De eeuw, die sinds 1853 verstreken is, laat zich, zonder dat haar geweld wordt aangedaan, ten aanzien van de geschiedenis van katholiek Nederland in twee ongeveer gelijke stukken verdelen: de periode van 1853 tot in het begin van de twintigste eeuw en die, welke daarop gevolgd is. De eerste wordt gekenmerkt door het overheersen van de overtuiging, dat het zelfbehoud onze eerste en laatste plicht is; de tweede door het veldwinnen van het te voren slechts sporadisch aanwezig besef, dat nationale rechten ook nationale plichten onderstellen. Was tot dusver voor de meesten het niet-katholieke volksdeel in hoofdzaak slechts een front, waartegen wij ons te verdedigen hadden, langzaam wordt het inzicht, waarnaar vooral Alberdingk Thijm placht te handelen, meer algemeen: het besef, dat wij aan de andersdenkende landgenoten ook wat te geven hebben. Die evolutie houdt gelijke tred met de ontwikkelingsgang elders. De mislukking der liberale experimenten in de eerste jaren van het pontificaat van Pius IX scheen het volstrekt gelijk te bevestigen van hen, die tussen christendom en ‘tijdgeest’ een niet te dempen kloof bleven zien.1 Deze geest vond in het tijdschrift La Civiltà Cattolica van de Italiaanse Jezuïeten een zo goed als officieel-kerkelijke tolk en een bijna geniaal propagandist in de reeds meermalen genoemde Parijse journalist Louis Veuillot (1813-1883), hoofdredacteur van L'Univers.2 Zolang Pius IX regeerde, was het getij voor hen, die anders dachten, d.i. voor de aanhangers van Montalemberts beginsel van ‘de vrije kerk in de vrije staat,’3 en vooral voor irenici als Dupanloup, sinds 1849 bisschop van Orleans, in het algemeen ongunstig. Een bisschop, die niet ophield de vijanden van het christendom toe te roepen, dat het ons aller gewetensplicht was meer te letten op ce qui rapproche dan op ce qui sépare,4 was de dagelijkse ergernis van de machtige Veuillotgroep, welker leider - terecht of ten onrechte - l'enfant chéri de Pie IX5 is genoemd.
Onder de Nederlandse katholieken en speciaal bij de clergé waren de geestverwanten van Veuillot in het derde kwart van de negentiende eeuw veel talrijker dan de medestanders van Dupanloup. De alleenheerschappij heeft het Veuillotisme ook toen wel niet gehad, maar de katholieke samenleving werd in ons land nog lang gekenmerkt door ongedifferentiëerde eenvoud en de meeste Nederlandse katholieken waren voorlopig nog niet rijp voor een critisch oordeel over leiders en drijvers, die in geestdriftige taal hun ultramontaanse affecten tot uiting brachten. Omstreeks 1870 stond Veuillots
ster in het zenith. Te onzent was er b.v. vrijwel niemand, bij wie het opkwam, dat de Romeinse kwestie en de politieke verhoudingen in Frankrijk anders konden worden gezien dan Veuillot het deed. De Nederlandse katholieke journalistiek leefde uit zijn geest en parasiteerde zelfs niet zelden op hem, vooral op zijn artikelen in L'Univers. Alleen Judocus Smits maakte belangrijke reserves.1 Ook Herman Schaepman heeft aanvankeli]k sterker onder Veuillots invloed gestaan dan gezond was en tot zijn dood toe tegenover Veuillots extremisme een consideratie gebruikt, die hij vaderlandse geloofsgenoten van overeenkomstige structuur meer en meer onthield.2 Met groter vrijheid en oneindig meer objectiviteit heeft de Franse kardinaal-kerkhistoricus Baudrillart credit en debet van Veuillots persmonopolie uiteengezet. Wel noemt hij de ultra-montaanse persmagnaat le plus brillant et par certains côtés le plus grand des journalistes catholiques, maar hij aarzelt niet zijn invloed als een ramp voor de kerk te betitelen.
Beschermd door verscheiden Franse bisschoppen en als meester vereerd door tal van theologen, vooral door de Benedictijnen van Solesmes, die o.a. met het werk van Guéranger, Migne en Pitra belangrijke diensten aan de kerkelijke wetenschap bewezen, maar wier algemene instelling niet altijd gunstig was voor de bloei daarvan, heeft Veuillot decennia lang een waar schrikbewind kunnen uitoefenen. Alwat van het traditionele afweek, alle wetenschappelijke critiek maakte hij verdacht en overal bespeurde hij ‘le naturalisme et l'hétérodoxie.’3 Een Franse Jezuïet had reeds in 1864 - maar helaas voorlopig zonder merkbaar succes - Veuillots persdictatuur en haar sterelise-rende invloed op de beoefening van de kerkelijke wetenschappen gebrandmerkt als ‘l'invasion du journalisme en théologie.’4 Zoekt iemand naar een pregnante term om de beoefening van de kerkelijke wetenschappen onder ons tot tegen het eind van de negentiende eeuw te karakteriseren, dan behoeft hij - mits voorbehoud makend voor een gering getal uitzonderingen - deze wending slechts over te nemen. Zij keert trouwens in vele variaties terug in de nader te noemen hartige brieven, die de wijsgeer Beysens zijn Warmondse klasgenoot en stadgenoot Thompson in de jaren 1908-1913 schreef. Het pontificaat van Leo XIII had de onverzoenlijken de wind uit de zeilen genomen en een gunstiger klimaat voor de wisseling van gedachten en de critische beoefening der wetenschappen geschapen. Het deed de vereenzaamde en vaak verdachte paladijnen van het open katholicisme als Thijm en Schaepman verademen. 's Pausen ‘kenspreuk’ uit de Malachias-legende: Lumen in caelo werd de leus van allen, die aan zijn oproep tot de beoefening der wetenschap gehoor gaven. Niettemin behield de geest van het ghetto, van het cultureel negativisme en de anti-sociale reactie ook gedurende het laatste kwart der eeuw nog het veld: in een land, waar alles nieuw gemaakt moest worden, kon men het tempo van de vooruitgang niet bijhouden. Gelijk wij gezien hebben, kon hier pas de eerste decade van de nieuwe eeuw de periode van ontluiken en open-breken worden. Maar juist toen de nieuwe eeuw openging, betrok de kerkelijke hemel.
De dagen van Leo XIII, door zeer velen de grootste gestalte genoemd, die sinds Benedictus XIV (1740-1758) op Sint Petrus' Stoel heeft gezeteld,5 waren geteld: hij naderde de negentig jaren en de politiek-sociale reactie in tal van staten spande samen tegen de drager van zijn staatkunde, de kardinaal-staatssecretaris Rampolla. Ook wierp de eindelijke mislukking van zijn staatkundige ralliementspolitiek haar scha-
duw vooruit: het Franse anti-clericalisme bereidde de Combeswetten voor, die de Franse kerk, naar men vreesde, materieel ten gronde zouden richten.1 Hoe deze vork precies in de steel zat, is overigens dubieus. Kardinaal Ferrata, de eerste staatssecretaris van Benedictus XV, schijnt in zijn - op verlangen van deze paus gepubliceerde - mémoires gezegd te hebben, dat de eindelijke mislukking van Leo XIII's ralliements-herenigings politiek bovenal het gevolg was van de kwade trouw van haar verwoede katholieke opponenten,2 wier ‘politique du pire’ door mgr Bonnefoy, de aartsbisschop van Aix, ‘une erreur criminelle’ genoemd werd.3
Het ergst van alles was wel, dat de irenische openheid, waarmee deze paus de wetenschappelijke critiek had bevorderd, scheen geleid te hebben tot de opkomst van een de kerkleer als een soort tinpest aantastend modernisme. Enige maanden voor zijn dood deed de van zonnig vertrouwen vervulde opperherder in een toespraak van 22 Januari 1903 zijn bitter beklag over de voortgaande ontkerstening en sommigen hoorden daarin al te gretig de bekentenis van een échec.4 Zeker deden dit de vrij talrijke katholieke Nederlanders, die zich in het veld buiten de veilige vesting nog altijd onwennig voelden. Nu de grijze paus eindelijk scheen in te zien, ‘naar welke woestenijen zijn dolend pad’ bergopwaarts ‘verstegen’ was, lag voor hen de conclusie uit dit défaitisme voor de hand: ‘terug naar het veilige dal.’5 Zo pakten zich boven hen, die bij ons vlak vóór het eind van de negentiende eeuw naar voren traden met de vruchten van hun wetenschappelijk vorsen, donkere wolken samen. Het wedervaren van de jonge bijbelgeleerde dr H.A. Poels, in een vorige paragraaf reeds als sociaal pionier getekend, kan dit illustreren. Poels was leerling van de vader der Leuvense bijbelschool, Albinus van Hoonacker, en kreeg reeds als 28-jarig Leuvens licentiaat gelegenheid zich in De Katholiek te verdedigen tegen de critiek, door de Leidse exegeet Kosters op een van zijn vroegste publicaties geoefend.6 Na zijn promotie op een zeer lijvig proefschrift, getiteld Examen critique de l'histoire du sanctuaire de l'arche (Leuven en Leiden7 1897), plaatste hij er een opstel: Belangrijkheid der geschiedenis van Israél. In het proefschrift werd reeds de opinie bestreden, als zouden de oude schriftgeleerden alle scripturistische kwesties volledig opgelost hebben, en werd de kerkelijke wetenschap vergeleken bij een levende boom, die steeds nieuwe vruchten voortbrengt. In het laatstgenoemde Katholiek-artikel stelde dr Poels vast, dat ‘de litterarische eenheid van de Pentateuch’ volgens Lagrange ‘volstrekt onhoudbaar is.’8 Zulke uitspraken moeten exegeten van de oude stempel ‘gewaagd’ geleken hebben. De jonge geleerde praeludieerde aldus echter nog maar op wat volgen zou: een studie, die een half jaar later in het tijdschrift verscheen en getiteld was De oorsprong van de Pentateuch.9 Inmiddels had pater J.P. van Kasteren S.J. bezwaren geopperd tegen Poels' opvattingen en helaas goedgevonden hem voor te stellen als besmet met de dwalingen van de Leidse school.10 In het Pentateuch-artikel laste Poels enige tegen Van Kasteren gerichte voetnoten in en in een slotaantekening sprak hij op ironisch-polemische toon over ‘de fijngevoeligheid van sommige lezers,’ die ‘het goed recht der historische critiek’ ontkenden.
Dat de redactie zich onzeker gevoelde tegenover de verkondiging van zo radicale opinies, blijkt uit de aan het artikel voorafgaande verklaring, dat uit de opname van het stuk ‘nog niet de gevolgtrekking gemaakt (mocht) worden, dat de redactie’ met de er in verkondigde stellingen ‘zonder voorbehoud’ instemde. Hiermee eindigt Poels' rela-
tie tot De Katholiek. Een in het Pentateuch-stuk aangekondigde studie over het boek Josuë is niet meer in het tijdschrift verschenen. Wel verscheen in 1899 in boekvorm Poels' studie Critiek en traditie. Ook deze werd door pater Van Kasteren bestreden;1 dit gaf weer aanleiding tot een repliek van Poels. De geruchtmakende zaak trok aller

Henricus Andreas Poels
Naar een schilderij door G.P.H. Tielens, 1935
Doctor Poels-Oord, Maastricht
aandacht en de redactie van De Katholiek kwam in een précaire positie. Ook thans schijnen M.J.A. Lans en A.M.C. van Cooth het ruime standpunt ingenomen te hebben, dat het tijdschrift de geschikte tribune was voor zulk een wetenschappelijk debat, terwijl de andere leden Poels' studiën er uit wensten te houden. In deze omstandigheden besloot de bisschop van Haarlem, wijl tegelijk een censor verlangd werd voor een tweede druk van Critiek en traditie, zich tot de Heilige Stoel te wenden met het verzoek om een uitspraak over Poels' tot dusver verschenen geschriften. Hangende deze vraag mocht De Katholiek niets van Poels opnemen. Mgr Bottemanne zond zijn schrijven met bijlagen aan de Propaganda. Haar prefect, kardinaal Ledechowski, prees 's bisschops voorzichtigheid en berichtte, dat de stukken waren doorgezonden aan de Congregatie van het H. Officie. Deze besliste in een voor Poels onverdeeld gunstige zin en deelde dit mee aan zijn ordinarius, de bisschop van Roermond, de pas opgetreden mgr J.H. Drehmanns. Helaas deed deze daarvan geen mededeling aan de auteur, die sinds 1899 kapelaan te Venlo was.
Openlijk miskend en impliciet van heterodoxie beticht, zocht de jonge geleerde steun bij Schaepman teneinde aldus via deze en Nolens de bisschop Drehmanns te bereiken. Naar Poels' overtuiging - tot vandaag toe die van heel een oudere Roermondse clerus - stond de angstvallige mgr Drehmanns geheel onder de invloed van de Haarlemse bisschop Bottemanne en zou deze hem er toe gebracht hebben Rome's beslissing voor Poels te verheimelijken en het Roermondse bijbel-professoraat aan een ander op te dragen. De vooruitstrevende Schaepman had bij het verschijnen van Critiek en traditie de auteur zijn instemming betuigd, wat de door velen verketterde Poels tot dankbaarheid stemde. Consequent daaraan bleef Schaepman de rechtzinnigheid van de Venlose kapelaan verdedigen. Hij klampte Nolens aan met een beroep op diens invloed op de
Roermondse bisschop, opdat deze Poels niet langer de benoeming, waarop hij recht had, zou onthouden en hem aldus openlijk buiten verdenking zou stellen. ‘Kunt gij - zo schreef Schaepman 17 Juli 1899 aan Nolens - er iets aan doen, dat mgr Drehmanns onzen Poels naar Roermond brengt?.... Want voor velen is hij suspect en dat is een ellendig lot. Ik ben er al zoo lang aan gewoon, dat ik niet anders meer weet, maar ik gun het niemand...’1 Ook schreef Schaepman voor Poels naar Rome en het lijkt geenszins ondenkbaar, dat de miskende priester aldus de zekerheid of het vermoeden kreeg van de misleiding, waarvan hij het slachtoffer was. De stemming van diepe gegriefdheid van de jonge geleerde treedt zonder verbloemen aan den dag in de vrijmoedige brief van vier folio-bladzijden, die Poels zelf 13 October 1900 aan mgr Drehmanns schreef. Dit schrijven is een bittere klacht over de miskenning, hem aangedaan. Waarom - zo vraagt hij - wordt mij het professoraat onthouden, dat mij toegezegd is? Waarom heeft de bisschop van Roermond mij niet verdedigd tegen het onrecht, mij door mgr Bottemanne aangedaan? Ten einde de bisschop van Haarlem te believen onthoudt mijn eigen bisschop mij het ambt, waarop ik recht heb; aldus de bittere eindconclusie.2 Ook deze hartekreet bracht geen verandering in mgr Drehmanns' houding. De onzekerheid moede, ging Poels in 1901 naar Rome. Hij vernam er eerst uit de mond van pater W. van Rossum C.ss.R. en later uit die van de prefect van het Heilig Officie, kardinaal Parocchi, dat de gunstige beslissing al lang gevallen was. Poels vertrok daarop naar Nederland en ontving bij zijn komst aldaar het bericht, dat hij benoemd was tot een van de twaalf consultoren der pauselijke bijbelcommissie.3 Naar Poels zelf aannam, zou mgr Bottemanne de zwakke mgr Drehmanns zo zeer overheerst hebben, dat deze ook na dit éclatant eerherstel Poels is blijven weren uit de functie, waarvoor hij bestemd was.
Aldus definitief gepasseerd voor het bijbelprofessoraat aan het seminarie van zijn eigen bisdom, aanvaardde Poels een extra-ordinariaat in hetzelfde vak aan de jonge katholieke universiteit van Washington. Hij bekleedde het van 1904 tot 1910 en ontving toen ongevraagd eervol ontslag. De gangbare bewering, dat Poels in arren moede - omdat ‘hij er niets voor voelde, levenslang rustig oude kost op te dienen’ -4 zelf de bijl er bij neergegooid zou hebben, is onjuist. Hij is te Washington ontslagen op grond van gelijke bezwaren tegen zijn critisch-wetenschappelijk standpunt, als waarop hij bij de vaderlandse bisschoppen Bottemanne en Drehmanns gestuit was. Het gold vooral voor kardinaal Gibbons, die leergeld betaald had, toen Leo XIII bij de breve Testem benevolentiae van 22 Januari 1899 het Amerikanisme van Isaak Hecker (1819-1888) veroordeelde,5 waaraan de kardinaal en enige andere Amerikaanse prelaten herhaaldelijk hun goedkeuring betuigd hadden. Bij Gibbons en bij mgr O'Connel, de rector der Universiteit, moeten vooral sedert de dood van paus Leo XIII de angstvalligheid en de vrees voor nieuwe blamages toegenomen zijn. De overeenstemming in een geest van over-voorzichtigheid, die tussen enige Nederlandse en deze Amerikaanse bisschoppen te signaleren valt, moet de hedendaagse beoordelaar een reden zijn om bedachtzaam te oordelen over de kerkelijke gezagsdragers, die in de betrokken tijd een bij uitstek zware verantwoording te dragen hadden. Met dat al werd Poels thans ten tweeden male een bitter onrecht aangedaan. Het odium van heterodoxie, op de naam van deze onberispelijke geleerde gelegd, heeft zijn wetenschappelijke carrière definitief afgebroken. Hij
heeft er diep onder geleden en sprak er heel zijn verder leven maar zeer zelden over. Pas een hem in 1929 in het openbaar aangedane laagheid deed hem het stilzwijgen verbreken met het artikel in De Tijd van 1 Februari 1929. Maar men hoort de verontwaardiging trillen in zijn Maastrichtse rede van 3 September 1911: ‘Rechtmatige vrijheid zullen steeds de besten onder ons, de krachtigste naturen, opvorderen als hun heilig recht.... Waar men de heiligste overtuiging ongestraft in verdenking brengen mag, daar drijft men onze beste werkers uit hunne ateliers.’1
Zo te durven spreken was in 1911 een zeer moedige daad, want de obsessie van modernisten-vrees had geleid tot de bewustzijnsvernauwing, die onder de naam van integralisme als een ernstig ziekteverschijnsel van de periode 1907-1914 in de herinnering leeft, de epidemie van een achterdocht, die zich wapende met alle instrumenten van de ‘liefdeloze samenzwering’2: dieventaal in cijferschrift, stromannen, gefingeerde data en adressen, een stelselmatige lastercampagne en een ondergrondse spionnagedienst.3 De strijd tegen het modernisme leidde bij velen tot al te grote angstvalligheid, bij sommigen tot een nooit aflatende achterdocht en riep bij enkelen de lagere instincten wakker. Zij hadden het getij mee. Leo XIII was, ruim 93 jaar oud, 20 Juli 1903 gestorven. Het conclaaf koos niet, gelijk velen, vooral in Frankrijk en België hoopten, de staatssecretaris Rampolla tot opvolger, maar - nadat de Poolse kardinaal Puzyna er zich toe geleend had het veto van keizer Frans Jozef tegen Rampolla over te brengen4-de patriarch van Venetië, Giuseppe Sarto, die als Pius X zou regeren tot zijn dood op 20 Augustus 1914.
Wordt Leo XIII terecht de grootste persoonlijkheid genoemd onder de pausen van na 1758, zijn reeds in 1952 zalig verklaarde opvolger was vermoedelijk de heiligste onder hen. In tegenstelling tot zijn voorganger was Pius X geen geleerde. Werd Leo XIII bezield en geleid door rustig vertrouwen in de wetenschap, Pius X, op wiens gezicht ‘de weemoed van een stille zwaarmoedigheid’ opgemerkt werd,5 legde zich vooral op de verinniging en de zuivering van het devotieleven toe. Deze paus van nederige afkomst moet bezield geweest zijn van een vroomheid, die hem de diplomatie en alle politiek, ook de sociale, geringer deed schatten dan zijn voorganger gedaan had. Hij is de vader van de liturgische beweging, die de Gregoriaanse zang in haar oorspronkelijke zuiverheid hersteld en aan de leken het missaal teruggegeven heeft, nadat dit - evenals het brevier - de lang-begeerde loutering had ondergaan, die aan de overwoekering van het proprium de tempore door het proprium de sanctis paal en perk stelde. Dezelfde geest van juist besef van de hiërarchie der waarden in de godsvrucht deed hem de Heilige Eucharistie hoog boven alle genade-gaven uittillen: hij is de vader van de veelvuldige communie en van de vervroegde kinder-communie. Zijn waakzaamheid voor het behoud van de zuivere waarheid deed hem de door Leo XIII reeds ingezette strijd tegen excessen van wetenschappelijke critiek voortzetten, op het voorbeeld van Pius IX een nieuwe syllabus errorum uitgeven,6 grotendeels ontleend aan de werken van de Franse theoloog Alfred Loisy, en eindelijk 8 September 1907 de encycliek Pascendi tegen het modernisme uitvaardigen.7
De door de paus gebruikte verzamelnaam modernisme - volgens de protestantse Amerikaanse hoogleraar Ch. A. Briggs8 van Nederlandse oorsprong - dekte een heterogene lading van onrechtzinnige stromingen: de wijsgerige en exegetische dwalingen

Zalige Paus Pius X
Naar een fotografie van G. Felici
Archief Dagblad De Tijd
van Loisy, de theologische en spiritualistische van Tyrrell, het christen-socialisme van Romolo Murri,1 het litterair a-moralisme en agnosticisme van Foggazzaro.2 Eerst de gemeenschappelijke veroordeling deed gelijkheid van oorsprong in de meeste ontdekken: ze dankten namelijk merendeels hun oorsprong aan de wens om de geloofsoverlevering en de christelijke levenspractijk in nauwere correlatie te brengen met de intellectuele axioma's en de sociale aspiraties van de nieuwe tijd.3 In oorsprong had het modernisme bij velen een apologetische strekking: het wilde de katholieke geloofs- en denkleer zo voorstellen, dat ze aannemelijk werd voor de meer en meer van God vervreemde moderne mensheid. Een hervormd predikant heeft in een biografie van de Engelse modernist Tyrell terecht gewezen op ‘de pastorale ader,’ die door diens optreden en dat van zijn vriend Friedrich von Hügel loopt.4 De cosmopoliet Von Hügel beschikte, dank zij zijn grote en grondige kennis van theologie, philosophie en allerlei profane wetenschappen, ook door zijn voorbeeldig asceten-leven, over een wijde invloedssfeer in Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland en Zwitserland. Als leek was zijn positie in de kerk minder kwetsbaar; hij is in ieder geval met haar in het reine gebleven. De kerkhistoricus Duchesne en de scripturist Lagrange O.P., van wie enige werken door een veroordeling getroffen werden, maar die zich zonder reserve onderwierpen, hebben ook tot deze apologetische modernisten behoord, al is in de eerste niet geheel zonder reden een ‘kille onaandoenlijkheid’ gelaakt, die gaarne ‘ironiseert en ridiculiseert.’5
Modernisten van hun slag streefden geenszins naar afbraak van de Kerk, maar werden bezield door apostolische deernis met de schare. Zij poogden deze zo dicht mogelijk te naderen door de toepassing van een helaas te ver doorgevoerde immanentie-apologie. De verzoening van het geloof met de moderne levensstromingen zou naar hun opvatting leiden tot het stoppen van het lek, waardoor jaar op jaar duizenden zielen wegdruppelden. Na het uitkomen van de encycliek Pascendi nam Tyrrell daaruit de term ‘modernisme’ over en definieerde hij de inhoud daarvan als volgt: ‘the effort to find a new theological synthesis consistent with the data of historico-critical research.’6 Het geldt voor de Tyrrells, maar het modernisme is te gecompliceerd om het voor alle aanhangers waar te maken. Bij sommigen treft de artistenhouding van het ‘épater le bourgeois,’ de demonische zucht om de kleinen te ergeren, om te prikkelen en om cynisch te smalen op het geloof der eenvoudigen, het hooghartig, liefdeloos, soms Nietzsche-achtig nonconformisme, dat een soort Herren-credo uitvindt naast het geloof van de horde. Lijnrecht daartegenover staan weer degenen, die een synthese van christendom en communisme nastreven.
Neo-Kantianisme viel te signaleren bij die modernisten, wier agnosticisme hen noopte de godsdienst louter als innerlijk gevoelsleven te waarderen. Bewust-wording van de behoefte aan het goddelijke als de absolute maatstaf van ons denken is in hun oog het begin der religie .De dogmata, waarin de Kerk heeft gepoogd deze bewust-wording gestalte te geven, zijn volgens deze zienswijze uiteraard veranderlijk en hebben met wetenschap niets wezenlijks uit te staan. Verder vallen in de uitingen van sommige modernisten vitalistische tendensen te onderkennen. Zij leefden uit het postulaat, dat de waarheid slechts in de levende daad wordt ervaren. Zo gezien, zijn alle religieuze begrippen relatief, afhankelijk immers van bepaalde personen en veranderlijk met tijden en omstandigheden. Te onzent kwamen na de eerste wereldoorlog de
jonge vitalisten naar voren om - twintig jaar later dan in Frankrijk gebeurd was - driftig te getuigen van hun geloof in het leven om het leven. Getransponeerd in de toonschaal der theologie, wordt dit een contradictio in terminis, want het predikt een ‘geloof zonder de werken,’ een moderne sola-fides-leer. Zij belijdt het leven zelf en niet een of ander levensdoel.1 Hier is de aesthetische parallel van Henri Bremonds prediking van een ‘zijns zelfs ontledigde’ tendensloze religiositeit, niet bekommerd om 's mensen zaligheid en dus in zoverre los van alle moraal, als mystiek en ethiek als onderling vervreemde en spoedig zelfs vijandige gezusters tegenover elkaar komen te staan. Deze gesteldheid van het gemoed roept onweerstaanbaar de herinnering op aan de deining rondom il gran heretico Molinos, Madame Guyon en de Barnabiet Lacombe,2 maar zo er nog blijken gezocht moesten worden van de vertroebelende diffusie, die het godsdienstig leven rondom de wending der eeuwen verwarrend maakt, konden wij er op wijzen, dat dit scheiding-maken van geloof en moraal ook zéér typisch is voor sommige hartstochtelijke modernisten-jagers, met name voor Léon Bloy en in het algemeen voor de achterdochtigen, wier modernistenhaat tot delirium werd en die straks als met het schuim op de mond al amokmakende de kerkelijke samenleving verontrustten. Ofschoon de oorzaken algemeen en internationaal waren, was het klimaat niet overal even gunstig voor het ontluiken van modernistische opvattingen. De gehele Nieuwe Wereld bleef er buiten, vermoedelijk deels doordat de recente ervaring met het Amerikanisme de lust tot aanpassingspogingen voorlopig geblust had, anderdeels doordat de belangstelling voor speculatieve onderwerpen er vóór de eerste wereldoorlog nog niet intens was. Ook in Spanje en Portugal traden geen symptomen van modernisme aan het licht; de oorzaak ligt wel aan een geslotenheid, die de beoefening der theologie op het Pyrenees schiereiland buiten alle aanraking met het wetenschappelijk leven van de tijd hield.3 In Engeland werd het enkele jaren voor een ernstig gevaar aangezien, maar met Tyrrells dood in 1909 bleek de beweging al vrijwel verlopen. Ook België, door de universiteit van Leuven onder Leo XIII meer en meer een centrum van theologische en philosophische vernieuwing geworden, behoorde volgens kardinaal Mercier tot de landen, die zeer weinig ondervonden hebben van de ‘influence pernicieuse’ van het modernisme.4 Daarentegen verkreeg het voet op seminaries en universiteiten van Duitsland,5 Frankrijk en Italië; in het laatste land toonde het zich van zijn gevaarlijkste en agressiefste zijde.6
Ons land bleek, naar de meest deskundige geschiedschrijver van de beweging terecht vaststelde, zo goed als volkomen immuun voor de besmetting. Hij was zo vriendelijk dit toe te schrijven aan de hebbelijkheid van de Nederlanders om geheel op te gaan in de practische daad en zich weinig te bekommeren om de problèmes de l'ordre intellectuel.7 De aanminnige karakteristiek lijkt wat gewaagd voor het land van Jansenius. Veeleer valt aan overeenkomst met Spanje en Portugal te denken: ook hier een angstvallig gesloten seminarie-tucht van de clerus. Daarenboven heerste bij ons een typisch minderheids-katholicisme van ultramontaanse signatuur, sterk ethisch van strekking, zeer weinig speculatief en in het algemeen conservatief van politiek-sociale begrippen. Van Ginneken verklaarde in 1923, dat ‘een kloek boekdeel te schrijven ware’ over ‘de ziektegeschiedenis van het modernisme onder de katholieken in Nederland,’ waarin ook zou uitkomen, dat ‘uit Rome de genezing kwam met de encycliek Providentissi-
mus Deus.’1 Deze vluchtige uitspraak bevat twee ongerijmdheden in één adem. Ten eerste is de ziekte hier te sporadisch opgetreden om een geschiedenis te hebben en ten tweede ligt de auteur danig met de chronologie overhoop: Providentissimus Deus - de encycliek over de studie van de Heilige Schrift - is van 18 November 1893. Met recht heeft de bezadigde wijsgeer Hoogveld reeds in 1912 kunnen schrijven: ‘De bacil van het modernisme vond hier sterker anti-toxinen dan elders. Is het overschatting, als wij dit ten deele aan de immuniseerende werking onzer wijsbegeerte toeschrijven?’2 Deze vraag meen ik overigens bevestigend te moeten beantwoorden, want ik zie in de tijdelijk nogal ernstige besmetting met het integralisme een bewijs, dat de beoefening van de wijsbegeerte te onzent nog te weinig betekende. Gerard Brom heeft er terecht op gewezen, dat de invloed van Newman en Mercier in Engeland en België een virulent optreden van deze ziekte voorkomen heeft.3 Dit geeft evenveel te denken voor Nederland als het feit, dat de wijsgeer Beysens Thompson zo drastisch kapittelde.
Het heeft heel weinig te betekenen, dat de Franse renegaat Albert Houtin, wie er veel aan gelegen moest zijn de in enkele jaren verlopen beweging grote diepgang te geven, er in slaagde drie tendencieuse bladzijden te vullen met deels verwrongen, deels toegespitste mededelingen omtrent symptomen van modernisme in Nederland. In de periode 1900-1905 - zo verhaalt deze Fransman - bleef in Nederland de priesteropleiding geheel op de oude leest geschoeid; alleen het seminarie Warmond ‘présenta une apparence de modernité,’ dank zij de verlichte praeses mgr Lans en drie der professoren: de philosoof Beysens, de dogmaticus Van Noort en de canonist Vlaming. Er vormde zich onder de studenten een élite, die het Franse modernisten-tijdschrift Demain en het bij velen verdachte Duitse orgaan Hochland las, alsmede auteurs als Schell, Ehrhard en ‘les théologiens progressistes français.’ Deze élite werd gevormd door vijf studenten: Leo Balet, Jos. van Veen, Frans Berding, Wentzel Frankemölle en Bernhard Rosenmöller. De bisschop van Haarlem greep echter in, zond laatstgenoemde drie weg en ontsloeg de vier genoemde docenten. Daarmee werd aan een veelbelovend begin de kop ingedrukt. Nochtans bleven ‘des courants d'air modernes’ onder de clerus rondwaren. Tussen 1904 en 1912 zijn niet minder dan tien Nederlandse priesters uit de kerk getreden. Acht van hen deden het op grond van modernistische denkbeelden, namelijk de Roermondse seculier dr M.H.J. Schoenmaekers (1904), de Bredase seculier dr Jan van den Brink (1905), de Capucijn H.J. van Vorst (pater Coelestinus, 1907), de Haarlemse seculieren Jos. van Veen, C.P.M. van Erven Dorens, dr Leo Balet, J.C. Clavan en G.L. Intres. De resterende twee gevallen betroffen volgens Houtin de Haarlemse seculieren J. van Rooij en P. Raëskin; hun apostasie was ‘d'ordre moins intellectuel’ en werd ‘suivie d'un prompt mariage.’4 Tot zover Houtin.
Het is duidelijk, dat dit zakelijk exacte stuk de auteur vrijwel letterlijk verschaft is door een van de genoemde apostaten. Zelfs in zijn volle omvang voor waar gehouden, bewijzen de ‘fiches disparates réunies par Houtin’5 het tegengestelde van wat zij pretenderen. Zij constateren slechts ‘une apparance de modernité’ - géén modernisme - in één seminarie en brengen een half-dozijn ‘de défections cléricales’ daarmee in verband, maar bewijzen in de verste verte niet, dat het modernisme in Nederland ooit ‘une sérieuse réalité’ is geweest. Een critische beschouwing aan de hand van veelzijdige inlichtingen doet het volgende opmerken. Het consilium abeundi, aan de heren
Berding, Frankemölle en Roseninöller gegeven, heeft geen van hen van de kerk vervreemd: de eerste twee zijn verdienstelijke katholieke journalisten geworden, de derde werd hoogleraar in de wijsbegeerte te Münster in Westfalen. Van de genoemden is alleen Matthieu Schoenmaekers (1876-1945) een typisch modernist te noemen. Hij had aan de Gregoriana te Rome gestudeerd en viel vrijwel vlak na zijn promotie af. Sindsdien woonde hij meestal te Amsterdam, later te Laren. Van zijn breuk met het katholicisme gaf hij rekenschap in Het geloof van den nieuiwen mensch (1907). Sindsdien bleef hij gezien onder theosofen en pantheïstisch-gezinde mystieken, o.a. door een Christosophie en door zijn studie Esoterisch katholicisme.1 Hij leidde een ingetogen leven en schijnt niet vreemd aan moderne sectevormingen als die van de ‘vrij-katholieke kerk.’ Kapelaan Van den Brink en Pater Coelestinus zouden misschien tot de geestverwanten van Murri te rekenen zijn; beiden traden tot de S.D.A.P. toe;2 de laatste keerde later tot de kerk terug. Trekken van Foggazzaro vallen te vermoeden bij Jos. van Veen, C.P.M. van Erven Dorens, Leo Balet en P.J. Raëskin, die vóór hun afval allen incidenteel aan Van Onsen Tijd hebben meegewerkt. De eerste schreef een onbenullige roman en specialiseerde zich verder in pamfletten tegen de kerk, die hij verlaten had. De tweede was een musicus en musicoloog van enige naam en leidde, ongehuwd blijvende, een teruggetrokken leven. De derde, artistiek begaafd en brillant, maar onevenwichtig, studeerde en promoveerde te Fribourg (Suisse), schreef Nederlandse romans in geforceerd-naturalistische geest en Duitse studies over kunstgeschiedenis en werd museum-directeur in Duitsland. De vierde was een niet-onbegaafd romanschrijver in gematigd-naturalistische trant en leidde als bibliotheek-ambtenaar een onopgemerkt leven. Zeker bewijst de levensloop van deze afgevallenen geen vaderlandse diepgang van het modernisme. Steeds moeten wij bovendien de wijze opmerking van Rivière gedachtig zijn, dat in de jaren vlak na het uitkomen van Pascendi elke afval van een priester, waarachter in normale tijd heel andere oorzaken gezocht zouden zijn, op de brede rug van het modernisme geschoven werd.3 Wat Houtin vervolgens meedeelt omtrent het aan de docenten Lans, Beysens, Van Noort en Vlaming gegeven ontslag is ten opzichte van de tweede opvallend ongerijmd: Beysens verliet het seminarie op grond van zijn benoeming tot hoogleraar te Utrecht. Aangaande het ontslag van Lans, Vlaming en Van Noort valt slechts op te merken, dat het veeleer tot de geschiedenis van het integralisme dan tot die van het modernisme behoort.
De Syllabus en de encycliek Pascendi benevens de strenge maatregelen van de Heilige Stoel in de jaren 1907-1910, culminerend in het voorschrijven van de zogenaamde anti-modernisten-eed van 1 September 1910,4 leidden tot de zo goed als volkomen uitroeiing van het modernisme. Over heel de wereld kwamen nog geen 50 weigeringen van de eed voor. Duitsland leverde ongeveer de helft daarvan, nl. 24, met name gelocaliseerd in Beieren; in Nederland en België was er niet één.5 In de verdelging van het modernisme6 ligt de grote betekenis van het pontificaat van de Gelukzalige Pius X; zijn zwak kwam te liggen in het optreden van de overspanning, die vooral tussen 1910 en 1914 de katholieke wereld tot een tegen zich zelf verdeeld huis scheen te maken en de kerk in secten te splijten.7 Reeds in het voorjaar van 1910 had deze ziekte in Italië zo ernstig om zich gegrepen, dat kardinaal Ferrari, aartsbisschop van Milaan,
er in zijn vastenbrief tegen waarschuwde. Hij verklaarde het diep te betreuren, dat sommigen in hun ijver om het rechtzinnig geloof te handhaven tot doordraven kwamen, haast overal modernisme zagen en verdenking laadden op lieden, die er niets mee te maken hebben. Zelfs begint men - aldus deze kardinaal - sommige bisschoppen voor te stellen als behept met een tintje van modernisme, dat ook in de seminaries te constateren zou zijn.1
Het is uiterst moeilijk - afgezien dan nog van de neteligheid - de vraag te beantwoorden, in hoeverre paus Pius X kennis gedragen heeft van of misschien zelfs enige sympathie gevoeld heeft voor de hierachter te beschrijven activiteiten der integralisten. Sommige katholieke historici als Rivière en Vistalli2 schijnen van mening, dat zij geheel buiten hem om gegaan zijn; anderen daarentegen en speciaal de Duitser Schmidlin - die overigens vol eerbied van 's pausen Heiligmässigkeit getuigt - achten dit onaannemelijk.3 Voorshands schijnt de opinie der eerstgenoemde auteurs mij eer juist dan die van de Duitse geleerde, want de nader te noemen stichting van de aartsintrigant Benigni behoeft niet meer te bewijzen dan dat deze ook de paus wist te misleiden. Er zijn gronden om te vermoeden, dat zelfs de staatssecretaris maar weinig wist van wat Benigni precies uitvoerde. Daar komt dan nog het volgende bij in aanmerking. Tot dusver bij mijn weten nergens voldoende gedocumenteerde geruchten willen, dat paus Pius X en zijn staatssecretaris aanvankelijk de schrik zijn geweest van sommige leden van het curie-personeel. Men schreef hun zeer vèrgaande hervormingsplannen toe.4 Daarenboven wordt beweerd, dat deze heilige paus grote plannen had met betrekking tot het leken-apostolaat en in het algemeen aan ‘de leek in de kerk’ een belangrijker plaats beoogde te geven. Een internationale campagne van denunciatie en laster werd door een fronderende ambtenarenfractie bij de curie het middel geacht om de Heilige Vader te overtuigen van de gevaren van het laïcisme, d.i. van de leken en die geestelijken, welke met hen heulden. Voorlopig blijve het bij het resumeren van deze geruchten.
De naam ‘integralisme’ of ‘integraal katholicisme,’ die de lijders aan hun kwaal gaven, is ontleend aan de encycliek Pascendi. Wij kunnen zelfs zeggen, dat de paus zelf bij wijze van een terloopse suggestie de aanduiding geijkt heeft, die het vaandel geworden is van ketterjagers en samenzweerders en waarvan Benedictus XV in zijn eerste encycliek Ad beatissimi van 1 November 1914,5 alsmede in een waarschuwing aan een der kopstukken, kardinaal Billot S.J.,6 het gebruik dan ook ten strengste verbood, nadat hij reeds de 7de September 1914 in een van zijn eerste private audiënties de Duitse prelaat A. de Waal zijn afkeuring van de term onverholen te kennen gegeven had.7 Beweerd werd, dat de nieuwe paus reeds de eerste dag na zijn keuze gestuit was op een ongeopende, nog voor zijn voorganger bestemde brief, waarin mgr Pellizzari, bisschop van Piacenza en bekend integralist, een geheime aanklacht vervatte tegen de rechtzinnigheid van Giacoma della Chiesa, kardinaal-aartsbisschop van Milaan, d.i. Benedictus XV in eigen persoon.8 Deze directe kennismaking met het gangbaar verklikkers-systeem zou de paus tot ogenblikkelijk ingrijpen genoopt hebben. De betrokken passage der encycliek maakt deel uit van het betoog, waarin de zogenaamde immanentie-apologie aancritiek onderworpen wordt. De apologetische methode der modernisten wordt daar in tegenstelling gebracht tot de werkwijze van hen, ‘die men integralisten zou kunnen noemen.’9
Helaas is deze suggestie opgevat als een opwekking tot secte-vorming binnen de kerk. De man, die daarmee het onzalig begin maakte, was de Romeinse priester Umberto Benigni, die zich reeds in de beginjaren van Pius X's pontificaat in de gunst had weten te dringen van de nieuwe staatssecretaris, de Spaanse kardinaal Merry del Val. Hij richtte te Rome een persbureau op. Daartoe bediende hij zich van de hulp van Poolse nonnen, die te Rome in ballingschap leefden en ter liefde Gods voor de vrome prelaat en zijn handlanger G. Verdesi jarenlang alle typewerk verrichtten. Waren deze Poolse zusters vermoedelijk onschuldige werktuigen, elders traden wel vrouwelijke religieuzen als bewuste schakels in de samenzwering op. Een treurige bekendheid verwierf in Duitsland ‘Mutter Gertrud,’ een gravin Schafigotsch, die aanvankelijk religieuze in het klooster van de Zusters van het Arme Kind Jezus te Simpelveld was geweest, daar onvrede gesticht en te Trier een eigen congregatie van Sint-Jozefzusters gevormd had. Zij schreef anoniem particulier gedrukte brochures tegen de Duitse Centrumspartij, de Volksverein en andere van modernisme betichte instellingen en personen. Vervolgens liet zij haar zusters de jaargangen van de Kölnische Volkszeitung op modernistische uitlatingen nagaan om op grond daarvan rapporten aan mgr Benigni zelf te zenden. Door haar fanatieke intrigues in naam der rechtzinnigheid bracht deze vrome vrouw verdeeldheid in het diocees. Zij wist de bisschop, mgr Korum, voor het integralisme te winnen en verscheiden Duitse priesters en leken op grond van modernistische denkbeelden, die zij hun toeschreef, bij hem en bij kardinaal Kopp van Breslau in verdenking te brengen. De Keulse kardinaal- aartsbisschop Fischer noemde Mutter Gertrud ‘das Verhängnis der Diözese Trier.’1
Het persbureau van Benigni te Rome werd tevens het redactie-bureau van een in Mei 1907 voor het eerst uitkomende periodiek Corrispondenza Romana,2 in Februari 1908 verdoopt in Correspondance de Rome en voortaan in slecht Frans geredigeerd. Dit onzalige orgaan, naar waarheid ‘een afschuwelijk voorbeeld van dweepzucht en intellectuele oneerlijkheid’ genoemd,3 is het model geworden van allerlei periodieken in andere landen en heeft het wachtwoord uitgegeven van wat men ‘de jacht op modernisten’ heeft kunnen noemen. Mgr Benigni (1862-1934) had onder Rampolla enige tijd een subalterne functie aan de staatssecretarie bekleed, achtte zijn talenten miskend, legde zijn betrekking neer, maar keerde in 1906 terug en begon zijn machinatiën, die allereerst de uitroeiing van de Rampolla-geest ten doel hadden en tevens - naar algemeen aangenomen werd - eigen curiale ambities moesten bevorderen. Deze zijn echter nooit vervuld: in de laatste levensmaanden van Pius X nam zijn invloed op Merry del Val reeds kennelijk af4 en onder Benedictus XV was zijn rol uitgespeeld. Van Benigni hebben tijdgenoten van allerlei nationaliteit en stand steeds een wat lachwekkend portret geschilderd: hij wordt getekend als een klein, beweeglijk, tonrond mannetje, dat veel praatte, soms daarbij stotterde, druk gesticuleerde, op en neer sprong in een armstoel, die veel te diep voor hem was - comme un diable dans un bénitier, heet het5 - met stekelige, loerende oogjes achter brilleglazen. Hij moet schrander geweest zijn, maar bovenal sluw en volleerd in het volgen van sluipwegen, altijd intrigerend, langs geheime kanalen de kennis vergarend, waarmee hij anderen de kroon van het hoofd kon halen. Daarbij schuwde hij zelfs geen samenzwering met de meest verklaarde vijanden van het christendom, o.a. met Maurras, de vader van de Action fran-
çuise. Aanvankelijk zag hij blijkbaar bondgenoten in de Jezuïeten, wier Italiaans orgaan daartoe trouwens enige jaren lang aanleiding gaf. Toen de Civiltà echter haar houding herzag, werd Benigni een rusteloos vervolger van de Sociëteit. Enige geseculariseerde Italiaanse en Franse Jezuïeten, die de evolutie, welke omstreeks het eeuw-begin in de Sociëteit moet hebben plaatsgehad, niet hadden kunnen of willen bijhouden, waren daarbij althans enige tijd zijn handlangers, met name de Franse ex-Jezuïeten Emmanuel Barbier, Bernard Gadeau en J. Fontaine - niet te verwarren met Nic. Fontaine. Deze priesters, wier talloze werken hen min of meer als warhoofden tekenen, waren eveneens professionele ketterjagers. Alle handlangers van Benigni verbond een heftige afkeer van Leo XIII en de voorstanders van diens politiek van verzoening, verjonging, sociale actie en cultuuropbouw. Wat speciaal Emmanuel Barbier en de van elk besef van grenzen en nuances verstoken Léon Bloy over de grote paus hebben durven neerschrijven, behoort tot de uitersten van grofheid en smakeloosheid, waartoe mensen kunnen vervallen; het bewijst meer dan enig ander van de ontelbare excessen van het integralisme de juistheid van de diagnose, dat deze beweging ‘deels in de schandaal-kroniek (thuishoort), deels in de folklore, die de onderlaag van een cultuur nagaat’ en in de kerkgeschiedenis ongeveer op één lijn gesteld kan worden met beschamende verschijnselen als de heksenprocessen.1
De doldriftige Barbier publiceerde in April 1907 een schotschrift in twee delen, dat hij aandiende als een Histoire documentaire van Leo XIII's liberalisme. Hij bestond het ten teken van verregaand zelfbedrog, op het titelblad uit Leo XIII's breve van 18 Augustus 1883 over de beoefening der geschiedenis het beroemde ne quid veri non audeat aan te halen. Hij zou er school mee maken. Ten minste even verachtelijk is vervolgens het onder de integralisten tot vaste gewoonte wordend beroep op Pius X, wiens ‘heilige onverdraagzaamheid’2 wordt geprezen en van wiens instemming de auteur zich a priori verzekerd noemde. Daarin vergiste hij zich: het libel werd reeds 25 Mei 1908 op de Index geplaatst. Maar wat deerde dit zijn geestverwanten? Thompson bleef Barbier tot het eind van zijn publicistische carrière aanprijzen en plunderen en, wat de Index aangaat, zodra daarop-enig geschrift uit hun côterie werd geplaatst, sprak Léon Bloy uit aller naam het mannenwoord: ‘Je me fous absolument de l'Index;’ de stompzinnige cataloog van deze congregatie is niets dan ‘un guichet, dans laquelle on déshonore l'Eglise.’3
Bij Barbier heet Leo XIII de paus van het possumus, die de vijanden der kerk naarde mond praatte, omdat hij ze voor zijn politiek nodig had.4 God, zo onderstelt deze ex-Jezuïet, heeft met het toelaten van de talloze misstappen van Leo XIII willen duidelijk maken, welke grenzen Hij aan de pauselijke onfeilbaarheid heeft gesteld.5 De ‘vrome dronkaard’ Léon Bloy6 bleef de grote paus met zijn grofheden vervolgen. In Les dernières colonnes de l'Eglise laat hij Leo XIII zich in het bijzonder oordeel verantwoorden tegenover God met opmerkingen als deze: ‘Ik heb als herder de schapen verraden om de honden met de wolven te verzoenen; ik heb (met Rerum novarum) het canaille aangemoedigd; ik heb mij geheel gegeven aan hen, die Christus mishandelen, de slachtoffers, die mij “vader” noemden, vergeefs laten roepen en gezwegen, als de sterken de zwakken vermoordden; ik heb zoveel als ik kon, het geloof vernietigd.’ Met deze razende dolleman hebben alle hele en halve integralen gedweept.7 Hij was
ongeneeslijk en zou straks niet aarzelen Benedictus XV ‘Pilatus XV’ te noemen en uit te krijsen: ‘Ik geloof, dat de duivel geen groter aartsketter zou kunnen verwekken dan deze paus.’
De natuurlijke vaagheid van de term ‘modernisme’ gaf aan scrupulanten en vooral aan kwaadwilligen alle gelegenheid hem als passepartout te gebruiken. Een van de eerste trouvailles was die van een ascetisch modernisme, waarmee La Civiltà Cattolica enige tijd opereerde;1 een andere was die van een ‘moraal-theologisch modernisme,’ waarvan Benigni's orgaan de katholieke voorstanders van het systeem van sexuele voorlichting der opgroeiende jeugd betichtte.2 Natuurlijk schermden de vóór alles anti-democratische Benigni en zijn Franse vrienden uit de kring van de Action française onophoudelijk met het ‘sociaal’ en ‘sociologisch liberalisme’, gewoonlijk ‘de demo-liberale ketterij’ genoemd.3 Daarbij kwamen dan nog een economisch modernisme en een letterkundig modernisme. De laatste term werd in Duitsland en Oostenrijk omstreeks 1910 een soort wachtwoord, waarmee de integralisten in organen als Der Gral (Wenen) en de Petrus-Blätter (Trier) hun litteraire tegenstanders verketterden; sterk was daarin o.a. Richard von Kralik,4 doorlopend warm geprezen door Nederlandse integralisten, fascisten en andere ‘totalitair’-denkenden als Vincent Cleerdin, Wouter Lutkie, H. van Haastert, Gerard Bruning, Pieter van der Meer de Walcheren e.a.5 Aan al deze categorieën hadden de samenzweerders spoedig niet genoeg meer. Niet alleen in hun geschriften, maar bovenal in de denonciaties, welke zij geregeld aan hun opperhoofd Benigni toezonden, opereerden zij spoedig met de termen ‘semi-modernisten’ en ‘moderniserenden’: bij een van deze twee groepen brachten zij iedereen onder die niet mèt hen was, o.a. zo goed als alle katholieke theologen, in het algemeen de academisch-gevormden en eindelijk zelfs de meerderheid van de Europese bisschoppen. Het episcopaat van Duitsland en Oostenrijk heette vrijwel geheel in ketterij verzonken, dat van Italië en Frankrijk voor een aanzienlijk deel en dat van België onder de ongelukkige dwaalleraar Mercier, verjongde uitgave van Leo XIII zelf, was verloren. Aan Engeland en Nederland werd weinig aandacht geschonken; alleen werd de benoeming van mgr L. Schrijnen tot bisschop van Roermond blijkbaar bedenkelijk gevonden. Op den duur waren geen feiten meer nodig om iemand te verdenken: iedereen was verdacht, als hij niet meedeed aan de samenzwering. Terwijl voor alle christenen de stelregel geldt, dat men andermans goede trouw aanneemt, zolang de kwade niet gebleken is, keerde de Nederlandse integralist Thompson dit om: men onderstelle altijd kwade trouw, want de goede moet bewezen worden. Tenslotte heet het modernisme minder een leer dan een geestesgesteldheid. Benigni verklaarde, dat Pius X wel het theologisch modernisme vernietigd had, maar dat gebleven is l'état d'âme moderniste; deze te verdelgen is zijn roeping.
Overeenkomstig dit recept worden in de nader te noemen authentieke documenten uit Gent - neerslag van het geregeld verkeer van de Romeinse raddraaier met een van zijn gevaarlijkste handlangers, de Gentenaar mr A. Jonckx, die in 1919 als activist ter dood veroordeeld werd, o.a. de volgende Europese figuren als suspect vermeld: kardinaal Amette van Parijs, kardinaal Piffl van Wenen, kardinaal Mercier van Mechelen, de Nederlandse curie-kardinaal Van Rossum, kardinaal Fischer van Keulen, de latere kardinaal Faulhaber en alle andere leden van het Duitse episcopaat, uitgezonderd kar-
dinaal Kopp van Breslau en mgr Korum van Trier, verder mgr Ladeuze, de rector van de Leuvense universiteit, alle Dominicanen van de theologische faculteit van Fribourg (Suisse) - un bouillon de culture du modernisme -, alle Jezuïeten van de Civiltàa Cattolica. Wat de Jezuïeten betreft, jegens hen was Benigni's haat tot een ware psychose geworden; voor hen bestemde hij de felste van zijn meestal drastisch-schilderachtige scheldwoorden: in een vermoedelijk opzettelijk vals gedateerde brief noemde hij ze b.v. ‘des fouines enfarinées.’1 Benigni en die hem als hun leider blinde volgzaamheid zwoeren, kenmerkten zich door wat de wijze Huizinga de bewuste versmading noemde van de burgerlijke prudentia en van de temperantia, die bij Nietzsche smadelijk de deugd van de kleinen en het ideaal der banausen heet.2 De naam Nietzsche moet zich trouwens wel opdringen aan iedereen, die zich tot zijn diepe ergernis dagen achtereen moet verdiepen in de authentieke collectie van Benigni's stukken, die hierachter beschreven wordt. Niets is zo raadselachtig in deze lijvige, waarlijk ontzettende verzameling van brute vervolgingswaanzin als de volkomen ontstentenis van elk spoor van godsvrucht.
Zo lag in de verhitte verbeelding van zulke lieden heel de katholieke wereld verziekt aan Benigni's voeten. Een wijd-vertakte geheime organisatie was nodig om het hoofdkwartier te Rome in staat te stellen de curie voor te lichten, een satellietenpers van intregale week- en maandbladen, die de Correspondance de Rome moest ravitailleren.3 Waren de liefdeloze verdachtmakingen van onberispelijke geleerden, sociale werkers, kunstenaars, prelaten en staatslieden reeds op zichzelf een diep te betreuren verschijnsel, veel erger was nog, dat aldus de publieke opinie misleid en vaak vergiftigd werd en soms zelfs het inzicht van de dragers der hiërarchie verward. In tal van landen, speciaal in Italië, Frankrijk, Duitsland en helaas ook in het Nederlandse bisdom Haarlem inspireerden integrale journalisten de betrokken kerkelijke overheden met achterdocht jegens zeer rechtzinnige en respectabele mannen. Aldus valt het vermoedelijk te verklaren, dat mgr A.J. Callier van Haarlem in 1906 president M.J.A. Lans alsmede prof. dr Th. M. Vlaming en in 1908 de theoloog G. van Noort uit Warmond verwijderde. De inspiratie kwam, naar algemeen aangenomen werd, van de bisschoppelijke secretaris - later vicaris-generaal van het bisdom - M.J. Möllmann. Deze priester, die - alvorens met het secretariaat belast te worden - enige tijd in een psychiatrische inrichting verpleegd was, stond in geregeld mondeling en schriftelijk verkeer met M.A. Thompson. Het ergst van al was, dat door zulke stelselmatige begripsvertroebeling de reeds zeer moeilijke taak verzwaard werd van hen, die geroepen waren om het werkelijke modernisme te bestrijden.
Begunstigd door een kleine groep van curie-kardinalen - met name Merry del Val, Billot en De Lai4 - kon Benigni in 1909 een ‘geheime liga’ te Rome vormen, d.i. een soort broederschap van ingewijden uit allerlei landen, maar speciaal toch Frankrijk en Italië. Zijn huis, Corso Umberto 466 te Rome, was het domicilie van de liga, die volgens haar officiële statuten Sodalitium Pianum heette en wel naar paus Pius V, ‘vaillant défenseur de l'Eglise contre les ennemis intérieurs et extérieurs du début de l'époque moderne.’ Het is niet ongerijmd te onderstellen, dat aan deze naamgeving een advies ten grondslag ligt van de Oostenrijkse geschiedschrijver Ludwig von Pastor, die aanvankelijk in de geest der integralen dacht.5 Enig bewijs is daarvoor echter bij mijn
weten niet te leveren en het is ook overigens geenszins vreemd, dat Benigni meende het recht te hebben zich te beroepen op de laatste gecanoniseerde paus, wiens karakter, levenswijze, persoonlijke goedheid en onverbiddelijke waakzaamheid voor de zuiverheid van het geloof zo duidelijke trekken van overeenkomst vertonen met de figuur van Pius X. Ook zijn onverbiddelijke politiek jegens de opstandige Nederlanden en koningin Elisabeth van Engeland moeten de integralisten graag als navolgenswaard voorbeeld aangehaald hebben.1
Een beginselverklaring, te vinden in het nader te noemen dossier-Höner, behelst als een soort van door alle leden van het Sodalitium te onderschrijven program met louter negatieve punten het volgende: wij zijn tegen elk ralliement met het koninkrijk Italië en de Franse Republiek, tegen elke pauselijke concessie ter oplossing van de Romeinse kwestie, tegen elke leken-invloed in de kerk, tegen alle interconfessionalisme, ook in de politiek, tegen alle neutraliteit, tegen alle democratie, zelfs als zij zich christelijk noemt, tegen alle feminisme, tegen coëducatie, tegen alle sexuele voorlichting aan de jeugd, tegen alles, wat zich progressief noemt in de politiek, de kunst of de wetenschap. Dit alles wordt samengevat als ‘de verdediging van een integraal katholicisme.’ Het enige middel, waarmee het Sodalitium dit doel zoekt te bereiken, is een dicht net van spionnagediensten in heel de wereld, waardoor het mogelijk moet worden alle functionarissen in de kerk, tot en met de kardinalen, gestadig te controleren.2 Ook de integralistische pers heeft geen ander doel dan stelselmatige denonciatie: elk nummer van de integralistische periodieken nagelt hoger en lager geplaatste modernisten aan de schandpaal en overlaadt geloofsgenoten met drastische hoon. Elke week wachten de lezers met ongeduld het nummer van hun blad, zich afvragend, wie nu aan de beurt is om uitgekleed te worden. Vandaag een bisschop, morgen een congregatie, straks een staatsman, theoloog of andere bekende katholiek. Kenmerkend is voor heel dit sinistere bedrijf de overspanning van het beginsel der centralisatie: het maakte de paus tot een titanisch despoot, in wiens ambt alle bevoegdheden geabsorbeerd waren. ‘Episcopalisme’ was het scheldwoord, waarmee elk opkomen voor een gezonde bestuursdecentralisatie werd gedenigreerd.3 Naar Benigni's recept moest de kerk een model-dictatuur zijn en de bisschoppen niets meer dan willoze instrumenten van het curie-apparaat. Zelfs kranten en tijdschriften, die een heel eind waren meegegaan, zoals in Frankrijk La Croix en bij ons Het dompertje van den ouden Valentijn werd het op den duur te bar; zij lieten dan duidelijke protesten horen. Tegen het eind van het pontificaat van Pius X nam dit verzet toe. De kardinaal-staatssecretaris zag in, dat hij zich met Benigni te protegeren in een impasse gewerkt had en trok zich duidelijk terug. Franse en Italiaanse bisschoppen gaven in herderlijke brieven hun afkeuring over de terreur te kennen, b.v. bij herhaling kardinaal Ferrari, aartsbisschop van Milaan, kardinaal Maffi, aartsbisschop van Pisa, mgr Chapon, bisschop van Nice.
Het zeer vage program van Benigni's Sodalitium werd 5 Juli 1911 door paus Pius X goedgekeurd; de Congregatie van het H. Consistorie bevestigde dit nogeens op 23 Juli 1913.4 De gebruikelijke aanduiding was S.P. of Sapinière. Volgens de geestelijke vader zelf was dit instituut een soort van witte loge, die nooit meer dan een honderdtal leden geteld heeft, sympathiserende niet-leden meegeteld. Nederlandse leden waren er niet. Het is mogelijk, dat Benigni de Rotterdammer Thompson tot de sympathiserenden
heeft gerekend, maar het is ook denkbaar, dat de Romeinse honderdman niet of nauwelijks van Thompsons bestaan afwist. Indien waar is - wat beweerd werd1 - dat Benigni aan het bureau van de Propaganda enige tijd speciaal met de Nederlandse aangelegenheden belast was geweest, lijkt deze onderstelling wel onwaarschijnlijk, maar in de correspondentie Benigni-Jonckx komt Thompsons naam nooit voor en wordt over Nederland niet gesproken. Ontmoet hebben de Romein en de Rotterdammer elkaar nooit en evenmin hebben zij elkaar ooit geschreven. Thompson had slechts contact met een lagere godheid, de advocaat A. Jonckx. Als zogenaamde mantel-organisaties fungeerden verscheiden geheime verbonden, speciaal de ‘Conferenties van Sint Pieter,’ plaatselijke vriendenkringetjes, die elke week of ten minste tweemaal per maand bijeenkwamen en in de geheimtaal ‘pasticcerie’ genoemd werden, de Agenzia Internazionale Roma (A.I.R., Air, Airelle, Hirelle), die berichten doorgaf, welke niet gepubliceerd mochten worden, speciaal over kardinalen en bisschoppen, een journalisten-verbond met het geheime orgaan Borromaeus en een soort loge van de hoogste graad in een ‘Paulus’-genootschap. Naast het hoofdorgaan La Correspondance de Rome werden nog andere periodieken door het hoofdkwartier officieel erkend en gebruikt, vooral La Vigie, in December 1912 te Parijs gesticht, La Correspondance catholique van Gent en Le Mysl katolica voor Polen. Weinig minder gezag genoten de Unità cattolica van Florence, La Foi catholique van de Franse ex-Jezuïet Bernard Gadeau, de Petrus-Blätter van Trier en Wahrheit und Klarheit onder redactie van de door kardinaal Kopp beschermde en begunstigde graaf Oppersdorff. Nauw gelieerd met de beweging was ook het oude dagblad van de familie Veuillot L'Univers,2 in iets mindere mate La Croix.
Voor het verkeer met zijn locale agenten en spionnen bediende de leider zich van een soort geheimtaal, althans van een geheime namen-code. De Sapinière noemde hij vaak Quentin en haar orgaan, de Correspondance de Rome, soms liefkozend Nelly. Zelf gebruikte hij niet minder dan twaalf verschillende ondertekeningen: Ars, Charles, Arles, Charlotte, Lotte, Kent, Jérôme, Ringer, Amie O., Gus, Diète de la Sapinière, Lolsp en Dierereich. De bisschoppen heetten in de logetaal tantes, de priesters neveux, de kardinaal-staatssecretaris George, de paus maman, ook wel Michel, Michaelis, la baronne Micheline. Stelselmatige datumvervalsing moest verder meewerken om te verhoeden, dat ontdekkingen compromittant zouden worden. Uit dezelfde behoedzaamheid kwam het op sommige stukken voorkomende bevel voort om ze na lezing te verbranden. Als voorbeeld van hun tactiek en Benigni's Frans volge hier een briefje, dat op 2 Mei 1911 gedagtekend staat, maar geschreven blijkt tijdens een ziekte van Pius X in Mei 1913. Het is ondertekend door Arles (=Benigni) en begint als volgt: ‘Cher Junius (=Jonckx), Maman va absolument mieux, mais elle est beaucoup faible. On n'est pas sans crainfe pour un avenir non éloigné. Espérons qu'elle puisse durer longtemps. Mais il faut se hâter, car l'héritage sera bien dur...’ Duidelijker kon niet blijken hoezeer de bende met angst de dood van Pius X zag naderen. Enkele maanden tevoren, in Maart 1913, toen Pius X in levensgevaar verkeerde, had Benigni aan zijn gouwleiders geschreven: ‘La grande crise approche. Il faut faire vite, vite, vite, pour arriver à temps et avoir un refuge durant la tempête.’ Vermoedelijk bedoelde de grootmeester van deze witte loge daarmee, dat alleen een zeer sterke integrale wereldorganisatie een nieuwe paus
- van wie de heren beseften niet veel te hopen te hebben - onschadelijk zou kunnen maken.
Onder de voornaamste medewerkers en vertrouwden van de rusteloze Benigni kwamen verschillende louche typen voor. Jarenlang was de Italiaanse priester Gustave Verdesi, die in Maart 1911 afviel en later methodistisch predikant werd,1 de voornaamste redacteur van La Correspondance de Rome. Het Franse weekblad La Vigie werd geredigeerd door de priester Paul Boulin, van wie naderhand bleek, dat hij tegelijk onder pseudoniem schunnige romans schreef.2 In Duitsland traden de seculiere priesters Schopen en Kaufmann als eerste handlangers van La Sapinière op; beiden zijn later afgevallen. De eerstgenoemde had in 1910 anoniem een fel geschrift gewijd aan de bestrijding van de geest, die onder kardinaal Fischer in het aartsbisdom Keulen heerste.3 Ook in Nederland kwamen onder de integralistische scherpslijpers - zoals in alle ‘ondergrondse’ genootschappen - vreemde of zwakke figuren voor: een regulier priester, die zijn klooster verliet en op een Belgische kermis teruggevonden werd, een hals-over-kop ontslagen journalist, die een groot gunsteling van mgr M.J. Möllmann was, een officier, een leraar, een eerste-kamerlid, allen geruisloos uit hun functies afgevoerd. Het meest fatale van al dit achterbaks wroeten was de plicht van geheimhouding, door La Sapinière en haar mantelorganisaties aan alle aangeslotenen opgelegd, zelfs geldig jegens hun eigen bisschoppen.
In Duitsland waren de bisschoppen, op kardinaal Kopp en mgr Korum na, allen tegenstanders van het integralisme, maar dit vond steun in sommige kloosters, met name bij sommige Benedictijnen. Onder leiding van H. Cardauns voerde de Kölnische Volkszeitung een hardnekkige strijd tegen de Trierse Petrus-Blätter en tegen een integralistische côterie, die haar spreekbuis vond in het blad Germania, later eigendom geworden van de katholieke ‘Junker’ Franz von Papen, dat zich o.a. door fel anti-semitisme onderscheidde.4 Zoals in Frankrijk met de Action française bleek straks in Duitsland de personele unie van een integralistisch verleden met nationaal-socialistische sympathie heel gewoon: van de Berliner Richtung gingen straks velen gretig overstag voor Hitler. In België deed zich deze affiniteit met het activisme voor en te onzent doken tussen 1940 en 1945 waarachtig nog enige oud-integralisten in de N.S.B, of bij Zwart Front op. Het is niet onverklaarbaar: al deze bewegingen zijn ziekteverschijnselen, de toevluchten van fanatici, van dwepers met een overspannen gezagsvolkomenheid, de verbeten vijanden ook van alle democratie. De wijze kardinaal Ferrata kon dan ook terecht schrijven, dat het integralisme ook een gevaarlijk politiek wapen was, daar het de katholieke kerk wilde beletten ‘alles voor allen’ te zijn en haar maken tot een instrument tot onderdrukking van ‘de massa.’5
Hoe weerzinwekkend dit alles is, het zou onverantwoord zijn aan alle integralisten de boosaardigheid van sommige kopstukken toe te schrijven. In alle landen moeten in hun gelederen ook allerlei brave ijveraars te vinden geweest zijn, mensen, van wie een Frans geschiedschrijver opgemerkt heeft, dat hun critisch vermogen veel geringer was dan hun vlijt,6 en die licht slachtoffers werden van demagogen, die in brallende zinnen vonnis velden over geschriften, waarvan hun noch de wetenschappelijke strekking noch de methode duidelijk was. Gelijk half-ontwikkelden en zelfs tal van schrandere lieden, die van alle academisch onderwijs verstoken gebleven zijn, zich niet zelden ken-
merken door jaloerse wrevel jegens de min of meer officiële beoefenaars van de wetenschap, moet in alle landen in het integralisme menig complex van afgunst verdisconteerd zijn. In Duitsland constateerde men, dat het integralisme veel aanhang vond bij religieuzen-onderwijzeressen, te onzent ook in congregaties van broeders-onderwijzers en in alle landen merkwaardig vaak bij oud-seminaristen. Maar zulke vertegenwoordigers van een onberaden ijver mochten licht ten prooi vallen aan de hete propaganda der extremisten, zij bleken vrijwel altijd en overal nederig en volgzaam genoeg om zich tot beter inzicht te laten bekeren.
Pius X overleed in Augustus 1914 en zijn opvolger Benedictus XV verving de staatssecretaris Merry del Val onmiddellijk door de reeds 67-jarige kardinaal Ferrata, een der meest geduchte tegenstanders van het integralisme. De benoemde overleed echter reeds de 10e October 1914. Zijn opvolger werd Pietro kardinaal Gasparri (1852-1934), een eerste autoriteit in het kerkelijk recht. Op hem bouwden allen, die van de integralistische ketterjacht te lijden hadden of er door geërgerd werden, hun hoop. Deze is geenszins beschaamd: hij heeft een onverbiddelijke zuivering van het curie-apparaat ter hand genomen en streng doorgevoerd. Dank zij Benedictus XV's eerste encycliek, die een zucht van verlichting door de katholieke wereld deed gaan, en de consequente gedragslijn van de nieuwe staatssecretaris versmolt het integralisme als sneeuw voor de zon; ook dit is een van die wonderen, welke zich alleen in het leven der kerk voordoen. Tot het doortastend optreden van paus en staatssecretaris heeft waarschijnlijk het indrukwekkend alarm bijgedragen, dat een onverschrokken Franse bisschop, mgr Mignot van Albi, in October 1914 geslagen had bij wijze van een aan Gasparri toegezonden uitvoerige memorie. Deze memorie is dank zij haar grondigheid een belangrijke bron voor de kennis van de geschiedenis der integralistische terreur en behoorde om de geest van evangelische vrede, die zij ademt, en om de wijsheid, die er uit aan den dag treedt, alle katholieke intellectuelen voor ogen te staan.1 Mocht ooit een herhaling van de epidemie optreden, dan mogen de slachtoffers zich mgr Mignots betoog ter geruststelling te binnen brengen.
Onder het mom van ijver voor de zuivere leer, aldus betoogt deze onverschrokken bisschop, hebben nu al jarenlang enige lieden zonder zending de uitstekendste geleerden onder onze priesters en leken, de edelste staatslieden en sociologen met hun verdachtmakingen kunnen vervolgen. Een Sodalitium Pianum onder leiding van een ‘monsignor dont les vastes ambitions auraient été frustrées sous le pontificat de Léon XIII,’2 heeft een geheime organisatie met vertakkingen te Milaan, Wenen, Parijs, Gent, Keulen en elders in het leven geroepen en geeft overal weekbladen uit, die zich toeleggen op laster, eerroof en ondermijning van het bisschoppelijk gezag. Een gewetenloos spionnage-systeem verschaft tot dit lage werk het benodigde materiaal. Uit het evenwicht geraakte leken en priesters, die met hun overheden overhoop liggen, zijn de agenten van deze organisatie. Het is, gelijk de Duitse pater Cladder S.J. in Stimmen aus Maria-Laach van April 1914 vaststelde: meer en meer wordt vergeten, dat Christus niet aan ‘de simples folliculaires’ de leiding der Kerk heeft overgedragen, maar episcopos posuit regere ecclesiam Dei. Even ernstig is het niet langer te miskennen feit, dat de kerk bezig is het wetenschappelijk aanzien te verliezen, dat zij onder Leo XIII verworven had. Sinds onze beste denkers en vorsers stelselmatig vervolgd en belasterd

Paus Benedictus XV
Naar een anonieme lithografie
Archief Dagblad De Tijd
worden, is helaas in de opgroeiende generatie le feu sacrù du travail intellectuel uitgeblust.1 Ziedaar volgens een bij uitstek deskundig, verantwoordelijk prelaat het droevig resultaat van het integralistisch schrikbewind.
De documentatie van alwat in zulke klachten ter kennis van de Heilige Stoel werd gebracht, zou minder gemakkelijk zijn, indien niet het archief van een der belangrijkste filialen van Benigni's genootschap bijna volledig tot onze beschikking gekomen was en wel dat van Gent, geleid door mr A. Jonckx. Dit is een felix culpa van de Duitse overweldiging van België in het najaar van 1914. De toedracht is enigszins ingewikkeld. Enige kopstukken van de door Benigni en zijn Berlijnse geestverwanten stelselmatig belasterde Kölner Richtung kwamen op het eind van 1913 op het denkbeeld de integralistische samenzwering te ontmaskeren door authentiek materiaal te verzamelen, d.i. een genoegzaam uitvoerige collectie van Benigni's instructies en vertrouwelijke brieven, en dit, vergezeld van een rapport, de paus aan te bieden. Een katholiek Duits journalist, dr Heinz Brauweiller, hoofdredacteur van het Düsseldorfer Tageblatt, en de te Roermond geboren priester Höner van de orde der Camillianen - mede aan de genoemde krant verbonden - knoopten via de Limburgse clerus contact aan met de eveneens door de integralisten vervolgde Belgische Dominicaan Rutten. Deze vond de seculiere priester dr Floris Prims, later gemeente-archivaris van Antwerpen en enigszins bekend met mr Jonckx, bereid om de schijn van zekere sympathie voor het integralisme aan te nemen, teneinde aldus door de Gentse advocaat kennis te krijgen van Benigni's missives en instructies. Aldus geschiedde; in Februari 1914 berichtte Prims aan Höner: ‘Ik heb ingeschreven op de A.I.R.’ Vervolgens schreef hij zijn Duitse vriend gedurende enige maanden vrij uitvoerige brieven met onthullingen zonder overigens in staat te zijn er documenten bij te voegen. Wel reisde hij in overleg met de Camilliaan in het voorjaar van 1914 naar Rome, waar in de maanden Maart-Mei van alle kanten pogingen aangewend werden om tot de paus door te dringen. Het waren volgens Prims de kardinalen Maffi en Mercier, wier bemiddeling daartoe werd ingeroepen. Eind April of begin Mei werd de Belgische priester ‘in privaat gehoor ontvangen door mgr (sic) Merry del Val.’ Ik heb, zo schreef hij 4 Mei 1914 aan Höner, de kardinaal ‘de flaireurs van België en hunne methode doen kennen. Mgr (sic) heeft zeer diplomatiek geantwoord en er op aangedrongen, dat wij goed zouden letten op onze terminologie.’
De oorlogshandelingen van Augustus 1914 en de daarop volgende maanden verbraken de relatie Prims-Höner en de politiek van de nieuwe paus maakte bovendien de opzet overbodig. Toch bleven de kopstukken van de Kölner Richtung begrijpelijkerwijze zeer geïnteresseerd in de Gentse geheimen en daaruit is het ongetwijfeld te verklaren, dat Brauweiller zich in Maart 1915 tot de Duitse bezettings-autoriteiten in België wendde met de mededeling van een vermoeden, dat bij zekere mr Jonckx te Gent stukken berustten, die gegevens bevatten over de agitatie van Franse katholieken tegen Duitsland. Dit fraaie verzinsel wekte de argwaan van de Duitse speurders: Brauweiller en zijn eerwaarde vriend Höner werden naar België ontboden en op hun aanwijzingen deed de Duitse politieke recherche huiszoeking bij Jonckx in de Rue Charles-Quint 100 te Gent. Onder de vervolgens in beslag genomen stukken bevond zich ook alwat Benigni in de loop der jaren aan zijn Belgische zaakgelastigde toever-
trouwd had. De stukken bleven in het bezit van de recherche tot na de oorlog. Zij werden toen op verlangen van de Belgische regering - die vermoedelijk materiaal vergaderde om Jonckx, die een vooraanstaande plaats onder de activistische collaborateurs met de Duitsers bekleed had, aan de galg te kunnen brengen en in het in beslag genomen dossier bewijzen voor die verstandhouding hoopte te vinden - gerestitueerd. Vooraf lieten de Duitsers er echter fotocopieën van maken. Pater Höner heeft daarvan het deel, dat de relatie Benigni-Jonckx blootgaf en de Duitse politie niet interesseerde, weten los te krijgen en onder zich gehouden. Dit kwam enige Limburgse geestelijken ter ore, o.a. professor P. Geurts van het seminarie Roermond, oud-hoofdredacteur van De Tijd. Deze interesseerde zich levendig voor het materiaal en wist gedaan te krijgen, dat pater Höner, die ziekelijk was, het aan hem vermaakte. In 1920 overleed Höner en kwam heel het dossier, vermeerderd met de brieven, die door Prims en anderen aan de pater over het integralisme geschreven waren, aan Geurts. Deze publiceerde er enkele documenten uit in De Tijd van 18, 20, 25, 28 Januari 1922, gebruikte ze voor de lessen, waarmee hij de seminaristen placht in te wijden in de bewogen geschiedenis van het integralisme,1 en vermaakte ze weer aan het archief van het bisdom Roermond, alwaar zij reeds verscheiden malen geraadpleegd zijn.2
Aanhang van werkelijke betekenis heeft het integralisme in Nederland niet gehad. Naar zijn aard maakte het een oorverdovende indruk en deed het velen in gestadige onrust leven met een gevoel van onbehagen als dat, hetwelk fatsoenlijke Nederlanders in de jaren 1940-1945 doorlopend bijbleef, omringd als zij zich wisten door spionnen. In een door eeuwenlange achterstelling verschuchterde gemeenschap, opgevoed in argwaan jegens alwat als nieuw werd aangediend, was het critisch vermogen nog te weinig gescherpt3 om de holheid van de beweging terstond te onderscheiden. Zo heeft één censor zonder aanstelling, een journalist zonder begrip van de wetenschap, in dit land enige jaren lang allerlei argelozen de stuipen op het lijf gejaagd met sensatieberichten over modernistische adders, die onder elke graspol loerden. Erger was nog, dat zijn invloed op een van de bisschoppen een veelbelovende bloei der kerkelijke wetenschappen in de kiem gesmoord en nieuw ontluiken voorlopig belet heeft. Daardoor hebben enige critische geleerden, die de trots van kerk en vaderland hadden behoren te zijn, enige tijd geleefd in verdenking van heterodoxie. Anderen hebben, terugschrikkend voor verdachtmaking, de voorkeur gegeven aan behoedzaam zwijgen en ten slotte is aan begaafde jongeren onder de clerus lang de hun talenten toekomende academische vorming onthouden.
Omringd door een handvol van half-ontwikkelde ‘vijfkwart-roomsen’ - zoals Schaepman hun prototypen eens genoemd had - heeft een cholericus met vernauwd bewustzijn, een man bovendien, die, naar een van zijn edelste slachtoffers4 hem typeerde, ‘het niet voelde, als hij een ander mens pijn deed,’ de jaren 1910-1914 voor vele geloofs- en landgenoten tot een periode van beproeving gemaakt. Het was de priester M.A. Thompson (1861-1938), van wie het dossier-Höner tal van brieven aan Benigni's Gentse consul mr A. Jonckx bewaart.5 De oorsprong van deze relatie ligt in het duister. De Rotterdamse priester was veertien jaar (1898-1912) hoofdredacteur van De Maasbode, gaf daarna (1912-1915) drie jaar lang de eerst veertiendaagse, later weke-
lijkse periodiek Rome uit en woonde vervolgens nog bijna een kwarteeuw als rector van vreedzame nonnetjes te Bennebroek.
In het najaar van 1897 had Thompson Sr zich tot commissarissen van De Maasbode gewend met een verzoek om ontslag als directeur-hoofdredacteur. Het was blijkbaar

Spotprent
op het meningsverschil onder de rechtse partijen in zake de openbare leeszalen.
Naar een lithografie door Johan C. Braakensiek, behorende bij De Amsterdammer van 23 October 1910
Gemeente-Bibliotheek Rotterdam
geenszins een verlangen van hem, dat zijn zoon Marie, kapelaan in het bisdom Haarlem, hem zou opvolgen: tussen vader en zoon Thompson werd niet veel liefde gespild. De oude Thompson stelde voor J.F. van Zeyl te benoemen tot directeur en J.P. van Term tot hoofdredacteur. Wat commissarissen van die voorstellen dachten, is niet gebleken, maar mgr Bottemanne bepaalde, dat de hoofdredacteur voortaan door hem zou worden benoemd en altijd een priester moest zijn. Hij benoemde tegen 1 April 1898 de bijna 37-jarige M.A. Thompson. Deze had al enige bekendheid verworven door zijn medewerking aan De Katholiek. In 1893 was daarin van zijn hand een bespreking verschenen1 van een kerkhistorische publicatie van G.A. Meyer O.P. Het was een van die wijdlopige ontboezemingen naar aanleiding van een boek, waarin het tijdschrift toen nogal sterk was; zij verliep in een felle polemiek tegen Abraham Kuyper als de pionier van het neo-calvinisme. Openbaart zich hierin de aanstaande polemist, de mennaisistisch-welsprekende auteur van lyrische gelegenheidsartikelen kondigt zich aan in een wat jonger artikel over de pas zalig verklaarde Gerardus Majella.2 Reeds hier onderscheidt de auteur zich door het vermoeiende declameren, dat zijn latere jubelstukken bij Pasen, Pinksteren, Kerstmis en andere hoogtijden altijd zou kenmerken, ook door zijn aaneenrijgen van nauwelijks samenhangende éénszins-alinea's, nabootsing van de Kuyperiaanse driestar-stijl, zo geschikt om de lezers te biologeren. Het drukke stuk met zijn melodramatische opmaak en zijn daverende woordenrijkdom is een vreemde lijst voor het portret van een zo nederige kloosterbroeder. Het verraadt ook generlei voorstudie,
geen inleven in de eisen der hagiografie, maar is - als later de feestartikelen
in De Maasbode en Rome - als in trance geschreven, bij wijze van aanblazing uit den hoge.
Voor de psychologie van de schizothyme integralistenleider zijn drie volgende opstellen symptomatisch, een over de zeventiende-eeuwse predikant Petrus Plancius, natuurlijk niet gezien als geograaf, maar als calvinistisch zeloot, een over een andere calvinistische ketterjager: Jacobus Trigland, en een over Dr Kuyper en zijn Heraut.1 De oud-seminariepraeses Taskin karakteriseerde deze artikelen in Juni 1943 met een Freudiaanse term als ‘symptoomhandelingen.’ Inderdaad zijn ze alle min of meer zelfportretten, vooral dat van Plancius, ongetwijfeld het beste werk, dat Thompson ooit heeft geschreven, ondanks de ook hier hinderlijke bombast en de romantiek van inleiding en aankleding. Aan de hand van waarlijk niet voor de hand liggende litteraire bronnen heeft Thompson een boeiend portret ontworpen van de fanatieke Plancius, die volgens hem ‘als een razende Roeland het land van Noord tot Zuid doorliep, gevraagd of ongevraagd zich als wachter in Sion opwerpend’ en iedereen, die hem tegensprak, ‘verketterend.’ In Plancius vooral, maar ook in de vurig bewonderde en ook weer gehate tijdgenoot Kuyper aanbidt Thompson het ‘imago’ van zich zelf, d.i. de ‘absolute’ Thompson, de starre Rechthaber, die in zijn eigen woorden slechts een Godsspraak kan zien en in volle gemoedsrust zijn opinies moet vereenzelvigen met dogma's, die ieder gehouden is te geloven. Thompsons bewondering voor Kuypers monumentale zinnen, zijn taalbeheersing, zijn geacheveerde vorm en spelling in de Heraut-opstellen openbaren ons tevens, wat hem als model voor ogen stond bij de schepping van Rome. De laatste bijdrage, die Thompson aan De Katholiek leverde, was een gelegenheidsartikel bij de zeventigste verjaardag van de bouwmeester dr P. Cuypers.2 Het is een verheerlijking in de vorm van een collectie superlatieven, maar tevens een staal van doctrinaire overspanning: de neo-gotiek wordt vereenzelvigd met de befaamde sensus catholicus en als enige voor katholieke kerkbouw aanvaardbare stijl uitgeroepen.
In alwat Thompson in veertien jaren leiderschap in De Maasbode publiceerde - honderdtallen lyrische hoofdartikelen en een paar duizend polemische stukken, soms korte ‘kruiskopjes,’ soms van een in een dagblad bepaald ongepaste lengte - is de schrijver van de Katholiek-opstellen terug te vinden. Te allen tijde was hij te herkennen aan zijn pathetische welbespraaktheid, ook door een vaak gedurfde, soms weinig zuivere, een enkele maal zelfs belachelijke, maar altijd min of meer oorspronkelijke beeldspraak, die bewijst, dat in de auteur althans enige niet-onbelangrijke kwaliteiten van de kunstenaar staken. Daarin ligt ook wel het geheim van zijn tijdelijk succes bij overigens geenszins van smaak en van onderscheidingsvermogen verstoken lezers. Het geval-Thompson lijkt op dat van Jan Vos, de zeventiende-eeuwse gruweldichter van spektakelstukken als Aran en Titus. Wie deze vandaag leest, kan er slechts kermisdraken in zien, maar Vondel en Barlaeus hebben ze bij de eerste opvoering toch maar geprezen als hoge kunst. Ligt dat aan de verdovende werking van de hevige affecten, die zij wekken? Wie Jan Vos en Thompson thans herleest, constateert, dat hun kracht verdampt is. Dit onderscheidt Vos van Vondel en Thompson van Schaepman en Kuyper. In elk geval is er iets ziekelijks in Thompsons welsprekendheid. Zijn type is overigens minder zeldzaam dan men denkt en moet voor psychologen zeer interessant zijn. Op alle scholen kan men het in min of meer vergevorderde staat tegenkomen. Het is in intellectuele
zin niet begaafd, meestal zelfs beneden de middelmaat, maar steekt wat angstwekkend boven vrijwel alle andere leerlingen uit door een homerisch-visionnair talent en een daaraan min of meer evenredige taalvaardigheid. Thompson heeft, naar tijdgenoten1 meedeelden, met Hageveld nogal moeite gehad, is zelfs als ongeschikt voor de studie weggezonden, maar twee jaar later weer aangenomen2 en voltooide eerst op 22-jarige leeftijd de humaniora.
Thompson Jr heeft voor De Maasbode veel betekend. Hij heeft de krant door de schepping van een ochtend-editie een plaats doen innemen naast de belangrijkste dagbladen van Nederland. Sinds jaren was de mogelijkheid overwogen en besproken van een katholiek ochtendblad - vooral Poels drong daarop bij herhaling aan - en in 1908 deed een gerucht de rondte, dat de ondernemende eigenaar van het befaamde Telegraaf-concern, de katholiek H.M.J. Holdert, de stichting van zulk een blad overwoog. Op De Tijd werd toen van verschillende zijden een beroep gedaan om dit voornemen te verijdelen door zelf een ochtendblad te gaan uitgeven. Na ernstig beraad van commissarissen is dit beroep, dat op onoverwinnelijk verzet bij de zeer machtige onderdirecteur F.J.A.M. Wierdels stuitte, op financiële gronden afgewezen. De veel minder bedachtzame Thompson echter, bang, dat De Tijd hem een kans zou ontnemen, had inmiddels reeds besloten aan De Maasbode een ochtend-editie te verbinden; in December 1908 stak de krant aldus van wal. Het werd geenszins een financieel succes. Integendeel. Het aantal abonnés nam na 1908 meer en meer af, wat commissarissen - zeker wel terecht - toeschreven aan het haatdragend en verdeeldheid-zaaiend karakter van Thompsons leiding. De krant kwam herhaaldelijk in opspraak, werd ‘Raasbode’ genoemd of ‘de enige slechte lectuur, die een katholiek lezen mocht’ en op den duur bij links en rechts òf veracht òf uitgelachen.
Voor de kennis van de wijze, waarop Thompson zijn taak als hoofdredacteur van een toongevend katholiek dagblad opvatte, is een reeks van zes artikelen, die hij in April-Mei 1910 in De Maasbode plaatste, bovenal instructief. In het voorjaar van 1910 verscheen van de hand van G. Chiaudano S.J., oud-redacteur van de Civiltà Cattolica, te Turijn een geschrift, getiteld Il giornalismo cattolico. Via Gent ontving Thompson van dit boekje een soort parafraserende vertaling, die hij bij zes gedeelten in De Maasbode opnam, voorzien van scherpe, regelrecht tegen vrijwel alle andere katholieke journalisten gerichte commentaren. Hij leidde deze publicatie in met de bescheiden opmerking, dat het uitmuntende boekje ‘als door ons geïnspireerd’ lijkt, daar het ‘een doorlopend pleidooi voert voor de katholieke dagbladpers en wijst op de grote gevaren van de gematigdheid en de hoffelijkheid...’ Het leert, ‘dat het onze plicht is ons zoo antithetisch mogelijk op te stellen,’ dat ‘men de verklaarde vijanden van de Heilige Kerk (moet) neerhalen, zooveel men kan...’ Deze brute vermaning tot ‘tactloosheid’ en ‘onbeleefdheid,’ tot het uitgaan van de kwade trouw van elke tegenstander, zolang diens goede niet bewezen is, trok de aandacht van heel de Nederlandse pers. De liberale Nieuwe Courant karakteriseerde dit betoog, waarin Thompson zichzelf en zijn persmanieren zonder de minste terughouding ten voorbeeld stelde aan alle katholieke journalisten, als de Laus rusticitatis. Ook het anti-revolutionnaire Arnhemsch Dagblad sprak zijn verontwaardiging uit over zulk een aanprijzing van ‘grove manieren.’ ‘Moge’ - zo eindigde dit waardige stuk - ‘het roomsche dagblad door geen orgaan van
de rechterzijde nagevolgd worden...’ De Tijd, die 11 Mei 1910 onder het aanhalen van deze en andere persstemmen Thompson in een waardig betoog had bestreden, werd in een nieuw Maasbode-artikel onder hoon en verdachtmaking bedolven. In dezelfde dagen hield professor Beysens te Utrecht zijn inaugurale oratie. Deze werd in De Tijd door de priester H. Derckx geprezen om haar ‘gematigdheid en de eerbiedige bejegening van de meening van tegenstanders.’ Dit was genoeg om Thompson in nieuwe vloekpsalmen te doen uitbarsten; daarbij lanceerde hij de stelling, dat een goed katholiek in het debat ‘eerlijkheid zelfs niet bij (zijn) tegenstanders (mag) veronderstellen.’1
De Nederlandse katholieke pers distancieerde zich meer en meer van de hysterische Rotterdamse krant en geen propaganda kon het gestadig verlies aan abonnés goedmaken, nog minder de steeds openlijker getoonde minachting, zoals die van pastoor B.P. Aalberse te Zwaag, die 13 December 1907 de directie verzocht hem van de ondernomen kosteloze toezending van De Maasbode verschoond te doen blijven, daar hij ‘slechts fatsoenlijke bladen’ in zijn huis toeliet. De commissarissen kregen elke dag meer gelijk, als zij de bisschop voorhielden, dat Thompson De Maasbode vermoordde. Wie Thompsons geschrijf in de eerste maanden van 1912 nagaat, wordt herinnerd aan de ouderwetse toneeldraken, waar de massa-moordenaar ten slotte vereenzaamd de hand aan zich zelf slaat. Ook Thompson had zulk een woestijn om zich heen gecreëerd en kwam daarvan in De Maasbode van 19 Februari 1912 naïevelijk getuigen: bijna alle katholieke bladen van Nederland, zo zegt hij, zijn door het modernisme vergiftigd. Zij wemelen van ‘schandestukken’ en hun redacteuren zijn ‘lasteraars.’ Dan geeft hij de volledige lijst van de bladen, waarvoor dit geldt: ze begint natuurlijk met De Tijd, maar dan volgen Het Centrum, Het Huisgezin, De Residentiebode, De Gelderlander, de Nieuwe Tilburgsche Courant, het Dagblad van Noord-Brabant, De Limburger Koerier en nagenoeg alle andere katholieke dag- en weekbladen, in totaal ongeveer vijf en twintig. Terecht merkte Poels in de Nieuwe Kerkraadsche Courant van 24 Februari 1912 op, dat de auteur aanmerkelijk gauwer klaar geweest was, als hij de bladen had opgenoemd, die niet besmet waren met modernisme. Immers, zo zegt hij, ‘aan de zijde van De Maasbode staan slechts twee katholieke bladen: de Eindhovensche Crt en de Nieuwe Haarlemsche Crt,’ respectievelijk onder de hoofdredacteurs A.J.M. Vervoort en F.X. Schiphorst. De meeste door Thompson gebrandmerkte bladen staan - zo merkt Poels verder op - onder de hoofdredactie van priesters, als zodanig door de bisschoppen aangesteld.
Ontstemd over de ruïneuze gevolgen van Thompsons drijven, moeten commissarissen spoedig de mogelijkheid overwogen hebben zich van deze hoofdredacteur, wiens toewijding het blad in de grond boorde, te ontdoen. Ten einde de toorn van zijn commissarissen te bezweren, begon Thompson een grootscheepse propaganda-actie, natuurlijk allereerst te Rotterdam. Hier wist hij nog in 1911 een propaganda-comité te vormen uit een aantal supporters, geen groten in den lande, maar vurige adepten van het integralisme. Een brave graanfactor werd voorzitter, een jonge leraar in het Frans penningmeester; twee broers, die in assurantiën deden, werden eerste en tweede secretaris en de rector van de Rozenkranskerk, pater A.L.H. Perquin O.P., werd de onmisbare geestelijke adviseur. Heel moeizaam werden in de loop van het jaar ook elders, b.v. te
Breda, Tilburg, Oosterhout en Amsterdam zulke propaganda-comités gesticht. Nergens was de animo groot.
Wat De Maasbode ondanks de toenemende voortreffelijkheid van verscheiden rubrieken, vooral de economische, in stijgende mate impopulair maakte, speciaal onder intellectuelen, was zijn schandaal-makende onmin met De Tijd. Deze stond sedert 1884 onder de eensgezinde leiding van mgr Eygenraam (1846-1929) en dr Vermeulen (1846-1913), die in 1894 van eigenaar directeur van de Commanditaire Vennootschap De Tijd geworden was. In 1904 was deze veranderd in een N.V., die zich in ‘'t Kasteel van Aemstel’ een eigen gebouw met drukkerij c.a. stichtte; dr Vermeulen werd eerste en F.J.A.M. Wierdels (1862-1932) tweede directeur. Deze energieke man werd door het personeel van drukkerij en administratie op de handen gedragen, maar kon met de redactiestaf veel minder goed overweg. Aan hem is de stichting van ‘'t Kasteel van Aemstel’ te danken. Hij volgde Vermeulen in 1913 als eerste directeur op, zij het dan allerminst krachtens een eenparig besluit van commissarissen. Vermeulen, die leraar te Rolduc geweest was, had veel Limburgse relaties en daaruit is de aanstelling van de achtereenvolgende hoofdredacteurs Geurts en Laudy te verklaren. De priester P.M.J. Geurts (1869-1928) volgde 1 Maart 1903 Eygenraam als hoofdredacteur op en legde de functie neer in December 1911. In tegenstelling tot de deftige Eygenraam - ‘de sierprelaat’ noemde Schaepman deze - was Geurts een boerse man met een rood gezicht, spraakzaam, temperamentvol en gezellig, zeer gezien bij de leden der redactie en heel het personeel. Hij schreef vlot en boeiend, het liefst over heiligen-gestalten uit het verleden. Zijn portretten, samengebracht in zes delen Gestalten en gedachten, waren merendeels frisse, zij het weinig oorspronkelijke en ook niet zeer diepe bijdragen tot een vernieuwing van de hagiografie en genoten grote populariteit in den lande. Ofschoon zeker geen man van krachtige en heldere overtuigingen, was hij onder de invloed van Poels lid van de Klarenbeekse Club geworden en in het algemeen hield hij als hoofdredacteur van De Tijd dan ook een ‘Schaepmaniaanse’ koers. Dit bracht hem soms in botsing met de conservatieve Vermeulen, wiens invloed op de krant na 1904 echter gestadig afnam.
Sinds 1908 specialiseerde De Maasbode zich bepaald in het hinderlijk volgen van De Tijd. Een eindeloze reeks polemieken tussen de twee katholieke hoofdorganen was van het toespitsen der tegenstellingen de pijnlijke en ergernis-wekkende demonstratie. Zeker had Geurts de overgrote meerderheid van het katholieke publiek - ook van de clerus - achter zich, maar Thompson wist zich sterk in de morele steun van zijn bisschop, wie het kennelijk ergerde, dat De Tijd, ofschoon in zijn bisdom gevestigd, meer direct onder het opzicht van heel het episcopaat geplaatst bleef, dank zij de beschikkingen, die Judocus Smits gemaakt had.1
Het onverzoenlijk antagonisme scheen zijn ontknoping te vinden in het ontslag van P. Geurts, die in December 1911 door zijn bisschop, mgr Drehmanns, benoemd werd tot professor in de kerkgeschiedenis aan het seminarie van Roermond. Over het ontslag van P. Geurts zal wel altijd zekere nevel blijven hangen. Zeker is Geurts niet bij besluit van het Episcopaat ‘afgezet.’ Iets anders is, of mgr Drehmanns toch niet in de geest van de meerderheid van zijn ambtgenoten heeft gehandeld door Geurts op eervolle wijze van De Tijd los te maken. De notulen van de bisschopsvergaderingen2 be-
helzen niets over het hele geval. Toch bleef men te Rotterdam geloven - althans staande houden -, dat Geurts ‘er uit gegooid was’ op grond van zijn modernistische artikelen, Hoe dit gerucht in de wereld gekomen is, staat te lezen in een brief, die J.W. Helmer, redactiechef van De Tijd, 30 November 1911 aan mgr Callier richtte.1 Op Zondag 26 November 1911 had te Oudenbosch de onthulling van het Zouaven-monument plaats. Bij deze gelegenheid vertelde een aan De Maasbode verbonden reguliere priester, dat Geurts, na tweemaal door de bisschop van Haarlem gewaarschuwd te zijn wegens modernistische tendensen in zijn artikelen, nu door het hele Episcopaat afgezet was en kwansuis door mgr Drehmanns benoemd was tot professor aan diens seminarie. Onder de aanwezige journalisten ontstond daarop ‘een formeel standje,’ waarbij velen heftig tegen De Maasbode uitvoeren. De bisschop van Haarlem heeft in zijn antwoord aan Helmer het bericht niet willen bevestigen of bestrijden. Hij deelde slechts mee, dat ‘binnenkort wel (zou) blijken, in hoeverre de mededelingen’ van de betrokken pater ‘onwaar zijn geweest.’ Doch het ontslag zou een cause célèbre in katholiek Europa worden, waarmee de pers van Nederland, Frankrijk, België, Italië en Duitsland zich kwam bemoeien.
De 13de December 1911 bevatte het Franse integralistische dagblad L'Univers een artikel, dat afkomstig heette van een Limburgse correspondent, maar blijkens de briefwisseling tussen Thompson en Jonckx in werkelijkheid door Thompson geschreven was, door Jonckx te Gent in het Frans vertaald en als ‘afkomstig uit Limburg’ aan de Parijse krant aangeboden. In dit artikel wordt geklaagd over de onrustbarende groei van het modernisme in het bisdom Roermond. Alle Nederlandse bisschoppen zijn rechtzinnig, behalve mgr Drehmanns, die de wegens zijn modernisme als hoofdredacteur van De Tijd ontslagen priester P. Geurts tot professor aan zijn seminarie heeft benoemd. Daarmee is al de derde modernist aan dit instituut verbonden. Verder wordt nagenoeg de hele katholieke pers verziekt door het modernisme genoemd, speciaal De Tijd, met uitzondering echter van De Maasbode, die - zoals het Algemeen Handelsblad van 20 December 1911 opmerkte - ‘tot in de wolken geprezen wordt.’
Gelijk te begrijpen is, wekte dit bericht de verontwaardiging van de Limburgse clerus. Professor J.M.L. Keuller van Roermond wendde zich 18 December 1911 tot de redactie van L'Univers en verzocht opname voor een protest tegen de laster jegens mgr Drehmanns, Geurts, De Tijd en het seminarie Roermond. L'Univers weigerde het stuk van Keuller te plaatsen. De redactie van La Croix - minder fanatiek - bleek bereid en zegde bovendien een nader onderzoek toe. Zij belastte vervolgens haar Romeinse correspondent met navraag bij kardinaal Van Rossum te Rome en plaatste 15 Januari 1912 diens rapport van een audiëntie bij de kardinaal. Het kwam op het volgende neer: 1o In wat Geurts schreef is geen zweem van modernisme te vinden; 2o Het Nederlands Episcopaat heeft nooit besloten Geurts af te zetten; deze is op zijn verzoek op de meest eervolle wijze ontslagen; 3o Wat van de bisschop van Roermond en diens seminarie gezegd werd, is laster. Tenslotte wees de kardinaal er op, dat ‘un des principaux calomniateurs de l'abbé Geurts (s'était) publiquement retracté.’ Dit sloeg op de in De Maasbode gepubliceerde herroeping van de reguliere priester, die het gerucht verspreid had en waarschijnlijk door de tussenkomst van de Amsterdamse hoogleraar De Groot O.P. door zijn overheden tot deze herroeping gedwongen was. Hij had dit
echter gedaan op een wijze, die blijkens reacties in de meeste katholieke en enkele grote niet-katholieke dagbladen verachtelijk werd gevonden.1 Ook de afscheidswoorden, die dr P. Vermeulen en J.W. Helmer bij Geurts' heengaan tot de scheidende hoofdredacteur richtten, bevatten een waardig protest tegen de laster.
Na het heengaan van Geurts aanvaardde in Januari 1912 de Brabantse priester C.J. Zwijsen (als lid van de ‘Fraters van Tilburg’ Victor geheten) (1858-1930) de hoofdredactie van De Tijd. De goede pater Zwijsen - molenaarszoon als zijn oudoom, de aartsbisschop - was oud-missionaris en had op Curaçao een krant geredigeerd, was zeker niet onbegaafd, o.a. een goed kenner van het Spaans en de Spaanse letteren, maar volkomen ongeschikt voor het ambt aan De Tijd. De redactie ontving hem met argwaan. Daartoe was reden. Gelijk Thompsons agent te Tilburg, de journalist J. de Louw, 6 Januari 1912 aan de Rotterdamse leider berichtte, was de congregatie der Tilburgse fraters in het algemeen een vaste burcht van integraal denken en voelen. Zwijsen zelf was altijd meer een vriend van De Maasbode dan van De Tijd geweest en gaf b.v. luid zijn afkeer te kennen van de Kölnische Volkszeitung. De Tijd-vrienden in Noord-Brabant spraken bij het vernemen van Zwijsens benoeming dan ook de vrees uit, dat hij ‘De Tijd in de grond (zou) boren.’ Zover kwam het echter niet. De brave pater kreeg in 't Kasteel van Aemstel eenvoudig geen voet aan de grond en werd blijkbaar spoedig min of meer de risée van het personeel Hij redigeerde tevens een godvruchtig kindertijdschrift, getiteld De Engelbewaarder. Zijn zalvende vriendelijkheid bezorgde hem dientengevolge in heel 't Kasteel van Aemstel deze bijnaam. Zwijsen begreep niet veel van het raderwerk van een modern dagblad, meende zich niettemin met alles te moeten bemoeien, schreef onverteerbare artikelen en werd door Vermeulen in de dagelijkse leiding volkomen uitgeschakeld. Aan het eind van 1912 berichtten commissarissen het Episcopaat, dat zij zich genoodzaakt zagen pater Zwijsen eervol te ontslaan. Met goedvinden van het Episcopaat werd in Januari 1913 eerst Vermeulen zelf en na diens overlijden op 9 November 1913 Alphons Laudy als waarnemend hoofdredacteur aangesteld. Deze was sinds 1898 aan de redactie van De Tijd verbonden en werd 29 Mei 1914 met goedvinden van het Episcopaat definitief tot hoofdredacteur benoemd; hij bekleedde het ambt tot 1938.
Thompson triomfeerde over het ontslag van Geurts en sprak de hoop uit, dat De Tijd voortaan zijn koers zou houden. Zeker heeft hij niet willen of kunnen zien, hoe spoedig zijn rijk aan De Maasbode uit zou zijn. Met de dag nam de spanning tussen Thompson en de commissarissen van De Maasbode toe. Speciaal de heren H.G.M. van der Vijver en A.J.A. Gilissen stonden lijnrecht tegenover de directeur-hoofdredacteur. Van de heersende verhoudingen geeft een brief van tien bladzijden, die Thompson 7 Januari 1912 tot mgr Callier richtte, een zeer verwrongen, maar voor de goede verstaander zeer duidelijk beeld.2 Commissarissen waren tot de slotsom gekomen, dat De Maasbode door Thompson vrijwel ten gronde gericht was. Het getal abonnés slonk gestadig en de verachting in den lande nam dagelijks toe. Thompson schreef alles toe aan ‘de lastercampagne, die De Tijd en zijn aanhang nu al drie jaar tegen (hem had) gevoerd,’ en stelde het voor, alsof commissarissen dit met hem eens waren. Zij ergerden er zich over, dat die arme Thompson zo belasterd werd en wilden te Rome bescherming gaan vragen. ‘Het meeste last’ - zo heet het letterlijk - ‘heb ik van Van der Vijver. Mocht hij te Rome3
geen succes hebben, dan legt hij het bijltje er bij neer en laat de Vennootschap gerechtelijk ontbinden.’ De waarheid, blijkende uit brieven van commissarissen zelf, is anders: dezen eisten, dat Thompson zou aftreden en als de bisschop, die het benoemingsrecht had, zou weigeren hem te ontslaan, zouden zij De Maasbode opheffen. Voor dit ultimatum is de bisschop gezwicht, gelijk ten overvloede blijkt uit brieven van de nog altijd te Ginneken wonende J.W. Thompson Sr aan mgr Callier. In een van die brieven, dato 9 Februari 1913, komt de zinsnede voor: ‘Wie had kunnen denken, toen ik voor en door De Maasbode zoo lange jaren voor de goede zaak arbeidde, dat ik er eenmaal met een mijner zonen uitgeworpen zou worden en op zoo smadelijke wijze?’1 Hoogstwaarschijnlijk hebben in dezelfde maand Januari 1912, waarin Thompson zijn noodkreet slaakte, ook besprekingen plaatsgehad tussen de bisschop en Van der Vijver. In deze besprekingen moet mgr Callier met nadruk de wens geuit hebben, dat De Maasbode zou blijven voortbestaan, waarop Van der Vijver moet geantwoord hebben met de eis, dat dan Thompson moest verdwijnen, eer het te laat was om de krant nog te redden. Uit dit gevoel van vrees ‘voor het naakte leven’ laat zich ook het telegram verklaren, dat Van der Vijver 17 Januari 1912 aan mgr Callier zond - een telefoon had de bisschop toen blijkbaar nog niet. Commissarissen was ter ore gekomen, dat kardinaal Van Rossum bezig was de paus over te halen een blijk van goedkeuring te doen geworden aan De Tijd, en verzochten de bisschop dit langs telegrafische weg te voorkomen. Inderdaad heeft mgr Callier aan dit verzoek voldaan door de kardinaal telegrafisch te verzoeken geen stappen in de bedoelde geest te doen, alvorens een nader schrijven van de Haarlemse bisschop overwogen te hebben.
Wat de bisschop inzake het hoofdredacteurschap besliste, blijkt uit het ochtendblad van De Maasbode van 17 Maart 1912. In een zeer lang artikel deelde Thompson daarin mee, dat hij 1 April 1912 De Maasbode zou verlaten, na hem ‘veertien jaren achtereen geredigeerd en geleid te hebben.’ Typerend voor zijn karakter is vooral de volgende zinsnede: ‘Ik kan de zeer sterke overtuiging niet van mij afzetten, dat bij het neerleggen van mijn ambt in het roomsche publicisme een leemte achterblijft.’ Overtuigd, dat zijn ‘principieel en actueel verweer tegen het modernisme,’ dat hier te lande ‘reeds lang bezig is te knagen aan onze roomsche levenskracht en in wijde kringen zeer bedenkelijk aan invloed gewonnen heeft,’ onmisbaar is, deelt hij mee daarin voorlopig te zullen voorzien met een veertiendaagse periodiek Rome. In het volgende nummer van De Maasbode brengt de graanfactor-voorzitter van het Rotterdamse Maasbode-comité in een zeer rhetorisch stuk hulde aan de aftredende redacteur. Hetzelfde doet de Goudse arts dr A.C.A. Hoffmann in een gloeiende verheerlijking van Thompson als de grote bestrijder van ‘het modernisme, verhegeld neo-kantianisme, veresoteriseerd geloofs-liberalisme, dat een verzoening wil tusschen wetenschap en geloof.’ Hoe merkwaardig moet het er hebben uitgezien in het brein van een academisch gevormd man, die zo in De Maasbode schreef en jarenlang anoniem in de N.R.C. de roomse bekrompenheid aan de kaak stelde.
Andere kranten namen natuurlijk acte van Thompsons abdicatie. De meeste brachten hulde aan zijn stilistische gaven, maar verheelden hun vreugde niet. Het Huisgezin constateerde terecht, dat Thompsons afscheidswoord ‘geen woord van verzoening, maar een oorlogsverklaring’ was. De Maasbode werd een jaar lang geleid door
L.J.M. Hazelzet, een journalist van de goede stijl, bescheiden, evenwichtig en vredelievend. In het voorjaar van 1913 benoemde de bisschop van Haarlem een nieuwe hoofdredacteur in de persoon van de Amsterdamse kapelaan N.H.M. van Reysen. Deze was - blijkens brieven van zijn hand aan mgr Callier, o.a. een van 23 Juli 1914 - aanvankelijk een overtuigd medestander van Thompson en leidde het blad krachtens bisschoppelijke instructies in diens geest, maar kwam na weinige maanden tot andere inzichten. Zijn redactie bracht de vrede in de katholieke perswereld terug en schiep de sfeer, waarin de steeds voortreffelijker verzorgde Maasbode gestadig toenam in bloei en aanzien. Van Reysen was zwak van gezondheid en overleed in Juni 1924. Zijn opvolger was de priester dr J.H.J.M. Witlox, bekwaam geleerde en historicus van naam, o.a. auteur van het werk De Katholieke Staatspartij in haar wording en ontwikkeling geschetst. Onder hem werd De Maasbode een persorgaan van de eerste rang, welks naam klank had in heel de katholieke wereld.
De reactie van het ontwikkelde publiek op Thompsons aankondiging van de periodiek Rome werd zeker scherp weergegeven in de geciteerde uitspraak van Het Huisgezin, welks hoofdredacteur, de rustige J.B. Vesters, een der waardigste en vastberadenste bestrijders van het integralisme was en bleef. Hij had jarenlang de slachtoffers van Thompsons verguizing verdedigd: eerst Schaepman, toen Aalberse, de K.S.A., de katholieke arbeidersbeweging, Poels, Sobrietas, de ministers Regout, mgr Van Cooth, De Katholiek, pastoor Sloet, de Apologetische Vereeniging Petrus Canisius. De 25ste November 1911 had hij de jonge en nog zeer onbesuisde Vincent Cleerdin, die Het Huisgezin een stuk in de afbrekende Thompson-trant aanbood, in een vaderlijke brief geraden nog wat te wachten, alvorens deel te nemen aan ‘discussies over gewichtige zaken.’1 Maar natuurlijk had Thompson zijn medestanders, die zijn voornemen met gejuich begroetten. Behalve mgr M.J. Möllmann, sinds 28 October 1911 vicaris-generaal van de bisschop van Haarlem, was ook secretaris H.A. Th. van Dam een overtuigd integralist. Deze schreef de Rotterdamse journalist ‘diep overtuigd’ te zijn van ‘den heilzamen invloed,’ die van hem steeds was uitgegaan, en meldde zich onverwijld aan als abonné op Rome. Plebaan H.F.J. Rikmenspoel deelde Thompson mee, dat hij ‘met tranen in de ogen’ diens afscheidswoord had gelezen. Ook hij gaf zich natuurlijk voor Rome op. Dit deden - meestal met gelijksoortige ontboezemingen - nog een tiental Haarlemse seculieren - onder hen is Beysens, die echter geen woord van sympathie uit -, een paar seculiere priesters uit de twee Brabantse bisdommen, een paar Franciscanen, Dominicanen en Redemptoristen, één Carmeliet, drie kamerleden, een paar Hollandse en Brabantse kooplieden en industriëlen, vooral bierbrouwers.
De 15de April 1912 kwam het eerste nummer uit van Rome, tijdschrift gewijd aan de verdediging der katholieke beginselen onder hoofdredactie van M.A. Thompson, R.K.pr. Het verscheen twee jaar lang om de veertien dagen en werd bij het begin van de derde jaargang, 18 April 1914, een weekblad; dit gaf in April 1915 de geest. Wie bijna veertig jaar na dato de drie jaargangen van Rome doorwerkt, voelt werkelijk iets als schaamte over het peil van een samenleving, die het voortbestaan van zulk een orgaan drie jaar lang heeft gedoogd. Dat het op sommige pastorieën bepaald verslonden moet zijn en dat een geestdriftig leraar van Hageveld zich placht te haasten de hoofdschotel van elk vers-verschenen nummer voor te lezen aan de hem ter vorming gegeven levieten, gelijk
mij door velen dezer verzekerd is, klinkt vandaag ongelooflijk. Immers in heel dit tijdschrift is niets te vinden, wat voor het nageslacht andere dan documentaire waarde heeft. Wie ter bepaling van het wetenschappelijk gehalte der Nederlandse katholieke gemeenschap tussen 1912 en 1915 Rome alleen zou raadplegen, kreeg een eenzijdigongunstige en daarom onjuiste indruk; dit geldt niet minder voor hem, die er de spiritualiteit van de betrokken tijd naar zou beoordelen.
Een wetenschappelijke bijdrage van welke aard ook komt in Rome niet voor. Evenmin een ascetisch opstel of een verhandeling, waarmee het devote leven werkelijk gebaat zou zijn. Dit tijdschrift is niet devoot: waar het de grootheid Gods, de heerlijkheid der Kerk, de betekenis van het pausdom of van de persoon van Pius X verkondigt, komt het nergens boven de weelderige gemeenplaatsen uit. De daverende superlatieven, de schetterende kreten volgen er elkaar in een driftige jacht op. Dit Rome bouwt niet op, maar breekt stelselmatig af. Het bevordert geen beoefening van de gewijde wetenschappen, maar stelt zich ten doel die te remmen. Het wekt geen jongeren op tot geduldig critisch en sceptisch vorsen en tot methodische studie, maar leert hun genoegen nemen met de rinkelende rhetoriek. Het leert elke onvolgroeide seminarist en elke ongeschoolde leek te schermen met de wijsheid, die aan de groten der aarde onthouden en de kinderen geopenbaard is, zich neuswijs te mengen in de discussies der vakgeleerden en mee de vierschaar te spannen over hun publicaties. Als het de nederigheid preekt, zijn het slechts de geleerden, die het zich hebben aan te trekken: de dilettanten zijn als de jongste schepenen en vellen het vonnis. Nooit is er een tijdschrift verschenen, waarin zo stelselmatig aan ongestudeerde leken en niet boven de handboeken uitgekomen kapelaans en pastoors gelegenheid geboden werd om de staf te breken over theologen en philosofen van professie. Geen anti-papistisch pamflet heeft zo stelselmatig de goede naam van voortreffelijke priesters aangerand als dit door een priester geredigeerde, bij uitstek clericale orgaan.
Compositie, toon en strekking van de hoofdartikelen zijn gelijk aan die van de leaders, waarmee De Maasbode onder Thompson placht te openen. Een of ander kerkelijk feest is de aanleiding tot een klaterende reeks van hartstochtelijke perioden, waarvan de volgorde vrij willekeurig is. Niet zelden vormt elke zin een aparte alinea; veelheid van zeer kleine alinea's is trouwens kenmerkend voor journalistiek van het slag, dat in Amerika ‘yellow journalism’ heet, en in het algemeen voor schrijvers, bij wie het hete sentiment onvergelijkelijk vaardiger is dan de redenerende geest. Naar