|
|
|
| |
| | | | | |
Meester der duisternis
Wij weten niet met zekerheid waar en wanneer Jheronimus, de zoon van de
schilder Jan ‘van Aeken’, geboren is. Het staat ten naaste bij vast, dat
zijn leven besloten heeft gelegen tussen de jaren 1450 en 1516 en tussen de
wallen en muren van 's-Hertogenbosch. Wij kennen
het jaar van zijn dood uit een aantekening in de sterfregisters van de
Onze-Lieve-Vrouwebroederschap: ‘Hieronimus Aquens alias Bosch, zeer vermaert
schilder obiit 1516.’
Zijn wij daarmee gerechtigd Jeroen Bosch tot de erflaters van onze
beschaving, tot onze geestelijke voorouders te rekenen? Sommigen zeggen:
nee. Zij zien daarin een trek van heel een grootscheepse geschiedvervalsing,
waaraan de Noordnederlandse historiografie zou schuldig staan door de
economische en culturele bloei van het Zuiden in de middeleeuwen als
voorgeschiedenis van de Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden te
annexeren. Het kan inderdaad verhelderend werken ons erop te bezinnen, dat
deze historische traditie hier eeuwenlang in een kunstmatige bedding is
geleid, maar dat mag ons anderzijds niet blind maken voor het bestaan van
een gemeenschappelijk cultuurbezit van alle Nederlandse gewesten in de
middeleeuwen en voor de verplaatsing van de kern daarvan naar het Noorden
aan het begin van de opstand, gedragen en als het ware gesymboliseerd door
de lijfelijke verplaatsing van het puik der Zuidnederlandse geesten naar het
Noorden. Uitgedrukt en gesymboliseerd ook is die overgang in het
verschijnsel, dat de algemeen Nederlandse taal voor zover die op het eind
der middeleeuwen bestond, overwegend Vlaams-Brabants is om aan het eind van
de 16de eeuw de kleur van het Hollandse taaleigen aan te nemen.
De opvatting die het Noorden zijn aanspraken op de Vlaams-Brabantse erfenis
ontzegt, vindt schijnbaar een sterk argument in de grote afstand tussen het
bewogen en exuberante ‘Vlaamse’ cultuurleven en het deftig-ingetogene van de
Republiek. Maar daarbij ziet men over het hoofd, dat hier niet alleen twee
gebieden, maar ook twee tijden, twee sociale structuren en twee godsdiensten
tegenover elkaar staan. En al zal men er wel nooit in slagen het één
volkomen te ontleden in zijn middeleeuwse, katholieke, volkse én gewestelijk
Vlaamse elementen, het ander in 17de-eeuwse, hervormde,
aristocratisch-burgerlijke én gewestelijk Hollandse, dat neemt niet weg, dat
het middeleeuwse Noorden evengoed zijn boeren- en kloosterkermissen, zijn
landjuwelen en passiespelen, zijn vaganten en heiligen, zijn
kruistochtprediking en heksenverbranding heeft gekend. Dat neemt niet weg,
dat de eerste steunpilaren van een nu zo door en door boven-Moerdijkse
instelling als de hervormde kerk: Marnix, Datheen, Bogerman en
zoveel anderen - uit het leutig Vlaanderen kwamen en dat de Vlaams-Brabantse
magistraten uit hun tijd dezelfde plechtige zwarte tabbaarden droegen als
zij. Want de reformatie | | | | in het Noorden, de contra-reformatie in
het Zuiden hebben, meer dan hun tegenoverstelling zou doen vermoeden, een
zelfde taak vervuld in wat we voorlopig maar de overwinning op de
middeleeuwse geest zullen noemen en de gereformeerde Cats vond geen ijveriger en meer geslaagd navolger dan de
jezuïet Adriaen Poirters in het Zuiden.
Er is een middeleeuws bloeiend Brabant en een middeleeuws boers Holland
geweest, er is een Republiek der Verenigde Nederlanden geweest, waarin
Noord-Brabant een aanhangsel werd van Holland, maar wanneer wij nu de
Brabander Jeroen Bosch tot onze geestelijke voorouders rekenen, dan gaat het
niet om de annexatie van culturele generaliteitslanden ter wille van de
nationale roem, noch om een formeel beroep op het feit dat het tegenwoordige
's-Hertogenbosch alleen in (het tegenwoordige) Nederland thuishoort, maar om
een poging in deze grote Brabander de Nederlander van het einde der
middeleeuwen te benaderen in een gestalte die meer dan Brabants en meer dan
Nederlands was. Wanneer de Duitse kunsthistorici Bosch tot de
‘früh-Holländer’ rekenen, dan begaan zij daarmee de gewone spraakverwarring
die Noord-Nederland aan Holland gelijkstelt, maar geen eigenlijke
begripsverwarring. Komen wij de raadselachtige Bosschenaar dan niet iets
nader, wanneer wij zeggen: Jeroen was een Brabander? Zeker, mits we ons er
van bewust blijven, dat we hier ten dele althans te doen hebben met een
verhelderend - gezichtsbedrog.
De trekken, verwant aan de wereld van Bosch, die wij menen te zien in wat we
kortheidshalve de carnavalsgeest van Brabant, van het Zuiden, zullen noemen,
zijn de volkse trekken die zich gehandhaafd hebben in een achtergeraakt
gebied. Uit die verwantschap is stellig iets te leren voor een beter
begrijpen van Jeroens werk. Maar alleen een zorgvuldige
cultuur-sociologische studie van het maatschappelijk leven in de
middeleeuwse Nederlanden zou ons meer zekerheid kunnen brengen omtrent de
vraag in hoeverre diezelfde trekken ook in Jeroens tijd als typisch Brabants
werden erkend. Welke verschillen bij zo'n onderzoek ook als aankondiging van
de splitsing Noord-Zuid voor de dag zouden komen, reeds een oppervlakkige
kennis van onze middeleeuwse literatuur en toneel overtuigt ons, dat we veel
‘Brabants’ als niet vreemd aan het hele Noorden zullen moeten zien,
overtuigt ons ook, dat de geest der middeleeuwen niet zóveel verder dan het
oppervlakkig wel eens lijkt, verwijderd is van het stugge Noorden als van
een aangelegd cultuur-reservaat als de pallieterij of van de ten bate van de
nijvere middenstand en het vreemdelingenverkeer gegalvaniseerde
vastenavondjool.
Wij spreken van de geest der middeleeuwen, maar mogen wij Bosch een
middeleeuwer noemen? Laten wij daartoe eerst zijn plaats tussen zijn
tijdgenoten iets nader bepalen. Hij moet in ieder geval geboren zijn onder
de regering van Filips de Goede, wiens grote hofschilder en ‘varlet de
chambre’ Jan van Eyck vermoedelijk wel al vóór Bosch' geboorte, in 1441
gestorven was en hij leefde onder het bewind van die reeks van schitterende
Bourgondiërs en Oostenrijkers: Karel de Stoute, Maria, Maximiliaan, Filips
de Schone en Karel v.
Tijdgenoten-schilders uit zijn omgeving waren de Duitse Bruggenaar Hans | | | |

Jeroen Bosch. Tekening door een anoniem kunstenaar in het Receuil d'Arras. Foto Jeroen Bosch Stichting, Den
Bosch.
| | | | Memling (1430-'94), de eveneens naar het Zuiden getrokken
Hollander Gerard David van Oudewater, die in 1523 stierf, zijn jongere
tijdgenoten de geboren of ingekomen Antwerpenaars
Quinten Matsijs (gestorven 1530) en Lucas van Leyden (1494-1533) en Joachim
Patinier (gestorven 1524). In Italië werkten in dezelfde tijd Leonardo en
Botticelli, in Duitsland Dürer en Grünewald. Een tijdgenoot was hij zowel
van Columbus en Vasco da Gama als van Erasmus en
hij stierf aan de vooravond van de kerkhervorming. Maar een rechtstreeks
contact met al deze grote namen krijgen wij nauwelijks als wij het werk en
de schaarse levensbijzonderheden van de Bossche meester overzien. Wij weten
dat Filips de Schone hem in 1504 een opdracht gaf voor een ‘Laatste
Oordeel’, dat de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk een ‘Verzoeking van
de Heilige Antonius’ van hem bezat en dat kort na zijn dood werken van hem
hun weg gevonden hadden naar het Palazzo Grimani te Venetië en naar Spanje
waar een hoveling van Karel v, Felipe Guevara, een
collectie van zijn werken aanlegde. Wij weten dat Lucas Cranach op een reis
naar de Nederlanden in 1508 in Den Bosch een
‘Laatste Oordeel’ van Jeroen (nu in Wenen) zorgvuldig naar tekening en kleur
kopieerde. Wanneer omstreeks 1530 een ware Bosch-mode ontstaat, zien we de
kopiisten vaker aan het werk, zien we landschapschilders hun taferelen met
Bosch-motieven stofferen. Op de mogelijke oorzaken van de Bosch-‘mode’ tot
laat in de 16de eeuw komen wij nog terug. Maar het blijft bij kopiëren en
overnemen van motieven; van een school, van een meester-leerling-verhouding
kan men - met een twijfelachtige uitzondering voor Pieter Brueghel - niet
spreken. Op zijn best kan men een lijn trekken van sommige merkwaardig
atmosferische landschapfragmenten van zijn achtergronden via de eerste
landschapschilder Patinier naar zijn grote Hollandse volgers. Uit dit alles
mag men afleiden, dat Bosch zeker geen onbegrepen figuur is geweest, zijn
werk werd gewaardeerd en bewonderd, maar was blijkbaar te eigen om school te
maken.
De invloed van zijn eeuw op hem valt moeilijker na te speuren. Zijn
aanbiddingen vertonen nog niet de marmeren tempelresten en zuidelijke
landschappen die iets later de invloed der Italiaanse renaissance in het
Noorden aankondigden. Te midden van zijn duivelse gedrochten verrast ons
hier en daar de sierlijke contour van een wit vrouwennaakt, dat
herinneringen aan Botticelli oproept, maar de gelijkenis is, bij zoveel
verschil, al te toevallig. Uit de cactusachtige formaties in zijn
fantastisch landschapsbeeld mogen we misschien afleiden, dat hij geboeid
werd door de wonderen der nieuw ontdekte werelden gelijk Jan Mostaert
(omtrent 1474-1555) wiens fantastisch schilderij ‘De Ontdekking van Amerika’
zich in de collectie Goudstikker te Amsterdam bevond.
Binnen de grenzen der vroeg-Nederlandse schilderkunst blijkt het niet
mogelijk Jeroen in een groep of school onder te brengen. Van zijn beroemde
voorganger Jan van Eyck vinden we hoogstens diens liefde voor het verzorgde
detail terug, maar niets van zijn gloedvolle praal, zijn voorstellingen in
rust die ook voor de andere Vlaamse en Hollandse ‘primitieven’ kenmerkend
zijn; hun annunciaties, hun geboorten en aanbiddingen spelen zich af in
verstild zonnige vertrekken en bloeiende landschappen en ook de naar hun
aard | | | |

Jeroen Bosch. De landloper. Museum Boymans-van
Beuningen, Rotterdam. Foto Jeroen Bosch Stichting, Den
Bosch.
| | | | meer bewogen kruisafnemingen vertonen bijna altijd een
evenwichtig opgestelde groepering, een serene sfeer. Het zijn gesloten,
overzichtelijke taferelen, terwijl de ‘echte’ Bosch, ook al is zijn
compositie allesbehalve rommelig, het dramatisch-fabulerende element
overweegt. Men meent wel een verre verwantschap te zien van zijn dramatische
kruisgangscènes met de schilders van de Keulse school - kwam zijn vader niet
van de Duitse kant? - die ook het aangrijpende motief van de edele, lijdende
Christus tegenover zijn satanische beulen kenden. En - het is waar - Jeroen
heeft niet alleen ‘echte’ Bosschen geschilderd, niet louter satanische, maar
ook de traditionele bijbelse voorstellingen, die althans in hun onderwerp
meer verwantschap tonen met het werk der tijdgenoten. De kunsthistorici
nemen zelfs aan dat er daarvan mogelijk veel meer geweest zijn, die echter
gemakkelijker verloren gingen, omdat ze voor de Boschverzamelaars der 16de
eeuw geen bijzondere waarde hadden. Met name weten wij uit de aantekeningen
in de registers van de Onze-Lieve-Vrouwe-broederschap van St.-Jan, waaruit
we ook zijn sterfjaar kennen, dat hij voor de kathedraal, die onder leiding
van zijn vriend, de bouwmeester Alart Duhameel voltooid werd, zes bijbelse
taferelen schilderde, te weten de ‘Schepping’, ‘Abigaïl bij Salomo’, de
‘Aanbidding der Koningen’, het ‘Beleg van Bethulia’ met de ‘Moord op
Holofernes’, de ‘Vlucht van Holofernes' leger’ en ‘Esther en Ahasverus’. Het
laatste wat van deze stukken bekend werd is, dat Frederik Hendrik, toen hij
in 1629 Den Bosch innam, de uittrekkende katholieke
geestelijkheid toestond ze mee te nemen. Tot de bewaard gebleven bijbelse
voorstellingen behoren onder andere een ‘Geboorte van Christus’ in
halffiguren, een drietal ‘Aanbiddingen der Koningen’ en een van de schatten
van het Rotterdamse Boymans-museum: de ‘Verloren Zoon’, de ‘Landloper’.
Waarin onderscheiden deze traditionele werken zich nu van die van
tijdgenoten? Allereerst vinden we ook hier al, met name in de Madrileense
‘Aanbidding’ iets van het verhalend element in Jeroen: de stal, waarvan ons
de primitieve bouw en de bouwvalligheid als het ware verteld wordt, ook de
illustratieve figuren der nieuwsgierige herders. In zijn voortreffelijke
Bosch-studie, verschenen in De Vrije
Bladen, schreef A.M. Hammacher over
de serene atmosfeer van het werk van Jeroens tijdgenoten: ‘Romantisch is het
te denken, dat zo het hele leven was. De moeilijkheden van het leven der
burgers, het durende geharrewar van adel en geestelijkheid, het gekrakeel in
de kleine steden die beveiliging gaven naar buiten, maar binnen ziek van
twisten, laster en dreiging waren, de ellende der boeren, de onzedelijkheid
in de kloosters, niets van de kwalen des gemenen levens, niets van de
verstorende machten, kwam in deze innige melodietjes tot uiting. Het was
typische kunst voor bepaalde standen, bepaalde geijkte gevoelens van een
arcadisch begrepen christendom. Hiermede heeft Jeroen weinig verband gehad.’
Inderdaad, leggen wij zijn bijbelse voorstellingen naast die van Van Eyck,
Memling of Rogier van der Weyden, dan is het duidelijk dat dit werk niet
alleen uit een andere geest, maar ook uit een ander milieu stamt. De Maria's
en Maria-Magdalena's, de apostelen en heiligen der zuiderlingen zijn in
hou- | | | |

Jeroen Bosch. Het narrenschip. Musée du Louvre,
Parijs. Foto Jeroen Bosch Stichting, Den Bosch.
| | | | ding en gewaad niet minder hoffähig of op zijn minst
burgerlijk-aristocratisch dan hun donator- en portretfiguren, zó dat men
soms zelfs geneigd is tot een spontane verbazing over de betrekkingen van
dit edele gezelschap met de gekruisigde in zijn schamele naaktheid. Hun
koningen zijn vorsten, waaraan Bourgondiërs en Orleansen zich verwant konden
voelen. Een enkele maal krijgt deze aansluiting bij het milieu der
opdrachtgevers zelfs het karakter van een voor ons gevoel profanatische
aanpassing: wanneer bij voorbeeld Jean Fouquet Maria de courtisanegestalte
van Agnes Sorel verleent en het kind laat vasthouden op de wijze van een
dame op bezoek die ieder ogenblik een ‘ongelukje’ vreest.
Wanneer het werk van Bosch daar zo mijlen ver af staat, dan ligt dat mijns
inziens niet alleen aan ‘de verspreide compositie, de linksheid der stijve
figuren, maar bovenal de geestelijke schuchterheid’ die dr. N. Beets als algemene karaktertrekken van de
noorderlingen opmerkt, maar vooral ook aan zijn provincialisme, aan het feit
dat zijn zeer scherpe realistische waarne-mingszin die wij ook in zijn
spookachtige fantasieën zullen terugvinden, hem zijn figuren en motieven aan
zijn omgeving deed ontlenen en dat hij, waar die omgeving te kort schoot,
tot een barok barbarisme verviel: zie hoe hij zijn koningin en hun gevolg
toetakelt. Ook Huizinga heeft in zijn
Herfsttij der middeleeuwen
diezelfde tegenstelling getroffen en hij vraagt zich af, waardoor
er in het werk van de bovengenoemde serene schilders zo weinig terug te
vinden is van het ‘fel en duistere’ beeld der 15de eeuw: ‘de bloedige
wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de krijsende hovaardij en
wraak-gierigheid en de jammerlijke ellende’ die Hugo's Notre
Dame de Paris voor ons opriep. Ter verklaring wijst hij er onder
andere op, dat de bewaarde 15de-eeuwse beeldende kunst overwegend kerkelijk
van karakter is, en dat ons daarentegen de literatuur en het geschiedverhaal
in hun laagste en hoogste uitingen bewaard bleef. Wij zeiden reeds, dat het
ons inziens om een andere tegenstelling gaat, dan die van kerkelijk en
profaan: vergelijking met de kerkelijke kunst van andere tijdperken leert
dat, de niet minder serene portretten van Van Eyck en Memling leren dat; en
valt er niet een soortgelijk weren van het onharmonische, het rauwe, de
schreeuw in de overwegend onkerkelijke beeldende kunst van de eerste helft
der 19de eeuw op te merken? Het karakter der beeldende kunst die het
tijdelijke in het ogenblik vastlegt, eist zeker meer sublimatie der
innerlijke bewogenheid dan de literatuur die klagen, betogen, verhalen kan,
maar we forceren de tegenstelling onnodig, wanneer we bij de beeldende kunst
alleen denken aan altaarstukken en aan het schilderij, zoals het in zijn
vergulde lijst bestemd werd tot versiering van paleis, openbaar gebouw of
patriciërswoning. Ook de tekening, de krabbel, de karikatuur - Da Vinci,
Goya, Daumier, Steinlen, Kollwitz! - hoort ertoe. Daarom, wanneer wij
speuren naar de contactpunten van het fenomeen Bosch met zijn tijd, dan
moeten we die zoeken in die niet minder representatieve beeldende kunst en
in de literatuur, voor zover die beide onmiddellijker interpretaties van het
15de-eeuwse leven geven. We zullen dan zien, zoals de aftrek die zijn werk
in en buiten zijn stad vond, ons al had kunnen doen vermoeden, dat Bosch
niet de grote eenzame was die men, afgaande op zijn | | | | plaats in
de kunstgeschiedenis, wel in hem heeft willen zien: hetzij een in zijn
waanzin vereenzaamde bezetene, hetzij een wrange spotter met de zonden en
verdorvenheid der mensen. Bosch moeten wij zien in zijn verwantschap niet
alleen, maar ook in zijn zichtbare betrekkingen met de ‘kleine’ kunst van
zijn tijd: de boekverluchting, het fabulerende kleine beeldhouwwerk dat de
gotiek omrankt, met de literatuur en vooral ook met die rijke, dramatische
verbeelding van het leven die in de 15de eeuw niet alleen het eigenlijke
toneel, maar de incomste, de optocht, het bont en pralend ceremonieel van de
hoogtijden van het maatschappelijk- en familieleven omvatte. Dan wordt hij
meer dan welke van zijn vakgenoten ook voor ons de beelder der Nederlandse
15de eeuw, eenzaam, beter: oorspronkelijk, slechts in zoverre als het
zelfbewustzijn van het genie hem ertoe dreef, onafhankelijk van
vaktradities, gelijk Rembrandt ‘alleen en op hemselven’ te werken. Maar
laten wij voorzichtig zijn: niet aan de 15de eeuw zelf kunnen wij de waarde
van Jeroens vertegenwoordiging van zijn tijd meten, maar slechts aan het
beeld dat wij er ons van vormden. Bosch is betrekkelijk onlangs nieuw
ontdekt en in de mode geraakt. Ook wanneer we van die rage een behoorlijk
procent snobisme en kunsthandelspeculatie aftrekken, blijft er een reële
verwantschap over tussen de ‘duistere’ Bosch en de verduistering van een
tijd zonder normen en zekerheden als de onze. Wordt Bosch voor ons de 15de
eeuw, omdat wij de meest verwante 15de eeuw in hem vermoeden, omdat zijn
rijke voorstellingswereld hedendaagse kunstkenners en literaten, psychiaters
en spiritisten boeit? Deze twijfel zou gerechtvaardigd zijn, wanneer de
kunstgeschiedenis onze enige bron van kennis van de middeleeuwse geest was.
Nu dat niet het geval is, kunnen we voorlopig alvast zeggen, dat er grote
gebieden van het middeleeuwse leven zijn die we bij Bosch wel, bij zijn
kunstbroeders niet terugvinden.
Laten we eens overzien welke dat zijn. Jeroens bijbelse taferelen deden ons
al besluiten, dat zijn werk kennelijk voor en te midden van een ander
maatschappelijk milieu gemaakt is dan dat van de zuidelijke en naar het
zuiden getrokken eeuwgenoten. Wij zouden het volkser willen noemen, mits men
dat niet in een te moderne zin wil verstaan, het is maatschappelijk
onbevangener, vrij van de terughoudendheid en vormelijkheid die staat en
stand afdwongen. Hij is exuberanter en feller, maar minder stijlvol.
Daardoor vertoont zijn werk ons niet alleen andere, in kleding en voorkomen
minder aristocratische figuren, maar ook de hartstochten en gebaren die de
aristocratische mens pleegt te beheersen; zijn werk vertegenwoordigt naast
de gepurifieerde, soms liefelijk vrome, soms verstard-vormelijke aanbidding,
de demonische bewogenheid van de betrekkingen der middeleeuwse mensheid tot
het gevreesde bovennatuurlijke en het moeilijk bedwongen natuurlijke.
Onze middeleeuwse godsdienstgeschiedenis, onze gehele middeleeuwse
geschiedenis berust overwegend op kerkelijke bronnen. Zolang de oprechtheid
daarvan met de waarheid verward werd, moesten we wel een zeer scheve
voorstelling krijgen van het middeleeuws geestelijk leven, met name van de
rol die oude heidense voorstellingen daarin bleven spelen. Eeuwenlang heeft
de kerk een hardnekkige strijd gevoerd tegen een taai geworteld animisme dat
ze nu eens als hekserij en tovenarij, dan als ketterij verdoemde en dat zij
in | | | | een langdurig en pijnlijk proces ten dele door assimilatie,
ten dele door onderdrukking terugbracht tot wat er nu nog als onschuldig
bijgeloof en nu zelfs weer zorgvuldig aangekweekte folklore voortleeft. Het
is overbekend, dat men ook lang na de kerstening van Europa zich de natuur
bevolkt dacht door soms goedgezinde, maar meestal boosaardige geesten en het
zal zeker ook menig middeleeuws geestelijke niet gegeven zijn geweest deze
heidense geesten te onderscheiden van Lucifer en zijn trawanten, de schaar
der gevallen engelen, die naar de leer der kerk de dubbele rol én van
vertegenwoordigers van of verzoekers tot het kwaad én van beulsknechten bij
het laatste oordeel vervullen. Niet minder moeilijk was het, en ook dat niet
alleen voor de leken, het onderscheid te handhaven in de middelen waarmee
deze boze geesten bestreden konden worden: toverformules, bezweringen, en
amuletten enerzijds, de gezegende middelen der kerk: gebeden en wonderdoende
relikwieën anderzijds. Daarbij kwam, dat men ook geen wezenlijk verschil zag
tussen de verwerpelijke resten van het oude geloof en de afdwalingen van het
nieuwe: ketterij, tovenarij, hekserij - de verwarring der benamingen bewijst
het - werden als één zelfde gruwelijke macht en doodzonde gevreesd en het
was zeker niet het minst die angst voor de machten der duisternis, die
kettervervolgingen en heksenprocessen ontketende en soms als een epidemie
deed voortwoeden. Maar - wij zeiden het al - het duivelsgebroed had nog een
tweede minder negatieve rol: zij zijn de voltrekkers van het goddelijk
doemvonnis. En als zodanig kan de kerk in het leiden der gelovigen hen niet
ontberen: de heidense angst voor de altijd dreigende geesteswereld
kanaliseert zij in de angst voor duivel en hel en die angst voor de
baarlijke duivel en zijn trawanten wordt systematisch en met naar ons
gevoelen uiterst plastische en grove middelen levendig gehouden, zodat de
middeleeuwse geest niet minder vervuld is van deze gestalte der duisternis
dan van de hemelse verschijning van Beëlzebubs grote tegenstandster Maria en
haar stoet van heiligen die even onmiddellijk in zijn dagelijks leven
betrokken zijn.
Men moet zich deze duivelsgestalten vooral niet denken als personifiëringen
van het Boze. Hun lijfelijke aanwezigheid werd met ogen, oren en neus
waargenomen en in realistische taal beschreven. In de loop der eeuwen
verschuift het duivelsbeeld van een (meer heidense?) dierlijke voorstelling,
slang of drank, zoals we die al in de catacomben vinden, naar een meer
menselijke gedaante, maar met behoud van bepaalde dierlijke kentekenen:
horens, paardevoet of klauwen, staart, met behoud ook van het vermogen
allerlei dierlijke en half dierlijke gestalten aan te nemen. In menselijke
gedaante vindt men de lijfelijke duivel bij voorbeeld al in het beroemde
Utrechtse psalter uit de 9de eeuw en in vele
handschrift-miniaturen van later eeuwen. In de 11de eeuw verschijnt hij in
allerlei fantastisch gedrochtelijke gestalten op de kapitelen en timpanen
der Romaanse kerken, om geleidelijk zijn vaste rol te krijgen in de buiten-
en binnenarchitectuur der kerken: aan spuiers, balustraden en koorbanken.
Deze duivels werden geschapen met minder decoratieve bedoeling dan wij er nu
in waarderen; moeten we toch aannemen, dat voor de middeleeuwer de
verschijning van een duivel op het dak niet onmogelijker was dan voor ons
die van een ooievaar. In het klooster Aduard (bij
| | | |

Jeroen Bosch. De goochelaar. Musée Municipal, St.
Germain-en-Laye. Foto Jeroen Bosch Stichting, Den
Bosch.
| | | |
Groningen) zag volgens de kroniek van een onbekende
monnik een kloosterling twee duivels op het dak zitten en luisterde hun
gesprek af: de één vertelde, dat hij wat uitrustte van de vruchteloze strijd
om de ziel van een juist gestorven monnik die hij ter helle had willen
slepen. ‘Ja,’ antwoordde de ander, ‘zo iets is mij onlangs in Hongarije ook
overkomen.’
Een gedetailleerde voorstelling van het bedrijf der duivelen krijgen we uit
de literatuur en vooral uit het drama. Beroemde duivel- en helverhalen waren
het boek Van eenen Ridder, hiet Tondalus,
waarin een uitvoerig visioen van de ‘helse pit’, de geschiedenis van
Theophilus
en de
Reis van Sinte Brandaen
. Ook in het 13de-eeuwse rijmwerk
Van den Levene ons Heren
wordt een hellegang in gruwelijke kleuren beschreven. Maar het
meest reële contact met de duivelenwereld kreeg de late middeleeuwer in het
drama, zoals dat door broederschappen van lekespelers en rederijkerskamers
werd opgevoerd. In de oudere 14de-eeuwse drama's is de duivel nog de
ernstige figuur van de gevallen engel en hellevorst, maar wanneer in het
15de-eeuwse drama zijn trawanten de verloren zielen ketting-rammelend en
gillend van helse vreugde het toneel afslepen, dreigend uitgedost met horens
en klauwen, waarvan we de rekeningen nog in de boeken der kamer terug kunnen
vinden, dan blijft het voor ons onzeker of het publiek daarbij lach- of
angststuipen kreeg. Hier en daar, met name in het spel van Marieke van Nimwegen, treedt de duivel in een
diepzinniger en ironischer, een meer mefistofelische gestalte op, terwijl in
het rederijkersdrama, waarin, zoals in de hele poëzie der kamers, het
zinnebeeld een grote rol speelt, ook de duivels die nu vaak ‘sinnekens’
heten, meer het karakter krijgen van verpersoonlijkte ondeugden, waarnaast
verpersoonlijkte deugden optreden. In het
Spel van den Heiligen Sacramente vander Nyeuwervaert
vertegenwoordigen ‘Sondich Becoren’ en ‘Belet van Deughden’ de
actieve en de passieve zonde, in het geheel en al zinnebeeldige spel van
Elckerlijc
treedt een meer gedifferentieerde stoet van deugden en ondeugden
op.
Om tot Bosch terug te komen: de stap is niet zo groot het is duidelijk, dat
wij hier in de illustratieve kunst, in de literatuur en het drama zijn werk
veel beter kunnen plaatsen dan in de schilderkunst van zijn tijd. Zijn
bizarre contaminaties van plant, dier en mens schijnen de bekroning van een
ontwikkeling die inzet met de decoratieve, maar voor de makers niettemin
magisch geladen diermotieven der oud-Germaanse sierkunst. In de
randversiering van middeleeuwse psalter- en keurboeken, in de
bouwornamentiek komt een menselijk en daarmee een zinvol en satiriek element
in deze figuren. Met een voor ons nu onbegrijpelijke versmelting van
wetenschap en fabel nam de 13de-eeuwse geleerde Thomas
van Cantimpré al deze gedrochten netjes gerubriceerd in zijn
De natura rerum
op, dat met een ‘Liber de hominibus monstruosis’ begint. Maerlant gaf een vertaling van dit werk in zijn
Der Nature Bloeme
die, blijkens de vele bewaarde handschriften, zeer populair is
geweest. Daarmee is niet gezegd, dat Bosch het gekend heeft, zoals we wel
vrij zeker weten van het in 1484 te Den Bosch gedrukte Visioen van Tondalus, maar de toon ervan doet
ons beseffen hoe vertrouwd en gewoon deze fantastische gestalten voor de
geest der middeleeuwen waren:
| | | |
Ander volc es daer geboeren
Met enen voete ende niet mere;
Nochtan is die voet so breet,
Dat si jeghen die sonne heet
Waer dat si rusten in enighe stede.
De geest der middeleeuwen, zeggen we, en was Bosch niet
meer dan twee eeuwen jonger dan Maerlant, ruim een eeuw jonger dan Geert Groote, die we de laatste middeleeuwer hebben
genoemd? Dienen wij ons dan, wanneer wij zijn werk willen benaderen, niet
liever te beperken tot de geest der 15de eeuw? Maar de 15de eeuw is de eeuw
der grote ontdekkingen, de eeuw van de boekdrukkunst, van de moderne devotie
met haar ‘uitgesproken morele en intellectuele properheid en zakelijkheid’,
de eeuw van Erasmus, een eeuw van rationalisatie
zouden wij nu zeggen. Wat brengt ons dat alles nader tot die ‘bezeten’
uitbeelder van de ‘diepste schoot der helle’?
Van twee kanten laat zich deze kloof overbruggen. Van de ene kant: er was ook
een andere 15de eeuw; naast de opkomende burgerij stond het wankelend
feodalisme en de op dat feodalisme stoelende clerus. Naast het verlangen
naar zuivering van geloof en zeden stond - begrijpelijkerwijs -
geloofsverwarring en verliederlijking, naast het streven naar
kennisvermeerdering stond de botte bekrompenheid der gevestigden, de
bijgelovige stompzinnigheid der ‘schamelen’, die nu eens achter de vaan van
hun redelijke verlangens, dan weer voor hun opgezweepte angst uit te hoop
liepen. De 15de eeuw is óók de eeuw van het ergste verval der kerk, de eeuw
waarin het vuur van de heksen- en ketterbrandstapels hoger oplaaide dan ooit
tevoren en de tovenarij en de verdenking van tovenarij als een ziekte tot in
de hofkringen doorwoekerde. Het is een eeuw die meer dan welke ook, met
uitzondering misschien alleen van de onze, zich niet naar haar geest, maar
naar haar geesten, alleen in tegenstellingen laat beschrijven.
Van de andere kant: Jeroen. Welke van de geesten van zijn eeuw leeft er in
zijn werk? Alleen die middeleeuwse geest van de in de vreze des duivels
levende demonomaan? Bezien wij zijn zelfportret.
Een doorleefd gezicht van een man-op-jaren, ernstig, maar zonder iets van een
sombere waan, intelligent en ironisch vooral. En zijn werk? Er is meer
bezetenheid in de tragische apostelmaskers van Hugo van der Goes, de
melancholicus, dan in de misdadigerskarikaturen waarin Bosch de boze wereld
tegenover de lijdende Christus objectiveert. Maar ook zijn ‘duvelrieën’ zijn
nooit werkelijk bezeten. Ze zijn er te doordacht van constructie, te
veelzijdig van geest voor. Over Bosch' techniek hebben meer deskundigen dan
ik de pen gevoerd. Friedländer wijst op de
‘ouderwetse’ elementen in zijn compositie: de hoge horizon en de etagebouw
om ruimte te scheppen die anderen al in de diepte hadden gevonden; hij
bewondert zijn transparante kleur en de scherpte van zijn vormgeving die hem
in staat stellen de fijnste verhalende nuances van zijn voorstellingen uit
te drukken. Hammacher had de gelukki- | | | | ge inval Jeroens stijl eigenaardigheden in verband te brengen met de
mogelijkheid, dat hij oorspronkelijk glazenier van ambacht zou zijn geweest.
Een typisch laat-middeleeuws stijlelement dat deze verhalende schilder met
de verhalende schrijvers deelt, is zijn zin voor het ophopen van motieven,
zodat we die als het ware stuk voor stuk van zijn paneel moeten aflezen.
Maar waar dit in de literatuur en in de wetenschap vaak tot een rommelige
opsomming voert, verliest Bosch, of hij nu glazenier geweest is of niet,
nooit zijn raam uit het oog en componeert zijn fabels tot groepen die elkaar
in evenwicht houden.
Maar meer dan in zijn techniek vertegenwoordigt Bosch de 15de eeuw in zijn
veelzijdigheid van geest. Als een kristallen bol staat dit wonderdadig
waarnemingsvermogen te midden van het leven, zoals het zich manifesteert in
de microcosmos van een provinciestad en spiegelt het krioelend, vlammend,
transparant, bont en warrelend, maar nooit in rust en nooit vlak. Het is een
veelzijdigheid van geest die niets te maken heeft met de moderne ruimheid
van opvatting zonder overtuiging die zich alles kan indenken. Ja, misschien
moeten wij ons afvragen of die veelzijdigheid niet louter gezichtsbedrog is
tegenover een eenheid die wij alleen nog maar in zijn samenstellende delen
kunnen waarnemen.
Wij komen Jeroen en zijn tijd niet nader, wanneer wij vragen: geloofde hij in
zijn spoken - of niet? Schiep hij ze om zijn angsten buiten zich zelf te
stellen of met de moraliserende bedoeling de beschouwer schrik aan te jagen?
Zijn het afbeeldingen, verbeeldingen of zinnebeelden? Want dat zijn alle
vragen waarop geen enkelvoudig antwoord past. Vier eeuwen rationalisering
van het geestesleven scheiden ons van Jeroens tijd. Er is nog maar één punt
waar die beide werelden elkaar raken: in het gedachtenleven van het kind.
Alleen de mens in wie de herinnering levend is gebleven aan de tijd, toen
zijn zinnelijke associaties nog niet teruggeduwd werden door zijn
controlerend verstand, staat niet vreemd tegenover Bosch. Werden niet de
grillige bloemen op het behangselpapier van een vreemde logeerkamer, de
schurft-achtige plekken op een uitgeslagen keldermuur tot precies zulke
monsters als de kwelgeesten van de heilige Antonius, griezelig en vertrouwd
tegelijk in hun bizarre samenstel van gewone dagelijkse dingen? Kennen wij
de boommensen niet sinds de dag, dat we, voor het eerst 's avonds op straat,
klaar wakker en gedesoriënteerd, zagen hoe giftig het groen en hoe diep de
schaduwen werden in de vanonder belichte boomkruinen? Onze opvoeders hebben
nauwelijks woorden nodig gehad om deze voorstellingen voor ons los te maken
van de realiteit. In de geest van de middeleeuwen werden ze door geloof en
bijgeloof voortdurend naar de werkelijkheid toegehaald. Bij het lezen van
het idyllische kerstlied, bij het zien van het naïef realisme der bijbelse
voorstelling, bij de voor een calvinistisch geschoolde geest soms
ontstellende vermenging van zinne- en zieleleven, spreken wij getroffen van
de middeleeuwse gemeenzaamheid met het heilige; maar daarnaast en
daardoorheen leefde een even grote gemeenzaamheid met het duivelse. In de
gemeenzaamheid met het heilige kon de kunstenaar innige devotie met redeloze
offerzucht, aardse liefde en wereldse ijdelheid tot één ondeelbaar schoon
maken, | | | |

Jeroen Bosch. Het narrenschip in vlammen. Akademie
der bildende Künste, Wenen. Foto Jeroen Bosch Stichting, Den
Bosch.
| | | | in de gemeenzaamheid met het duivelse vielen dierlijke angst,
sensatiezucht en gewetenswroeging samen. Hebben Jeroens tijdgenoten hem
liefgehad, omdat hij alleen ook het duivelse gevoelscomplex, tot nu toe
slechts benaderd in de voorbijgaande werveling van het toneelspel,
objectiveerde en buiten hen stelde in de - betrekkelijke - rust van zijn
beeld? Ook dat zeker, maar als wij goed zien, was er toch meer. Juist in de
vijftiende eeuw begint het rationalisme, drijvende kracht van het
economisch, het sociale en ook het geestelijk leven der burgerlijke
maatschappij, die beide gevoelscomplexen die we hierboven het heilige en het
duivelse hebben genoemd in hun ondeelbaarheid aan te tasten. In de sfeer van
het heilige manifesteert die ontwikkeling zich het duidelijkst in de wereld
van de broederschap des gemenen levens. Niet minder streng dan de
voorafgaande kloosterhervormers verwerpen zij weeldezucht en
verliederlijking der geestelijkheid, maar als zij aanvankelijk al in hun
‘versmaadheid’ en ‘verkleining’ (zie blz. 36) verwant zijn aan de nutteloze
zelfverguizing van de vervuilde bedelmonnik, op den duur vertoont zich juist
zo in deze kring een, men zou bijna zeggen, burgerlijke zin voor properheid,
die bij hun geestelijke nazaat Erasmus tot een
voorkeur voor een ingetogen, maar goed verzorgd leven is geworden. In de
schilderkunst - met name die van het Noorden - begint iets verloren te gaan
van de argeloosheid waarmee men Maria tot een bloeiende hemelse - maar ook
aardse - majesteit kroonde. De hervorming, maar ook de contra-reformatie,
die de profane muziek uit de kerk bande, zouden in hun streven naar
zuivering van geloofsleer en -leven die rationalisatie verder voortzetten.
Diezelfde vergeestelijkende rationalisatie nu zien we in de duivelse sfeer.
We wezen er al enige elementen van aan: de overgang van de baarlijke duivels
naar zinnebeelden van zonden op het toneel, het toenemend
ethisch-zinnebeeldig en didactisch beredeneerd karakter van de literatuur.
Hier nu ligt mijns inziens de kern van Jeroens grootheid, dat hij deze
groeiende gedachte in haar groeivorm heeft kunnen geven. Het is de kern van
iedere wezenlijk artistieke en wetenschappelijke grootheid, omdat immers
iedere gedachte een groeiende gedachte is, die zich tegen een statische
vormgeving verzet. In Shakespeares Shylock steekt evengoed de clown die zijn
tijdgenoten erin zagen als de tragische figuur die het nageslacht erin heeft
leren zien. En de kunstenaar Jeroen Bosch die het duivelse vorm gaf niet
slechts in de statische emblemen van paardepoot en vuurhaak, maar in de
speelse en dwingende associaties en contaminaties van een nog niet door de
rede getemde fantasie en met dat meest geestelijke uitdrukkingsmiddel der
plastische kunsten: de atmosfeer, kon Erasmus en de 20ste-eeuwse ongelovige
evenzeer doen huiveren als zijn tijdgenoten, de bijgelovige Lodewijk xi of de bigotte nonnetjes van het Orthenconvent van
Den Bosch.
Naar zijn uitgangspunt is Bosch realist, grondslag van al zijn scheppen is
een uiterst gevoelig waarnemingsvermogen. Daarom alleen al zouden wij hem
als Nederlander mogen opeisen. Maar als de beste Nederlanders blijft hij
daar niet bij. Wij hebben geen enkel gedateerd stuk van Bosch, toch geloof
ik, dat we veilig gaan, wanneer we het tafelblad in het Escoriaal met de
zeven hoofdzonden aan het begin van zijn loopbaan plaatsen. Het zijn nau- | | | | welijks gechargeerde genre-achtige tafereeltjes, zoals hij ze om
zich heen kijkend in de microcosmos van een kleine middeleeuwse stad te kust
en te keur kon ‘nemen’: de rommelige overdaad van de vraatzucht, het
verzorgde interieur van het zich tooiende vrouwtje dat de Hovaardij
voorstelt en waarin zelfs de duivel die de spiegel vasthoudt, niets
bovennatuurlijks krijgt, maar een zakelijk verantwoord detail is als een
hond of een kat.
Van deze realistische tafereeltjes uit zouden wij graag een ontwikkeling in
het werk van Bosch zien, maar wij kunnen die slechts construeren of liever
we moeten het laten bij de indruk, dat ander werk ons als rijper, dieper én
virtuozer treft. Ook onderling zien we hier geen lijn. De ‘Verloren Zoon’
naast de taferelen van de hoofdzonden doet zich aan ons voor als een
uiterste verinniging van het realisme. Dit wonderlijke, grauwe paneeltje
waarin de emotionele stemming en de natuurlijke atmosfeer van het landschap
zo volmaakt inéénvloeien en waarin ook de verhalende elementen zo zuiver in
het beeld zijn opgenomen, kunnen we ons alleen denken als het werk van een
rijp meester en een rijp mens. Een overgang naar de duvelrijen, niet als een
stadium in de ontwikkeling van de schilder, maar als een steunpunt voor ons
begrip, vinden we in de grisailles, zoals die twee paneeltjes in het museum
Boymans, vooral: de ‘Zondvloed’. De - zuiver realistische - voorstelling van
de gezwollen lijken van mens en dier en de nieuwsgierige gretigheid waarmee
de uit de ark ontsnappende dieren op de kadavers aanvallen, is op zich zelf
overtuigend genoeg. Maar veel suggestiever nog werkt de toon van het grijs
op grijs, huiveringwekkend in het slijkig land des doods op de voorgrond,
oplichtend in de beweging der dravende dieren, verijlend in de door de storm
gezuiverde lucht achter het donker silhouet van de ark. Men behoeft niet in
de naderende ondergang der wereld te geloven om even huiverend voor dit
paneeltje te blijven staan. Het omvat de groeiende gedachte der
vergankelijkheid in al zijn aspecten.
Deze eenwording van de aspecten van werkelijkheid en symboliek, van verhalend
detail en suggestieve atmosfeer voert Bosch in zijn ‘duvelrijen’ op tot een
meesterlijk geregisseerde ‘incomste’ van alle menselijke zwakheden en
hartstochten. Zijn tijdgenoten moeten deze stukken, de ‘Verzoekingen van de
heilige Antonius’, waarvan het altaarstuk in het museum te Lissabon het
rijkste en rijpste is, de ‘Tuin der Lusten’ (Escorial) en de ‘Hooiwagen’
(Escorial), wel onmiddellijk dierbaar geweest zijn om hun dramatische
werking. Heel het laat-middeleeuwse leven was dramatisch van toon, moest dat
wel worden in de besloten, volgepropte steden waar men half op straat leefde
en werkte te midden van zijn medeburgers, zijn huisdieren, het verkeer, in
de overvolle gezinnen die bejaarden en hulpbehoevende verwanten, meiden en
knechts omvatten. In die enge wereld van tegenstrevende gevoelens en
botsende hartstochten leeft een dramatiek die slechts in de verte verwant is
aan ons toestanden en conflicten uitbeeldend toneel, een dramatiek waarin
kunst en leven samenvallen in het zoeken naar uitdrukkingsmiddelen voor een
bewogen innerlijk, een dramatiek van gevaren en symbolen, zoals die het
langst in het getto is blijven leven.
Dit dramatisch gebaar der dagelijkse werkelijkheid vormt het materiaal | | | | van Bosch' ‘visioenen’. Het zijn als het ware de vertrouwde
letters waarmee hij zijn tovertaal schreef. Uit de weinige schetsbladen die
van hem bewaard bleven, weten wij, dat hij er zich inderdaad op heeft
toegelegd dat gebaar te betrappen. De herhaling van de eigen vertrouwde
gebaren, dreigende, sluipende, loerende, lokkende en spottende gebaren in
vrouwennaakt en verdierlijkte duivelsgestalten hebben niet alleen Jeroens
middeleeuwse tijdgenoten doen sidderen. We vermeldden al eerder wat Friedländer een ‘höfische Neigung zu unterhaltender
Absurdität’ noemde, die omstreeks 1550 inzet. Het is de vraag of deze rage,
die in het bijzonder de Habsburgse hoven beving en waaraan wij ons spaarzaam
bewaard gebleven Boschbezit te danken hebben, louter een modegril is
geweest. Het kan welhaast geen toeval zijn, dat deze ‘mode’ juist inzet in
de jaren dat de volgelingen van Ignatius van Loyola een begin maken met hun
grote taak als vorstelijke biechtvaders der Europese politiek in dienst te
stellen van de idealen der contra-reformatie en dat de grootste verzameling
‘duivels’ en ‘Bosco's’ bijeengebracht wordt aan het hof van Filips ii die niet alleen het zestal uit de nalatenschap van
Felipe Guevara verwierf, maar zich ook meester maakte van de stukken uit
Oranjes geconfisqueerd bezit. Want was het niet juist Ignatius geweest die
in zijn moderne systematisering van het daadwerkelijk geloofsleven ook de
oude middeleeuwse hellevrees gesystematiseerd had? Zijn Exercitia spiritualia vangen aan meteen ‘oefening’ waarbij de
leerling allereerst ‘met de blik der verbeelding’ lengte, breedte en diepte
der hel meet, om dan haar gruwelen met elk van zijn zintuigen in zich op te
nemen naar een in punten geordend systeem. Daarom was het ook geen toeval,
dat de voorkeur van de duister-vrome Habsburger zich juist richtte op Bosch
en zijn in deze jaren talrijk opschietende kopiisten en navolgers en niet op
oudere schilders van laatste oordelen. Want wat wij het groeiende, het
veelzijdige, de eenwording der aspecten in Bosch hebben genoemd, dat ging in
de ogen van een volgend geslacht betekenen, dat hij niet alleen het oude,
het middeleeuwse en het onmiddellijk-voorhandene had vastgelegd, maar dat
hij het alles ook had aangezien met de geest van de nieuwe mens die de
jezuïet zo goed als de ketter in de 16de eeuw zijn wilde: met de kritische
blik der ironie, met de diepe ernst van wie een nieuwe zin ontdekt in
versleten symbolen en vooral met wat misschien de grootste winst van de
nieuwe mens was: de zin voor ordening van voorstellingen en begrippen die
bij Bosch tot de meesterlijk beheerste apotheose wordt. De schoonste van die
apotheosen is misschien wel het machtig geordend visioen dat de ‘Hooiwagen’
wordt genoemd. Hoofdmotief is het grote moment in het dramatische leven van
de middeleeuwse stad: de incomste, maar hier niet van vorst of
rederijkersstoet, maar gepersifleerd in de zinnebeeldige praalwagen met de
last hooi: de vergankelijkheid van het aards bestaan. Uitdagend echt staat
de wankele wagen door boeren met hooivorken gesteund midden op het paneel.
Van eenzelfde dramatische echtheid zijn de nevenmotieven: de vechtende,
dansende, schransende, minnekozende groepen op en onder en om de wagen en
voor de realistisch gelovigen moeten de engel zonder hoofd en de pijpende
duivel, die de vrijage op de hooiberg flankeren, moet de drom van helse
spooksels die de wagen voorttrekt, even tast- | | | |

De Markt in Den Bosch. In de huizenrij
rechtsboven bevindt zich Bosch' woning ‘'t Root Cruys’. Schilderij
door een anoniem kunstenaar. Noordbrabants Museum, Den
Bosch.
| | | | baar echt geweest zijn.
Maar het genie van Jeroen Bosch komt ver uit boven de dramatische uitbeelding
van de Boze en verzinnebeelding van het boze naar de geest der
rederijkerskamers. Hij zag als de besten van zijn eeuw met de haat die
liefde is, dat de Boze zijn kwaadaardigste gestalten aannam in de heb- en
heerszucht van de machtigen, in de verliederlijking der kerk. Daarom stuwt
vlak achter de wagen de trotse stoet der aardse groten, vorsten en prelaten.
Jeroen gebruikt zijn symbolen niet om te bemantelen, maar om te onthullen,
ze zijn zo op de man af, dat de hatelijke gestalten waarin een misbruikt
volk de parasiterende geestelijkheid zag en ziet, harmonisch worden
opgenomen in dit machtig visioen: in de drom der dwazen ontdekken we de
zatgevreten monnik en de non met een kind in de arm uit de laat-middeleeuwse
klucht - dezelfde die de rationeel vergeestelijkte noorderling ontsteld en
gechoqueerd in de moderne Spaanse poppenkast terugvindt.
Dit is niet het levensverhaal van Jeroen Bosch wiens leven wij niet kennen.
Het is niet meer dan een poging om uit zijn gebrekkig bewaard oeuvre zijn
geest op te roepen. Wanneer wij die geest een Nederlandse geest noemen, dan
niet uit ‘Hollands’ annexionisme, maar uit de overtuiging hem zó het
zuiverst te benaderen. Want wanneer wij de geest van Bosch in één woord
zouden moeten samenvatten, dan zou het zijn: een ziener. Maar dan met aftrek
van alle hoogdravendheid, die dit woord zo gemakkelijk aankleeft en met
inbegrip van zijn meest directe betekenis. Bosch was een man-die-zag, een
van de eerste grote dragers van dat meest eigen aandeel in de Europese
beschaving van het Nederlandse volk: de kunst van het waarnemen. Een kunst
die zich al te vaak voordoet als een banale boekhouding der werkelijkheid,
maar die zich in Bosch in zijn hoogste potentie vertoont. Jeroen zag en
onder zijn blik werden de dagelijkse vormen en gebaren van dingen en mensen
tot de uitdrukking van hun zin en wezen. Hij nam waar en het waargenomene
groeide in hem tot het ontstellend beeld van het onzienlijke. Hij was een
man die zag en een ziener.
|
|
|