|
|
|
| |
| | | | | |
Prediker der rede
Geen profeet is geëerd in zijn eigen land. Gaat dit spreekwoord ook voor
Erasmus op? De vraag is niet met een enkel
‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Ja, zouden wij zeggen, voorzover
terzelfdertijd, dat pausen en keizers, koningen en kardinalen het zich tot
een eer rekenen om hem te bezoeken of te ontvangen, de drie grootste
schilders - Quinten Matsijs, Holbein en Dürer - om hem te etsen of te
schilderen en de beroemdste geleerden hun roem pas volmaakt achtten als zij
een brief van de alom gevierde humanist konden tonen, er onder zijn
Nederlandse relaties en correspondenten enkel tweede- en derderangs figuren
zijn aan te wijzen en dan nog meest mensen die hij in zijn jeugd gekend had.
Vóór het jaar 1530 zijn ook niet meer dan drie van zijn geschriften in het
Nederlands vertaald. Het houten beeld vóór zijn geboortehuis dateert pas van
1549 en schijnt meer opgericht ter ere van de intocht van Filips ii dan van Erasmus, terwijl het bekende koperen beeld op
de Markt te Rotterdam van de hand van Hendrik de Keyser dat het oude
arduinen verving, er pas in 1622 is neergezet en dat nog niet zonder hevige
protesten van de zijde der calvinistische predikanten. Erasmus zag het ook
zelf zo. ‘Ginds’ - en hij bedoelde daarmee zijn vaderland - ‘ginds,’ schreef
hij eens, ‘verachten mij die botteriken en onwetenden die menen, dat de
gehele vroomheid in een monnikskap en in droefgeestigheid gelegen is; niets
is zo gemakkelijk als te minachten wat vreemd is, niets ook zo stompzinnig.’
Nee, zouden wij daarentegen willen zeggen, hij is wel degelijk geëerd in zijn
eigen land, voorzover hij op den duur misschien hier alleen begrepen is,
wanneer we daaronder althans willen verstaan, dat alleen hier in Nederland
iets van zijn geest in het openbare leven is doorgedrongen. Reeds vóór zijn
dood is de Amsterdamse regering ‘erasmiaans gezind’, en ‘erasmiaanse’
predikers aanstellende tegenover de wederdopers, laat zij die gezindheid tot
diep in het volk zinken. De gematigdheid van Willem van Oranje en zijn
intieme raadgevers in godsdienstzaken als Marnix
en Villiers is van erasmiaanse huize. Van
Erasmus' vriend Nicolaas Everard, voorzitter van het Hof van Holland, is de
erasmiaanse dichter Janus Secundus de tweede
zoon. Een Coornhert en een Spieghel werken en, wat meer zegt, leven hier in
zijn geest. Terwijl in het buitenland in de 17de en vooral in de 18de eeuw
de tolerantiegedachte bij een Leibniz en een Lessing, een Shaftesbury en een
Hume, een Rousseau en een Voltaire opnieuw ontluikt, zonder verband met
Erasmus, uit de overwinning van of de voorbereiding tot de burgerlijke
beschaving, vormen te onzent de genoemden alsmede de beide Hoofts, de beide
Huygens', Huig de Groot en Vondel, De Witt en Spinoza, Bayle, een Fransman wel, maar naar hier
gevlucht om zijn vrijheidszin, de schakels tussen Erasmus' principiële
verdraagzaamheid en de tolerantie der 18de eeuw en deze weer met de ethische
en | | | | moderne theologen uit de 19de. Zij allen, die het geestelijk
en maatschappelijk leven hier diep beïnvloed hebben, zijn zonder Erasmus
moeilijk denkbaar, ook dan, wanneer zij zich zijn invloed niet of slechts
ten dele bewust zijn geweest.
In die laatste toevoeging, ik erken het, schuilt dan echter weer een
beperking van zijn invloed, omdat men het ook zó kan stellen, dat niet zij
de voetsporen van Erasmus drukten, maar dat hen hetzelfde bewoog wat Erasmus
had bewogen. Het laat zich niet bewijzen, dat bij voorbeeld Oranje Erasmus
gelezen heeft, al noemt men het waarschijnlijk. Veiliger is het daarom te
zeggen, dat Erasmus bepaalde elementen van een algemeen-Nederlandse geest op
bijzondere wijze tot uitdrukking heeft gebracht; elementen die in laatste
instantie berustten op het burgerlijk karakter dat de Nederlandse beschaving
aangenomen heeft, eigenlijk reeds op het punt waarop men van een beschaving
in Nederland kan spreken.
Erasmus als Nederlander? Maar hoe dan het feit te verklaren, dat hij die zich
altijd, zoveel als 't maar enigszins ging, van maatschappelijke banden heeft
vrij gehouden, die zich derhalve vestigen kon waar hij wilde en dat ook
deed, er niet eens ernstig aan gedacht schijnt te hebben het op zijn
geboortegrond te doen, zelfs niet om er te sterven? Hoe dan die talrijke
plaatsen in zijn werken en brieven uit te leggen, waarin de Nederlanders en
met name de Hollanders het moeten ontgelden? Reeds in zijn eerste brieven
uit het buitenland klinkt telkens een toon van minachtende ergernis door
over zijn landgenoten die hij vooral hun onmatigheid in eten en drinken
verwijt. In 1501, toen hij na een afwezigheid van bijna tien jaar er nog één
keer voor wat langer verblijf is teruggeweest, schrijft hij: ‘Wij hebben er,
als de honden in Egypte, voortdurend rondgelopen en gedronken; ik zou liever
bij de Faeaken leven’ en ‘als Epicurus eens herboren werd en deze wijze van
leven zag, zou hij zich zelf streng en stoïcijns vinden’. En nog scherper,
het scherpst wel, is een uitlating uit ongeveer dezelfde tijd, waarin hij,
na nog weer eens zijn afkeuring over die maaltijden te hebben uitgesproken
voortgaat: ‘Daarbij komt een gemeen, onbeschaafd soort mensen, een geweldige
minachting voor de wetenschappen, geen enkel produkt van geleerdheid, een
ontzettende naijver; vooral omdat de mijnen stilzwijgend schijnen te
verlangen, dat ik terugkeer als iemand van gevestigd gezag die gewapend is
tegen de aanmatiging van de onwetendste lieden.’ Dat dit geen voorbijgaande
luim was, bewijzen latere brieven. Als hij in 1516 - zij 't pro forma -
raadsheer van Karel v en al een beroemd man geworden is,
schrijft hij: ‘Italianen, Spanjaarden, Zweden en Denen zijn mij beter gezind
dan mijn landgenoten: het is een hongerig slag mensen, alleen voor de buik
geboren’ en de oorzaak voor die minachting van wat hem het dierbaarst was,
ziet hij - historisch onverdedigbaar natuurlijk - in de buitengewoon
onbeschaafde heersers, zoals hij voor deze gelegenheid beleefd in het Grieks
schrijft. In 1520 nog meent hij ‘het wordt iets beter’ - dit keer ging het
over Brabant - ‘maar de boerse geest blijft er nog zo hangen en de oude
barbarij heeft er nog hardnekkige voorvechters’.
Tegen al deze en dergelijke uitspraken weegt niet op, dat hij in het begin
| | | |

Desiderius Erasmus. Schilderij door Quenten Matsijs. Galleria nazionale d'arte antica, Rome. Foto Museum
Boymans-van Beuningen, Rotterdam.
| | | | ook wel eens zijn verlangen geuit heeft ‘bij de zijnen te
wonen’, want deze uitspraak wordt weer vrijwel teniet gedaan door de
motivering ‘dat dit voor zijn faam voordeliger en voor zijn gezondheid van
belang zou zijn’. Evenmin, al is 't niet zonder betekenis, dat hij, heel op
het eind van zijn leven, vagelijk het plan gehad moet hebben weer naar
Brabant terug te keren, noch, al is 't ontroerend, dat hij gestorven moet
zijn met de Hollandse woorden ‘lieve God’ op zijn lippen.
Is het beeld, dat Erasmus zich van het vaderland
uit zijn tijd gemaakt heeft, te ongunstig? Er is op zijn minst een kern van
juistheid in. Het leven was hier weinig verfijnd en tegelijk te goed. Het
maakte, zoals hij het gezegd heeft, de Bataafse geest tot een zatte geest.
Dronkenschap als volksondeugd is ook nog het eerste dat de Spaanse
officieren opvalt die een halve eeuw later hier geweest zijn en over de
Nederlanden geschreven hebben. Alonso Vázquez bij voorbeeld geeft een
algemene beschrijving van een dier maaltijden die Erasmus zo'n aanstoot
gaven: ‘Zij lijden armoe en gebrek alleen om op een bepaalde dag overdadig
feest te kunnen vieren. Dan geven zij voor een gastmaal 2 à 300 escudos uit
en zij besteden dit geld voornamelijk aan wijn. Het is hun dan niet
voldoende deze wijn te drinken met de genodigden, maar zij halen ook de
voorbijgangers in huis en klinken en drinken met hen tot zij erbij
neervallen. Gewoonlijk zit men bij zo'n feest drie of vier dagen aan tafel.’
Doch ook al wil men aannemen, dat Erasmus in zijn veroordeling van het
toenmalige Nederlandse volkskarakter volop gelijk had, dan kan men, ook
zonder in de moderne psychologie doorkneed te zijn, toch wel vermoeden, dat
er achter die onpersoonlijke veroordeling persoonlijke ervaringen scholen
die hem de ogen voor die veroordeling geopend hebben. De bron van iemands
afkeer van iets ligt immers gemeenlijk dieper dan in het afgekeurde zelf. En
bij Erasmus is die bron niet moeilijk te vinden. Erasmus heeft over de
sporen van zijn geboorte en jeugd heel wat zand gestrooid, maar zijn eigen
beroemdheid heeft gemaakt, dat die pogingen om ze uit te wissen ten slotte
vruchteloos zijn gebleven. Zelfs de onzekerheid of hij 28 oktober 1466 dan
wel 1469 geboren is, die nog het langst onze hang naar zekerheid getart
heeft, bestaat niet meer. Het laatste jaar is het juiste. Wat alleen nog
onzeker is en het, naar zijn aard, ook wel altijd zal blijven is wat Erasmus
toch bewogen mag hebben naarmate hij ouder werd voor nog ouder te willen
doorgaan. Was het om het zich oud voelen als het ware te rechtvaardigen door
ook oud zijn? Was het, omgekeerd, om de triomf te markeren van de sterke
geest over het zwakke ‘lichaampje’? Het een zowel als het ander en zelfs
beide tegelijk is mogelijk.
Maar waarschijnlijker lijkt toch dat het ging om het maskeren van de smet die
aan zijn geboorte kleefde. Want in feite komt het niet op het jaar waarin,
doch op de omstandigheden waaronder hij geboren is, aan. En die kennen we
wél. Erasmus is het kind van een onwettige verbintenis tussen een in de
buurt van Gouda woonachtige priester, zekere Gerard
of Gerards en diens huishoudster Margaretha, een chirurgijnsdochter uit
Zevenbergen. Ondanks de in dat opzicht lakse praktijk dier dagen, bleef dit
een vlek, te meer onuit- | | | |

Een manuscript van Erasmus, met eigenhandige karikatuur. Foto Museum Boymans-van Beuningen,
Rotterdam.
| | | | wisbaar in Erasmus' geval, omdat het hier niet om de eerste,
maar om een tweede ‘misstap’ van zijn vader en moeder ging: hij heeft nog 'n
paar jaar oudere volle broer Peter gehad. De ouders ontveinsden zich dit
niet. De moeder is óf zeer kort vóór óf direct na de geboorte van Erasmus
per schip van Gouda naar Rotterdam gegaan om daar
haar intrek bij haar moeder te nemen die waarschijnlijk Rutgers of Rotgers
geheten heeft. Wie zal zeggen, hoe diep dat merk van zijn
geboorte-waaraan-iets-te-verbergen-viel in de kinderziel is geslagen, hoe
zeer hem de hoon gedaan heeft van zijn latere schoolkameraadjes in Gouda,
die het natuurlijk wisten en dat niet voor hem verborgen, toen zeker niet?
Erasmus zou niet de eerste, hij zou ook niet de laatste zijn, wie de
herinnering aan één keer, misschien achteloos maar in elk geval verachtelijk
uitgesproken ‘hoerenkind’ zijn leven lang bijbleef, en voor wie dat genoeg
was om een afkeer te krijgen en te behouden van alles wat maar met die
jeugd, al was 't nog zo verwijderd, verband hield: huis, school, stad, land,
klimaat en mensen. Afkeer, waarvan het slachtoffer dan zelf soms de
oorsprong niet eens meer weet. We weten het niet, maar we kunnen het
vermoeden uit Erasmus' pogingen om zijn geboorte steeds vroeger te stellen,
dat wil zeggen als 't kon in een tijd, toen zijn vader nog geen priester
was.
Het laat zich niet bewijzen, maar wij geloven, dat deze druk op het kind
Erasmus de herinnering ook aan zijn latere jeugd verkleurd heeft. Maar het
behoeft trouwens niet bewezen te worden: er was ook zonder dat in die latere
jeugd en opleiding genoeg om iemand van Erasmus' aanleg tegen te staan,
zowel op de stedelijke school in Gouda als in die te Deventer, waarheen hij nog vóór 1478 tezamen met zijn broer door
zijn moeder gebracht werd. Dit onderwijs toch was door en door ouderwets en
al mag hij het misschien niet zo gevoeld hebben, toen hij het onderging, als
hij er later aan terugdacht, stond juist dat hem in alle scherpte voor ogen.
Een Latijnse spraakkunst, 300 jaar oud, met meer raadseltjes, waarin de
middeleeuwen zich zo graag vermeiden, dan grammatica erin. ‘Barbaars’ noemt
hij het en dat is het ergste scheldwoord dat hij kent. Erasmus heeft de
Deventer school ook niet ten einde gelopen. Hij is er tot 1484 geweest, met
nog een onderbreking, gedurende welke hij koorknaap in Utrecht geweest is onder Jacob Obrecht als organist.
Toch was die school in Deventer voor die tijd waarlijk de slechtste niet. Zij
was, integendeel, na die van Zwolle, waar Johannes Cele rector was, zelfs de beroemdste van
het hele land. Enkele van de meesters behoorden tot de broederschap des
gemenen levens; onder hen Johannes Synthen, die de eerste liefde voor de
herlevende klassieke oudheid bij de zo bij uitstek ontvankelijke jongen
plantte en begoot. Objectief was die school dan ook goed te noemen, zeker op
het eind van zijn verblijf, toen Alexander Hegius haar leidde. Eén
herinnering is hem trouwens als een hoogtepunt in zijn leven bijgebleven:
hij heeft er eens de beroemde Rudolf Agricola
zelf gehoord.
Sinds 1484 kleurde zijn persoonlijk lot zijn omgeving nog donkerder voor de
vijftienjarige knaap. De pest nam in dat jaar zijn moeder weg en kort daarop
werd hij door de dood van zijn vader wees. Hij kwam in de handen van voogden
- onder anderen Pieter Winckel, zijn Goudse schoolmeester, een meester
Pennewip voor deze Woutertje - over wie hij niets goeds weet te | | | |

Sir Thomas More. Tekening door Hans Holbein de Jongere. Verzameling H.M. de Koningin van Engeland. Foto Museum
Boymans-van Beuningen, Rotterdam.
| | | | vertellen, maar vermoedelijk alleen, omdat zij hem, met de
beste bedoelingen ongetwijfeld, een kant opdreven, waar zijn streven en
gaven later blijken zouden in het nauw te geraken. Drie jaar nog bracht hij
door of verbeuzelde hij, zoals hij 't zelf genoemd heeft, in de stadsschool
in Den Bosch om dan monnik te worden. Hij verbleef
eerst bij de augustijner monniken in het klooster Zion bij Delft en vervolgens, in 1487, bij diezelfde orde in het klooster
Steyn of Emmaüs, even buiten Gouda gelegen.
Gaat men af op de titel van zijn eerste geschrift
De Contemptu Mundi
(Over de verachting der wereld) dat hij in die jaren, tegen zijn
twintigste, geschreven moet hebben, dan zou men verwachten, dat het
monniksleven hem aanstond, want honderden broeders hebben in de middeleeuwen
dit leven onder diezelfde titel verheerlijkt. Leest men het geschrift
echter, dan trilt er onder de oppervlakte een andere toon. Wat hij in het
klooster gezocht had en tijdelijk ook, maar vermoedelijk vóór het afleggen
der geloften, meende gevonden te hebben, was niet het afsterven van de
wereld en haar ijdelheid; het was veeleer de rust en stilte nodig voor de
studie, waarmee zijn jonge eerzucht diezelfde wereld die hij zei te
verachten, veroveren wilde. Van zijn bedrevenheid in die studie op reeds zo
jeugdige leeftijd, niet van zijn vroomheid legt dan ook dit boek getuigenis
af: meer dan zeventig citaten uit de klassieken drukken de vijf uit de
bijbel dood, temeer omdat die vijf, ontleend aan Mattheus, Lucas, Johannes
en het boek Job, in zo ontelbaar vele middeleeuwse traktaten voorkomen, dat
zij nog geenszins op lectuur van de bijbel zelf wijzen. Nee waarlijk door
zijn uittreden uit het klooster is in Erasmus
geen tweede Sint-Bernard of Sint-Franciscus, zelfs geen tweede Thomas a
Kempis verloren gegaan. Ware hij er gebleven, dan zou echter wel Erasmus
verloren zijn gegaan.
En zo voelde hij het zelf en daarom sloeg hij de verzenen tegen de prikkels
en verdween, zo gauw hij kans zag, dat wil zeggen in het begin van de jaren
'90, toen de bisschop van Kamerijk, die een
aanstelling in Rome, het paradijs der humanisten, verwachtte, hem een
secretarispost aanbood. Later zou hij wel vroom worden, maar op zijn wijze,
en terug verlangen naar het klooster deed hij nooit. Integendeel, de daar
toch ook bonte uren, met zijn vrienden als Willem Hermans, Cornelius van
Woerden en Servatius Rogerus, doorgebracht in gezamenlijke studie of
verzenmakerij, verkleurden voor de verouderende Erasmus en versmolten met de
herinnering aan een omgeving van dwang en plichtmatige, ouderwetse vroomheid
tot één grauwe weerzin tegen zijn jeugd en zijn land. Hier in dit klooster,
te kil voor de lijder aan chronische niersteen met zijn klierachtig gestel,
hier in dit land had hij nooit zijn vleugels kunnen uitslaan, voelde hij, en
er was toch voor hem, juist voor hém, een wereld te winnen, die van de
klassieke oudheid, van de enig- en eeuwigware beschaving.
Men heeft dit Erasmus vaak verweten. Er is zelfs een schrijver die zijn
talloze klachten over zijn ongelukkig lot uit zijn duizenden brieven
terugvoert tot dit uitsluitend en altijd aan zich zelf denken. Er schuilt,
als in bijna alles, ook hierin een kern van waarheid. Bij al zijn
evangelische geleerdheid heeft Erasmus inderdaad nooit het evangeliewoord
begrepen, dat wie zijn ziel be- | | | | houden wil, bereid moet zijn om
haar te verliezen. Maar daar staat tegenover, dat hij toch nimmer ontrouw
geworden is aan wat hij als zijn speciale zending zag en dat die zending,
zoals wij zien zullen, nu eenmaal meebracht, dat hij zijn eigen persoon
cultiveerde, omdat renaissance en humanisme zonder persooncultus nu eenmaal
ondenkbaar zijn. Voor ons is het gemakkelijk het betrekkelijke ook daarvan
te zien, maar we moeten daarnaast erkennen, dat het destijds niet mogelijk
was, de munt der persoonlijkheid voor het cultuurleven koers te verschaffen
zonder het besnoeien van andere, collectieve, waarden. Erasmus is slechts de
homo pro se, de mens op zich zelf, kunnen worden,
zoals een tijdgenoot hem eens genoemd heeft, door ondankbaar te verwerpen
wat zijn ouders, zijn voogden, zijn leermeesters en overheden en zelfs
sommigen van zijn vrienden hem hadden willen geven. In één woord: door de
verwerping van zijn eigen land, waar hij na 1501 geen voet meer heeft gezet.
Vergeten wij ook niet wat een zorgvuldig onderzoek naar zijn
ziektegeschiedenis ons geleerd heeft en wat door de meesten van zijn
biografen al te zeer veronachtzaamd lijkt: zijn kwalen zijn niet ingebeeld
en de dokters hebben ze nochtans amper kunnen verlichten. Is het dan niet
eerder verwonderlijk, dat deze man telkens opnieuw de fut gevonden heeft
zich ertegen in te zetten ter wille van de opdracht hem door zijn tijd
verstrekt, dan dat de eenzame in zijn brieven er zijn beklag over deed en,
egocentrisch geworden, ter wille van diezelfde opdracht, zich voortdurend
afvroeg hoe lang zijn zwakke lichaam het dictaat van de sterke geest nog zou
kunnen gehoorzamen? Het zijn zijn kwalen die hem gemaakt hebben tot de
gesloten, voorzichtige, naar binnen gekeerde man die wij van zijn portretten
kennen. De jonge Erasmus was anders, schreef verzen, schilderde, reed paard,
converseerde en flirtte. En, alweer, is het niet eerder verwonderlijk dat
geest en humor hem nimmer verlieten, dan dat al die andere mogelijkheden in
hem afgestorven zijn, zowel ten gevolge van zijn gezondheidstoestand als,
alweer, ter wille van die opdracht?
Betekent dit nu, dat dit Nederlands milieu hem niets geweest is? Het
tegendeel is waar. Maar om uit te maken wat dit, zo men wil, zijns ondanks,
voor hem betekend heeft, dienen wij eerst vast te stellen wat eigenlijk zijn
zending was, waarover we zoëven spraken.
Wat men talent en wat men genie noemt kunnen we, althans waar het de
wetenschappen betreft, zó onderscheiden: beiden leggen door de gewone
vaklieden niet voorziene verbanden die de wetenschap met nieuwe vondsten
verrijken en tot nieuwe inzichten voeren, maar het genie alleen tast de
structuur van de wetenschap aan, doordat hij al die nieuwe verbanden
concentreert op een nieuwe, aanvankelijk hem alleen eigen, centrale
gedachte. Een centrale gedachte waarvan het zó bezeten is, dat het niet
alleen in het gedachtenleven er alles op betrekt, maar ook in het lijflijk
leven er alles voor over heeft, desnoods tot het schade lijden aan zijn
eigen ziel - en die van anderen - toe. Is dit juist, dan moeten wij Erasmus
zonder twijfel tot de genieën rekenen, ook al zal men in al de tien
foliodelen noch in één van de duizenden brieven nauwelijks één werkelijk
oorspronkelijke of waarlijk diepe gedachte vinden. Op een centrale gedachte
daarentegen stuit men bij hem overal en altijd. Zij is | | | | die van
wat hij de bonae litterae noemde, en hij bedoelt daarmee,
dat terwijl voor de andere humanisten vóór hem de studie der antieke
beschaving een vak op zich zelf was, waar de andere levensgebieden en de
eigen tijd problemen min of meer of vaak helemaal naast stonden, die studie
voor hem het fundament was waarop het hele gebouw van zijn leven berustte.
Zegt men, zoals het vaak gebeurt, dat hij de christelijke godsdienst - min
of meer centraal voor alle mensen uit zijn tijd - wilde zuiveren door middel
der klassieken en kerkvaders, dan is men weliswaar in de goede richting,
voor zover men ook dan verband tussen beide legt, doch dan is men nog net
niet bij wat ons toeschijnt het wezenlijkste van Erasmus te zijn, want dat
was de verbinding tussen de klassieken en dat gezuiverde christendom tot een
onverbrekelijke eenheid en die eenheid als de beschaving,
waar buiten zich geen andere denken liet.
Men heeft wel gezegd, dat alleen de
Lof der zotheid
en de
Samenspraken
nog leven in het oeuvre van Erasmus. De uitspraak is op zich zelf
niet onwaar, maar men moet er bij bedenken, dat juist deze twee geschriften
voor Erasmus' eigen besef niet van wezenlijk belang waren. Waar het voor hem
op aankwam zijn de
Adagia
en in de
Ecclesiastes
, zijn zijn uitgaven van de klassieken en kerkvaders en met name die
van het Nieuwe Testament in de oertekst, het Grieks, zijn juist de dingen,
die ons nu niet meer schelen kunnen. Waarom niet? Eenvoudig, omdat ze, mede
dóór hem, deels al gedaan en deels ná hem beter gedaan zijn. Dat is nu
eenmaal het lot van alle wetenschap. Ook de geleerde ‘Moor’ kan gaan, als
hij zijn plicht volbracht heeft en dat te eerder, naarmate hij het beter
deed, want des te sneller wordt zijn werk deel van het onpersoonlijk
apparaat, dat volgende geslachten als een onverschillig werktuig hanteren.
Maar zo stond het uiteraard met Erasmus zelf niet. Hoe dierbaar hem de Adagia bij voorbeeld geweest zijn, zou gemakkelijk te
bewijzen zijn uit het aantal steeds vermeerderde herdrukken. Zij houden hem
bezig van vóór 1500 af, toen de eerste druk ervan verscheen tot 1533 toen de
laatste, door hem zelf bewerkte editie, verlucht met zijn portret door
Holbein, het licht zag. En zoals de Adagia, die van enkele
honderden tot ettelijke duizenden aanzwellende verzameling becommentarieerde
spreekwoordelijke gezegden uit de oudheid, feitelijk ten doel had om voor
een ruimere wereld dan de reeds ingewijde de schatten der ouden te
ontsluiten en ze daardoor tot ‘modern’ schrijver op te voeden, zo hadden
eigenlijk al zijn geschriften, tot zijn brieven toe, dat zelfde doel: de
antieken te leren kennen door ad fontes, tot de bronnen,
te gaan, door vertrouwdheid met de antieken (de in zijn ogen alleen
werkelijk wetenden), de mensen tot de ware kennis te brengen die ook voor
Erasmus, ondanks al zijn afkeer van het middeleeuwse formalisme, nog
goeddeels een vormkwestie was. Zo begon hij, reeds te Parijs, aan de
Colloquiorum Formulae
(Gesprek-modellen). Zo gaf hij in 1514 de
Parabolae
uit, een verzameling vergelijkingen in de trant der Adagia. Zo uit dat zelfde jaar de
Copia verborum ac rerum
(Over de woorden- en zakenrijkdom), een beheerst zwelgen in
allerlei stilistische kunststukjes: vijftig manieren om te zeggen: ‘Uw brief
heeft mij veel plezier gedaan’ of ‘Ik denk, dat het zal gaan re- | | | |

Een brief van koning Frans i van Frankrijk
aan Erasmus, gedateerd 7 juli 1523. Universiteitsbibliotheek, Bazel. Foto Museum Boymans-van
Beuningen, Rotterdam.
| | | | genen’. Zo, op het laatst van zijn leven, toen zijn
afnemende gezondheid (want Erasmus was een zwakke reus) zijn ijver als het
ware slechts prikkelde om het nog verzuimde haastig in te halen - omdat hij
wist, dat niemand het zo kon als hij - onder meer steeds soortgelijke
geschriften: de Ecclesiastes, een verhandeling over de
kunst van het preken, die hem ook lange, lange jaren heeft beziggehouden.
Reeds in 1523 toch roert hij het onderwerp aan en pas in 1535 verschijnt het
boek. Het werd niet toevallig zijn omvangrijkste geschrift.
Alles wat hij deed - en naliet - staat met deze ‘zending’ in verband: de
middeleeuwse slordigheid te overwinnen door een heldere kennis der
klassieken op een zo breed mogelijk terrein en voor zoveel mogelijk mensen,
want al is zijn publiek beperkt door zijn gebruik van het Latijn, het was
toen toch groter dan wij ons nu kunnen voorstellen en in elk geval veel
groter dan dat der humanisten vóór hem die hem die ruime publiciteit bij
zijn uitgave der Adagia ook wel verweten: Erasmus, gij
verklapt onze mysteriën! Maar dat was juist wat hij wilde: het boek der
oudheid voor allen openslaan. Want dit boek was hem niet alleen de boom der
kennis, maar tegelijk de weg ten leven: ‘Verdiep u in de oude uitleggers,’
schrijft hij in 1505 aan een correspondent, ‘geloof me, óf langs deze weg
zullen wij tot de gelukzaligheid komen, óf wij zullen er nooit komen.’ En
die gedachte, dit, zijn evangelie, vervult hem zó, dat het zowel in het
groot zijn wereldbeschouwing vormt, als ook, in 't klein, zijn dagelijkse
zorg uitmaakt. Aan zijn Venetiaanse uitgever, Aldus Manutius, schrijft hij
in 1507: ‘Ik zou echter wel denken, dat mijn werken onsterfelijk zouden
worden, indien ze, gedrukt in úw letters, het licht zagen, vooral in die
hele kleine lettertjés, die allermooiste.’ Vandaar ook de propere zorg voor
zijn brieven, onderdeel van zijn zending: sinds in 1509, toen hij in Siena
vertoefde, een vriend hem een deeltje met zijn eigen brieven toonde, dat
deze te Rome gekocht had, verzamelde hij ze zelf, en gaf ze sinds 1515
telkens zelf bundelsgewijze uit.
Maar evenzeer als zijn zending in die kleinigheden uit het eigen leven
schuilt, openbaart zij zich in zijn bemoeiingen met het algemeen-menselijke,
allereerst in zijn streven tot hervorming van de veruiterlijkte, in
vormendienst en bijgeloof verstarde kerk van die dagen. Vervolgens in zijn
zucht naar vrede, die hij wat academisch, maar niettemin oprecht en met
durf, steeds weer belijdt, zo in het lang uitgesponnen
Adagium: Dulce Bellum inexpertis
(Wie zoet hem ziet, kent d'oorlog niet) of in de
Querela Pacis
(Vredes klacht) uit de winter van 1516 op 1517, toen zijn
welmenende droom van vrede en weldenkendheid steeds meer door oorlog en
twistgeschrijf dreigde verstoord te worden. Het zijn steeds weer dezelfde
gedachten die de oorlog verwerpen én op zedelijke én op redelijke gronden,
bij Erasmus trouwens niet te onderscheiden. Zie zijn
Institutio principis Christiani
(Leerschool voor de christenvorst), geschreven ter ere van zijn
overigens ook academische benoeming tot raad van de jonge Karel v, waarin hij sterk aandringt op scheidsgerechten ter
beslechting van de geschillen tussen vorsten, die alleen de oorlog
veroorzaken.
En alweer uit die zelfde bron welde zijn ijveren, voor hygiënischer
toestan- | | | | den in een stinkend vervuilde wereld, zijn gedachten
over vrouwenemancipatie en zoveel meer hervormingsstreven. En daarvoor ook
dienden ten slotte al die uitgaven van de oude kerkvaders, van Hiëronymus inzonderheid, en die van het Nieuwe
Testament. Het was alles, alles bedoeld om orde en regelmaat te scheppen,
als het literair-intellectuele fundament der redelijkheid, waarop hij de
wereld wilde herbouwen.
Dit is het wezenlijke, want het steeds terugkerende en daarom het blijvende
in Erasmus, dat hij een prediker der rede was.
Dit ook is het onmiskenbaar revolutionaire in zijn zending, waarmee het
terugwijzende dat in de leuze van het ad fontes is
gelegen, niet in strijd was, integendeel. Veeleer is dit teruggrijpen op het
oude, dat wil zeggen op het eens goede, karakteristiek voor alle
revolutionair streven tot op en in zekere zin zelfs tot en met de grote
Franse revolutie, ja zelfs in trekken van het nog latere christen-socialisme
en -anarchisme.
Van hieruit nu wordt het pas duidelijk wat zijn Hollands milieu, ondanks zijn
afkeer ervan, voor hem betekend heeft. De burgerlijke levenshouding, in
Noord-Nederland het eerst tot bloei gekomen in de IJsselsteden, had haar
vroege vruchten rijp gestoofd in de besloten huizen van de broederschap des
gemenen levens. Door zijn leermeesters aan de St.-Lebuïnusschool te Deventer, waar de geest van Florens Radewijnsz. nog rondwaarde, had Erasmus tegelijk met het
eerste Latijn ook die Nederlands burgerlijke zin voor properheid, orde en
regelmaat ingezogen die het fundament werd van zijn rationalisme en
humanisme. De toespraak van Rudolf Agricola - ook
de zoon van een pastoor! - moge destijds voor zijn eigen bewustzijn het
meeste indruk op hem gemaakt hebben, daarmee is niet gezegd, dat het
persoonlijk-zedelijk-religieus accent in de levenshouding der broeders aan
hem voorbij is gegaan, zoals dat blijkt zowel uit hun voorkeur voor eigen
bijbellectuur, voor gezuiverde teksten in ordelijk handschrift, uit hun
wederzijds zonden belijden en uit het grote aantal levensbeschrijvingen dat
zij van elkaar nalieten, als uit hun afkeer van al te hevige innigheid en al
te luide uiterlijkheid. Integendeel, wij zijn van oordeel, dat de gedempte
toon waarin het leven der broeders placht te verglijden, zonder dat hij het
wist de geestelijke vorm geworden is waarin de latere Erasmus het gloeiend
metaal van zijn bijbels én antiek humanisme gegoten en tot een zo volmaakte
zachtglanzende eenheid versmolten heeft. Aan de wieg van Erasmus als
intellectueel staan wel degelijk ook drie wijzen van het intellect, drie
Hollandse wijzen: Rudolf Huisman (Agricola),
Wessel Gansfoort en Alexander van Heek. En Erasmus, het christuskindje aan de wieg
waarvan deze wijzen stonden, was in de grond even Hollands als zij: zo niets
anders, dan zou zijn gekanker op alles wat Hollands was, het reeds bewijzen.
Wanneer hij in 1493 het land verlaat om de bisschop van Kamerijk, Hendrik van Bergen, te volgen, dan staat, voorzeker,
op de voorgrond van zijn verlangen, in het volle licht van zijn bewustzijn,
de droom van alle humanisten: Rome en de internationale roem die hij daar
hoopte te verwerven, maar op de achtergrond, in de schaduw, sluimert, zij
het ongeweten, de herinnering aan dat Nederlands milieu, dat hem geleerd
had, dat er iets hogers was dan | | | | Rome en roem: een goed geweten
en de vrijheid om dat te behouden. En het eerste ook, maar het laatste niet
minder heeft van Erasmus Erasmus gemaakt.
Later zijn hem die Nederlands burgerlijke trekken in hem zelf ook wel af en
toe bewust geworden. Hij zal constateren, dat er wel aanleg in dit volk
school, al werd deze door de levenswijs en het gebrek aan medewerking van
boven verstikt. Vervolgens blijft zijn nuchterheid en antidogmatisme hem
altijd met Holland verbinden, ook als hij het zelf niet ziet. Hij is nooit
een echt theoloog geweest voor zover spitsvondige speculaties hem altijd
evenzeer vreemd gebleven zijn als het odium theologicum.
Van de scholastiek die hij altijd bespotte en bespotten moest om de baan
vrij te krijgen voor zijn ruime religie der weldenkenden en verdraagzamen,
heeft hij betrekkelijk weinig begrepen en evenmin heeft hij ooit het rechte
begrip gehad voor Luthers boerse felheid waarvan hij als burger gruwde. De
dogmatische haarkloverijen der scholastici en de felheid der eerste
protestanten waren er althans in Holland niet. Het leven was er ‘humaan’,
menslievend en goedaardig. Hij roemt er de vele, niet grote, maar
welbestuurde steden, de zindelijkheid, de zeer verbreide, wel niet
klassieke, maar daartegenover algemene ontwikkeling en het komt alleen door
zijn tekort aan wat wij tegenwoordig sociologisch inzicht noemen, waarvoor
hij niet het minste orgaan had, dat hij de overdaad in eten en drinken, die
hem tegenstond, als enig gevolg ziet van de in zijn vaderland heersende
overvloed die scheepvaart, visserij en vruchtbare grond opleverden, in
plaats van te begrijpen, dat evenzeer die trekken, die hij in Holland prees,
op die betrekkelijk algemene welvaart berustten.
Maar de natuur ging ook hier soms boven de leer. Als een van zijn
bestrijders, een Spanjaard, hem denkt te treffen door hem verachtelijk het
woord Batavus voor de voeten te werpen, dan vraagt hij
zich quasi verwonderd af, of het soms een ondeugd is Hollander te zijn,
alsof Holland, zijn Holland ten slotte toch, bij enig land ten achter stond.
En hij prijst dan de rijkdom van het land en roemt zijn talenten. Als de
godsdienstvervolgingen losbarsten, lijdt hij mee met zijn volk; als hij in
1516 in Antwerpen is, schrijft hij More, dat er
weer een grote som van het volk geëist wordt, en volop burger voelt hij
zich, wanneer hij voortgaat: ‘Deze eis is al aanvaard door adel en hoge
geestelijken, dat wil zeggen door hen, die zelf alleen niets zullen geven
(de genoemden waren destijds nog vrijgesteld van belastingen). De burgerij
beraadslaagt.’ En hoe het met de vrijheid van die beraadslaging stond
ontging hem evenmin: ‘De vorst, anders ongewapend, is nu gewapend aanwezig,
de akkers worden overstroomd door benden soldaten en vanwaar en uit wiens
naam zij komen, is onzeker’ en hij eindigt zijn klacht met ‘O, dit arme land
door zoveel gieren bedekt’. Nederlander ten slotte is hij ook in zijn
vrijheidszin en zijn kosmopolitisme, die bij hem nauw samenhangen.
Hij wil liever niets aannemen, geen prebende en geen betrekking om zich zelf
vrij en zijn zending zuiver te houden. Het eerste doet hij toch, omdat hoe
groot ook zijn lezerskring geweest moge zijn - en hij was groter dan van
iemand anders uit zijn tijd - zijn pen hem niet genoeg opleverde om het
leven te kunnen leiden waar hij niet buiten kon en hij zijn vrijheid door
het aan- | | | |

De drukker Johannes Froben. Kopie naar een schilderij door Hans
Holbein de Jongere. Öffentliche Kunstsammlung, Bazel.
Foto Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam.
| | | | vaarden van zo een sinecure nog altijd minder bond dan
door zich onder de onmiddellijke bescherming van een hooggeplaatste te
begeven. En al is hij wel lid geweest van de theologische faculteit, zowel
in Leuven als in Bazel, en heeft hij ook als
zodanig wel eens college gegeven, een eigenlijk professoraat heeft hij nooit
op zich willen nemen. En die vrijheidszin brengt hem aan het zwerven, maakte
hem tot de Europeeër die hij geworden en gebleven is: ‘Burgers onder elkaar
en één in den gelove zijn al wie in die studiën ingewijd zijn,’ heeft hij
eens geschreven.
Lang hield hij het bij de bisschop van Kamerijk niet uit, één of twee jaar.
De tijd, vervliedend onder het wachten op de reis naar Rome waarvan niets
kwam, vult hij met het voltooien van de
Antibarbari
waaraan hij reeds te Steyn begonnen was. De uitvoerige dialoog is,
al droeg hij nog zijn ordekleed toen hij het schreef, een openlijke
verdediging der profane klassieke lectuur en de halfheid van
De contemptu mundi
is er verdwenen. Maar de bisschop heeft, als het Romeinse plan toch
niet doorgaat, geen behoefte meer aan een secretaris die zo goed Latijn kent
en Erasmus krijgt verlof om naar Parijs op studie te gaan. Hij wilde er de
doctorsgraad in de theologie halen. Doch het is niet hier, in het Collège
Montaigu, dat zich de wereld voor hem zou openen. Het harde werken, de rotte
eieren en de slechte ligging bekomen hem kwalijk.
Erasmus is geen Loyola die daar later ook studeren zou en aan wie al die
kleine narigheden, als aan zoveel van zijn tijdgenoten, voorbijgingen. Hij
hield het er uit met moeite en nood tot op het einde der eeuw, toen hij het
aanbod van de jonge Lord Mountjoy, een van zijn leerlingen, aannam om hem
naar Engeland te vergezellen. Hij beleefde er gouden dagen, waaraan de
stralende herinnering steeds weer in zijn brieven terugkeert. Hier, in
Oxford, kwam hij ook in aanraking met John Colet die hem warm maakte voor de
gedachte om de bijbel historisch te verklaren, maar die daarbij zelf stuitte
op zijn onkunde van het Grieks, waarvan de kennis destijds, ook onder
geleerden, nog volstrekt niet vanzelf sprak. Toen hij in 1500 uit Engeland
vertrok, was het zijn vaste voornemen Grieks te gaan leren, maar een dom
toeval kwam tussenbeide: de twintig gouden ponden die hij had overgespaard
nam de Engelse douane hem af en hij kwam in Parijs vrijwel platzak aan, nog
onder de indruk van een tweede avontuur met een
straatrover-paarden-verhuurder, die hem een eindweegs vergezelde en hem
alleen heeft laten lopen, toen hij merkte, dat er niet veel te halen viel.
Hij heeft het geval in geuren en kleuren geschreven aan zijn vriend Batt,
schoolmeester en later stadssecretaris van Bergen op
Zoom. Maar het Grieks zou hij later toch leren en de wereld dankt aan
die Engelse tolbeambte de eerste opzet der Adagia, want deze eerste uitgave was bedoeld om
geld te verdienen. En dat is ook wel gelukt. We moeten met vergeten dat in
deze tijd, toen er noch brochures, noch tijdschriften, noch verenigingen
bestonden die lezingen organiseerden, het culturele verkeer naast de
openbare disputaties in academische kringen, voor een groot deel de vorm van
briefwisseling aannam. En wat nu was er beter geschikt om die brieven te
kruiden dan een aantal spreuken en verhaaltjes, aan de klassieken ontleend,
zoals Erasmus er hier het geletterde publiek te | | | | kust en te keur
aanbood?
De droom van alle noordse renaissancemensen die tot ver in de 19de eeuw toe
kunstenaars en geleerden zou inspireren: de reis naar
Italië, Erasmus nog dierbaarder sinds hij de
kritische aantekeningen op het Nieuwe Testament van de door hem hoog
vereerde Italiaanse humanist Lorenzo Valla gevonden en uitgegeven had, zou
toch nog in vervulling gaan. Bij zijn tweede bezoek aan Engeland (1505) -
zijn Adagia en het
Enchiridion militis Christiani
(Handboekje of Ponjaard, het eerste woord heeft beide betekenissen,
van de christenstrijder) hadden hem reeds ‘hoffähig’ gemaakt - kreeg hij
kennis aan de lijfarts van koning Hendrik vii, die zijn
zoons in Italië wilde laten studeren en Erasmus aanzocht, hun mentor te
zijn. In juli 1506 vertrokken zij en Erasmus maakte van de gelegenheid
gebruik om in Turijn de doctorsgraad in de theologie te halen. Bij de
troonswisseling in Engeland, waar de vervaarlijke Hendrik viii aan de regering kwam, riep deze hem uit de buurt van Napels waar
hij toen vertoefde, terug. Het is op die terugreis, dat we Erasmus zien,
zoals we ons hem in zijn jonge jaren het liefst voorstellen: te paard over
de Alpen trekkend, een tas met boeken aan de zadelknop, verdiept in het
ontwerp voor de
Laus Stultitiae
of
Moriae Encomium
(Lof der Zotheid), de satire op de menselijke verdwazing en met
name op die van zijn eigen stand, de geestelijkheid, die zich slechts laat
vergelijken met de aller-voornaamste van dit genre, waartoe zo velen
geroepen schijnen, maar zo weinigen uitverkoren zijn, met Lucianus'
hekelingen ener-, met Voltaires Candide anderzijds. In de
ideale sfeer van Thomas Mores huis werkte hij dit geschrift, het enige van
hem wel dat nog altijd vertaald, herdrukt en gelezen wordt, uit.
Tot 1514 verbleef Erasmus met enkele korte onderbrekingen - onder andere in
1511 een reis naar Parijs om er de Lof te laten drukken -
in Engeland, waar hij ook zijn beide levenswerken, de kritische uitgaaf van
het Nieuwe Testament waarvoor hij intussen Grieks geleerd had, en de Brieven van Hiëronymus, op touw zette. Hier
ook kreeg hij eindelijk, nadat het met allerlei beschermers, onder anderen
Anna van Borselen, de vrouwe van Veere, misgelopen was, dispensatie van de
paus (1517) en de prebende die hem zijn vrijheid gaven.
Beroemd is hij nu. De reis in juli 1514 via Brabant en Straatsburg naar Bazel
werd een ware triomftocht. Hier in Bazel waar hij voorlopig tot 1516 zou
blijven, heeft Erasmus, die naar de gelukkige uitdrukking van Stefan Zweig
‘sesshaft in keinem Lande und heimisch in allen’ was, zich nog het meest
thuis gevoeld, in het humanistenmilieu rond zijn drukker Froben, die
inderdaad, dat moet men erkennen, alles gedaan heeft om het de niet
gemakkelijke man naar de zin te maken. Als Erasmus ooit gelukkig geweest is,
dan is het in die jaren.
Men heeft zijn onvree, zoals die uit zijn voortdurend reizen en trekken
blijkt, wel eens aan zijn even voortdurend met zich zelf bezig zijn,
geweten. Men kan dit erkennen en tegelijk overtuigd zijn, dat zijn zending
die zelfzucht zowel meebracht als ophief. Wie anders had al dit toen nodige
werk kunnen verzetten dan hij en hoe had hij het anders gekund dan door zijn
vrij- | | | | heid van denken en handelen voortdurend jaloers te
bewaken? Maar zelfs als men deze ‘verontschuldiging’ niet zou willen laten
gelden, noch die van zijn kwalen, dan moet men toch erkennen, dat de
verdeelde wereld het hem van weerszijden niet gemakkelijk gemaakt heeft zijn
irenische zending van bemiddeling en eenheid te vervullen. Hij heeft veel
getrokken, maar is dat niet omdat hij veel is opgejaagd? Opgejaagd,
enerzijds door zijn eigen beroemdheid - want beroemd te zijn is een
bezoeking - anderzijds door zijn vijanden, die hem de rest van zijn tijd en
rust welke zijn vrienden hem lieten, dreigden te ontroven.
Zo vestigde hij zich in 1517 te Leuven waar hij het
vier jaar uithield, tot hij maar weer naar Bazel trok om aan de verbitterde
aanvallen der orthodoxe theologen te ontkomen. Maar dit betekende volstrekt
niet, dat hij toegaf. Integendeel: in 1518 gaf hij er zijn nieuwe, veel
kritischer editie van het Nieuwe Testament uit op grond van de tekst die hij
in 1506 al had vastgesteld, maar in 1516 nog niet had durven laten drukken.
En nu pas beginnen de grote moeilijkheden, zonder welke geen mensenleven
groot kan zijn.
Op 31 oktober 1517 plakte Luther volgens de overlevering zijn vijfennegentig
stellingen aan de deur van de slotkerk te Wittenberg aan, de vorm die
destijds de uitnodiging tot een openbaar debat betekende. Wanneer deze
legende, zoals wel met recht wordt aangenomen, ongegrond is dan heeft hij
zijn knuppel op een andere wijze in het hoenderhok gegooid. Erasmus was het
zeker goeddeels met hem eens, maar evenmin kan het zijn scherpzinnigheid,
gescherpt als zij hier was door de behoefte aan het in-rust-bewaren van het
eigen ik, lang ontgaan zijn, dat de loop die de gebeurtenissen nu namen,
zijn zuiveringszending in gevaar kon brengen.
De rijksdag te Worms (1521), waar over Luthers zaak beslist zal worden, staat
voor de deur. In zijn onzekerheid verneemt Luthers vorst-beschermer,
Frederik van Saksen, op zijn doorreis in Keulen (november 1520), dat de
hoogste morele autoriteit in kerkelijke hervormingsaangelegenheden, dat de
grote Erasmus in die zelfde stad verwijlt. En hij legt hem de brandende
kwestie voor. Erasmus, die noch zijn zending verloochenen wil, noch van zich
zelf de martelaar wil maken die hij niet is, tracht eerst met een grapje uit
de klem te komen: Luthers voornaamste fout, schertst hij, was de paus aan de
kroon en de monniken aan de buik gekomen te zijn. Maar dan formuleert hij,
in ernst, in 22 stellingen, naar zijn beste weten en geweten, zijn mening
over Luthers leer. En daar waar het erop aankwam, stond hij achter hem. ‘Van
alle universiteiten hebben slechts twee Luther verdoemd. Luther verlangt dus
alleen maar iets billijks, wanneer hij een openlijke discussie en
onverdachte rechters begeert.’ Doch anderzijds moet men het Stefan Zweig in
zijn boekje over Erasmus toegeven: ‘Erasmus heeft in dit wereldhistorisch
ogenblik niet de gehele inzet van zijn wezen, zijn kracht, zijn
tegenwoordigheid aan zijn overtuiging gegeven.’ Want te bewijzen valt het
uiteraard niet, maar de mogelijkheid moet men erkennen, dat, indien Erasmus
persoonlijk op de rijksdag van Worms zou zijn geweest en hij er persoonlijk
gesproken zou hebben, Luther er niet in de ban zou zijn gedaan en de kloof
minder diep zou zijn geworden dan zij nu werd.
| | | |
De ‘prachtige kleine lettertjes’ van Aldus Manutius in de uitgave
van Hecuba, & Iphigenia in Aulide.
Gemeentebibliotheek, Rotterdam.
| | | |
De kloof - die ook het verdere levensgeluk van Erasmus zelf verzwolgen heeft.
Hem dit verwijten? Het heeft zo weinig zin. Trouwens, indien men van mening
is, dat iemand ‘straf’ toekomt, omdat hij op een bepaald ogenblik van zijn
leven versaagt, dan kan men dit in de regel gerust aan het leven zelf
overlaten. Het versagen pleegt zich zelf te wreken. Alleen het verzaken
verdient ons inziens het verwijt, ook van het nageslacht. En Erasmus moge
toen al versaagd hebben, verzaakt heeft hij zijn zending niet, toen niet en
nooit. Integendeel. Wel beschouwd is er in tijden als die Erasmus beleefde -
er zijn er tegenwoordig weer die het uit ervaring zullen beamen - meer moed
voor nodig, tussen de partijen te staan dan ertussen te kiezen, mits dat
standpunt uit overtuiging en niet uit vrees is ingenomen. Het concedo nulli van de gedenkpenning, in 1531 Erasmus ter ere
geslagen, het ‘ik zwicht voor niemand’ moge gemakkelijk gezegd zijn, het is
moeilijk gedaan; het karakter dat deze lijfspreuk bewaarheidt, moet harder
zijn dan het metaal der medaille.
Tussen de beide, al scherper zich vormende en elkaar met al giftiger middelen
tot aan oorlog en burgeroorlog toe bestrijdende partijen, bleef Erasmus in
het midden, zijn onafhankelijkheid bewarend. Hij werd daarvoor, zoals te
verwachten was, van beide kanten bestookt. Noch de partij van het behoud,
noch die van de hervorming liet af van pogingen hem aan haar kant te
krijgen. De vurige Ulrich von Hutten, woedend over wat hij wel als een
verzaken van Erasmus moest zien, omdat de zaak van het humanisme en de
hervorming voor hem één waren, schreef een lasterlijk geschrift, waarop
Erasmus met zijn Spongia adversus aspergiones
Hutteni, zijn ‘Spons tegen de modder van Hutten’, niet
minder lasterlijk antwoordde. Het verwijt, dat hij die laster spoog tegen
een dode die zich niet meer verweren kon, treft hem mogelijk niet, wanneer
het waar is, dat het pamflet al geheel of grotendeels gedrukt was, toen
Hutten 31 augustus 1523 stierf. Maar ook dan nog ware het humaner geweest na
het bericht van die dood deze valse munt uit de circulatie te nemen. En ook
dan nog blijft de vlek die niet Hutten, maar Erasmus zelf op zijn blazoen
geworpen heeft, dat hij de reeds doodzieke en doodarme ridder aan zijn
woning in Bazel de deur gewezen heeft, het moge dan uit politieke of
lijfelijke vrees of uit beide tegelijk geweest zijn, want dit was een zonde
tegen de menselijkheid, bij vermijding waarvan hij zijn zending niet in
gevaar gebracht zou hebben. Denkbaar is het intussen, dat niet Erasmus zelf,
maar zijn toenmalige secretaris, de Hollander Quirijn Talesius, voor deze
wandaad aansprakelijk gesteld moet worden. Want deze Haarlemse
lakenweverszoon die het later nog tot burgemeester van zijn geboortestad zou
brengen, is steeds een overtuigd katholiek geweest en tijdens het beleg
zelfs om den gelove terechtgesteld.
Hoe onafhankelijk de positie van Erasmus bleef, is merkwaardigerwijze nooit
beter gebleken dan toen zijn katholieke half-vrienden, half-vijanden, hem
dwongen tot wat hij het liefst van alles had willen vermijden: de pen tegen
Luther te voeren. Geprest om openlijk partij vóór Rome te kiezen, koos hij
slechts partij tegen Luther. Misschien met overleg, maar vermoedelijk
instinctmatig koos hij als onderwerp
De libero arbitrio
(Over de vrije wil), dat | | | | in 1524 uitkwam, waarop
Luther het volgend jaar antwoordde met zijn De servo
arbitrio (Over de onvrije wil), weer, in 1526, gevolgd door Erasmus'
Hyperaspistes, een lijvig traktaat over
dezelfde kwestie, maar zonder nieuwe argumenten. Doch wat is nu het
merkwaardige op grond waarvan men kan zeggen, dat juist dit afgedwongen
geschrift Erasmus' wezenlijke onafhankelijkheid bewijst? O, voorzeker, hij
keerde zich, getrouw aan de ‘opdracht’, in dit geschrift tegen de
individuele geloofsopvattingen der hervormers en sprak er zich in uit ten
gunste van de autoriteit en de traditie der kerk. ‘Ik had in Luthers kerk
een der coryfeeën kunnen zijn,’ schreef hij in 1529, ‘maar ik heb liever
gewild de haat van heel Duitsland op mij te laden dan uit de gemeenschap der
kerk te scheiden.’ En dit meende hij ook ongetwijfeld, want Erasmus is wel radicaal, radicaler zelfs dan men
hem in de regel tekent, maar zijn radicalisme is er een van de geest, nog
beter: van de gezindheid, niet van de daad. Erasmus was radicaal in de zin
waarin Marx het bedoelde, toen hij schreef: radicaal zijn is de zaak bij de
wortel vatten en de wortel voor de mens is de mens zelf. Elk radicalisme dat
buiten die mens en zijn gezindheid om kerkpolitisch werd, stond hem tegen en
met name het drijven van Luther waarvan hij niet ten onrechte vreesde, dat
het, zij het misschien tegen Luthers wil, de dekmantel zou worden voor
allerlei praktijken, die aan de geest van het evangelie, zoals Erasmus het
zag, volkomen vreemd, ja daaraan tegengesteld zouden zijn.
Des te meer hij wars van dit ‘barbaarse’ radicalisme was, des te minder kon
hij zijn eigen intellectueel radicalisme verloochenen, ook niet, of juist
niet in dit anti-hervormingsgeschrift. En daarom ook viel hem het thema der
wilsvrijheid in, waarin hij het diepst met Luther van mening verschilde.
Maar vergelijkt men beide geschriften, dan kan men tot geen ander besluit
komen, dan dat in wezen Luthers geschrift het meest religieuze, het meest
kerkelijke zelfs van beide was. Immers, terwijl de kerk de betrekkelijkheid
leerde zowel van de wilsvrijheid van de mens als van zijn onvrijheid en de
beide tegenstellingen in één eenheid had trachten te verzoenen, maar met
sterk accent op de onvrijheid van de mens en derhalve op de genade Gods,
vereenzijdigde Luther deze dialectische eenheid door de wilsvrijheid geheel
te schrappen en alle accent op de genade te leggen, terwijl Erasmus deze
eenheid evenzeer vereenzijdigde maar dan door omgekeerd alle wilsonvrijheid
en daarmee de genade te schrappen. Zodat, terwijl bij Luther met al zijn radicalisme in dit opzicht slechts gesproken kan
worden van het doortrekken van de lijn van Augustinus en daarmee slechts van
een accentverschuiving, het bij Erasmus zó is, dat hij het achterdeurtje dat
de kerk voor de wilsvrijheid open gelaten had, wagenwijd open stelde,
daarmee niet slechts het accent, maar de kern van het probleem verschuivend.
Het merkwaardige in deze strijd is dus dat, ofschoon het Luther erom te doen
was, de kerk aan te vallen en Erasmus om haar te verdedigen, Luther met al
zijn kerkpolitiek radicalisme feitelijk het echt religieuze, in de zin van
een aan God gebonden mensheid, verdedigde, terwijl Erasmus door zijn
intellectueel radicalisme dit ondermijnde en de weg baande naar die
gedachtenwereld die er van uitgaat, dat de mensheid zich zelf moet leiden.
| | | |
Noch zijn aanval op, noch zijn verweer tegen Luther maakte dan ook, achteraf
begrijpelijk genoeg, een einde aan de aanvallen op Erasmus van kerkelijke
zijde. Zij namen integendeel toe. De theologische faculteit te Parijs
onderwierp zijn werk aan een vinnige kritiek. Zij veroordeelde met name zijn
in 1522 aan de bisschop van Bazel gerichte brief
De esu carnium
(Over het vleeseten) waarin hij geprotesteerd had tegen het slaafs
dienen van uiterlijke vormen waarvan hij er vele voor van menselijke
oorsprong hield. En alsof dit het sein geweest was tot vernietiging van hem
die men ten slotte niet ten onrechte als een der voornaamste aanstichters
der hervorming beschouwde, kwamen de tegenstanders nu van alle kanten
opzetten. Vincentius Theodorici uit Haarlem, een dominicaan, F.
Titelman, een franciscaan, een aantal monniken in Spanje, kwaad
over de grote invloed die Erasmus ook in hun land had, alsmede nog een
aantal persoonlijke vijanden in Duitsland en Nederland, tegen één waarvan
hij het smadelijk moest afleggen, nl. Heinrich von Eppendorff, een volgeling
van Hutten, die in 1528 zijn meester kwam wreken door de onweerlegbare
beschuldiging, dat Erasmus Hutten en hem belasterd had.
En Erasmus schreef en schreef. Ziek of niet, hij schreef, zoveel als
tegenwoordig alleen dagbladjournalisten schrijven, maar dan beter. Al de
antwoorden aan zijn vijanden, als
Apologiae
verzameld in het negende deel van zijn complete werken, al die
militante brochures, te vinniger, omdat domheid en domperij van zijn
belagers hem dwongen zijn eigenlijk werk te laten liggen, gingen linea recta van zijn schrijftafel naar de zetterij en nog
nat van de drukinkt de wereld in en om er tevreden over te kunnen zijn, had
Erasmus geen ander middel dan wat later zo vaak zou worden toegepast: zich
zelf wijs te maken, dat hij eigenlijk altijd en overal gelijk had, hetzelfde
middel, dat, doorwerkend in de toon, echter ook nooit nalaat, de
tegenstander, ook de eerlijke, te prikkelen, waarvan dan een nog grotere en
nog prikkelender zelfverzekerdheid het betreurenswaardig, maar
onvermijdelijk gevolg is.
Voor ons heeft dat alles nu geen waarde meer, dan alleen om de nog altijd
gecolporteerde legende te verstoren, dat Erasmus een kamergeleerde was,
waarvan alleen dit waar is dat hij het naar zijn diepste wezen had willen
zijn, waarmee echter slechts gezegd is, dat hij het misschien wel geweest
zou zijn, indien hij in een minder roerige tijd was geboren; en dat wil weer
zeggen, in een tijd, waarin men hem beter zou hebben kunnen begrijpen.
Zoals het nu was, werd de tijd al anti-erasmiaanser, en, logisch gevolg,
Erasmus eenzamer en eenzamer. Machteloos moest hij het aanzien, ja, men
krijgt zelfs de indruk min of meer, we zullen niet zeggen, onverschillig,
maar dan toch van buitenaf, zag hij het aan, in beslag genomen als hij werd
door zijn eigen zorgen, dat zijn beste vrienden Fisher en More hun hoofd op
het schavot verloren (1535), als martelaren van dat zelfde katholicisme, dat
hij slechts zo lauw kon verdedigen, als slachtoffers van die zelfde
hervorming die hij dan toch mede gewekt had.
Hij begreep ook, op zijn beurt weer logisch gevolg van zijn vereenzaming,
zijn tijd er een geworden was waarin de mens geen andere keus heeft dan maar
nooit met die gevaarlijke aangelegenheid ingelaten en de theologische | | | |

Erasmus op zijn sterfbed. Tekening door een anonieme Bazelse
kunstenaar. Teylers Stichting, Haarlem.
| | | | zaak aan de theologen overgelaten.’ Woorden die bewijzen, dat
hij zijn tijd niet meer begreep, omdat hij niet begrijpen kon, niet
begrijpen wilde ook, dat zijn tijd er een geworden was waarin de mens geen
andere keus heeft dan voor zijn geweten te sterven of het te verzaken.
Het is waar, tot dit laatste offer was Erasmus
niet in staat - hij heeft het zelf erkend - maar elk verwijt hier schijnt
ons zinloos: het werd hem ook niet gevraagd. Aan hem voorbijgegaan, is de
ellende van zijn tijd zeker niet, wat toch bij mensen van zijn ouderdom
anders geen ongewoon verschijnsel pleegt te zijn. Wij kunnen het, als altijd
bij Erasmus, opmaken uit zijn innerlijke onrust die zich bij hem steeds in
het zoeken van een nieuwe woonplaats uit. In 1529 had hij besloten, het
voorbeeld van anderen volgend, zich niet langer te onderwerpen aan de
praktische hervormingen, welke Oecolampadius in de kerk van Bazel had
ingevoerd. Hij begaf zich naar Freiburg in Breisgau, waar het strenge
Oostenrijks gezag elke traditiewijziging verbood. Hier kocht hij zich enkele
jaren later zelfs een huis - Zum Kindt Jesu, in de Schiffgasse 7 - om er de
rest van zijn dagen te slijten. Maar andere rust dan de eeuwige zou die
knapste, maar tegelijk vreemdste aller filologen niet kennen. Zijn krachten
verminderden en het is of hij onbewust zijn zonde tegenover de berooide
Hutten heeft willen boeten door nu ook de hoog- en hoogstgeplaatsten die van
heinde en ver de nog altijd wereldberoemde humanist kwamen bezoeken, niet te
ontvangen.
Ook hier liet zijn werkzaamheid niet af, evenmin als zijn onrust, die er de
prikkel toe was. Zijn zending was immers verre van voltooid. Er waren nog
zoveel kerkvaders slechts in bedorven uitgaven te raadplegen. Een herdruk
van Cyprianus, een Latijnse Chrysostomus, een Griekse Basilius, en vooral
weer herdrukken van de
Colloquia
, 1529, 1531, 1533 en van de
Adagia
en het Nieuwe Testament. En telkens weer werd die onafgebroken
stroom van drukproeven doorkruist door verhuisplannen: Bourgondië? Waar de
wijn vandaan kwam, die zijn gestel, naar hij dacht, niet missen kon.
Brabant? Waar zijn moeder geboren was of waar hij kans had het jaargeld dat
de keizer hem verschuldigd was, ook uitbetaald te krijgen? Wij weten het
niet, omdat hij het zelf niet wist. Hem bekruipt het gevoel vervolgd te
worden, half werkelijkheid, half waan. ‘Mijn vrienden slinken, mijn vijanden
groeien,’ schreef hij in 1532. Hij wist alleen, dat hij zich ook op de
laatste reis moest voorbereiden. In april 1534 maakte hij met zijn
secretaris een nauwkeurige boedelbeschrijving als grondslag voor zijn
laatste wilsbeschikking, die hij echter pas in februari 1536 opstelde.
Toen hij zijn testament maakte, was hij al niet meer in Freiburg. In juni
1535 had hij zich opnieuw naar Bazel begeven om er als vanouds met zijn
vriend Bonifacius Amerbach in Frobens drukkerij te werken. Hier ook vormde
zich een laatste, losse kring om zijn ouderdom. Het waren de voorgangers der
Zwitserse dopers, een Grebel, Hubmaier, Hetzer en Stumpf, bewonderaars van
Morus' Utopia, bijbels-communistisch gezind, die hem in de
verwarde wereld nog het meest de evangelische geest, zoals hij die verstond,
schenen te belichamen.
En we verbeelden ons graag de grijsaard met het scherpe en toch zachte | | | | gezicht, met de ondoorgrondelijke glimlach, mengsel van
ironie, minachting, hoop en berusting, de fijne handen om het onmisbare glas
bourgogne geklemd, opgaand in een van de gesprekken, zoals hij er zoveel in
zijn Colloquia heeft opgeschreven. Een ander man dan de
jongeling die te paard over de bergen de
Laus Stultitiae
concipieerde - en toch dezelfde miles Christi,
met hetzelfde ideaal van verzoening tussen de wijsheid der ouden en die van
Christus, van verzoening ook tussen de katholieken en protestanten, van
verzoening ten slotte tussen alle mensen op de grondslag van hun aller
redelijkheid. Een dwaas ideaal? Maar stond het niet geschreven door Paulus,
die het eerst die verzoening tussen het oudste christendom en de Griekse
filosofie tot stand gebracht had: ‘Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is
in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden, want de
wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God’? En had hij zelf niet, lang,
lang geleden diens voorbeeld volgend, de dwaasheid woorden van wijsheid in
de mond gelegd?
28 juni 1536 schreef hij nog aegra manu, met zieke hand,
een brief. ‘Als Brabant maar wat dichterbij was,’ lezen wij er in. Hij zou
Brabant niet weerzien. Deze brief zou de laatste in de reeks van duizenden
zijn. Het was stil geworden om zijn bed waar hij nu meestal verbleef. ‘Of
toch de Heer zich mocht verwaardigen, mij uit deze razende wereld tot zijn
rust te roepen,’ zuchtte hij. En hij zuchtte ook, de brieven van zijn
vrienden uit de laatste jaren doorlezende, ‘Ook deze is al gestorven’. Op 12
juli kwam het sober einde, zonder priesterlijke bijstand waarschijnlijk.
Enkele vrienden om hem heen vingen zijn laatste woorden op: ‘O Jesu,
misericordia; Domine libera me’, o, Jezus, meelij; verlos mij, Heer, en op
het allerlaatst, toen de kringloop zich sloot, het beeld van een huisje in
Rotterdam, van een schip, van zijn zorglijke moeder, in het Hollands: ‘Lieve
God’.
|
|
|