terug  begin  verderprepost
[p. 368]

3 Rerum Novarum

De wet-Mackay blijkt uitgangspunt voor een nieuwe fase in de ontwikkeling der katholieke bewustwording. Dit is reeds aanstonds hierdoor mogelijk, dat de uitbouw van een eigen katholiek onderwijs in vlotter tempo kon gaan. Steeds meerderen konden de katholieke scholen bezoeken, nu zij jaar na jaar ook in aantal toenamen. Waar de katholieken zich een steeds grotere plaats veroverden in de school, kon men hen op den duur de toegang tot andere terreinen niet weigeren. Allerlei krachten, die door de schoolstrijd gebonden waren, blijken nu vrij te komen voor andere taken.

De jaren bleven onrustig: 1889 was het eeuwjaar van de Franse revolutie; het moest het grote jaar van de wereldrevolutie wörden. Door heel de wereld steeg de spanning. Alleen reeds de sociale kwestie stellen, was gevaarlijk.1 Het lidmaatschap van een Vakbond was voor een arbeider soms zelfs een reden van ontslag, omdat hij geacht werd de revolutie mede voor te bereiden. Overal waren stakingen of geruchten van dreigende conflicten. Londen had zijn spectaculaire havenstaking, die ook de bootwerkers van Rotterdam meetrok. In Engeland was het Kardinaal Manning, die voor het volk op de bres stond, zoals Ariëns te zelf der tijd in Enschede de lange en ellendige textielstaking beeindigde. Dat was in Nederland de eerste maal, dat een katholieke organisatie beslissende invloed had. Ariëns' vereniging was nauwelijks een jaar oud, toen deze krachtproef van haar gevraagd werd. Voor de katholieke arbeiders was deze afloop van de staking een aansporing om verder te gaan en spoedig kreeg Enschede zijn eerste zuivere vakvereniging, kort daarna uitgegroeid tot de Twentse Fabrieksarbeidersbond.2 De eisen, die Ariëns' eerste stichting, eigenlijk de kiem van een stands-organisatie, aan de arbeiders stelde, waren voor velen te zwaar, te onbegrijpelijk ook, nu steeds weer de nadruk kwam te liggen op directe actie. Daarom maakte hij ook een vakbond.

Schaepmans houding is nog altijd weifelend en inconsequent. Waar hij Ariëns' concentratie op zuivere vakbelangen afkeurt, omdat de middeleeuwen deze werkwijze niet hadden gekend - de gilden immers omvatten patroons en gezellen - is hij evenzeer ontevreden met de Volksbond, juist omdat zij dit oude beginsel wel wil handhaven. Ofschoon de Volksbond hem herhaaldelijk als spreker uitnodigde en hij er optrad als hij de kans kreeg, zou hij liefst Ariëns verboden hebben hetzelfde te doen.3 Vreemd is het

[p. 369]

de brede en universele Schaepman te zien lijden aan iets als jaloezie en diocesaan particularisme: een esprit du clocher in de man, die het Vaticaans Concilie meemaakte. Er lagen dan ook wel diepere beweegredenen achter zijn houding: zijn bepaalde visie op de toekomst, maar ook zijn innerlijke onzekerheid, waarvan eerst Rerum Novarum hem zal bevrijden. Hij zag de politiek als het voornaamste middel in zijn hand ter beïnvloeding van de massa; voor hem concentreerde zich de kracht der ontwikkeling in de politieke volksvergadering; al het andere moest zich daarnaar richten.1 De Volksbond van Passtoors stelde sociale actie voorop en wenste, dat de politiek volgen zou. In zijn Manifest van 1888 had de Volksbond zichzelf uitgeroepen tot toekomstige katholieke partij, en dat vijfjaar nadat Schaepman zijn Proeve had gepubliceerd. Daar had Schaepman uitdrukkelijk vermeld, dat staatsinvloed moest worden afgeweerd, terwijl de Volksbond juist de hulp van de staat wilde inroepen om tot sociale wetgeving te komen. De vraag naar de verhouding tussen sociale actie en politiek was ook bij anderen acuut. De S.D.B. van Domela Nieuwenhuis, die met verwaarlozing van alle politieke activiteit, althans na het failliet van Domela's Kamerlidmaatschap, uitsluitend agitatie wilde, is op deze strijdvraag gebroken. Maar de latere S.D.A.P., voortgekomen uit de Bond van Domela, zag spoedig de socialistische vakbonden zelfstandig naast zich optreden: een vorm van activiteit, die de katholieken spoedig op eigen gelegenheid ontdekten en waar de realist Schaepman zich bij neergelegd heeft. Maar voorlopig moest Schaepman het nog aanzien, dat de Volksbond op eigen gelegenheid voor sociale wetgeving ijverde, petities indiende bij regering en Kamer, zelfs bij de katholieke Kamerclub, waar Schaepman, de grote, almachtige, Utrechtse adviseur, zich advies moest laten geven door Passtoors, die zelfs doodleuk aan de Kamerclub liet vragen, of de Volksbond niet min of meer haar vraagbaak worden kon in sociale aangelegenheden. Ten slotte zag Schaepman Passtoors naast zich in de Kamer verschijnen als afgevaardigde voor Beverwijk. In zijn particuliere correspondentie luchtte Schaepman telkens zijn hart over Passtoors: ‘Passtoors gaat de Kerk weer stichten’ en ‘de onfeilbare Volksbond, van welke de Kerk maar een onderdeel is.’2 Schaepman verhinderde, dat de Volksbond zich buiten het Haarlemse kon uitbreiden: ‘Wij moeten zorgen op eigen terrein baas te blijven en zoolang Utrecht Metropolitaankerk is, blijven wij no. 1. Geen katholieke bond en met een ander centrum dan Utrecht’ en elders: ‘Maar ik zal toch zorgen, dat de Haarlemietische legende niet lang bloeit. Er zijn twee dingen, die mij ter harte gaan: de eer van ons aartsbisdom en de arbeiderskwestie. Beide loopen door dit Volksbondspelletje gevaar. Zooals ik Passtoors in den laatsten tijd heb gezien, kan hij voor Amsterdam goed zijn, maar hij is geen arbeider en au fond zou hij gaarne algemeen president van Nederland zijn,’3 en dat was dan toch wel de stoel, waar Schaepman zelf op wilde zitten. Waar Schaepman nu eenmaal in het Haarlemse, zowel in de redactiebureaux van Amsterdam en Rotterdam als in het Bisschoppelijke paleis geen persona grata was, verzette hij zich tegen iedere centralisatie en zelfs federatie der sociale organisatie om de Utrechtse ontwikkeling vast in zijn greep te houden. Op dit punt is het standpunt van Schaepman verlaten, maar eerst in 1901 kwamen nationale ‘vak-secretariaten’ tot stand, welker los federatief verband in 1909, lang na de dood van Schaepman, overging in het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie.4

Het diepste verschil tussen Schaepman en Passtoors is wel geweest dat zij over aard

[p. 370]

en structuur der sociale verenigingen een verschillend standpunt innamen. De Volks-bond stond open voor alle standen en wenste de oplossing van alle vraagstukken door samenwerking van allen in één organisatie, die zichzelf alzijdig zou kunnen differentiëren. Zo wenste Passtoors Kamers van Arbeid van werkgevers en werknemers tot oplossing van arbeidsgeschillen. Schaepman wil de zuivere arbeidersverenigingen. Zeer lang is dit een strijdvraag onder katholieken geweest en ook Rerum Novarum heeft hier geen oplossing gebracht, omdat Leo XIII beide typen van organisatie gelijkelijk goed dacht. Zo vlogen in deze polemiek de encycliekteksten heen en weer.

Op het Vakcongres van de Volksbond in 1895, waar ook mgr Bottemanne - demonstratief - aanwezig was, stelde Passtoors voor de vakorganisaties van patroons en arbeiders te scheiden en samenwerking te zoeken met de vakverenigingen in het Utrechtse. Ook werd daar aanvaard dat men streven moest naar Kamers van Arbeid, zoals ook Kuyper die wenste: colleges van beroep met wettelijke macht van uitvoering der sociale wetgeving, ruime bevoegdheden voor het vaststellen van lonen en recht van arbitrage bij geschillen.1

Wat Passtoors ook deed, Schaepman was in alles van een ander oordeel. Al deze geschillen hebben een tijd lang de,eenheid der katholieken op sociaal terrein ernstig geschaad. Toen Schaepman stierf, schreef de toch zo loyale Ariëns: ‘Zijn dood heeft het struikelblok voor de harmonische samenwerking van velen - vooral in Utrecht en Holland - weggenomen.’ Dit was geen loslippigheid van de schuwe Ariëns, maar een vaste overtuiging, want jaren later herhaalde hij publiek: ‘Wat Schaepman bij al zijn grootheid miste en zonder al te veel schade voor de zaak van zijn politieke loopbaan missen kon, was het gemak van samenwerking.’2

De natuurlijke ontwikkeling der dingen heeft Schaepman in een bepaald opzicht, althans voorlopig, in het gelijk gesteld. De toekomst was aan de zuivere arbeidersorganisaties; het gemengde type van Gezellenvereniging en Volksbond heeft zich niet kunnen doorzetten. Het feitelijk bestaan van de klassenstrijd, door Marx niet geschapen maar geconstateerd, moest als vanzelf leiden tot het stichten van strijd-organisaties, die niet noodzakelijk een revolutionnair doel behoefden te hebben, maar de verbetering van de levensomstandigheden der arbeiders binnen het stelsel van het kapitalisme konden nastreven. Schaepmans these was tactisch juist, maar de these van Passtoors, dat is de these van mgr Bottemanne, steunde op het juiste ideaal van samenwerking der standen. Als de ‘Schaepmanperiode’ der strijdorganisaties is overwonnen, zal ze gestalte aannemen in de moderner vormen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie der toekomst. De Utrechtse stijl beantwoordt aan de ogenblikkelijke noodzaak, de Haarlemse aan een op de toekomst geprojecteerd ideaal. Schaepman heeft echter zeer juist gezien, dat de vorm van organisatie die de Volksbond bood, in wezen reactionnair bedoeld was Mgr Bottemanne kon zich niet met het inzicht vertrouwd maken, dat de arbeiders zonder de steun en ook de controle der hogere standen hun eigen belangen op verantwoorde wijze konden behartigen. In de Volksbond bleef althans in opzet het oude standpunt van ‘de patronage der heren’ gehandhaafd. De katholieke arbeidersbonden zijn ten slotte zo uitsluitend arbeidersbonden geworden, dat zij geen plaats meer lieten aan leden van andere sociale herkomst. Zij hebben zich gesloten voor intellectuelen, voor wie het socialisme zich wel bleef openstellen; het socialisme heeft voor een belangrijk deel

[p. 371]

aan die intellectuelen de theoretische en culturele leiding gelaten. De katholieke arbeidersbeweging heeft geen dichters geïnspireerd, zoals Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Van Collem en Adama van Scheltema hun inspiratie dankten aan het socialisme; zij heeft geen belangrijke sociale theoretici voortgebracht, zoals het socialisme in

illustratie
Caspar Joseph Martinus bottemanne
bisschop van Haarlem
Naar een schilderij door H.J. Wesseling
Bisschoppelijk Paleis, Haarlem


Troelstra vond; de standsorganisatie der arbeiders is nooit tot bloei gekomen, omdat feitelijk een sterke culturele stuwing ontbrak.

Mgr Bottemanne, wiens ideaal de Volksbond bleef, stond een statutenwijziging toe, waardoor zijn diocesane bond nationaal zou kunnen worden. Schaepman adviseerde de aartsbisschop, mgr Snickers, die vroeger in Haarlem had gezeteld en de daar heersende meningen en toestanden goed kende, dat hij dit met alle geweld zou tegengaan, overal waar zijn gezag in het aartsbisdom reikte. Zo gebeurde het ook: de Volksbond kreeg geen entree binnen het Utrechtse. Enkele pogingen hiertoe, zoals in Arnhem, mislukten op vrij geheimzinnige wijze, zodat Passtoors eens in een brief aan zijn bisschop klaagde: ‘Er zijn andere invloeden in het spel; wij kunnen ons niet voorstellen, dat een Prins der Kerk - hier Z.D.H. de aartsbisschop - in dergelijke zaken geadviseerd wordt door een professor van het seminarie, hoeveel achting wij voor een dergelijk ambt ook hebben.’1 Geïmponeerd door de tegenstand, die hij in het verborgene bleef voelen, weigerde mgr Bottemanne dan weer zijn goedkeuring aan de statuten van een landelijke typografenbond, wanneer niet eerst het fiat van de aartsbisschop verkregen was. Een nationale katholiekendag, die Passtoors hem gevraagd had, meende hij als inopportuun te moeten weigeren; het zou immers een nieuwe grief zijn, als in Amsterdam gehouden werd, wat in Utrecht niet kon. Waar hij kon, weerde mgr Bottemanne Schaepman uit de activiteiten van ‘zijn’ Volksbond, ook als spreker. Dat werd zeer diplomatiek gezegd: het eerste vakcongres van 1895 moest een Haarlemse aangelegenheid blijven; slechts

[p. 372]

sprekers uit het eigen bisdom zouden optreden, anders werd het toch weer te veel een katholiekendag. Zoals de Haarlemse bisschop Schaepman weerde, zo weerde Schaepman Ariëns om dit congres te bezoeken.

 

Deze disputen in kleingeestige diocesane stijl leidden op de duur vanzelf tot een compromis, dat door de omstandigheden werd gedicteerd: naar Utrechts model kwamen de zuivere arbeidersorganisaties, naar Haarlems model werden ze interdiocesaan. Achter deze simpele en smalle disputen staat het internationale conflict tussen de katholieken waar Leo XIII met Rerum Novarum uitspraak over zou doen. Het gemengde verenigingstype, zoals Haarlem dit leerde van Kolping, gaat terug op Von, Ketteler, de grote bisschop der verzoening, wiens sociale ideeën werden uitgewerkt door de oude Oostenrijkse School van Von Vogelsang, Hitze, Prins yon Lichfenstein, Lueger, Pater Weiss O.P. Von Yogelsang, man van adellijke titel en adellijk karakter, bekeerling onder invloed van Von Ketteler en Görris, schreef in Der Katholik, Görris' stichting, en redigeerde het belangrijke Monatschrift für christliche Sozialreform; van hem is de redactie der Haider Thesen van de Oostenrijkse School, geformuleerd op het kasteel Haid van Prins von Loewenstein, waar de katholieke Duitse adel regelmatig vergaderde. Deze school, die de sociale traditie der romantici voortzette, heeft het ideaal van de maatschappelijke ordening in beroepsstanden geprppageerd en het kapitalisme als wezenlijk slecht veroordeeld en het even fel bestreden als Karl Marx en later Rerum novarum. Von Ketteler en Kolping leefden nog volop in de romantische sfeer van de grote historici en staatsphilosofen Adam Heinrich Müller en Karl Ludwig von Halle, beiden bekeerlingen tot het katholicisme en verdedigers van een organische staatsopvatting; zij ageerden tegen het contract social van Rousseau en de mechanische theorieën van het rationalisme, waaruit ook het liberalisme van Adam Smith, de ontdekker van de sociale automatismen, was voortgekomen. Müller en Von Halle hadden reeds lang voor Marx bij het opkomen van het eigenlijke kapitalisme, het destructieve karakter er van doorzien1. In Frankrijk werkten en dachten Graaf la Tour du Pin en Albert de Mun in de geest van dezelfde strikt katholieke traditie. Ook de Cercles catholiqies des ouvriers van de Mun waren gemengde organisaties en de groot-ondernemer Léon Harmel realiseerde in zijn bedrijven een vorm van samenwerking, die wezenlijk bedoelde een eind te maken aan de klassenstrijd. Deze Oostenrijkse School, een vaag begrip voor een wijdvertakte streving van katholieken op sociaal terrein, vindt men in België terug als de School van Luik, waar zij in permanent conflict leeft met de conservatieve school van Angers onder leiding van de bisschoppen mgr d'Hulst en mgr Freppel, die ook de leiders waren van de tragische katholieke partij in Frankrijk, die de Kerk naar de ondergang voerde. Oerconservatief, mennaisistisch in merg en been, maar niettemin hun aartsvader fel bestrijdend, bouwden zij voort op het beginsel van de scheiding tussen Kerk en Staat, totdat later de kerkvervolger Combes met deze katholieke politiek werkelijk ernst gaat maken. Consequent wijzen zij iedere staatsinmenging in sociale vraagstukken af, gedreven door een bittere maar onvruchtbare rancune tegen de Franse republiek, die in de macht heette van vrijmetselaars. Op sociaal terrein handhaafden zij met steun van alles wat aan het kapitalisme verknocht was, de bestaande toestanden, terwijl zij alle goeds verhoopten van de goedgeefse ‘patronage’ der bezitters, die hun arbeiders door deze

[p. 373]

hautaine bescherming echter revolutionnair maakten. Het waren de jaren van het stupide verzet der Franse katholieken tegen de adviezen en vermaningen van de Paus, toen deftige dames novenen lieten bidden ‘voor de spoedige bevrijding van de Kerk’; dit betekende: voor de spoedige dood van Paus Leo XIII, over wie bovendien het gerucht verspreid werd, dat hij gevangen genomen in de Engelenburcht vertoefde, terwijl de vrijmetselarij zijn encyclieken schreef.1 André Gide bouwde op dit legendarisch gegeven zijn ‘sotie’ Les Caves du Vatican. De progressieve ‘School van Luik’ wenste een snel ingrijpen van de Staat, die door een groots complex van sociale wetten, tot stand gebracht door de harmonische samenwerking van alle belanghebbenden, een ideale christelijke democratie moest verwerkelijken.

Wat in Europa gistte bracht ook beweging in de rust der Nederlandse katholieken. Men ging te keer tegen ‘de opstand der horden,’ tegen het volk, dat nog nimmer naam en stem had bezeten en nu machtig naar voren drong. De geschiedenis was gebouwd op dit naamloze volk, zonder dat het invloed had. Nu eiste het meer dan een aandeel op, want de beslissing over de toekomst. Vliegen resumeert de toestand rond 1890 aldus; ‘De oude beweging werd van alle kanten bestookt, niet zoals men een mening, maar zoals men een kwaad bestookt; ze werd bestreden, niet zoals men een dwaling bestrijdt, maar zoals men een misdaad te keer gaat. Men trachtte haar aanhangers niet te weerleggen, maar te straffen.’2

De scheidslijn liep kronkelend ook tussen geloofsgenoten. In de anti-revolutionaire partij stonden de kleine luyden van Patrimonium tegen de mannen met de adellijke titels. Onder katholieken liep ze grillig door standen en groepen, door vergaderingen en midden door pastorieën tot in de woningen der bisschoppen. Krant stond tegen krant, tijdschrift tegen tijdschrift. In de aartsconservatieve Katholiek waarschuwden twee pastoors, Rijp en Ruscheblatt tegen ‘materialistische ontevredenheid’ en ‘libertijnse genotzucht’; het eeuwig heil des hemels als rechtvaardige vergoeding voor aards leed was hoogste wijsheid en laatste woord. Ten slotte doet De Katholiek er het zwijgen toe tot in 1894 de theoloog G. van Noort moedig het woord neemt en over sociologie begint te schrijven. Op het eind van de eeuw, onder het redacteurschap van Van Cooth, krijgen Aengenent en Aalberse eindelijk hun kansen. In de Studiën daarentegen verschijnen regelmatig zware en gedegen artikelen over socialisme, het recht van vereniging, rechtvaardig loon en de wenselijkheid van staats-ingrijpen; er komen verslagen van Franse en Belgische congressen in en overzichten van Duitse en Franse sociale litteratuur. Voor zulke dingen was moed nodig, maar de Nederlandse Jezuïeten hadden Lehmkuhl, Pesch en Cathrein achter zich, brede autoriteiten, waarachter het veilig schuilen was. Met een zekere verheugenis kan men constateren: eindelijk enig tumult. Het gekrakeel der geloofsgenoten is in ieder geval teken van een hergroepering der krachten. Een geslacht, dat stand gehouden heeft in een knellend defensief, dat aanval op aanval van verguizing en spot heeft moeten afweren, is nu doodvermoeid. Maar de jongeren die de benauwdheid der belegerdee vsting met meer verdroegen, worden roerig en verstoren de eindelijk verkregen rust der ouderen. Geen gesloten carré wensten zij met een enkele eenzame spoorzoeker zoals Thijm er een geweest was in zijn jeugd, maar een open linie met de vrijheid om naar alle kanten uit te zwermen. Eenheid van gedachte en practijk bestond niet en was nauwelijks te verwachten bij de verdeeldheid der in-

[p. 374]

zichten; overal echter begon men te experimenteren en te disputeren, zoals Ariëns rondging en deed wat zijn hand en hart te doen vond, waar Schaepman hoog in aanzien zitting hield met de raadsleden des lands om op de kleine werkers in de provincie commando's af te vuren en theorieën te bepleiten, die eerst door de praktijk moesten worden omgebogen.1

Leo XIII hield toezicht over zijn strijdende kinderen, luisterend naar hun pleidooien, als ze tot hem kwamen voor een scheidsgericht. Léon Harmel had Franse arbeiders tot de troon van de Paus gebracht en namens hen gevraagd een wereldcongres te willen samenroepen om alle vraagstukken van de arbeid voor de gezamenlijke volkeren te regelen. De Duitse Keizer zou de Paus dit initiatief uit handen nemen in 1890 en Leo XIII zond hem zijn dankbare brief Noi reddiamo grazie. De Amerikaanse kardinaal Gibbons had in 1888 gepleit voor de goedkeuring van zijn ‘Knights of Labour’; de Engelse kardinaal Manning zond hem de rapporten over de Londense Dockers' Strike. De Paus stimuleerde het werk van de studiekringen, die overal werden opgericht; vooral van de Unie van Freiburg in Zwitserland, opgericht door mgr Mermillod, Aartsbisschop van Lausanne. Alles wat onder katholieken roerde, in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Italië, Engeland en Amerika, vond in Freiburg uitdrukking en onmiddellijk contact met het Vaticaan. Mgr Mermillod werd's Pausen intimus; deze creëerde hem tot kardinaal en riep hem in October 1890 naar Rome om de Paus behulpzaam te zijn bij de laatste preparatieven voor een encycliek, waar gans de wereld naar uitzag.

De Paus zelf had een snelle ontwikkeling meegemaakt. Zijn encycliek Qoud Apostolici Muneris van 1878, vlak na zijn verheffing tot het pausschap geschreven, had het socialisme theologisch veroordeeld. De Paus had echter van het verschijnsel geen verklaring gegeven en niet gezinspeeld op de ellendige toestand der arbeiders. Zijn anathema was niet gevolgd door een uiteenzetting van het rechtsvraagstuk. Ook hij had toen nog gemeend, dat weldadigheid alle kwalen genezen zou. De Paus was meegegroeid met het katholieke denken van geheel de wereld, ook met het niet-katholieke denken. Opnieuw blijkt, dat de Pausen door de Kerk worden gevormd, zodat zij de stem der ganse christenheid kunnen zijn.2

Midden in de disputen, die niet immer in het begrip van liefde, eerlijkheid en goede trouw werden gevoerd, verscheen op 15 Mei 1891 de encycliek Rerum Novarum. Men had gedacht, dat de Kerk, ‘Promeneuse lente et fatiguée,’ de loop der tijden niet had bijgehouden. Men keek naar haar om, alleen om te zien hoever zij nu alweer was achtergeraakt en plotseling: ‘Très en avant, tellement en avant que le libéralisme du siècle se demanda s'il pourrait jamais la atteindre,on vît reparaître l'antique promeneuse.’3

De Paus had gekeurd wat er goeds gedacht en gewerkt was; hij heeft gekeurd en gewogen wat gezegd en gedaan was door Von Ketteler en Kolping; Manning en Wiseman, Ozanam en de Mun, maar evengoed had hij geluisterd naar de woorden van Marx en Lassalle, Victor Hugo en Emile Zola. In Rerum Novarum leeft de spanning van een ganse eeuw. Marx leverde de Paus de statistieken uit het Brits Museum, Kolping leerde hem de behoeften van een trekkende gezel; Von Ketteler gaf hem een organisatiebeginsel; Manning leerde hem de mentaliteit van de dokwerker; Hugo en Zola spraken hem over het lot van de Parijse bedelaar en over het leven onder de bruggen van de Seine. Heel de wereld heeft in Rerum Novarum haar bijdrage geleverd en vindt haar wijsheid,

[p. 375]

gekeurd en gezuiverd, terug in formules van klassiek latijn, in teksten van Thomas van Aquino en oude Kerkvaders. Heel de traditie van de oude Kerk en alle bittere ervaringen van het levende geslacht leven in dat Pauselijke woord. De Paus spreekt als Thomist: er is niet noodzakelijk strijd tussen christendom en maatschappij, evenmin als tussen wetenschap en geloof, want overal heerst harmonie. Zedelijke eisen en stoffelijke welvaart, burgerlijke wetten en sociale verhoudingen, eigendom en redelijkheid, loonwet en rechtvaardigheid, arbeid en mensenwaarde hangen samen; en waar de orde blijkt verstoord, heeft de mens zedelijke normen geschonden. Die norm is objectief en vindt haar oorsprong in God. De mens in de omgeving van zijn natuurlijke gemeenschappen, de Kerk en de Staat moeten eensgezind het eeuwige recht zoeken en regelingen ontwerpen, waardoor het dagelijks leven onderworpen blijft aan de eisen van het absolute.

Het is de oude leer, ook de leer van Pius IX, maar opener, niet meer in de vorm van een bars anathema maar van een gastvrij welkom, niet in een beroep op onfeilbaarheid maar als uitnodiging tot een serieus dispuut. Dit was de stijl van de rustige en klare denker Leo tegenover de stijl van de getergde potentaat Pius.1 Het gaat Leo slechts om beginselen, de toepassingen kunnen veelvuldig zijn en moeten in het vrije en gedurfde experiment gevonden worden. Overal waaiden de pluizen van het nieuwe en soms was er iets in van de Geest. Vele stemmen stonden in Rome luid en ernstig, soms driftig, te pleiten en alle hadden ze een ruim gehoor gehad. In 1891 hield de opperste rechter, na aanhoord pleidooi, requisitoir en gaf zijn uitspraak. In toespraken tot pelgrims, in officiële Breven, in particuliere gesprekken was dit woord voorbereid. Er was spanning in de Kerk; ieder verwachtte de canonisatie van eigen ideeën en overweldigend was de indruk, die het sobere, machtige en duidelijke woord uit Rome in de wereld maakte. Toch blijft Rerum Novarum een practisch, op het leven afgestemd stuk, waarin naast het vaste beginsel het compromis van de dag leeft. De encycliek tast niet het wezen van het kapitalisme aan, zoals dit gebeurde door de Oostenrijkse School; zij wees op bepaalde uitwassen en duidde hiervoor slechts op de directe geneesmiddelen: de organisaties. Het gelijk van de Oostenrijkse School was theoretisch; er was echter geen mogelijkheid in een ontredderde, anorganische samenleving het kapitalisme onmiddellijk te vervangen. Eerst moest hiervoor noodzakelijk voorbereidend werk gedaan worden. Het kapitalisme was nog niet volgroeid; de analyse van het stelsel, zoals Werner Sombar en Max Weber deze later geven zouden, was nog niet voltooid en dus niet mogelijk; niet alle formuleringen van Rerum Novarum zullen stand houden. Later zal Quadragesimo Anno in een geforceerde uitleg van bepaalde teksten toch wezenlijk betere formuleringen kunnen geven. Naarmate de werkelijke toestanden verder zouden groeien, het kapitalisme zich zou ontplooien in koloniaal imperialisme, wereld-concerns, wereld-oorlogen en millioenen-werkloosheid, naarmate de leiders der massale vak-organisaties een macht in handen kregen, waarmede zij weinig zouden weten aan te vangen, zou het beperkt-practische van Rerum Novarum luide om aanvulling vragen. Dan zou ook wederom Rerum Novarum gecanoniseerd worden tot laatste woord, waaraan niets meer was toe te voegen, en latere conservatieven kunnen zich dan op dit progressief document gaan beroepen om nieuwere dingen te verketteren. De katholieken in Nederland hadden nog geen sociale traditie van betekenis. Wat hier leefde aan meningen was uit

[p. 376]

alle windstreken samengeraapt. Ten dele was dit een geluk omdat nu een zuivere, geijkte traditie, die boven iedere strijd van meningen stond, ineens kon gevestigd worden. Het verenigingsleven, dat hier begon te groeien onder een verscheidenheid van vormen, leed nog onder allerlei misvatting, vooroordeel en tegenstand. Al wilden sommigen de ernst der encycliek verkleinen

illustratie
Petrus Mathias Snickers
aartsbisschop van Utrecht
Mgr Snickers is hier voorgesteld als bisschop van Haarlem
Naar een schilderij door H.J. Wesseling
Bisschoppelijk Paleis, Haarlem


door haal alleen op Italiaanse toestanden toepasselijk te verklaren, al zag niet aanstonds iedereen, dat nu haast gemaakt moest worden met het scheppen van nieuwe instellingen, het Pauselijk woord bleef aandringen. Nog in 1889 had mgr Snickers aan Ariëns gevraagd, die slechts langs de Amsterdamse Gezellen-vader Van Nispen, zijn Bisschop durfde benaderen over zijn vèrstrekkende plannen, of er geen H. Familie te Enschede bestond en of het dan niet beter zou zijn deze broederschap te stichten dan zich in te laten met iets moderns. Ariëns overtuigde de Aartsbisschop en ontving 500 gulden als het klinkende antwoord van deze zo zwijgzame mens.1 De Bisschoppen wisten in hun Vasten-mandementen de leer van Rerum Novarum echter nader aan hun gelovigen te verklaren. Vooral de clergé werd vermaand de leer van de Paus met volle ernst te bestuderen. Ariëns zorgde er voor, dat zijn mannen ‘hun’ encycliek degelijk kenden; hijzelf was er in thuis als de Paus en citeerde vlot de passages, die hij nodig had om zijn bedillers te doen zwijgen. De Volksbond organiseerde streek-meetings, waar de encycliek werd verklaard en bij de uitgang der zaal werd de tekst in goedkope uitgave aan de feestgangers uitgereikt, want een waar feest was het in die bedrukte dagen zo'n ruim woord te horen. Schaepman hield zijn grootse redevoering voor de Volksbond te Vlissingen; wonderlijk helder verklaarde hij de ideeën van de Paus door ze te ontdoen van wat de kanselarij er aan deftigheid had bijgevoegd. Hij had geen vrees zijn eigen vlottende inzichten naar de inhoud van de encycliek te

[p. 377]



illustratie
Spotprent
op Abraham Kuyper en Klaas Kater, de voorzitter van Patrimonium
Naar een lithografie door C.J. Uit: Nederland onder de grondwet van 1887; Uilenspiegel's prentenboek voor groote menschen
Atlas van Stolk, Rotterdam


[p. 378]

herzien en er openlijk voor uit te komen, dat hij in menig opzicht anders was begonnen te denken.1 In de Stadsgehoorzaal te Leiden was het ‘de weledele Heer P.J.M. Aalberse, student te Leiden,’ die op de meeting aldaar een zijner eerste sociale vertogen hield.2 Op 1 Januari 1892 verscheen het Noordbrabantsch Dagblad, dat zich wijden zou aan de propaganda van Rerum Novarum in het Zuiden.

Ook buiten de katholieke kring trok de encycliek sterk de aandacht. Dominee Van Koetsveld had trouwens reeds in 1889 drie sociale encyclieken voor protestanten vertaald en aanbevolen.3 Sam van Houten zag in Rerum Novarum een rechtvaardiging van het socialisme, terwijl toch de socialisten er het liberalisme in verdedigd zagen. Opvallend is, dat Van Houten onmiddellijk de twee vraagstukken opmerkt, waarover later onder katholieken ernstige strijd zou ontstaan: het gezinsloon, en de stelling dat de rijkdommen der staten geen andere oorsprong hebben dan het werk der arbeidende klassen. Veertig jaar later zal Quadragesimo Anno aan beide vraagstukken bijzondere aandacht schenken.4 Ook de Evangelische Maatschappij had haar rijp-overwogen en onbevooroordeelde mening gereed: ‘Rome wacht zich wel de maatschappelijke ellende stelselmatig te bestrijden. Armoede is volgens haar een Goddelijke instelling, de armen zijn de beschermelingen van de Kerk, die zonder haar armen een groot deel van haar invloed zou derven. Bovendien zijn alle maatregelen tot levensbehoud of levensverlenging, bestrijding van besmetting en alle veranderingen der gezondheidsleer, in haar oog verderfelijk.’5 Domela Nieuwenhuis ziet met schrik, dat de Paus ook al socialist is geworden. Maar hier is niet de oprechtheid der duiven, slechts de sluwheid der slangen, want als de Paus anders geschreven had, zou de tijd over hem heen gegaan zijn en hem hebben achtergelaten als een mummie: ‘in elk geval is het een uitnemend stuk voor eerstbeginnenden.’6 Een Amerikaan, Henry George, bedankte de Paus voor zijn woord en voegde achter de dank een openhartige critiek, die bereidwillig in het Nederlands werd vertaald. De jonge theologie-professor van Warmond G. van Noort beantwoordde hem in De Katholiek7 Troelstra zag slechts, dat de katholieke verenigingen de klassenstrijd doorkruisten en langs andere wegen tot oplossing wilden brengen. Henriëtte Roland Holst sprak nog in dit verband van ‘georganiseerde onderkruiperij.’8 Troelstra voelde, dat het katholieke beginsel een levende kracht begon te worden en dat het reeds het socialisme de kans had ontnomen om alleen het moderne Nederland te vormen, toen het liberalisme faalde.

Abraham Kuyper heeft zich aan de encycliek gesticht en er de katholieken om benijd. Hij moest zich zorg maken over zijn volgelingen. Bij de verkiezingen van 1888 hadden zij Domela Nieuwenhuis in de Kamer gebracht. In Patrimonium woelde de ontevredenheid en Kuyper vond de oplossing van een nationaal sociaal Congres, dat van 9 tot 11 November gehouden werd te Amsterdam. Hier hield Kuyper zijn grote sociale rede, die als een Calvinistisch Rerum Novarum is. Wel is Rome de schuld van alles, ook van de Franse Revolutie en van de sociale kwestie, die er het gevolg van is. Het bederf is wel door de Reformatie gestuit maar niet overwonnen en nu opnieuw op Rooms terrein uitgebroken. Toch moet Kuyper erkennen: ‘dat de Rooms-Catholieken ons in de bestudering der sociale quaestie verre vooruit zijn, zeer verre zelfs... De actie van R.C. zijde mag ons dus wel prikkelen tot betoon van meer veerkracht, ook al zitten de R.C. hier te lande nog meest stil.’9 Geheel eerlijk is dit niet. Het is alsof Kuyper in zijn

[p. 379]

encycliek met zorg vermijdt te zeggen wat de Paus gezegd had, toch kan hij er moeilijk langs het pauselijk schema Kerk-Staat-Arbeiders te volgen. Hij wil de schoof van Jozef niet zien, maar kan toch niet weigeren een lichte buiging te maken. Ook Kuyper dankte veel aan katholieke schrijvers zoals Von Ketteler, wiens geschriften hij reeds in 1869 van Groen kreeg toegezonden. Zoals Schaepman was ook Kuyper bevangen geweest door de vrees voor staatsinvloed; en steeds zal hij nadruk blijven leggen op het bestaan van autonome levenskringen, waar de staat buiten heeft te blijven; en meer dan bij de Nederlandse katholieken leeft bij Kuyper een conglomeraat van ideeën, die verwant zijn aan de sfeer van publiekrechtelijke instellingen, zoals deze door Von Vogelsang en Hitze werden verdedigd.1

 

De sociale kwestie bleef voor de katholieken lang een primair godsdienstige. De antithese van katholicisme en liberalisme zette zich tegen het socialisme voort. De socialisten voerden de strijd tegen de godsdienst fel en openlijk. Volgens het program van Gotha, dat ook hier veelal werd aanvaard, was godsdienst privaat-zaak; men wilde dit ‘overblijfsel van idealisme, dat in deze boze wereld door vele armen nog bewaard is, niet met ruwe hand verstoren.’2 Het Marxisme moet soepeler zijn met de ideologische bovenbouw dan het Anarchisme. Omdat godsdienst even inhaerent is aan de menselijke natuur als het streven naar geluk, moet er ook een socialistische godsdienst kunnen bestaan. Maar wat eigenlijk leefde in de socialistische massa, blijkt beter uit de opvatting van de Groningse arbeider, voor wie het onverschillig was, of men geloofde aan God of Grietje. De socialist Schaper beschrijft hoe hij zijn protestants geloof verloor en lang in de illusie leefde, dat socialisme en ongeloof bij elkaar hoorden.3 In Arbeiderslevens heeft de socialisti Ankersmit onderzocht op welke gronden arbeiders tot het socialisme kwamen. Hij beschrijft echter slechts acht gevallen, een te klein aantal om conclusies te trekken. Maar toch is het symptomatisch, dat van de acht gevallen er vijf hun oorzaak vonden of begeleid werden door een geloofscrisis. In de drie andere gevallen was er zelfs geen geloofscrisis, omdat het geloof er nooit geweest was. Er blijft echter in al de gevallen niet eens een vage herinnering of hunkering, naar de godsdienst achter. ‘De beweging’ vult voortaan heel het leven van die mensen en zij brengen voor hun ideaal de zwaarste offers. Zoals later voor Henriëtte Roland Holst is de ontdekking van het socialisme voor velen ‘een nieuwe geboort’ geweest. Dat deze mensen in hun ‘beweging’ een taak vonden, terwijl van hen in hun eigen geloofsovertuiging niets gevraagd werd dan gehoorzame passiviteit, is soms het meest voor de hand liggende maar verborgen motief van hun geloofsafval. De loomheid der kerken, meer dan de overtuiging, dat zij de zaak der arbeiders vijandig zouden zijn, heeft de massa van haar verwijderd. Eerst later, als de strijd der kerken om de sociale orde, bijna noodzakelijk maar toch begrijpelijk, voor een groot deel anti-socialisme is geworden, proclameert het socialisme ‘dat het de zaak is der partij de politieke en economische macht der kerken te breken, zonder binnen of buiten haar kring de godsdienstige mening van iemand te willen kwetsen.’4

Het socialisme is een der vormen, waarin zich het feit openbaart, dat de massa in beweging is gekomen. Het gehele volk werd er door aangegrepen; het Zuiden nog het minst. Het streven allerwege naar volksorganisaties, de eis van algemeen kiesrecht, de

[p. 380]

Doleantie, het groeiend verzet tegen het liberalisme bewijzen hoe sterk, spontaan en onweerstaanbaar de kracht was, die zich hier openbaarde. Het socialisme leefde het sterkst op de gevoelens van onlust, die het volk hadden aangegrepen. Als juist in dezelfde tijd, waarin het socialisme zich ontwikkelt, het verschijnsel van de massale geloofsafval zich begint te openbaren,

illustratie
Henricus van Beek
bisschop van Breda
Naar een fotografie
Bisschoppelijk Paleis, Breda


is de vraag gewettigd in hoeverre het socialisme deze stroom-uit-dekerk-vandaan heeft veroorzaakt, gestimuleerd of naar buiten zichtbaar gemaakt. Het is opvallend, dat het socialisme geen massa-verschijnsel is geworden in streken, waar nog een sterk godsdienstig leven heerste; zelfs dan niet als er een grote economische nood was zoals in Brabant. Het veroorzaakte geloofsafval, waar het geloof reeds ondermijnd en zwak was zoals in Friesland en Groningen. Het socialisme vult dus een vacuum. De heersende tekorten van het godsdienstig leven liggen blijkbaar dieper dan de materiële sfeer, die door het socialisme het eerst werd doordrongen. Voor velen leefde de godsdienst niet meer dan als een stereotype reeks gedragingen in huis en in de kerk en als een reeks bekende antwoorden op vraagstukken, die men in het geheel niet meer als levende problemen voelde. De nieuwe en werkelijke problemen stonden geheel buiten de doffe sfeer van het godsdienstig-kerkelijke; vooral de sociale ellende, die voor menig gelovig mens in zoverre met het kerkelijke samenhing, dat zij een probleem was van intensere kerkelijke armenzorg, begon dieper in het leven te dringen, ook in het gevoelsleven, naar mate het besef indrong, dat het niet meer de ‘oude’ armoede was van een geplunderd land, maar de ‘nieuwe ’armoede van een systeem, dat nauwelijks uitbuiting en onrecht verhulde en ontkende. Eerder dan de deskundigen van de economische wetenschap de werking van hun stelsel doorgrondden, wisten de slachtoffers waar het haperde. Troelstra vertelt hoe hij eens sprak voor een vergadering van stoelenmatters en plotseling een vrouw zag opspringen onder de kreet: ‘Nu geloof ik niet meer aan God!’ En toch had hij niet tegen de godsdienst, maar over het recht van de mens gesproken.1 Die vrouw begon haar ellende plotseling aan een bestaande oorzaak toe te

[p. 381]

schrijven. Eerst had zij haar ellende beschouwd als de wil van God, waaraan men zich nu eenmaal onderwerpt, toen zij begreep, dat haar armoede een andere oorsprong had, kon zij haar lot niet langer met het bestaan van een vaderlijke God verenigen.

Dat de kerken werkeloos toezagen en een gehaat systeem van onrecht en willekeur

illustratie
Petrus Leyten
bisschop van Breda
Naar een fotografie
Bisschoppelijk Paleis, Breda


niet fel durfden aantasten, was voor velen een klaarblijkelijke waarheid in de propaganda van het socialisme. Het succes van een onbenullig pamflet, zoals Dominee, Pastoor of Rabbi, geheel gebaseerd op Multatuli, soms tot in de woordkeuze toe, wemelend van populaire onwetenschappelijkheid, maar waarvan in één jaar 40.000 en in totaal 100.000 exemplaren werden verkocht, toont wel aan hoe gemakkelijk de godsdienst als opium werd aangezien.1 De slagwoorden van Opium voor het volk en Eeuwigheidswissel hebben een prachtige en diepe verklaring van menselijk leed voor velen krachteloos gemaakt. Hoe zou men nog kunnen spreken over een eeuwige vergelding, die als onzinnig geloochend wordt en de uitkomst schijnt van een lange reeks onbewezen beweringen, zodat ieder uitzicht op een wonderbare wereldorde, waarin ook het kwaad zijn plaats heeft, werd ontluisterd en vernield. In de christelijke wereldvisie ligt meer verborgen dan een hemelbelofte, die door de mond van de wel-bedeelden het geduld preekt aan de armen. De christelijke en Paulinische visie op het leed, dat de wereld te dragen heeft omdat zij God verwerpt, was in de dagelijkse prediking op bijna alle kansels verworden, zodat men met leed uitsluitend het platte, economische leed ging bedoelen. Van het echte lijdensprobleem, waarmee de christen als christen te worstelen heeft - het leed om de wereld, die zucht en sterft bij gebrek aan God - hadden veel predikers wel haast ieder besef verloren. Ook op de katholieke kansels was dit begrip tegelijk met de gedachte aan apostolaat wel zeer verschaald. Nimmer heeft het christendom economisch leed zalig geprezen, maar slechts het leed, dat de Bergrede zalig prijst, omdat het gedragen wordt omwille van de gerechtigheid. Brabant kon terecht menen, dat het zulk leed gedragen had, eeuwen

[p. 382]

lang, en daarom wellicht was het immuun voor de verlokkingen van een ongelovige propaganda.

De moderne theologische faculteiten hadden het ongeloof op de kansels gebracht en de kansels hadden het geloof weggepraat uit de harten der simpelen en der intellectuelen; het geloof aan de evolutie had het species mens neergehaald maar tegelijk ook een genieëntoestand voorgespiegeld. Waarom zou Marx dan ongelijk hebben, als hij het biologische proces toepaste op de economische ontwikkeling? Het socialisme kwam als een nieuwe verwachting tot de massa, die zonder troost en perspectief gelaten was. Door een vaag christelijk besef, als een jeugdherinnering, liet het volk zich door Domela biologeren, wanneer hij de Christusrol speelde. Soms waren socialistische vergaderingen als conventikels van mystieke dwepers, waar het solidariteitsgevoel, de toekomstverwachting onder het zingen van strijdliederen tot extasen leidden. Ook dit is een bewijs van het vacuum, dat de kerken, leeggeworden van iedere mystieke ervaring, niet vullen konden. Vanouds had het gehele leven zich rond en in de kerken afgespeeld. Men was er gekomen om te bidden, maar ook voor de dorpsvergaderingen, om het nieuws te weten van ziekte en dood, koop en verkoop. Reeds lang was deze sociale functie van het kerkgebouw en daarmee ook van het geloof aan het verminderen. Hoeveel jaren was de school, die eens van de kerk was uitgegaan, nu al niet een neutraal instituut, dat door de Staat verzorgd werd. Steeds verder werd de Kerk naar de periferie van het leven gedrongen. Dit ‘functieverlies der kerken,’ zoals dit verschijnsel genoemd wordt, maakte dat men zich nu ook buiten de kerkelijke gemeenschap kon bewegen, vrijer soms dan wie aan de Kerk trouw bleven, terwijl men vroeger een outcast zou geweest zijn. Het functieverlies der Kerk is hetzelfde als de secularisatie van het gehele leven, het zelfstandig worden van de natuurlijke levensgebieden, die eertijds binnen de religieuze sfeer betrokken bleven en vandaar uit vorm en gestalte ontvingen. Het voortschrijden van dit seculariseringsproces maakt de godsdienst van maatschappelijke macht tot individuele behoefte. De positivistische natuurwetenschap, met haar eis van exactheid, haar cijferseries en oorzakenreeksen, is bij uitstek de wetenschap der causae secundae en als zodanig nergens in strijd met enig theologisch beginsel. Het simpele volksgeloof, grotendeels gevormd door de populaire prediking, hield echter te weinig rekening met de eigen werkzaamheid der geschapen midden-oorzaken; het werd een lakse denkwijze, die gemakkelijk ter verklaring van allerlei verschijnselen tot onmiddellijk goddelijk ingrijpen besloot; een vrome denkwijze, waarin het wonder thuis is en die de boer doet bidden om gunstig weer inplaats van hoge en lage drukgebieden te controleren, zoals de moderne boer dit per radio heeft leren doen. Het volksgeloof was een theologische simplificatie van het leven, een soort supranaturalisme, dat de natuurlijke elementen van het leven in directe afhankelijkheid van God zag, maar te weinig kennis droeg van de eigen aard, de werkwijze en de omvang van genade en bovennatuur. Een in apologie vastgelopen theologie miste het sensibele orgaan voor de Kerk en het wezenlijke van de christelijke openbaring: de mystiek. Dat het geopenbaarde goddelijke mysterie alle menselijke verhoudingen doordringt, werd in het simpele geloof van de eenvoudige mens beleefd in een vorm, die het natuurlijke nauwelijks natuurlijk liet zijn.

In de steden met hun druk en vrij verkeer, met hun geld- en handelsbelangen heerst eerder een ondogmatische verdraagzaamheid, die scepsis wordt. Noord-Holland, het

[p. 383]

oude handelsgewest en in latere tijd overheerst door Amsterdam, was immer godsdienstig tot vrijzinnigheid geneigd, waar Zuid-Holland een typische orthodoxie bewaarde.1 De meest en direct met de aarde levende volksgroepen, boeren en vissers, hebben het langst deze vorm van supranaturalisme, die diep in de ziel drong, bewaard. Op het platteland en langs de kust leeft dit ‘kolenbrandersgeloof’ het langst, maar ook daar dreigt de moderne scepsis, waartegen de oude theologie zulke onvoldoende bewapening is gebleken. Technische methoden in landbouw en visserij zouden fataal kunnen blijken voor het geloof, ook nu nog, ofschoon de techniek in deze tijd toch wel zeer haar zwakke zijde getoond heeft. Het gemakkelijke, voor het geloof van zovelen destructieve succes van anti-godsdienstige pamfletten zoals Dominee, Pastoor of Rabbi is te verklaren uit de innerlijke zwakheid van het heersende geloofsbesef, dat voor het protestantisme noodlottiger is gebleken dan voor het katholicisme. Het protestantisme, waarvoor de vrije wil van de mens problematisch was en dat daardoor het werkterrein van de natuurlijke oorzaken liefst beperkte, leed principieel ernstig aan dit supranaturalisme, waar de katholieke geloofsmentaliteit, dan wel niet principieel, maar toch wel feitelijk aan gelijk euvel laboreerde. De moderne protestante theologie, bedoelend de wetenschap te verzoenen met het geloof, eindigde met de wetenschap aan het geloof te offeren. Het geloof werd ontdaan van alle mysterie, de openbaring werd een natuurproces, dat men psychologisch en historisch meende te kunnen verklaren. Bij de grootscheepse aanval van de negentiende-eeuwse wetenschap verschanste het katholicisme zich binnen de vesting van het traditionele dogma, om, bijkans zonder strijd, de natuurlijke domeinen prijs te geven. Zo kon het geloof weliswaar worden behouden, maar het werd wereldvreemd. Een katholiek modernisme, als aanval op het strikte geloofsdogma, volgt eerst een halve eeuw later en heeft nooit serieuze kans gehad. Het prijsgeven der natuurlijke domeinen vertoont zich als ernstige ketterij in Lamennais met zijn scheiding van Kerk en Staat, maar ook Schaepman stelt beiden nog buiten elkaar, vertrouwend, dat zij goede buren zouden blijken.2 Schaepmans denkwijze, die vrijwel de officiële kerkelijke houding was, schudde wel een vals supranaturalisme van zich af, maar stelde toch de verhouding tussen de gebieden van natuur en bovennatuur, wetenschap en openbaring, niet geheel zuiver. Slechts weinige theologen der negentiende eeuw stelden trouwens het vraagstuk helder en deze weinigen, met interesse aanhoord door nietgelovigen, zagen door geloofsgenoten hun orthodoxie betwijfeld. Johann Adam Möhler en Mathias Joseph Scheeben in Duitsland, Newman in Engeland, wier werken in onze tijd opnieuw en met succes worden uitgegeven en die daardoor de eenzame pioniers blijken van ‘la nouvelle theologie,’ werden min of meer gewantrouwd, omdat zij geneigd bleken ‘mystiek’ boven ‘philosophie’ te stellen. Oorspronkelijk theologisch en wijsgerig denken is onder de Nederlandse katholieken van de negentiende eeuw niet aanwezig. Deze wetenschappen leverden slechts compilaties van oudere werken uit de tijd der late Contra-reformatie. In ontroerende trouw schreef men van elkander steeds weer dezelfde argumenten over, die teruggingen op Bellarminus en Bossuet. Deze tot op de draad versleten wetenschap bleek slecht in staat de aanval der modernen te weerstaan en de dagelijkse prediking op de kansels roerde niet meer aan wat werkelijk leefde in het hoofd en het hart der eenvoudigen; de voedzaamheid was uit de prediking weg, o mdat de spijzen te dikwijls opgekookt waren.

[p. 384]

De oorzaken van onkerkelijkheid en geloofsafval, zoals deze zich in de tweede helft der negentiende eeuw beginnen te openbaren, raken de protestanten eerder dan de katholieken. Het socialisme kon een factor van ontkerstening worden, omdat het optrad in een tijd, die zeer opportuun was voor deze overigens bijkomstige werking er van. Het Zuiden, immer het Noorden wantrouwend, heeft in het socialisme niet veel meer gezien dan een hernieuwde poging van het perfide Noorden om toch nog het vaderlijk geloof te roven, waarvoor men eeuwenlang zoveel geofferd had. Het moderne kapitalisme bleef voorlopig in het Noorden geconcentreerd tot het met de exploitatie der Limburgse kolengebieden naar het Zuiden drong. Eerst dan volgt de poging van het socialisme om ook het Zuiden te winnen. Het kapitalisme offerde bovendien de economische belangen van het Zuiden op aan zijn vrijhandels-politiek. Het Zuiden onderging dit alles in de mentaliteit van de oude godsdienststrijd. Dit denken in het traditionele schema heeft het grotendeels de ontkerstenende invloed van het kapitalisme bespaard. Eerst veel later, diep in de twintigste eeuw, leren Brabant en Limburg deze bedreiging voor het geloof. De katholieke Kerk had nergens in het land een heersende positie of ook maar de allure om heersend te worden; zij voelde zich nog immer belaagd, nadat de zware strijd om haar fundamentele bestaansrechten gunstig was beslist. De onlustgevoelens van het katholieke volk, voorzover zij economische oorzaken hadden, konden moeilijk gericht zijn tegen een vervolgde Kerk; velen van het katholieke volk konden nog in het opkomend socialisme een toekomstig bondgenoot van de Kerk zien: het front der verdrukten tegen de heersende standen. Passtoors ervoer dit in zijn Volksbond en Ariëns constateerde evenzeer, dat vele katholieken, die naar het socialisme waren overgegaan, teruggewonnen konden worden, zodra zij onder geloofsgenoten de drang naar organisatie zagen opkomen met de beslissing om het maatschappelijk bestel te veranderen. Maar ook de leiders, die zorgden, dat hun bonden het centrum werden van ondersteuningsfondsen, ontwikkeling en ontspanning, hebben ogenblikkelijk aangevoeld, dat de strijd om het socialisme een strijd was om het godsdienstig besef van het volk en daarom een vraagstuk van moderne zielzorg. Waar katholieken het sociale probleem hebben aangevat, werden weinigen van hen het spoor bijster. Onder de eerste generatie socialisten zijn dan ook weinig katholieken te vinden. In de kring van Domela Nieuwenhuis treft men er bijna geen. Van Kol, die ingenieur was, en Bahlmann, die uit een handelsfamilie stamde, waren uit het liberale kamp overgekomen; zij hebben niet door het socialisme hun geloof verloren. De typograaf Vliegen uit Limburg, die in België en Frankrijk het socialisme leerde kennen, en Maastricht, het zwakke punt der katholieken, een tijdlang als arbeidsterrein koos, is een der weinige katholieken onder de oude socialisten. Onder de ‘twaalf apostelen,’ die in 1894 de S.D.A.P. stichtten, is Vliegen, naast Van Kol, de enige katholieke arbeider geweest. De oude clergé van die dagen, aangetast door een geest van conservatisme na de harde strijd om het bestaan, hield de stichting van arbeidersorganisaties dikwijls zolang tegen, tot onmiddellijk ingrijpen van de socialisten b.v. door het huren van een vergaderlokaal in hun parochies, voor de deur stond. In het Bisschoppelijk archief van Haarlem berust nog menige klacht van arbeiders aan mgr Bottemanne over tegenwerking van pastoors. Toch is het begrijpelijk, dat deze oudere priesters, die de last der eerste jaren van strijd gedragen hadden, te moe waren om zich in een modern avontuur te werpen, waarvan

[p. 385]

men nauwelijks de draagwijdte kende en in genen dele de afloop kon voorzien.

Het socialisme is een der vormen, waarin zich het feit openbaart, dat het volk, in de geschiedenis steeds zonder naam, nu zijn eigen historie gaat schrijven: het relaas van zijn emancipatie in en door de vakbeweging. Maar ook in de cijfers van de bevolkings-statistieken

illustratie
Franciscus Antonius Hubertus Boermans
bisschop van Roermond
Naar een schilderij door H. Windhausen
Bisschoppelijk Paleis, Roermond


leven de lotgevallen van het volk. Dan blijkt ook het in beweging komen van het volk geen metafoor te zijn, maar letterlijk te betekenen een massale migratie. In die grote trek uit zich het leed van het volk en vormt zich de mentaliteit van het volk. Migratie betekent feitelijk: losraken van de voedende wortel, hetloslaten van traditionele levensgewoonten en -inzichten, het aannemen van een nieuwe levenshouding of het vervallen tot een of andere vorm van anarchie en nihilisme. De cijfers der volkstellingen tussen 1850 en 1890 beginnen reeds een duidelijke taal te spreken over de omvang der migratie en de directe gevolgen er van. De katholieken blijken grote verliezen geleden te hebben. Tussen 1850 en 1890 is hun percentage geslonken van 38.15% tot 35.39%. In de laatste tien jaar van dit tijdvak daalt hun aandeel in de totale bevolking van 35.86% tot 35.39%. Deze vermindering, niet meer dan een halfprocent,betekent een verlies van ruim 20.000 katholieken. Sinds 1850 is er een verlies van 2.76%; d.i. in 1890 een afwezigheid van 124.515 katholieken, die er meer geweest zouden zijn als de verhouding sinds 1850 gelijk was gebleven. Terwijl van 1830 tot 1890 de totale bevolking groeit van 2.613.487 tot 4.511.415, een vermeerdering van 71.62%, nemen de katholieken in dezelfde periode toe van 1.019.000 tot 1.596.482; dat is een vermeerdering van slechts 56.70%. Ontegenzeggelijk zijn bij deze getallen het hogere sterftecijfer en het lagere geboorte-cijfer, van Brabant vooral - bij de katholieken, in deze jaren onbetwistbare tekens van armoede en sociale achterstand - van belang, maar deze invloeden verklaren niet het verdwijnen van ruim 100.000 katholieken.

Gegroepeerd naar de verschillende provincies worden de dorre cijfers welsprekend, vooral wanneer men de cijfers van de jaren 1880-1890 afzonderlijk beziet. Als voor de

[p. 386]

gehele periode van 1850 tot 1890 de gemiddelde bevolkingsgroei per jaar voor het gehele Rijk is 106 per 10.000 inwoners, dan vindt men voor de provincies afzonderlijk de in onderstaand staatje opgenomen cijfers.

Naar provincies gerangschikte vergelijking van de gemiddelde bevolkingsgroei per jaar per 10.000 inwoners voor Katholieken en niet-Katholieken tussen 1850 en 1890

van 1850 tot 1890 van 1880 tot 1890
niet-kath. kath. niet-kath. kath.
Noord-Brabant . 65.70 62.40 106.60 86.60
Gelderland . . . 87.70 71.23 100.30 82.20
Zuid-Holland . . 134.27 127.23 170.38 168.25
Noord-Holland . 136.40 137.10 168.39 197.66
Zeeland . . . . 59.36 44.40 62.65 34.01
Utrecht . . . . 113.70 75.30 155.90 108.63
Friesland. . . . 87.00 43.00 20.95 - 0.12
Overijsel . . . . 96.20 37.60 88.88 40.08
Groningen . . . 93.60 71.10 77.04 42.34
Drente. . . . . 127.00 148.50 89.48 210.97
Limburg . . . . -44.90 57.24 137.64 65.83

Het abnormaal lage cijfer voor de niet-katholieken in Limburg is een gevolg van het terugtrekken der garnizoenen; het abnormaal hoge cijfer voor de katholieken in Drente is, bij het gering aantal katholieken in deze provincie, reeds verklaard door de immigratie van enkele kinderrijke gezinnen waarvan er verscheidene uit Duitsland zullen gekomen zijn. In Friesland dreigt blijkbaar een catastrophe en ook het rijke Zeeland kwijnt. Terwijl in Brabant Den Bosch en Tilburg snel in bevolking toenemen, wijst het lage Brabantse cijfer op een crisis ten plattelande en een dreigende ontvolking der dorpen. Het gehele Zuiden blijft ver achter bij het Rijks-gemiddelde. De cijfers bewijzen het feit, dat de katholieken het zwakst vooruitgaan in de provincies, waar zij numeriek het sterkste zijn. In 1854 worden voor de katholieken van Noord en Zuid de volgende cijfers gegeven:

voor de Noordelijke Bisdommen Utrecht en Haarlem 536.097
voor de overige Bisdommen 628.499
   
In 1890 zijn deze cijfers respectievelijk:  
voor het Noorden 795.949
voor het Zuiden 800.533

Het verschil van 92.402 is geslonken tot 4574. Eigenlijk bestaat het zuidelijk overwicht in het geheel niet meer, want de kloosters en internaten, die voor een belangrijk deel door het Noorden bevolkt worden, tellen hun inwoners bij het Zuiden. Als in het Zuiden de groei gelijk was geweest aan die van het Noorden, dan hadden de Zuidelijke

[p. 387]

Bisdommen 120.000 katholieken meer moeten tellen. Ook elders blijven de katholieken aanmerkelijk achter; alleen in Holland is hun groei vrijwel gelijk aan die der niet-katholieken maar aanmerkelijk hoger dan het Rijks-gemiddelde. De verklaring van deze cijfers ligt in de trek naar de steden, waarvan vooral Holland profiteert. Ook de geboorte-

illustratie
Josephus Hubertus Drehmanns
bisschop van Roermond
Naar een schilderij door H. Windhausen
Bisschoppelijk Paleis, Roermond


en sterftecijfers vertonen enige verschuiving, maar ten gunste van de katholieken. Terwijl in Brabant, door het verbeteren der sociale toestanden en betere gezondheidszorg, vooral de kindersterfte gaat afnemen en de geboorten toenemen, begint in het Noorden het geboorte-cijfer te dalen; het sterfte-cijfer daalt daar echter minstens naar evenredigheid. Soms is de emigratieeen weelde-verschijnsel, zoals in het geval van Nijmegen, dat zich tot villastad ontwikkelt en omdat ook de protestanten in deze groei hun aandeel namen, zijn de Brabantse cijfers voor de niet-katholieke aanwas zeer gunstig. Meestal echter is emigratie een armoede-symptoom. Vooral de crisis in de landbouw heeft de plattelands-bevolking sterk aangegrepen. Met overvloed aan kapitaal hebben protestante stichtingen en particulieren een merkbare economische druk kunnen uitoefenen op katholieken, die noodgedrongen hun bezit moesten verkopen of als pachters hun plaats moesten ruimen voor anderen. Een pastoor in Noord-Oost Gelderland zag gedurende zijn pastoraat meer dan dertig katholieke pachtboeren uit zijn parochie wegtrekken en door protestanten vervangen worden. De emigratie heeft wel voor een onevenredig groot deel de katholieken getroffen.1

Deze migratie-beweging op zichzelf is nog geen verklaring voor de achteruitgang van het percentage der katholieken. Er moet een sterke afvalsbeweging gaande zijn geweest, die echter in alle stilte moet hebben plaats gehad, omdat de pastoors in de grote steden, waar toch de migratie-vloed zich uitstortte, er niets van schijnen te hebben bemerkt. Hun parochies groeiden immers regelmatig in aantal; zowel in Amsterdam, Den Haag als Rotterdam lagen de nieuwe parochies met hun kerken als een krans om de oude stadskernen heen. Hoeveel naar de stad geïmmigreerde katholieken zullen echter

[p. 388]

nooit als zodanig in de parochies bekend geworden zijn en alle contact met de Kerk hebben verloren? Pater V. Becker in Studiën1 constateert zowel de emigratie-beweging naar de ‘stad Holland’ als de relatieve achteruitgang der katholieken; hij stelt zich zelfs de bezorgde vraag of hij concluderen moet tot geloofsafval, maar tenslotte stelt hij zichzelf en zijn

illustratie
Adrianus Godschalk
bisschop van 's-Hertogenbosch
Naar een anoniem schilderij
Bisschoppelijk Paleis, 's-Hertogenbosch


lezers gerust, omdat hem bij informatie niets van afval gebleken was. In Limburg blijkt men zelfs zeer tevreden te zijn; in Overijsel meent men, dat de sterkere immigratie van protestanten het verschijnsel voldoende verklaart.2 Ariëns maakte echter slapeloze nachten door, omdat hij, die de sloppen en stegen kende, wel beter wist. In Holland en Utrecht wijzen de pastoors op de werking van de gemengde huwelijken, maar verklaren, dat toch altijd nog tussen de 70 en 80% der kinderen uit gemengde huwelijken katholiek worden opgevoed. Kuyper vermeldt echter, dat bij hem de Amsterdamse Kerkeraad tijdens zijn vergaderingen onvermoeid bezig was met het inschrijven van Roomsgedoopte kinderen in de lidmaten-registers en dat dit bladzijden vulde.3 In datzelfde Amsterdam zien de pastoors in het aantal rechtstreekse overgangen naar het katholicisme een batig saldo boven een eventueel verlies. Alleen in Groningen werd geconstateerd, dat het langzame proces van protestantisering, nu reeds eeuwen gaande, nog immer voortgang vond. Dit zal ook nog wel elders het geval geweest zijn, niet het minst om de rijkere kassen der diaconieën. Het verschijnsel der onkerkelijkheid was nog niet verontrustend; de 22.000 onkerkelijken, die de volkstelling van 1889 aangaf, worden in Studiën nog ‘godsdienstige zonderlingen’ genoemd.

Velen, die nog in een kerkgenootschap geboren en getogen waren, zullen zich dit feit bij een volkstelling nog bewust gebleven zijn, ofschoon ze wellicht reeds uiterlijk door het verwaarlozen van hun plichten en dikwijls ook reeds door het afsterven van hun

[p. 389]

innerlijk geloof buiten ieder kerkverband leefden. De geloofscrisis der duizenden moet zich toen in de zielen van volwassenen hebben afgespeeld. Jeugd-herinneringen en familie-tradities bleven echter nog nawerken, zodat verklaard kan worden, waarom b.v. de Vincentianen in deze jaren zovele resultaten te melden hebben.1 Ieder nieuw contact

illustratie
Wilhelmus van de Ven
bisschop van 's-Hertogenbosch
Naar een schilderij door C.A.A. van Domburg, 1914
Bisschoppelijk Paleis, 's-Hertogenbosch


met de Kerk was blijkbaar voldoende om het slapende geloof te doen ontwaken. In de opgroeiende generatie is de band met de godsdienst reeds veel losser en dat er dan in de tweede generatie van socialisten zoveel katholieken zijn geweest, wijst er op, dat de stille geloofsafval rond de negentiger jaren niet meer naar het protestantisme gaat, dat al zijn werfkracht op katholieken rond die tijd schijnt verloren te hebben. Men hoort dan ook zelden meer over de ‘geheime genootschappen,’ die stilaan schijnen te zijn verdwenen, behalve dan de Evangelische Maatschappij, die een katholieke parasiet is.

Als de katholieken eindelijk immuun geworden blijken voor het protestantisme, grijpt het socialisme hen aan, want sociale nood is voor een groot deel nood van katholieken geweest. Hoevele uit de dorpen naar de stad geïmmigreerde katholieken zullen in het woelige jaar 1885 in de Amsterdamse honger-optochten hebben meegelopen? Alles wijst op het bestaan van een tragedie van geestelijke nood en lichamelijke ellende en weinig waren de zieners in de toekomst. Weinigen zagen het verval der massa in de katholieke Kerk, die na verloop van een eeuw sinds het herstel van de Hiërarchie wellicht een millioen gelovigen minder telt dan zonder afvals-beweging een feit zou zijn. Hoeveel duizenden families kunnen zich nog vaag herinneren, dat hun grootouders ooit katholiek geweest zijn? Wie angstig waren om de toekomst en hun vrees in de oren van hun geloofsgenoten riepen, werden in het gunstigste geval krassende kraaien geacht, die nodeloos ongeluk voorspelden, meestal echter onruststokers, ontevredenen, onevenwichtigen en ‘rooien.’

Eerst in 1894 begonnen sociologie en economie voor katholieken zo iets als een wetenschap te worden. De jonge leraar Nolens begon in dat jaar op Rolduc zijn eerste socio-

[p. 390]

logie-cursus en de jonge theoloog Van Noort volgde zijn voorbeeld een jaar later op het groot-seminarie Warmond. Nolens heet door Ariëns geïnspireerd en door de nood van Maastricht overtuigd.1 Ariëns verwachtte tenminste, dat Nolens het eerste sociologie-handboek schrijven zou. Het was Aengenent, die dit deed, echter veel later, in 1909, na zijn boek in De Katholiek geprepareerd te hebben. Ook Van Noort zal wel de vonk van Ariëns gevangen hebben, ofschoon wellicht Passtoors, zoveel nader bij Warmond dan bij Twente, mgr Bottemanne om jonge priesters als adviseurs gevraagd kan hebben.

Passtoors van het Haarlemse uit en Ariëns vanuit het Utrechtse dringen door naar het Zuiden. Ariëns had een steunpunt te Rolduc en Uden, in het Brabantse vond hij kapelaan Prinsen, die uit zijn H. Familie een moderne arbeiders-organisatie liet groeien; de Bossche kapelaan Mutsaers, wiens later leven geheel in de sociale organisaties zou opgaan, volgde. Jaar na jaar begonnen de seminaries zielzorgers af te leveren, die, althans enigzins geschoold, de groeiende practijk versterkten. Bij alle frisheid van aanpak vertoonde zich ook het snelle slijtage-proces van idealisme, dat in star conservatisme doodloopt. Kapelaan Wijnen, die in Maastricht zo dapper schandaal gemaakt had als verdediger der arbeiders tegen de industrie-magnaat Regout, blijkt later als rector te Brunst-Eysden een voorzichtig en angstig man geworden te zijn, die de onstuimigheden van zijn jeugd met gewetensangst schijnt te boeten. Hij schreef in De Maasbode alsof hij bang was van zijn eigen verleden en van Rerum Novarum.2 Hij vreest de geesten, die hij mede heeft opgeroepen: geen volks-emancipatie en geen gemeen stemrecht, ‘dat slechts revolutie en anarchie voortbrengt.’ Waar hij eerst zo spontaan zijn inlichtingen gaf om sociale wetgeving tot stand te brengen, is hij later tegen staats-inmenging, die ‘verplichte ondersteuning en gedwongen aalmoes’ is.3 Wijnen meent: ‘Het is geen schande voor de brave werkman in de eerste veertien jaar van zijn huwelijk, als vrouw en kinderen niets verdienen, door bijzondere en openbare liefdadigheid gesteund te worden.’ Als Rerum Novarum zegt, dat de wet der natuur, die de vader doet zorgen voor zijn gezin, allerheiligst is, dan commentarieert Wijnen: inderdaad de huisvader wel, maar de patroon wordt in de encycliek niet genoemd. Hij vond met mgr Korum van Trier, dat ‘de loonkwestie dynamiet is, die wij de arbeider aanbieden.’ Als zelfs een man als Wijnen zich zo terugtrekt in zijn conservatieve schulp, juist als hij medestanders gaat vinden, wordt begrijpelijk welk een muur van tegenstand door de jongeren nog moest doorbroken worden. Met geestdrift werd door de jongeren het boekje gelezen van de Luikse historicus G. Kurth, die in 1998 in L'Eglise aux tournants de'l histoire de kreet overnam, die Ozanam een halve eeuw vroeger de Franse katholieke zo tijdig had toegeroepen: ‘Passons aux barbares.’

Ariëns en Passtoors voelden elkaars tegenwoordigheid in het Zuiden telkens opnieuw zonder enige rancune of jaloezie te voelen. In Brabant was Passtoors vrij van Schaepmans bemoeienissen; Ariëns kon er zich niet vrij bewegen, want ook daar achtervolgde hem Schaepman, hoewel de Bossche Bisschop hem zijn hartelijk welkom gaf. Het Zuiden gaf niet spoedig mee. Men had er wel ‘de boel kort en klein geslagen,’ toen Domela er zijn enige aanval deed, maar in Rozendaal mislukte Passtoors' pogen, omdat een Volksbond wegens de hoge contributie, de uithuizigheid en de hoge verteringen de arbeiders maar ontevreden zou maken. Tilburg, dat geen zalen verhuurde aan socia-

[p. 391]

listen, wees ook Passtoors af, want er was een afdeling van de H. Familie met duizenden leden. In Limburg slaagde Passtoors vlotter.1

In het Zuiden, een overwegend agrarisch gebied, drong de organisatie van de Brabantse boerenstand meer dan die van de industrie-arbeider. Onder instigatie van Schaepman en met volledige steun van de Bisschop van Den Bosch, mgr Van der Ven, werd hier het werk aangevat door de Norbertijn G. van der Elzen uit de Abdij van Berne, die weldra, door Van der Elzen, een levendig centrum van katholieke sociale activiteit zal worden. De Brabantse boer leefde in zware economische afhankelijkheid, werd gedrukt door onredelijke pachtsommen en had zelden zijn grond in vrije eigendom; jonge boeren hadden nauwelijks kans op een huwelijk. Gebrek aan kapitaal maakte de modernisering der landbouw-methoden tot een onmogelijkheid, terwijl de achterlijkheid der bedrijven de kapitaals-vorming uitsloot.2 De monnik Van der Elzen, de ‘Boerenkoning’ Jan Truyen uit de Peel, de onderwijzer uit Sittard Jan Claassen emancipeerden de zuidelijke boerenstand in concurrentie met de neutrale Maatschappij van Landbouw, die beschouwd werd als een instrument van noordelijke exploitatie. De zwoegende, steeds armer wordende boer, de berooide dagloner, de bezembinder en de huiswever zijn door de arbeid van deze eenvoudige maar voortreffelijke leiders tot welstand gebracht. Inkoop-centrales, veilingen, boerenleenbanken, zuivel- en suiker-fabrieken hebben de materiële welstand opgevoerd, een gehele stand geestelijk en lichamelijk geëmancipeerd, culturele behoeften geschapen en - vrijwel uniek in de moderne historie - aan de wereld bewezen, dat, alle pessimisme ten spijt, de moderne techniek allerminst het oude, forse boeren-geloof in de weg staat. Wat de zuidelijke boeren reeds bewezen hebben, zal de zuidelijke industrie en mijnbouw, die de agrarische structuur van het land veranderen, door een nieuwe en grotere inspanning moeten herhalen in deze tijd.

1De Langen Wendels in Voorrede op J.F. Vlekke: Sociale Opstellen, p. III (1901).
2Vliegen: Dageraad II, p. 151.
3G. Brom: Ariëns I, p. 323.
1Van Wely: Schaepman, p. 409.
2G. Brom: Ariëns, p. 247-248.
3Jos Van Seggelen: Wat er groeide uit de daad (1948) p. 71 vv. vgl. Correspondentieblad voor de geest; adv. der K.A.B. September-October 1948.
4C.J. Kuiper: Uit het Rijk van de arbeid I p. 22-37.
1Briefwisseling Passtoors-Bottemanne in Bisschoppelijk Archief Haarlem.
2Brom: Ariëns I, p. 323-324.
1Schaepman aan Vlekke; zie Brom: Ariëns II, p. 34.
1A.H. Müller: Die Elemente der Staatskunst (2 dln.) 1810; K.L. von Halle, vooral: Restauration der Staatswissenschaft oder Theorie des naturgeselligen Zustand (6 dln.), 1816-1834.
1Henri Guillemin; Histoire des Catholiques français (Editions Au milieu du monde, Genève, 1947) p. 354-365.
2Vliegen: Dageraad II, p. 356.
1W. van den Hengel in Omhoog, 8 Augustus 1936, gec. G. Brom: Ariëns I, p. 256.
2G. Guitton: 1891 une date dans l'histoire des travauleurs (Paris, 1930).
3G. Goyau: Autour du catholicisme social, 2e série, 1901.
1S. van Houten in Vragen des Tijds, 1 September 1888.
1Jos Veldman: Gedenkblad van de dioc. bond van R.K. Werklieden-vereenigingen in het Aartsbisdom Utrecht (1923) p. 226.
1Schaepman: De Encycliek Rerum Novarum (1891).
2J. van Seggelen p. 287.
3C.G. Koetsveld; De sociale quaestie uit het Vaticaan bezien (1889).
4S. van Houten in Vragen des Tijds, October 1891; Liberaal of Pauselijk Staatsbeleid, p. 51-92.
5B. Tideman: De Encycliek van Paus Leo XIII over de toestand der arbeidende klasse (1891).
6D. Nieuwenhuis: Een veldtocht II, p. 105.
7H. George: Het vraagstuk van de arbeid. Open brief aan Paus Leo XIII, vertaald door J. Stoffel (1892); vgl. De Katholiek, 1894, dl. 115, p. 34.6, 361, 395; dl. 116, p. 104.
8P.J. Troelstra: de arbeidersvereeniging volgens de encycliek (1898); H. Roland Holst in Kapitaal en Arbeid in Nederland II, 79 (ed. 1912).
9A. Kuyper: Het sociale vraagstuk en de christelijke religie (1891) p. 29-50.
1P.A.J.M. Steenkamp: De gedachte der bedrijfsorganisatie in protestants christelijke kring Kampen, 1951, p. 20-31.
2Frank van der Goes in De Nieuwe Tijd I, p. 269.
3Schaper: Een halve eeuw, p. 73, 91-98.
4Vliegen; I, p. 182.
1Troelstra: Gedenkschriften II, p. 95.
1Waarschijnlijk geschreven door de Dageraadsman J.G. ten Bokkel (1890).
1J.P. Kruyt: De onkerkelijkheid in Nederland, haar verbreiding en oorzaken. Proeve eener sociografische verklaring (1930) Passim.
2Schaepman: Proeve.

1Studiën 1892, dl. 39, p. 333 vv.
1Blonk: Fabrieken en Menschen, p. 125.
2Kuyper: Het vergrijp der zeventien ouderlingen (1872) p. 42.
3De Rooy: Kroniek ener eeuw, p. 42-43.
1G. Brom: Ariëns I, p. 220.
1Later verzameld in brochure: Moderne toestanden en het ware volksbelang (1895).
2De Katholiek 1897, dl. 112, p. 304 w.; D.J.L. Jansen: De theorie van het rechtvaardig loon.
3Van Seggelen: Wat er groeide, p. 148-151.
1H. Hermans in Katholiek Nederland I, p. 328-335.
2H. van Velthoven: Stad en Meijerij van 's-Hertogenbosch (J.v.d. Vondel, Amsterdam, 1938) II, p. 241.
prepostterug  begin  verder