en zijn polemieken, vooral die met clericale tegenstanders. Eens is dit heel aardig uitgedrukt in de opmerking, dat hij zeer gefroisseerd kon doen, als de andere schoven niet diep genoeg voor die van Jozef bogen.2

Ook Alberdingk Thijm was niet beter dan andere stervelingen - al was hij knapper en vromer dan verreweg de meeste - en was dus niet altijd consequent: soms spreken zijn particuliere uitingen zijn openbare tegen. Hij mocht nog zo irenisch zijn, het blijft niettemin waar, dat ook de open denkende en levende Thijm in zijn optreden als katholiek soms een uitzonderlijk uitdagende strijdbaarheid aan den dag legde, b.v. bij de viering van de feesten van 1872 ter herdenking van de befaamde Watergeuzen-invasie, en dat hij in het algemeen in het veroordelen van de opstand tegen Spanje niet alleen zeer fel placht te getuigen, maar daarbij ook kwam tot een door Nuyens straks niet nagevolgd extremisme. Zeker is het vooral zijn verdienste, dat de Westwoudse medicus zich zette tot de studie van de ‘Nederlandse beroerten’, en naar alle billijkheid heeft de auteur het werk dan ook aan hem opgedragen, doch hij bezat zelf te zeer het temperament van de kunstenaar om zich niet herhaaldelijk door zijn affecten te laten meeslepen. Maar al was dan op de Thijm van 1872 en in het algemeen op de geestelijke vader van Nuyens' reconstructieve arbeid de naam ‘ultramontaanse klant’ toepasselijk, in het algemeen distancieerde hij zich zeer opvallend van de ultramontaanse eenzijdigheden, precies zoals hij het deed van de nationale bekrompenheden. Thijm was een katholiek van muurvaste overtuiging en van zeer innige geloofsbeleving; evenzo was hij een hartstochtelijk vaderlander, bijna bezeten van liefde voor de Nederlandse cultuur, maar in zijn gaan en staan onder niet-katholieken en niet-Nederlanders heeft bijna niemand meer gemakkelijkheid en eerlijke natuurlijkheid kunnen betrachten. Zeker was Thijm een van de ruimste geesten, die ons volk ooit heeft voortgebracht. Met Busken Huet ergerde hij zich aan het vaderlands chauvinisme, dat in bekrompen zelfingenomenheid en tot eigen grote schade onkundig bleef van wat in de wereld omging en zelfs nauwelijks aandacht had voor de eigen stam- en taalbroeders buiten de politieke grenzen. Thijm was een der pioniers van de culturele toenadering van Noord en Zuid, ontdekte Guido Gezelle en nam reeds in 1859 het bekende O! 't ruischen van het ranke riet in zijn Volksalmanak op.3

Die Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken, in 1852 door Thijm met zijn vriend H.J.C. van Nouhuys gesticht, is zowel door zijn bestemming als door zijn inhoud een typering van de voornaamste redacteur, die sinds 1853 alleen de leiding had. ‘Zelfbewustzijn en leven’ bij de Nederlandse katholieken op te wekken noemt de prospectus het doel van de Almanak. Niet alleen ‘de opwekking van den godsdienst-

[p. 279]

zin,’ maar ook ‘die van de nationaliteit’ heeft de redactie in zijn vaandel geschreven. Thijms belangrijkste historische schetsen zijn voor het eerst in de Volksalmanak verschenen, o.a. de Vondelportretten. Ofschoon uiteraard de overgrote meerderheid van de medewerkers katholiek was, werkten af en toe andersdenkenden aan de Almanak mee. Dit was regel in de Dietsche Warande. Dit merkwaardige tijdschrift, twee jaar na het herstel van de hiërarchie geboren en door Thijm dertig jaar lang alleen geredigeerd, is een van de merkwaardigste organen, ooit in ons land verschenen. Het tekent de katholieke gemeenschap van die dagen in haar ernstig cultuurtekort, dat zij het nauwelijks een kwijnend bestaan gunde, maar tevens de bekrompenheid van een gehele natie, die zijn waarde evenmin heeft begrepen.

Blijkens de ondertitel was het gewijd aan Nederlandse oudheden, nieuwere kunst en letteren. Vrijwel van het begin af nam de redacteur ook artikelen van wat ruimer strekking op, speciaal over de vaderlandse geschiedenis, wat hem aanleiding gaf, te beginnen met de achtste jaargang, in de ondertitel het woord ‘staatsgeschiedenis’ in te lassen. Nadat een reeks van tien jaargangen verschenen was, zag in 1874 de eerste van een tweede serie het licht, waaraan Thijm de ondertitel ‘Tijdschrift voor aesthetische beschaving’ had gegeven. Van het begin af aan heeft de redacteur aan dit in zijn eigen boekzaak uitgegeven orgaan een algemeen karakter willen geven, ook een internationaal blijkens het sinds de tweede jaargang aan elke aflevering toegevoegde Franse bulletin. Maar het meest tekenend is het interconfessionele karakter, interconfessioneel geenszins op te vatten, alsof niet aan vrijwel elke bijdrage van Thijms eigen hand (en die vormen steeds het leeuwendeel) te zien zou geweest zijn, dat de auteur in het katholicisme ademde, ook niet zo te verstaan, dat Thijm er alle polemiek tegen anti-papisme uit haat of onkunde vermeed, maar zo, dat de lezer niet ondersteld wordt katholiek te zijn en dat ook van niet-katholieke bevoegden de bijdragen welkom zijn. Misschien waren de niet-katholieke medewerkers zelfs in de meerderheid; dit zou ten eerste Thijms aanzien onder niet-katholieken en ten tweede ons eigen tekort bevestigen. Het tijdschrift is verder door het bestaan van Franse en Duitse medewerkers een bewijs van Thijms internationale oriëntatie. In tegenstelling tot De Katholiek, die steeds een echt clericaal tijdschrift is gebleven en waarin vooral vóór de twintigste eeuw lekenmedewerkers zeldzame verschijnselen waren, hebben in de Dietsche Warande de leken het grootste aandeel gehad, wat echter nog niet wil zeggen, dat priesters niet voorkwamen. Integendeel: een aantal zeer prominente seculiere en reguliere clerici treffen wij onder de auteurs aan. Een lang niet volledige lijst van medewerkers uit de tijd, dat Thijm de redactie voerde, kan het voorafgaande bevestigen, evenals de veelzijdigheid van Thijms relaties en het selecte karakter van het orgaan. Wij vinden, behalve Thijm zelf, Noordnederlandse katholieke leken als H.A.A. van Berckel, Pierre Cuypers, W.J.F. Nuyens, Paul Alberdingk Thijm, B.R.F. van Vlijmen, A. Flament, Joan Bohl, Jan Sterck, Louise Stratenus, J.C.A. Hezenmans, Victor de Stuers, Catharina en Karel Alberdingk Thijm, onder de niet-katholieke Noordnederlanders Johannes van Vloten, A.C. Oudemans, Isaac da Costa, Jacob van Lennep, W.J. Hofdijk, Jan ten Brink, A.S. Kok, A.C. Loffelt, H.E. Moltzer, ds H. Prins de Jong, J.G. de Hoop Scheffer, C.N. Wijbrands, J. ter Gouw, J.G. Frederiks, A.D. de Vries, Cd. Busken Huet, N. de Roever, Jan te Winkel, A.J. Servaas van Rooyen en Taco H. de Beer,

[p. 280]

van de Noordnederlandse priesters o.a.J.A. de Rijk, W. Everts, J.J. van der Horst, J. Habets, H.J.A.M. Schaepman, P.J. Koets S.J., H.J. Allard S.J., F. Reynen S.J., A. van Lommel S.J., J.W. Brouwers, P.F. Th. van Hoogstraten O.P., J.V. de Groot O.P., verder Vlamingen als J.M. Dautzenberg, Guido Gezelle, Prudens van Duyse, Philip Blommaert, J.H. Bormans, K. Stallaert en buitenlanders als Hoffmann von Fallersleben, August Reichensperger, Viollet-le-Duc en Lina Schneider.

De nationale betekenis van de Amsterdamse koopman Thijm is weinig geringer dan die van Potgieter, aan wiens Gids hij wel meewerkte en met wie hij persoonlijk op voet van vriendschap omging. Als dichter kan hij misschien niet in diens schaduw staan, maar zijn gevarieerd proza met de sterke dialoog is bondiger en minder precieus dan dat van de Zwollenaar. Hun beider voornaamste dienst aan de natie ligt echter niet op het terrein van de kunst, maar op dat van de volksopvoeding. Thijm genoot, waar hij kwam, een gezag, dat op geestelijke meerderheid berustte: hij was een ongeëvenaard kenner van de taal van de zeventiende eeuw en van de middeleeuwen, van de geschiedenis van zijn stad, van de Nederlandse letterkunde en van de kunst in het algemeen. Vroeg lid geworden van de merkwaardige Vrijdagse debating-club, waar hij onvermoeid, onverbloemd en met evenveel hoffelijke cordaatheid als kennis de katholieke levensbeschouwing toelichtte en verdedigde, bleef hij daarvan jarenlang als voorzitter de algemeen gerespecteerde leider, overal in den lande in alle kringen meer òm dan ondanks zijn katholiciteit als spreker gevraagd.1 Wat Thijm aldus ten bate van de katholieke gemeenschap aan goodwill geschapen heeft, laat zich nauwelijks overschatten. Het is een nog ruimer en groter dienst dan zijn onverschrokken voorgaan op de weg naar een verbeterd inzicht in kerkbouw en kerkelijke kunst en zijn ontginnen van de oude schatten van een vergeten katholiek-nationaal verleden.

Thijms litterair werk schijnt in onze dagen morsdood. Zelfs zijn historische novellen, niet vervelender dan b.v. Potgieters Rijksmuseum of Albert of Lief en leed in het Gooi vinden geen lezerskring meer. Zijn romantische en nogal fantastische grote gedichten - Bij het borstbeeld van Bilderdijk, Ermingard van Voorne, De geboorte der kunst, Het voorgeborchte, De klok van Delft e.a. - worden maar zelden meer uit hun slaap gewekt en zelfs de geestige boutaden van zijn dubbelganger Pauwel Foreestier uit Buiksloot zijn blijkbaar te cerebraal om blijvend te boeien. Maar of zijn litteraire verdiensten in ons oog groot zijn, doet eigenlijk maar weinig ter zake, nu wij weten, dat tijdgenoten hem ook daarom hoogachtten. Hij heeft in de litteratuurgeschiedenis zijn vaste plaats onder de schrijvers van romantische gedichten en historische novellen, maar onbetwistbaar als de pionier van een zuiverder schoonheidsbegrip en als zodanig een voorloper van ‘tachtig.’ Bovendien werd hij voor ons land de schepper van het academische vak der kunstgeschiedenis en wat hij voor het eerherstel van de ‘Heilige Linie,’ de kerkbouw en de kerkelijke kunst in het algemeen heeft betekend, bleek reeds. Onze armoede blijkt evenwel uit Thijms enigheid: naast hem paraisseren nog alleen de priesters Schaepman en Van Meurs in de Noordnederlandse litteratuurgeschiedenis tussen 1830 en 1880, de eerste ter demonstratie van de heersende wansmaak, de tweede ter vriendelijke waardering van een eenvoud zonder pretentie. Broere noemt niemand, ofschoon hij zuiverder smaak had dan Schaepman, wiens gemoed aanmerkelijk dichterlijker was dan zijn taal. Schaepmans in 1869 verschenen Verza-

[p. 281]

melde Dichtwerken vormen voor een vijf en twintigjarige jongeling een ontzagwekkende oogst van metrische rijmende regels vol homerische exposés en stoute beelden. Bovendien hebben de meeste er in opgenomen gedichten - o.a. De Paus, Vondel, De Pers, De Eeuw en haar Koning - hun goed werk gedaan: de geestdrift gewekt en het zelfvertrouwen versterkt, het aanzien naar buiten gevestigd. Dat Jacob van Lennep bij het lezen van De Paus uitriep: ‘Vondel is onder ons verrezen,’1 is niet vleiend voor Vondel, maar deed zijn werk. Overigens bevestigt een vogelvlucht over de katholieke litteraire bedrijvigheid in de negentiende eeuw Cornelis Paradijs' diagnose:

 
Velen, die men dichters heet,
 
kost het dichten droppels zweet,
 
maar in 't priesterlijke pakje
 
gaat het van een leien dakje.2

De meeste van deze priester-dichters zijn vergeten, b.v.J. Poelhekke, die 's Heeren kruisweg bezong en een historisch drama Valerianus schreef, de Jezuïeten T. Stokvis en J.P. Koets, de priesterlijke sonnettendichter J.A. de Rijk en de bruisende feestredenaar J.W. Brouwers. Hun standgenoot Petrus van der Ploeg alleen leeft nog voort in zijn eenvoudige kerkliedjes, zoals Schaepman in Aan U, o Koning der eeuwen. Er waren, buiten Alberdingk Thijm, nog andere dichterlijke leken: de veelbesproken Jan Wap, de herderszanger Leesberg, de geschiedschrijver Nuyens, de rhetorische Dante-vertaler Joan Bohl en de jong-gestorven H.J.C. van Nouhuys. Dit is wel ongeveer de bijdrage der katholieken aan de bloei der dichtkunst in het zeer vlakke tijdvak 1830-1880. Wie deze armoede een reden tot schaamte mocht vinden, mag bedenken, dat de grootste Nederlandse dichter uit de negentiende eeuw Guido Gezelle heet.

Wat het proza betreft, waren vóór en na Alberdingk Thijm vooral Broere en Schaepman talenten van betekenis, maar het eigenaardigst talent van onze schrijvers is gelegen in hun toewijding aan de goede volkslitteratuur. Ten aanzien daarvan bestaat een merkwaardige legende. Stereotiep is het verwijt aan de clericale en niet-clericale ultramontaanse voormannen, dat zij wel het slechte boek uit alle macht trachtten te weren uit de handen der argeloze gelovigen en vrijwel iedereen daarbij dan argeloos vonden, maar dat zij niets deden tot aanprijzing van het goede boek. Het merkwaardige is echter, dat geen deel van ons volk in de tweede helft van de negentiende eeuw beter van goede volksromans is voorzien dan het katholieke. Ook de altijd weer terugkerende verzekering, dat onze brave mensen niet lazen, is niet te rijmen met de grote oplagen en de vele herdrukken.

Reeds in 1855 begon de journalist H.A. Banning (1818-1909)3 in samenwerking met een ongenoemd priester te Utrecht het weekblad De Goede Herder. Zondagslectuur voor katholieke huisgezinnen uit te geven. Deze onderneming schijnt niet lang stand gehouden te hebben. Een volgende poging werd in 1860 ondernomen: toen richtten de priester H.L. Spoorman e.a. De Katholieke Volksvriend op; ook deze moet maar kort geleefd hebben. Langer leven was beschoren aan De goede Zaaijer, door enige Vincentianen van 1862 tot 1870 te Rotterdam uitgegeven, achtereenvolgens bij de boekhandelaars N.J. Verhoeff en G.W. van Belle. Meer duurzaam succes had een nieuwe onderneming van de voortreffelijke Banning, ditmaal in samenwerking met de onderwijzer

[p. 282]



illustratie
Titelprent van de eerste jaargang van ‘De Katholieke Illustratie,’ 1867
Collectie Bisschoppelijk Museum, Haarlem


[p. 283]

J.W. Thompson (1839-1924): zij stichtten in 1867 te Den Bosch het weekblad De Katholieke Illustratie. In 1871 begon F.A. Kramps onder het pseudoniem S.P. Markaf bovendien de uitgave van Het Katholieke Stuiversmagazijn, een maandblad, dat in 1880 bezweek. Van 1877 tot 1887 kwam te Zwolle ten slotte nog eens een tijdschrift De goede Zaaier uit.

De Katholieke Illustratie, die nog altijd bestaat, stond van de aanvang af op een hoog peil. De verhalen, die zij bracht, waren vrijwel zonder uitzondering oorspronkelijk - in tegenstelling met wat moderne weekbladen merendeels bieden -;hun taal en hun compositie waren verzorgd en hun inhoud beschaafd en boeiend. In dit weekblad zijn de meeste romans van H.A. Banning voor het eerst uitgekomen: o.a. Toonbaas en zijn huishoudster, De beeldstormer en zijn dochter, De heks van de Amersfoortsche heide, De familie Walker, Ko Folkes; volgens Gomarius Mes werden van dit werk, toen het in boekvorm uitkwam, in enige weken 12 000 exemplaren verkocht.1 Ook van de in België wonende Noordbrabanders Jan Renier Snieders (1812-1888) en August Snieders (1825-1904)2 zijn verscheiden verhalen in de Illustratie verschenen. Van Jan Renier waren zeer populair Het kraaiennest, Narda, Dokter Markus, De wraakroepende zonde; van August o.a. De gasthuisnon, Het zusterke der armen, De verstooteling, Arme Julia. Van andere auteurs voor het katholieke volk verschenen tal van romans in de Twaalf-stuivers-bibliotheek van G.W. van Belle te Rotterdam, o.a. van de hand van Joan Bohl en J.W. Thompson. Vooral de laatste was zeer productief, maar zijn romans staan op een aanmerkelijk lager peil, wat reeds de titels doen vermoeden: Jiertha de giftmengster, Het gestolen kind, De Jood van Weenen, Elda de Kerenor, De twee Weezen e.a. De laatstgenoemde, een sentimentele fantasie met een Hector Malot-intrigue, bleef althans te Rotterdam nog lang enigszins populair, omdat men er autobiografische trekken in vermoedde. Hij wordt gewoonlijk verward met een in 1875 verschenen gelijknamige roustissure van wereldnaam: Lex deux orphelines van Adolphe Philippe d'Ennery (1811-1899), een Fransman, die zich schatrijk geschreven heeft met toneelstukken en romans van dit genre. Hij was daarin dan ook een ongeëvenaard virtuoos en Thompson kon niet in zijn schaduw staan. Omstreeks 1875 begonnen bovendien Melati van Java (N.M.C. Sloot 1853-1927), J.R. van der Lans (1855-1928) en Mevrouw J. van der Lans-Russel hun litteraire productie.

Gezien dit lang niet volledige overzicht, kunnen wij moeilijk staande houden, dat aan ons katholieke volk geen goede lectuur werd verschaft, en evenmin, dat heter geen gebruik van maakte. En het was voor het grootste deel geen lectuur van min allooi. De romans van Banning en die van de gebroeders Snieders munten uit door een beschaafde toon, die wel af en toe wat sentimenteel is, maar ook geen humor uitsluit. De drie genoemde auteurs gaan zich merkwaardig weinig te buiten aan de pathetische rhetoriek, die toen nog mode was. Hun werk staat geenszins beneden dat van Justus van Maurik en heeft zelfs een en ander er op voor. Natuurlijk staan niet alle romans der genoemde auteurs op dit voor volkslectuur vrij hoge peil. Er zijn ook ware draken onder; met name behoren die van Bohl en Thompson tot dit genre. Ook treden in vrijwel al deze boeken de gewone ultramontaanse eenzijdigheden naar voren, o.a. een bijna volstrekte veroordeling van het dansen, de opera en de schouwburg en een dwaze strijd tegen de dierenbescherming, maar dat onze grootouders en ouders het hebben moeten

[p. 284]

stellen zonder goede en gezonde volksboeken, is een bewering, die indruist tegen de feiten. Eer zijn wij op dit punt achteruitgegaan.

Een merkwaardige, eigen plaats nam sinds 1858 onder de Nederlandse letterkundigen de classicus A.J. Vitringa (1827-1901) in; hij ging eerst in 1884 tot de katholieke kerk over, maar toonde reeds te voren zekere affiniteit met de ultramontanen, minder misschien met hun geloof dan met de houding van Veuillot en consorten in de politiek. Als een soort van grimmig prae-fascist schreef hij onder de pseudoniemen Jan Holland en Jochem van Oudere een groot aantal soms zeer rake, soms meer spitsvondige romans met een dik-opgelegde strekking ter hekeling van het liberalisme, het modernisme, de evolutieleer, de vrouwenbeweging, het middelbaar onderwijs en andere kwalen des tijds. Tot de bekendste behoren: Darwinia, Nette menschen, Keesje Putbus en Mijiz bezoek aan Bismarck. Sinds zijn bekering ademden zijn cerebrale constructies de geest van de propaganda voor het katholicisme.

 

Van de wetenschappen werd voorlopig onder ons verder nog nauwelijks een andere dan de geschiedenis beoefend. De bemoeienis met de exacte vakken bleef tot tegen het eind van de eeuw ‘angstwekkend klein.’1 Het angstwekkende stak daarin, dat juist gemis aan bewustzijn van de grenzen van het domein dezer wetenschappen de laboratoria, waar zij beoefend werden, voorlopig tot haarden van een kortzichtig materialisme maakten en de wal het schip bleef keren, zolang om die reden de zoons van gelovige ouders van het betreden er van werden teruggehouden. Uitzonderingen vormden de Limburgse palaeontoloog Casimir Ubaghs (1829-1894), een bekwaam autodidact, die echter meer op België georiënteerd was dan op Nederland2, en de ingenieurs L.J.A. van der Kun (1801-1864) en Charles Mathieu Schols (1844-1897). De eerste was een zeer gezien inspecteur van de Waterstaat,3 de tweede werd reeds zeer jong hoogleraar aan de polytechnische school te Delft, verrichtte belangrijk werk voor de triangulatie van Nederland, werd lid van de Koninklijke Akademie en ere-doctor van Leiden.

De resultaten van de historiestudie werden, behalve in de twee nader te noemen diocesane tijdschriften, zo goed als uitsluitend in locale en regionale geschriften neergelegd, waarvan het peil uiteraard zelden boven dat van zwak dilettantisme uitkwam. Als zodanig bleef het echter niet beneden de algemene norm: onze gehele vaderlandse geschiedbeoefening was vóór het optreden van Robert Fruin zelden meer dan dilettantisme. Een werk, dat aanmerkelijk boven dit peil stond en bovendien niet slechts nationale, maar bepaald Groot-Nederlandse betekenis had, was Nuyens' Geschiedenis der Nederlandsche beroerten, in vier delen van 1865 tot 1870 verschenen in de aan Jos. A. Alberdingk Thijm toebehorende uitgeverszaak C.L. van Langenhuysen te Amsterdam. De verschijning van dit werk is een van de belangrijkste feiten uit de geschiedenis der katholieke herleving. Dat niet alleen: Nuyens' geschiedenis van onze opstand heeft onmiskenbaar belang voor de natie en voor heel de Nederlandse stam. Ook in dezen tredend in Thijms voetspoor, richtte Nuyens zijn blik naar het Zuiden. Hij begreep, dat de katholieke Noordnederlander de eerste moest zijn om de onder Hollandse legenden begraven waarheid te herontdekken van de historische gebondenheid der beide Nederlanden. Het bleek hem in zijn de volledigheid nabijkomend critisch kennisnemen van de oudere en jongere historische litteratuur en van wat aan bronnen

[p. 285]

destijds was uitgegeven, dat de opstand tegen Philips II alleen te herkennen was in zijn ware gestalte, als men zich aan de fatale bewustzijnsvernauwing van een afgeknot Noord-Nederland trachtte te ontworstelen.

Zo werd deze proeve van reconstructie véél meer dan een verrassend prompte vervulling van het verlangen, dat R. Fruin in het voorjaar van 1865 in zijn Gids-artikel over de Gorkumse martelaren in de volgende woorden te kennen gaf: ‘Wij hopen, dat eerlang een katholiek de taak op zich nemen zal om uit het oogpunt zijner kerk, maar zonder blind vooroordeel, de geschiedenis van ons volk te beschrijven.’1 Het werk van Nuyens verlegde misplaatste accenten en verruimde met het kader van het geschiedverhaal de blik van de beschouwer. Daardoor viel niet alleen het licht vaak anders op prominente personen, maar werd het zicht op verscheiden feiten grondig gewijzigd. Zeker heeft de Westwoudse boekenverslinder zijn dubbel-constructieve taak niet afdoende en geheel consequent volbracht, maar wie kan dat billijkerwijze van een pionier ook verwachten? Hij schoot met zijn initiatief van een Groot-Nederlandse geschiedschrijving immers alle faculteiten en bijna alle Noord- en Zuidnederlandse deskundigen, Robert Fruin inbegrepen, voorbij - met alle gevaren van dien. Maar op een afstand van welhaast een eeuw is belangrijker dan al Nuyens' tekortkomingen - inconsequente documentatie2, enkele slordigheden en blijken van ontoereikende kennis, ook natuurlijk apologetisch-katholieke postulaten en polemische instelling - het voor ieder kenbare feit, dat de weg die hij baande door een wildernis van wederzijdse legenden, vandaag althans voor het objectief benaderen van de waarheid omtrent de opstand niet alleen als de veiligste, maar als de enig-verantwoorde is aanvaard.

Het is geenszins nodig iets als een vader-en-zoon-relatie tussen Nuyens en Geyl te onderstellen om dit waar te maken; het is, gelijk het eens in het Engels geconstateerd werd, voor iedereen duidelijk, dat ‘Geyl's far-reaching innovations show a considerabel kinship with the work of Nuyens. It is no longer possible to treat Dutch history as the story of the armed revelation of the God of Calvin in the Northern Netherlands.’3 De biografie, die de helaas in de wrede bezettingsjaren van de honger gestorven J.W. Berkelbach van der Sprenkel kort voor zijn dood aan Willem van Oranje wijdde,4 maakt ons duidelijk, dat Nuyens de persoon van de Prins zeker in ongunstige zin heeft mistekend, maar is voor het overige een doorlopende demonstratie van zijn principieel gelijk in de algemene typering van de opstand. ‘Ik beschouw de Nederlandsche omwenteling als une révolution qui a réussi,’ schreef Nuyens 8 Mei 1865 aan Fruin, één maand vóór het verschijnen van zijn eerste deel. Ongeneeslijk blinden daargelaten, acht vandaag iedereen deze uitspraak een waarheid zo tastbaar als een Hollandse koe, maar in 1865 gaf de belijdenis er van hevige ergernis. Deze uitte zich in gevarieerde trant: door plechtige brochures, door hartstochtelijke protesten, door kleinerende hoon, door anonieme grofheden en een enkele maal door te waarderen geestigheden, zoals een telegram van dank en hulde aan Nuyens' adres in het satirische weekblad Uilenspiegel, ondertekend: ‘Philips II, Alva, Granvelle, De Vargas, Jean Jauregui en Balthazar Gerards.’5

Naast de gesoigneerde en zéér steedse Thijm doet de boerse Nuyens onverbloemd aan als de plattelander, die hij was en bleef. Wilhelmus Joannes Franciscus Nuyens (1823-1894), geboren uit een dynastie van plattelands-heelmeesters, vermoedelijk tevens

[p. 286]

barbiers, was de eerste academisch-gevormde en gepromoveerde arts in de familie en voor een Noordhollands dorp in die hoedanigheid een merkwaardig vroege verschijning. Ook deze katholieke voortrekker was van een enigszins verontrustende veelzijdigheid: behalve geneesheer, auteur van rhetorische gedichten en een populaire historische

illustratie
Wilhelmus Joannes Franciscus Nuyens
Koperen gedenkplaat in de parochiekerk te Westwoud, op 25 October 1898 onthuld met een rede van dr H.J.A.M. Schaepman


roman, essayist, apologeet, politicus en geschiedschrijver. In hem herkennen wij de representant van een omhoogstrevend volk, die zich uit liefde en roepingsbesef in veel taken meent te moeten versnipperen. Bijna een halve eeuw lang combineerde hij de afmattende praktijk van een arts te lande met een veelheid van culturele bedrijvigheden benevens de gezette studie van de binnenen buitenlandse historische litteratuur van drie eeuwen. Een ijzeren gestel, dat hem met een minimum aan slaap deed toekomen en een stalen kop, die geen vermoeienis kende, diep geloof en ondernemingsgeest hebben Nuyens in staat gesteld zich deze verbrokkeling te permitteren en toch in zijn hoofdtaak zozeer te slagen, dat Robert Fruin van zijn Geschiedenis der Nederlandsche beroerten een afdoend gunstig getuigenis kon afleggen: ‘een boek, dat van zoo uitgebreide lectuur, van zoo strenge studie en zooveel historischen zin getuigt, dat een geschiedschrijver ex professo er eer mee zou behalen.’1

In het licht van zulk een verklaring behoeven wij er ons niets meer van aan te trekken, dat gebrek aan zelfkennis deze nuchtere proza-verschijning bijna levenslang bleef verleiden tot litteraire experimenten, waartoe hem het lenig taalvermogen ontbrak en bovenal de zuivere smaak. Nuyens was de nederige eenvoud zelf - zij het dan niet zonder ijdelheden, zoals o.a. zijn herhaald beklag over het uitblijven van koninklijke en pauselijke onderscheidingen doet blijken2 - en had in optreden noch voorkomen iets van de stijlvolle verfijning, die zijn vriend Thijm kenmerkte, maar waande zich toch min of meer een poëet. Ondoordacht waagde hij zich herhaaldelijk op het gladde ijs van de woordkunst, waar zijn pathos vals moest klinken. Gebrek aan taal- en stijlgevoel komt in zijn vertogen in het tijdschrift De Wachter, later Onze Wachter, soms hinderlijk aan het licht. Fantasie en esprit

[p. 287]

moeten hem wel geheel vreemd geweest zijn en ik vraag me weleens af, of de sprankelende Schaepman hem niet wat embêtant vond. Immers ook als Nuyens, zich dekkend met het pseudoniem Dr Martinus van Oudijk, de trant van Thijms alte rego, Pauwel Foreestier van Buiksloot, tracht te volgen, blijft zijn scherts log. Steekt in deze zelfoverschatting misschien iets laakbaars en in ieder geval iets belachelijks, dan hebben wij thans goed praten, maar wie zal het de generatie van Nuyens niet in dank afnemen, dat zij er naar streefde het katholieke volk op alle terreinen te representeren?

In Nuyens' schaduw kon voorlopig geen enkel katholiek geschiedbeoefenaar staan. C.R. Hermans en J.C.A. Hezenmans, Jan Wap, F.J.E. van Zinnicq Bergmann en Aug. Sassen beoefenden de geschiedenis van Noord-Brabant, J.N.J. Heerkens die van Overijssel, W.F.N. van Rootselaar die van Amersfoort, C.J. Gonnet die van Haarlem, J. Habets en G.D. Franquinet die van Limburg. Kerkhistorische werken schreven o.a. Th. J. Welvaerts over de abdij Postel en de Jezuïeten A. van Lommel en H.J. Allard. Beiden waren naarstige archiefonderzoekers en publiceerden - op niet geheel onberispelijke wijze en niet altijd met voldoende toelichting - wat daarbij aan documenten over de vaderlandse kerkgeschiedenis voor de hand kwam; voor beiden, maar in het bijzonder voor de tweede, geldt, dat hun vaak opvallend apologetische toon en hun eenzijdige vooringenomenheid met de scherpste polemisten uit het verleden behoorden tot de hinderlijke kenmerken van een wetenschappelijke onvolwassenheid, die eerst overwonnen zou worden, toen de eerste Jezuïeten aan de Nederlandse universiteiten de al te schel-ultramontaanse stem hadden leren dempen.

De vaderlandse kerkgeschiedenis bleek reeds spoedig na 1853 een voorwerp van min of meer officiële bisschoppelijke belangstelling. Het bisdom Den Bosch, dat reeds in 1819 in Antonius van Grils' Katholijk Meierijsch Memorieboek het skelet van een diocesane geschiedenis had gekregen en sedert 1840-1844 in de vierdelige Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's-Hertogenbosch van de priester J.A. Coppens een zeer verdienstelijke verwerking daarvan bezat, vond zijn diocesane geschiedschrijver in pastoor L.H.C. Schutjes, wiens aan de aartsbisschop Zwijsen opgedragen Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch tussen 1870 en 1876 in vijf delen het licht zag. Het werk heeft zijn verdiensten, maar schiet ernstig tekort in critiek. Weinig jonger is de aan mgr J. van Genk opgedragen Kerkelijke geschiedenis van het bisdom van Breda door pastoor J.B. Krüger, in vier delen in de jaren 1872-1878 verschenen; dit boek is een monument van toewijding en argeloos dilettantisme.

Onvoltooid bleef de Geschiedenis van het tegenwoordige bisdom Roermond door de priester-rijksarchivaris J.J. Habets, waarvan het eerste deel in 1875, het tweede en het derde respectievelijk in 1890 en 1892 verschenen zijn en losse stukken van een vierde deel - van de hand van W. Goossens - in 1927 het licht zagen. De deskundige J. Habets had het werk op verlangen van mgr. J.A. Paredis opgezet, maar moet als wetenschappelijk archiefbeheerder en bronnenpublicist spoedig begrepen hebben, dat voor het betrokken bisdom met zijn verregaande verbrokkeling in het verleden de onderneming veel te vroeg begonnen was. In de in 1863 voor het eerst verschenen Publications en het van 1879 dagtekenende tijdschrift De Maasgouw begon hij, door anderen gevolgd, de publicatie van bronnen en détailstudies, welke de grondslag moeten vormen

[p. 288]

voor een toekomstige nieuwe poging. Joannes Josephus Habets (1829-1893) was een ernstig wetenschappelijk beoefenaar van de geschiedenis van zijn gewest en zag zijn verdiensten als zodanig erkend door een benoeming tot lid van de Koninklijke Akademie in 1880.1

In het aartsbisdom en het bisdom Haarlem waren misschien niet de bisschoppen zelf, maar in ieder geval hun raadgevers - Herman Schaepinan, J.F. Vregt en J.J. Graaf - in 1870 reeds toe aan het besef, dat bronnenpublicatie aan de geschiedschrijving moet voorafgaan. Nadat in 1871 besprekingen tussen Schaepman en Vregt hadden plaatsgehad over de mogelijkheid van een gezamenlijk tijdschrift voor de twee diocesen, door Utrecht voorgestaan, door Haarlem verworpen, verschenen respectievelijk in 1874 en 1875 de eerste jaargangen van de tijdschriften Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem en Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht. In 1914 en in 1947-1948 ondernomen pogingen tot een fusie dezer organen zijn mislukt. Aan het primaire doel - de publicatie van bronnen - heeft het tweede tijdschrift meer beantwoord dan het eerste, dat zich op den duur vooral heeft toegelegd op het publiceren van parochie-monografieën.

 

Als algemeen-cultureel orgaan bezat katholiek Nederland nog tot 1869 De Godsdienstvriend. In 1818 door Le Sage ten Broek gesticht, verloor dit tijdschrift na 1840 meer en meer zijn betekenis. Sinds Le Sage's dood in 1847 hebben eerst Josué Witz - Le Sage's pleegzoon - en F.C. Soer, later de kameleon Jan Wap, de Arnhemse pastoor Van Lottum en de Franciscaan A.F. Nieuwenhuizen de leiding gehad, maar het verval van krachten was niet te keren. In de zestiger jaren riep de redactie de hulp der bisschoppen in ten einde de ondergang te voorkomen. Dezen hebben daarop door middel van een rondschrijven aan de clerus de kwijnende belangstelling pogen op te wekken, maar zonder merkbaar resultaat. Het tijdschrift was kennelijk uitgeleefd. Vermoedelijk heeft de verschijning van de Katholieke Illustratie het de genadestoot gegeven.

Over de oprichting in 1842 van het tijdschrift De Katholiek is reeds gesproken. Tot en met de jaargang 1869 waren de bijdragen tot dit orgaan in de regel anoniem, daarna meestal ondertekend. Zij hebben bijna alle een polemisch-apologetisch karakter en richten zich vooral tegen de vrijmetselarij en het Leidse modernisme. De vraag: ‘Zullen wij weldra de lijkrede over het protestantisme hebben uit te spreken?’ wordt in het eerste deel van de jaargang 1867 vrijwel bevestigend beantwoord.2 In 1870 begint inzoverre een andere geest te heersen, als de artikelen voortaan ondertekend worden. De overheersende strekking blijft echter gedurende heel het tijdvak, dat dit hoofdstuk bestrijkt, uitgesproken polemisch. Dit karakter vertonen zeer scherp de stukken van C.L. Rijp, J. de Bruyn, H.J.H. Ruscheblatt, B.H. Klönne en H. Derksen O.P. Een zeer productief medewerker blijkt in de periode 1870-1880 de latere bisschop C.J.M. Bottemanne; sommige jaargangen schrijft hij voor de helft vol. Ook deze auteur is overwegend polemisch aangelegd, maar onderscheidt zich door zijn beschaafde toon opmerkelijk van anderen, met name J. de Bruyn. In de jaargang 1870 schreef Bottemanne een artikel over Het Gallicanisme onzer dagen; het is gericht tegen Dupanloup en andere Franse tegenstanders van de afkondiging der pauselijke onfeilbaarheid. Het

[p. 289]

is een zeer belangrijk stuk, al openbaart het nog zeker tekort aan beheersing der wetenschappelijke methodiek; te dien aanzien bevat het soms nogal naïeve opmerkingen. In de volgende jaren nemen deze tekorten aanmerkelijk af. Bottemanne's opstellen over de brieven van paus Honorius1 en over het sterfjaar van paus Agatho2 zijn voorbeelden van scherpzinnige en voorzichtige bronnencritiek. Zijn uitvoerige, grondige en beschaafde recensie van Willem Molls Kerkgeschiedenis draagt ook het stempel van een degelijke en voorname persoonlijkheid. In het algemeen is het peil van De Katholiek na 1869 aanmerkelijk gestegen. Opstellen als die van J.J. Putman over Cervantes, van J.A. de Rijk over Amalia von Gallitzin en van P.A. de Bruyn over de oprichting van de universiteit van Bonn3 zijn minder oorspronkelijk dan die van Bottemanne, maar toch zeer geslaagde vulgarisaties. Zeer populair zijn daarentegen de artikelen van L.H. Borking over de generatio spontanea en van J. de Bruyn over het Darwinisme.4 Actueel, maar zeer belangrijk zijn de stukken van J.J. Graaf en M.J.A. Lans over kerkmuziek.5

Het tweede hier behorende tijdschrift was de reeds besproken Dietsche Warande, die echter niet in de strikte zin een katholiek tijdschrift was. Geprononceerd katholiek was daarentegen het derde orgaan, de eveneens reeds behandelde brochurenreeks Studiën.

De verjonging van De Katholiek viel ongeveer samen met de oprichting van De Wachter door H.J.A.M. Schaepman en W.J.F. Nuyens. Voortaan had katholiek Nederland dus - de Dietsche Warande en Studiën meegeteld - vier culturele periodieken, waarvan de eerste en de derde zo goed als uitsluitend door priesters werden volgeschreven en in hoofdzaak een theologisch-godsdienstige strekking hadden, terwijl de tweede een geprononceerd aesthetisch en wetenschappelijk karakter had en het vierde zich speciaal toelegde op het behandelen van problemen, die voor de katholiek in het openbare leven van belang waren. Zeker is de verschijning van dit orgaan van grote betekenis, o.a. ook wijl zich in zijn kolommen de langzame verheldering voltrok ten aanzien van de houding, die de katholieken tegenover het liberalisme hadden aan te nemen, en de politieke wilsvorming werd voorbereid, die zou leiden tot de staatkundige eenheid, welke sindsdien een zo typische trek van het Nederlandse katholicisme zou blijven. Dat de gewezen Papo-Thorbeckiaan Nuyens en de nog sterk ultramontaans-gerichte Schaepman samen de leiding hadden, was veelbetekenend voor hun geestelijke en politieke groei. Het is Schaepmans historische betekenis geworden, dat hij het vaderlandse katholicisme uitleidde uit de dienstbaarheid van het Franse. Daarmee redde hij het - niet zonder dat hij er jarenlang, tot vlak vóór zijn dood volhardend om verketterd is, zowel in De Tijd als in De Maasbode - uit de impasse der steriliteit, waaraan in de Romaanse landen het ultramontanisme is ten onder gegaan. De aanraking met de nuchtere en eerlijke Nuyens zal er toe bijgedragen hebben, dat de ondernemende en veel breder-begaafde Schaepman oog kreeg voor wat er goeds was in de traditie van het Papo-Thorbeckianisme en welke gevaren er scholen in het conservatisme, waarnaar de katholieken sinds de verschijning van Quanta cura al te inert schenen af te glijden.

Behalve de twee redacteurs werkten o.a. de bekeerde Israëliet S.P. Lipman, een tweede bekeerling in de persoon van H.A. des Amorie van der Hoeven, de Jezuïeten H.J. Allard, F. Becker en F.C. Heynen, de natuurphilosoof P.J.F. Vermeulen, de po-

[p. 290]



illustratie
Titelprent van de eebste jaargang van ‘Het Dompertje van den ouden Valentijn,’ 1867
Gemeente-Bibliotheek, Rotterdam


[p. 291]

liticus C.J.A. Heydenrijck, de Dominicanen P.F. Th. van Hoogstraten en J.V. de Groot, de seculiere priesters Hubert van Nispen tot Sevenaer, J.J. van der Horst, J.J. Putman en J. Kimman mee. Schaepman zelf verdrievoudigde zich door ook als Corvinus en E.L.C. op te treden; Nuyens schreef onder zijn eigen naam en onder de schuilnaam dr Martinus van Oudijk. Een medewerker achter de schermen was aanvankelijk de advocaat geworden ex-kleermaker Joan Bohl, querulant en intrigant, door wiens kuiperijen het tijdschrift in conflict kwam met zijn uitgever. Een niet-onverdeeld gunstige recensie van een van Bohls geschriften door Schaepman had tot deze kuiperijen aanleiding gegeven. Schaepman en Nuyens traden in 1874 uit de redactie en richtten onmiddellijk Onze Wachter op, die uiterlijk en innerlijk de voortzetting van De Wachter werd. Bohl zette in naam het oude tijdschrift voort en genoot daarbij helaas opvallend de steun van vooraanstaande Haarlemse geestelijken.

Zuiver godsdienstige tijdschriften waren de Maandrozen ter eere van het Heilig Hart, door pater R.J. Pierik S.J. in 1869 begonnen, de van 1875 daterende Pius-almanak, het maandschrift De Katholieke Missiën, waarvan de eerste jaargang in 1876 onder redactie van de Jezuïet A. Duffels uitkwam, enkele andere, ten dele reeds genoemde missieorganen en ten slotte het door de Nederlandse Predikbroeders sinds 1878 uitgegeven maandschrift De Rozenkrans. Waartoe Het Dompertje van den Ouden Valentijn, dat, gesticht door H.A. Banning, sinds 1867 wekelijks verscheen, te rekenen valt, is moeilijk te zeggen. Het muntte uit door cultureel negativisme en zijn lang voortbestaan (tot 1920) kan moeilijk uitgelegd worden in het voordeel van de toenemende beschaving der katholieke gemeenschap, maar het had zijn verdienste door zijn satirisch hinderlijk volgen van allerlei liberale experimenten en oefende zijn taak soms op werkelijk geestige wijze uit.

Ook de dagbladen verdienen een plaats in de bespreking van de cultuur. Bij het herstel van de hiërarchie bestond als zodanig alleen nog De Tijd, die sinds Maart 1848 dagelijks verscheen. Van zijn oprichting af werd hij gedrukt bij de Weduwe Van Langenhuysen ‘in de Berg Thabor’ op de Singel, hoek Beulingstraat, later - toen Alberdingk Thijm de zaak van Van Langenhuysen overgenomen had, - in de nieuwe drukkerij der firma, ‘de Blauwe Wereld’ in de Spuistraat, totdat toenemend heftig ongenoegen tussen M.W. van der Aa en Alberdingk Thijm in 1879 aanleiding werd tot het verbreken der relatie. Sindsdien werd de krant bij de firma Ellerman Harms gedrukt. De redactionele leiding bleef tot omstreeks 1870 in de vaste handen van de priester Judocus Smits. De bewaard gebleven brieven van deze bekwame hoofdredacteur aan verschillende personen, maar vooral aan Thijm en Cramer, vormen, aangevuld met gegevens uit de wijdvertakte correspondentie van Cramer met Smits, Thijm, Lurasco, Broere, Van Vree en wie al niet, kostelijk materiaal voor de kennis van wat omging in de periode 1846-1857. Van de personen der twee Tijd-redacteurs levert dit materiaal deugdelijke portretten. De priester Smits komt er uit naar voren als een man van zeer zwakke gezondheid, rusteloze werkkracht, scherpzinnigheid en bovenal eerlijkheid. Schaepmans bombastische lijkrede1 zingt voor ons gevoel zo tegen de toon aan, dat zij ons kregel maakt, maar de eenvoudige woorden, die dezelfde deskundige elders aan zijn journalistieke mentor wijdde,2 tekenen deze scherp en waarheidsgetrouw. ‘Zakelijker man heb ik nooit ontmoet’, heet het daar. Schaepman prijst verder in opmerkelijk

[p. 292]

sobere woorden Smits' ‘onweerstaanbare objectiviteit,’ zijn ‘scherpte van blik, zijn helderheid van gedachte’ om te besluiten: ‘Er was geen kleinheid in dezen man.’ Deze indruk wordt door Smits' brieven in allen dele bevestigd.

De indruk, die Cramer naast de zakelijke Smits maakt, is geenszins gunstig. De kennismaking met Cramers bewogen leven verschaft een sensatie, niet ongelijk aan die van een dolle autorit. Een getrouw levensverhaal van deze roerige medicus zou ons van bergen tot dalen voeren, van verblindende successen naar compromittante mislukkingen, van een rijkdom, die omstreeks 1865 door Smits bijna fabelachtig genoemd werd, tot de blamage van een faillissement, dat Cramers optreden op de Parkmeeting van 1871 onmogelijk en de stille, alleszins respectabele levensavond op het buitentje Oudaen te Breukelen begrijpelijk maakte. Bij de oprichting van De Tijd nog een vurig en volgens Broere zelfs gevaarlijk liberaal, ontbrandde hij bij de kennismaking met het Frankrijk van Napoleon III in ontembare geestdrift voor het autocratische régiem met zijn utopisch-socialistische experimenten, speciaal voor de gedachte van het Crédit Mobilier, het nieuwe bankwezen, dat het geïndustrialiseerde Europa in staat zou stellen millioenenwerken als haven- en spoorwegaanleg, stadsuitbreidingen op tot dusver ongekende schaal tot stand te brengen, zonder dat zij strekten tot vermeerderde rijkdom voor enkelen en toenemende uitbuiting van wreed geëxploiteerde duizendtallen. De strijd tegen de gelddictatuur van de Rothschilds en de door haar goeddeels beheerste liberale pers werd voor Cramer als voor tal van Franse en Belgische katholieken sindsdien het doel van zijn bedrijvig leven.

Het doorlezen van enige honderden brieven van deze rusteloze catholique avant tout - meer en meer het type van de geprononceerde ultramontaan, wie de strijd tegen de loge, de Joden en de liberalen geen uur rust gunt - vervult iemand met bewondering voor zijn waarlijk schitterende talenten. Hij schreef even gemakkelijk Frans als Nederlands, beheerste het Latijn en het Italiaans uitstekend en was in het Nederlands een stilist van betekenis, een vlot en sierlijk zinnenbouwer, een geboren improvisator en tot op zekere hoogte zelfs een woordkunstenaar. Hij was ook een boeiend spreker. Verder schree