|
|
|
| |
| | | | | |
De intellectueel in de politiek
In het jaar 1579 vonden de leden der Staten-Generaal bij de ingekomen stukken
een anoniem pamflet, geschreven door een Brussels
edelman die zich een ‘waar patriot’ noemde, en blijkbaar behoorde tot de
partij der ‘malcontenten’, welke in het begin des jaars, althans wat de
Waalse gewesten betreft, hun vrede met de ‘natuurlijke vorst’ hadden
gemaakt.
Het was een schotschrift tegen Oranje en diens rechterhand de ‘superintendent
en instructeur’ der afvalligen, Filips van
Marnix, wie kort tevoren op aandrang van de prins een zetel in de
Raad van State was ingeruimd. De schrijver verweet Marnix onder andere dat
hij een vreemdeling en van geringe afkomst zou zijn.
Marnix heeft de handschoen opgenomen en nog in hetzelfde jaar in zijn
Response à un libelle fameux
de schrijver van repliek gediend. Een moeilijke opdracht was dat
niet. Zijn overgrootvader van vaderszijde, Claude de Marnix, was inderdaad
uit Savoye geboortig, waar hij in 1468 een bescheiden ambtenaarsbetrekking
bekleedde. Maar reeds zijn grootvader, de in 1532 gestorven Johan, was
Margaretha van Oostenrijk, de hertogin-weduwe van Savoye, naar de
Nederlanden gevolgd, toen deze er in 1507 tot landvoogdes benoemd was, en
sedert in haar dienst te Brussel gebleven. Hij was er bovendien met een
Brugse, een hofdame van Margaretha, getrouwd. Diens zoon Jacob, Filips'
vader, was inspecteur van de benden van ordonnantie voor Vlaanderen, Artois,
Henegouwen en het Kamerijkse geweest. En naast die militaire, had hij ook
politieke functies bekleed: hij had deel uitgemaakt van het gezantschap naar
Engeland, dat daar onderhandelingen gevoerd had over het huwelijk van de
latere Filips ii met koningin Mary. Johan was door zijn
huwelijk met Marie de Haméricourt bovendien rijker dan zijn vader, die
alleen nog Toulouse in de Franche-Comté bezeten had. Johan kreeg er
St.-Aldegonde in Henegouwen bij. In 1558, na Johans dood, werden de goederen
bij familieverdrag verdeeld; de oudste van zijn beide zonen, ook Johan of
Jan geheten, kreeg Toulouse, Filips, die tussen 7 maart en 20 juli 1540 te
Brussel geboren schijnt te zijn, St.-Aldegonde.
Het verwijt dat een Marnix een vreemdeling zou zijn, treft hem dus niet.
Treft er ons een, dat we deze Zuidnederlander een plaats in de rij van
erflaters onzer beschaving hebben geven? Wij menen van niet. Immers, welk
standpunt men ook inneemt, het zogenaamde Groot- of Klein-Nederlandse, en
hoe hoog of laag men de zuidelijke invloed op het Noorden gedurende de
voorafgaande eeuwen ook schatten wil, het blijft een feit, dat juist in de
16de eeuw zich het Nederlands cultuurbezit van Zuid en Noord amper laat
onderscheiden, laat staan scheiden. Zouden wij geen Zuidnederlanders hebben
mogen opnemen, wier werk door de loop die de gebeurtenissen nu eenmaal | | | | genomen hebben, zo niet uitsluitend, dan toch voornamelijk het
Noorden ten goede is gekomen, dan zouden wij ook Stevin, ja, dan zouden wij zeker Oranje hebben moeten schrappen, die
van afkomst zelfs helemaal geen Nederlander was. We zouden daarmee onze
kroon niet alleen van drie van haar kostbaarste parels hebben beroofd, maar
bovendien het beeld der Noordnederlandse beschaving in deze en de volgende
eeuwen totaal vertekend hebben, want deze laat zich, zoals bekend genoeg is,
in haar wonderbaarlijke volheid en plotselinge wasdom zeker niet denken
zonder Oranje, maar ook niet zonder Marnix en Stevin en evenmin zonder
staatslieden van mindere rang als Van Aerssen en Van Meetkercke, zonder
theologen als Plancius en Gomarus, zonder dichters als Heinsius, Vondel en De Decker, zonder schilders als Hals en Bol, zonder kooplieden
als Le Maire, De Moucheron, Usselincx en De Geer, die allen uit het Zuiden
afkomstig zijn.
Nog minder indruk maakte op Marnix het verwijt van de anonieme pamflettist
omtrent zijn niet-adellijke geboorte. En op ons maakt het zelfs hoegenaamd
geen indruk meer. Het is hier bovenal weerlegd tegelijk met het andere en we
zouden het stilzwijgend zijn voorbijgegaan, als Marnix' weerlegging ons niet
in staat stelde, een blik te slaan in het karakter van deze edelman, die
zózeer in zijn historische roeping van grondvester van een burgerlijke
republiek is opgegaan, dat hij zelf dit verwijt nauwelijks geteld heeft. Al
was het zo, zegt hij ongeveer, dat ik van geringe komaf en niet van adel
was, dan zou ik daarmee toch niet opgehouden hebben een deugdzaam man te
zijn en dan nog zou niemand mij op ook maar één punt plicht- en eerverzuim
kunnen verwijten. Ik heb het trouwens altijd voor dwaas gehouden zich op de
verdiensten van een ander te beroemen, zoals zovelen doen die geen grein
deugd in hun ziel en geen druppel wijsheid in hun brein hebben en die
nochtans menen de wereld te moeten besturen, omdat er onder hun voorouders
iemand was, die geacht werd of iets dappers verricht had, maar die zelf in
hun jeugd niets anders gekund hebben dan in de rondte draaien met hun benen
en hun hersens en die nu in het publiek rondstappen als pauwen met zóveel
veren, dat je zou zweren, straks vliegen ze lucht in. Niettemin, besluit
hij, ik kan mijn adeldom met getuigen staven, maar ik geef ze in een
uittreksel achteraan ‘om de lezer niet met die onnozelheden te vervelen’. En
inderdaad volgt ook een ‘extract uit de authentieke inlichtingen, ingewonnen
door het kapittel van Luik over de oudheid en
adeldom van het huis Marnix’.
Marnix' argumentatie komt ons na 350 jaar burgerlijke cultuur vertrouwd en
zelfs wat al te vanzelfsprekend voor. Zij was dat in de zestiende eeuw
echter geenszins en is het nog niet overal. Integendeel: die woorden moeten
toen zelfs ietwat revolutionair geklonken hebben en in elk geval bij uitstek
geschikt om de burgertrots van de stedelijke leden der Staten te strelen.
Wat ook wel Marnix' toeleg geweest zal zijn, want bij al zijn eerlijkheid
als literaat was hij als politicus niet zonder berekening.
Marnix behoorde dus tot de Nederlandse adel en liet er zich, althans in 1579,
niet op voorstaan. Maar we moeten hier toch iets scherper onderscheiden dan
alleen door vast te stellen, dat dit destijds iets bijzonders was. En dat
| | | |

Filips van Marnix. Gravure door Hendrick Bary. Stedelijk Prentenkabinet, Antwerpen.
| | | | te meer, omdat we ons bij het opsporen van de wortels dier
bijzonderheid niet met de wichelroede der gissingen hoeven te behelpen. De
sociale positie van zijn geslacht namelijk laat zich noch vergelijken met
bij voorbeeld die van Egmond, Bergen, Oranje of de heren van Croy, noch
anderzijds met die van de lage adel die door het proces van economische
omwenteling dat de 16de eeuw overal in Europa kenmerkte, de grond van zijn
bestaan onder zich voelde wankelen. De Marnixen hadden niet als de zoëven
genoemde groten van nature toegang tot de gouverneurs- of generaalsposten,
noch ook tot de Raad van State of zelfs maar tot de Staten der gewesten van
hun inwoning om daar hun stand te vertegenwoordigen. En de hoogwaardigheid
missend, hadden zij er ook niet de hovaardigheid van.
Maar aan de andere kant verdienden zij allerminst de naam van ‘geuzen’ die
aan de lage adel in het algemeen niet ten onrechte gegeven is. Bij de
verbeurdverklaring van hun goederen werden de baten daaruit op
honderdduizend gulden geschat, een voor die tijd zeer aanzienlijk vermogen,
ook al is daar waarschijnlijk dat van hun vrouwen bij inbegrepen en al moet
men er de verplichte uitkeringen aan een aantal familieleden van aftrekken.
Deze sociale tussenpositie nu, verbonden met het feit dat het geslacht al
tenminste drie generaties lang ambtelijke functies bekleed had en daarmee
aan een geestelijke zindelijkheid en plichtsbetrachting gewend was, waarin
toen zomin de hoge als de lage adel placht uit te blinken, heeft Filips als
het ware voorbestemd om te worden wat hij geworden is en als hoedanig hij
een geheel onvervangbare betekenis heeft gekregen: de penvoerder van de
Opstand. Marnix vertegenwoordigt vóór alles het type - en hij is er een der
meest typische vertegenwoordigers van - van wat tegenwoordig een
intellectueel heet. Van zijn jeugd is te weinig bekend om te kunnen zeggen,
wanneer precies hij zijn keus in de grote strijd van zijn
dagen gedaan heeft, maar meer dan genoeg om te zeggen, dat hij van zijn
maatschappelijke bewustwording af door die strijd is bezeten geweest. We
plegen die strijd te benoemen met de woorden katholicisme en protestantisme.
Hij was dit ook, maar hij was tegelijk veel meer. Er was geen levensgebied
dat er onberoerd door bleef, zoals er geen waarlijk levend mens was die er
zich buiten kon houden. Het was een godsdienstige strijd, maar het was niet
minder een wetenschappelijke en hij was tegelijk evenzeer politiek,
economisch als sociaal; een strijd die alle geesten en alle belangen
verdeelde, zoals later die tussen voor- en tegenstanders van de Franse
Revolutie of die tussen fascisme en democratie, met als meest markant, maar
daarom nog niet wezenlijk verschil, dat men voor het toenmalig bewustzijn
van de godsdienst uitging, waar men nu wereldbeschouwing zegt, zodat wat wij
nu een intellectueel noemen, toen theoloog heette. Een niet wezenlijk
verschil, omdat het sociaal, dat is in zijn ruimste verband gezien, in beide
gevallen gaat om ruim baan te maken voor de nieuwe
ontwikkelingsmogelijkheden der maatschappij, waarbij de remmende rol, die in
onze eeuw het ‘fascisme’ gespeeld heeft, in de 16de eeuw het ‘katholicisme’
toeviel, terwijl de vooruitstrevende democratie zijn parallel vindt in het
‘protestantisme’ van toen.
Dat het katholicisme zich, over het geheel genomen, in de contra-reforma- | | | | tie met nieuwe middelen bij die nieuwe mogelijkheden zou gaan
aanpassen en het protestantisme, althans gedeeltelijk, weer zou terugglijden
in de oude sleur, weerspreekt niet de opvatting, dat het conflict
vierhonderd jaar geleden evenzeer als nu uiteindelijk ging om ‘het pleit van
dwang en vrijheid’. En in die strijd tussen dwang om het oude te behouden en
vrijheid om het nieuwe te ontplooien, in die strijd heeft de ‘theoloog’
Marnix als zovelen van zijn tijdgenoten
partij gekozen. We plaatsen theoloog tussen aanhalingstekens, omdat wij het
ook hier in de historische zin bedoelen van iemand die deelnam aan de strijd
der geesten die toen nu eenmaal in de eerste plaats de godsdienst betrof. In
de eerste plaats, maar niet uitsluitend. Bonaventura Vulcanius, eerst zijn
studiegenoot, later zijn secretaris die, in 1580 ongeveer, Marnix' archief
systematisch geordend heeft, kon voor de theologica in engere zin met één
dossier volstaan, terwijl hij er voor het geheel honderdnegenenzestig
behoefde. Maar bij al Marnix' geestelijke bemoeiingen is het eerste wat
opvalt de denkmoed. Die is het die hem aan de uiterste linkerzijde gebracht
heeft. Die denkmoed én het falen telkens, waar het niet op denken maar op
doen aankwam, het één niet meer dan het ander, stempelen hem tot de typische
intellectueel, zoals Nederland er na Erasmus,
waarmee hij zich in dat opzicht laat vergelijken, geen meer had
voortgebracht en pas in Spinoza weer een zou
voortbrengen.
De hoge en de lage edelen studeerden destijds niet, de ambtenarenadel wél.
Tezamen met zijn broer Jan werd Filips 30 oktober 1553 als student
ingeschreven te Leuven, destijds nog steeds de
enige universiteit in al de Nederlanden. Hij was toen dertien jaar en de
‘student’ dus niet veel meer dan wat wij nu een gymnasiast noemen, maar hoe
reeds kort daarop die grote strijd hem te pakken kreeg, weten we, of kunnen
we althans vermoeden uit een episode die hij zelf later in een literaire
polemiek met een van zijn studiegenoten heeft opgehaald: hij heeft er,
waarschijnlijk in 1555, want tot dat jaar moet hij in Leuven gebleven zijn,
bij een boekhandelaar geïnformeerd naar een werk van zekere professor
Tapper, waarin plaatsen uit geschriften van Luther en Calvijn in extenso
werden aangehaald, zij het om ze te bestrijden want Tapper was nog even
ouderwets-orthodox als zijn Leuvense collega's, die een halve eeuw geleden
Erasmus' leven vergald hadden.
Het boek was, althans bij die boekhandelaar, niet te krijgen. De overheid had
in 't geheim de handel een wenk gegeven en we weten dan ook niet of Marnix
het toen reeds gelezen heeft, laat staan, of hij zich al lezend, aan de
zijde der scholasten of aan die der hervormden geplaatst zou hebben. Later
maakte het deel uit van zijn bibliotheek, maar waar het bij deze anekdote op
aankomt is, dat zij als bewijs kan gelden, dat hij zich toen reeds voor het
vraagstuk bij uitstek interesseerde. Dat hij ook op die leeftijd al zijn
omgeving op z'n minst kritisch bekeek, evenals zijn broer Jan, de beide Van
der Mijles, Cornelis en Adriaen, en Bonaventura Vulcanius die
we allen in de rijen van het protestantisme terugvinden, dat wel gedaan
zullen hebben, blijkt indirect uit de lectuur van Rabelais in zijn Leuvense
dagen al, en direct uit de Biëncorf, die in
aanleg tegen de Leuvense geest gericht is. Heet het daar niet in de
oorspronkelijke editie: ‘Leser, leest dit met vlijt: Hier sult ghij sien
ende | | | | mercken/De wijsheyt end 't verstand van de Lovensche
klerken’?
Van Leuven schijnt Marnix tot voortzetting van zijn studiën naar Parijs
gestuurd te zijn, waar hij de jaren 1555-'57 doorbracht. Het kan hier
geweest zijn opleiding tot kanunnik niet onwaarschijnlijk is. Doch in elk
geval moet de omdat hij destijds bestemd werd kanunnik van Thérouanne te
worden. Wel heeft hij er George Buchanan ontmoet, de toen reeds bekende
Schotse humanist, vurig calvinist en voorstander van de volkssoevereiniteit,
wiens werken waaronder een vertaling van de psalmen in het Latijn, zich
later in Marnix' bibliotheek bevonden. Mogelijk is deze er zelfs zijn rector
geweest, wanneer hij althans in het Collège Boncourt gestudeerd heeft,
hetgeen in verband met zijn opleiding tot kanunnik niet onwaarschijnlijk is.
Doch in elk geval moet de hele atmosfeer van het Frankrijk dier dagen diepe
indruk gemaakt hebben op zijn levendige geest die al worstelde met al de
problemen van vernieuwing op elk gebied: het Frankrijk van Rabelais die hij
al in Leuven gelezen had, het Frankrijk, waar niet alleen de renaissance van
Italië uit het diepst was doorgedrongen, maar waar zelfs de jongste loot van
de renaissance-stam, het calvinisme, een grote toekomst scheen tegemoet te
gaan.
Het is van niet te overschatten betekenis voor een radicaal gemoed als dat
van Marnix, dat hij het protestantisme het eerst heeft leren kennen in de
gedaante van het strijdvaardige, ja aanvalsbereide calvinisme en niet in die
van het geestelijk, sociaal en politiek al spoedig verslapte lutheranisme.
Een beweging als het Franse hugenotendom in die jaren was, moest afkeer
wekken of geestdrift, onverschilligheid liet zij niet toe en zij schoolde
daarom, zij 't onbewust, zelfs hem die nog slechts toezag. Toen hij Parijs
verliet was hij misschien nog onzeker welke weg hij in de toekomst moest
inslaan, maar één ding zal al wel bij hem hebben vastgestaan, vaster dan in
Leuven: hij zou eens moeten kiezen en áls hij koos zou het voor honderd
procent óf het een óf het ander zijn. Het vrije intellect, aan zich zelf
overgelaten en niet in dienst van een politieke beweging, is naar zijn aard
meestal tot uitersten en zelden tot compromissen geneigd.
Mei 1557 vinden we hem in Dôle, het universiteitsstadje in de Franche-Comté,
in de buurt van het vaderlijk goed Toulouse, dat zijn broer Jan kort daarop
zou erven bij dezelfde testamentaire beschikking waarbij St. Aldegonde aan
Filips toegewezen werd. Jan, de oudste van de twee, de voorlvarendste ook,
krijgt men de indruk, speelde in Dôle een rol van belang. Hij was er niet
minder dan rector, want aan deze hogeschool op Bourgondisch rijksgebied
bestond toen nog de eigenaardige regeling, dat de naar naties gescheiden,
maar toch één ‘universitas’ vormende studenten uit hun midden de rector der
ganse universiteit aanwezen die zelfs niet ouder mocht zijn dan
vijfentwintig jaar en het bestuur voerde, bijgestaan door een college van
professoren. Behalve de Marnixen studeerden ook de Van der Mijles weer hier
en buitendien treffen we er in diezelfde jaren nog twee later beroemd
geworden Nederlanders aan: Paulus Buys, pensionaris van Leiden en de voorganger van Oldenbarnevelt als landsadvocaat en
Adriaen de Jonghe, beter bekend onder zijn
verlatiniseerde naam Hadrianus Junius, medicus, taalgeleerde en
geschiedschrijver, die de beproeving van het Haarlems beleg heeft meege- | | | |

Het handschrift van Filips van Marnix, met zijn bekende
zinspreuk ‘Repos ailleurs’, in het album amicorum van Daniël van
Vlierden. Koninklijke Bibliotheek, Den
Haag.
| | | | maakt en er zijn bibliotheek bij ingeschoten is. Al
dezen hebben later de zijde van de Opstand gekozen, maar we weten van geen
hunner het tijdstip van hun bekering en hoe verleidelijk het ook zou zijn,
om deze groep Nederlanders disputerend, politiek geïnteresseerd en zelfs
plannen smedend voor te stellen, het is een verleiding waarvoor misschien de
roman- maar de geschiedschrijver zeker niet bezwijken mag.
In feite hebben we ook uit deze fase van Marnix' leven, evenals omtrent de
Leuvense, slechts één, jaren later opgetekende anekdote, maar die ons dan
ook, als zij in haar kern waarheid bevat, een diepe blik in zijn karakter
gunt. Zijn broer, naar Padua vertrekkend, zou hem hebben toegevoegd, dat hij
nu terwille van de religie dat is van het calvinisme, in ballingschap ging,
terwijl Filips bij de vleespotten van Egypte bleef. Dat moet dan in het
voorjaar van 1558 geweest zijn en is mogelijk op zijn misschien nog niet
afgebroken opleiding voor het hoge kerkelijke ambt gemunt geweest. Hoe dit
zij, het verwijt zou zo'n indruk op de toen achttienjarige gemaakt hebben,
dat hij de Heilige Schrift was gaan lezen en binnen drie maanden zijn broer
gevolgd was. Dat bijbellezen riekt naar het traditionele van bijna alle
bekeringsgeschiedenissen. Aan het tweede is in elk geval dit waar, dat ook
Filips de droom van alle noorderlingen nagelopen en naar Italië getrokken
is. De anekdote klopt niet alleen met de uiterlijke gang van zaken, maar ook
met de innerlijke ontwikkeling der beide broers. Jan van Toulouse was een
Percy Hotspur die in 1565 tot de allereerste aanstichters van het Verbond
der Edelen behoord heeft. Hij is de eerste, nog vóór Brederode, die in 1567
de wapens opgenomen heeft, de eerste ook die nog in dat zelfde jaar, bij
Austruweel, zijn moed met zijn leven betaalde. En Filips kan hem zeer wel
naar Italië gevolgd zijn, uit die bij intellectuelen niet zeldzame behoefte
aan leiding in het dadenleven, die soms te groter schijnt, naarmate hun
denken moediger en zelfstandiger is. Dat althans Marnix die uit een besef van zwakte tegenover de levenspraktijk
geboren behoefte had, blijkt uit zijn latere leven wel onmiskenbaar. Aan
zich zelf overgelaten, wankelt hij steeds, zoals we nog zien zullen. De
overtuigde, ja triomfantelijke toon van zijn geschriften die de tegenstander
zonder genade aan de spot van de lezer overlevert, is daarmee slechts
schijnbaar in tegenspraak. Dat dit krachtsvertoon naar buiten veeleer als
compensatie voor een tegelijk aanwezig zwaktegevoel naar binnen kan dienen
zonder dat dit intussen aan de echtheid en oprechtheid dier kracht iets
afdoet, is voor de moderne psychologie een zeer vertrouwde figuur.
Hier in Italië moeten de Marnixen, zo zij het al niet waren toen zij er
kwamen, overtuigd calvinist geworden zijn. Rome zelf in zijn nog
ongereinigde gedaante immers was de ongewilde maar beste propagandist voor
het protestantisme. Men kan de leer erbuiten laten: de misbruiken der kerk,
de onwetendheid en zedeloosheid der geestelijkheid, de ongerijmdheden der
heiligenverering en de belachelijkheid der talloze legenden konden niet
anders dan even zo veel stenen des aanstoots zijn voor deze twee jonge
mensen wie de universiteit al wel geleerd had in een zuiverder toekomst te
schouwen, maar die nog niet beseften, dat het leven slechts een ander woord
is voor compromis. Maar dan moesten zij ook, zal Jans oordeel hebben geluid,
de laatste | | | | stap zetten en zich wenden tot de bron zelf van het
ware geloof en tot de zuivere kerk. Naar Genève! Lang zijn beiden er niet
geweest. Een jaar ongeveer hebben zij uit de ongeëvenaarde energiebron die
als mens Calvijn heette, gedronken, maar het was genoeg, zowel voor het
korte leven, dat Jan nog restte, als voor de vele jaren van strijd, triomf
en teleurstelling die Filips nog te doorworstelen kreeg voor hij naar eigen
hoop en lijfspreuk ‘repos ailleurs’ vond.
Toen zij, vermoedelijk in het voorjaar van '61, in het vaderland
terugkeerden, dacht nog geen van beiden aan een politieke rol. Met de hoge
adel en zijn liga hadden zij niets uit te staan. Beiden bleven zij het
particuliere leven leiden dat zij tot dusver geleid hadden en waartoe hun
vaderlijk erfdeel hen in staat stelde. Beiden trouwden, Filips met Filipotte
de Bailleul of van Belle. Hij maakte zich los van zijn kanunnikaat en zette,
stil en voor zich zelf, zijn theologische studiën voort, waarvan zijn latere
werken de vruchten zouden dragen. Terwijl Jan van het eerste begin af aan
bij de onderhandelingen der hervormingsgezinde lagere edelen is die tot hun
Verbond zullen leiden, doet Filips pas mee, als dit Verbond er is. Hij is op
5 april '66 bij de aanbieding van het Smeekschrift. Hij is het ook die, als
broer van Jan vanzelf enigszins op de voorgrond tredend, de opdracht krijgt
om de Antwerpse predikanten in te lichten en de
zittingen der Antwerpse synode bij te wonen. Door deze zending ook kwam hij
in aanraking met de man die aan het grootste deel van zijn leven de baan zou
voorschrijven: Oranje, wiens fijne neus in Filips van Marnix onmiddellijk en
op zijn minst een bruikbaar publicist ontdekte. Op diens verzoek verhuisde
hij naar Breda waar Oranje in het paleis der
Nassaus zijn hof hield.
En toch is het noch Oranje, noch Jan van Marnix, hoezeer zijn ontwikkeling
ondenkbaar is zonder deze beiden, die Filips van Marnix gemaakt hebben tot
de heraut van de Opstand. De hamer die deze, in wezen schuchtere,
kunstenaarsziel tot een bazuin smeden zal, is niet een persoon, maar een
gebeurtenis. Het is de beeldenstorm. Die gierende orkaan, 10 augustus '66 in
de industriestreek van Hondschoote en Armentières opgestoken, voortgezwiept over Yperen waar hij de 15de, over Oudenaerde waar hij de 18de opstak en waarin de achtduizend
werklozen een zo ongewoon karwei vonden, bereikte de 20ste Antwerpen; tot de
22ste woedde het onweer in Gent en Den Bosch om dan, zwakker al, ook over het Noorden
heen te blazen, waar het 6 september Leeuwarden en
18 september Groningen teisterde. In de gierende
storm, die eigenrechting der massa, voelde Marnix, de literaat, de kracht
die hem zelf ontbrak. En het is geen toeval, maar psychologische
noodzakelijkheid, dat juist hij, de teruggetrokkene en niet al te dappere,
zich onmiddellijk zet tot het schrijven van een verdediging, van dat eerste
geschrift dat we van hem kennen: Van de beelden
afgeworpen in de Nederlanden in augustus 1566, op een
ogenblik dat alle sterken sidderden voor dit natuurgeweld en zich haastten
dit onwettige te verloochenen, de een zus, de ander zo. Bij Marnix
daarentegen wekte het geweld van zijn geloof het geloof in geweld.
Maar het is evenmin toeval, dat dit stuk pas gedrukt is - in 1871. Het is
Marnix' eerste contact met het leven, het is ook zijn eerste compromis,
wan- | | | | neer hij erin toestemt het achter te houden, omdat de
leiders van het verzet, wel verre van in de gebeurtenissen van die
augustusmaand het signaal van de opstand te herkennen, daarin slechts met
het onfeilbaar instinct der echte politici een gevaar voor hun kleinlistige
plannen bespeurden.
Als het de bedoeling moet zijn van een biograaf om zijn held voor altijd en
iedereen presentabel te maken, dan is het een gelukkige greep van de heer
Oosterhof geweest, om in zijn dissertatie te
betogen, dat Marnix net op dit éne punt met zijn
beginselen in strijd gekomen is en hem dat, hem ‘begrijpend uit zijn tijd’,
welwillend te vergeven. Doch als het daarentegen bij een biografie gaat om
het oproepen van een beeld van de beschrevene dat diens innerlijke
werkelijkheid zo dicht mogelijk nabij komt, dan heeft hij daarmee Marnix de
slechtst denkbare dienst bewezen. Niet door hem te meten aan achteraf
gerangeerde ‘beginselen’, maar door de wezenlijke drijfveren bloot te leggen
die dit leven voortstuwden, benaderen wij hem het best en als dit onze
methode is, dan wordt het duidelijk, dat de beeldenstorm wel verre van een
afwijking van Marnix' beginselen te zijn er, psychologisch beschouwd,
veeleer de springbron van was. Uit de herinnering aan die dagen zal hij
voortdurend weer de kracht putten om in de politieke strijd die volgde, niet
steeds weer te bezwijken, omdat de politieke arena als zodanig met zijn
wezen niet strookte. Hij was meer voor de vrede dan voor de krijg geschikt,
heeft Grotius al van hem gezegd die hem uit
innerlijk eender-zijn zo goed begreep en dat is slechts een andere zegswijs
voor wat voor hen beiden geldt: hij was meer denker en schrijver dan
politicus en diplomaat.
Het is waar: wie, zonder diepere kennis der vóór-achttiende-eeuwse denken
voorstellingswereld nu het traktaat Van de beelden leest,
zal van de directheid waarmee Marnix op de beeldenstorm reageerde, weinig of
niets meer terugvinden. Nergens in dit geschrift het geringste spoor van
zelfstandige, op waarneming berustende analyse van de concrete
kerkelijk-politieke toestand van die dagen, op grond waarvan een modern
schrijver een gebeurtenis als de beeldenstorm zou hebben verklaard,
gebillijkt of gewraakt. Het aandeel ook, dat Marnix' hart erin had, blijkt
nergens uit de wijze waaróp, maar alleen uit het feit, dát hij deze alom
verguisde verdedigde. Het is noch een zakelijke analyse noch een persoonlijk
getuigenis, het is een betoog en dan nog een abstract en indirect betoog,
dit traktaat. Het is een antwoord op het geschrift van zekere ‘martinist’ -
dat is een lutheraan - uit Breda die als alle tijdgenoten de beeldenstorm
veroordeeld had. Woord en wederwoord gaan voor ons denken langs de kwestie
heen. Zij staan, hoe zeer Marnix kennelijk scherpzinniger en oneindig beter
stilist is - nog een ware zeldzaamheid in die tijd, een van de nog weinigen
voor wie een Erasmus niet tevergeefs zijn
stijlmodellen had geschreven - au fond op dezelfde grondslag: op die van de
autoriteit der Heilige Schrift. Beiden - en zo is het met alle schrijvers
tussen de oudheid en Descartes - achtten hun betoog geslaagd, als zij menen
te hebben aangetoond, dat de bijbel, de kerkvaders en de kerkelijke traditie
hun opvatting schijnen te staven en zij verschillen slechts in de keus van
hun bewijsplaatsen. De een bewijst uit deze bronnen, dat indien al de
beelden verwijderd moeten worden, het recht daartoe alleen aan de overheid
toekomt, | | | |

De Beeldenstorm, 20 augustus 1566. Ets door Frans Hogenberg.
Rijksprentenkabinet, Amsterdam.
| | | | - en de hoge of de lage, dat is dan nog weer een kwestie apart
- terwijl de ander uit dezelfde bronnen het omgekeerde leest en voor het
volk zelf dat recht opeist, wanneer de overheid haar plicht in deze
verzaakt. Maar het blijft altijd een kwestie van recht of onrecht, af te
leiden uit de Schrift. We horen van Mozes, van een gouden kalf, een metalen
slang, van Ezechias, van Jehu, Jozia, Hiskia, van Naäman en Remmon, van
Elisa en Paulus en allerlei andere, nu heel of half vergeten koningen,
profeten en leraren, en alleen wie heeft leren begrijpen, dat heel deze voor
ons nu hoogst onzekere overlevering voor alle tijdgenoten van toen, of ze nu
katholiek, lutheraan, calvinist of wederdoper waren, nog de meest reële
werkelijkheid was, beseft hoe zulke betogen de mensen van destijds zo hebben
kunnen pakken, dat zij er psalm-zingend de mutsaard voor bestegen.
Filips dan had dit wel wezenlijk moedig betoog geschreven, maar hij had het
niet uitgegeven. Het was voor het eerst maar niet voor het laatst, dat de
politiek zijn literaire vleugelslag verlamde. En hij raakte dieper en dieper
in de maalstroom van haar ontwikkeling. Hij was bij de onderhandelingen in
St.-Truien, waarbij de consistoriën en
calvinistische kooplieden de edelen van het Verbond geld boden om troepen te
lichten. Hij is zelfs naar Duitsland geweest om ze te werven. Het is zijn
tweede contact met het werkelijke leven, het is zijn tweede mislukking. Maar
zijn verdiensten zijn blijkbaar toch wel van die aard geweest, dat Brederode
hem in het begin van het beslissende jaar '67 tot schatmeester der
verbondenen benoemde. Maar bij Austruweel, waar het schamele troepje
radicalen dat zijn broer Jan om zich heen verzameld had, onder het oog van
de Antwerpenaren verslagen en deze ondanks het aanbieden van een hoog
losgeld in stukken gehouwen werd - bij Austruweel is Filips niet. Zijn
biografen zeggen, dat een bode hem in Breda kwam
waarschuwen en hij zich inderdaad gereed maakte zijn broer te hulp te komen.
Het is zeer wel mogelijk, dat die waarschuwing te laat gekomen is:
uitgevoerd heeft hij zijn plan in elk geval niet en kort daarop, wanneer
precies weten we niet, is hij met zijn vrouw en kinderen de ballingschap
ingegaan.
Hier in Bremen, waarheen hij zich het eerst begaf, begon de harde leerschool
die alle intellectuelen moeten doormaken, wanneer de omstandigheden van hun
tijd en de oprechtheid hunner overtuiging hun levensscheepje op het
stormachtige meer der grote politiek doen verzeilen. Zijn politieke
onnozelheid, kind van zijn jeugd en zijn dichterhart, die hem had doen
geloven, enerzijds, dat men een regering aan het wankelen kan brengen door
een paar beelden stuk te gooien, anderzijds dat nu alle weigezinden zouden
meegaan en het pleit gewonnen was dat nu pas begon, maakte heel langzaam aan
en o zo moeizaam plaats voor een rijper en evenwichtiger oordeel over
toestanden en mensen.
Daartoe heeft hem de ervaring van de politieke strijd gebracht. De
mislukkingen van '68, de leegte van '69 en de teleurstellingen van '70
kunnen niet spoorloos aan hem voorbij gegaan zijn. Wat was zijn reactie
erop? De authentieke geschriften van Marnix hebben ons daarover niets te
vertellen. De apocriefe waarin we hem lang meenden te herkennen zijn door
het later histo- | | | | risch onderzoek niet van zijn hand verklaard.
Het Wilhelmus dat zo treffend de situatie van het ogenblik weergeeft:
die zijt in grooten noot...
is niet van Marnix. En hetzelfde werd al eerder
bewezen van een in het Latijn gesteld vertoog, de zogenaamde
Hypodeixis
over het te bevrijden vaderland, dat Bakhuizen
van den Brink nog aan Marnix toeschreef, maar van de hand van
Hendrik Geldorpius bleek te zijn. We kunnen
hoogstens vermoeden, dat Marnix de gevoelens deelde van deze emigrant als
hij, verbitterd over de lauwheid van die gebleven waren en bukten voor de
tiran: ‘Hebben zij,’ zo wendt hij zich tot Willem van Oranje ‘hebben zij in
het minst hun karakter verloochend, dat zij uit de riolen van alle ondeugden
hebben opgehaald? Zo niets, geen geld of moeite hebben de meesten voor uw
onderneming over, dat zij liever degenen die daartoe wel bereid zijn,
smaden, haten, verraden en belasteren... Nu eens door schoonschijnende
leuzen tot vermetelheid gewekt, zijgen zij het volgend ogenblik weer
ontzield ter aarde, omdat zij een bliksemstraal, door een venster
weerkaatst, voor de bliksem houden. Opgeblazen als zij zijn, deels door hun
overzeese tochten, deels door hun koopmansreizen, stellen zij de woekerkunst
waarop zij zich voortdurend met alle macht toeleggen, boven alle roem die in
de politiek, de krijgsdienst of op het gebied der letteren en wetenschappen
te behalen valt... Wat zoudt gij met zulk slag van lieden kunnen uitrichten?
Indien in zulk een maatschappij een god die het karakter van ons volk niet
kende, u toegestaan had in het vaderland te blijven, of hij het u thans met
één toverslag wilde teruggeven, zoudt gij het zelfs wel wensen?’
We komen alweer evenmin boven het - zij het dan zeer aanvaardbare - vermoeden
uit, wanneer we aannemen, dat Oranje en Marnix dit vervloekend betoog
besprekend, doordrongen raakten van de noodzaak, dat aan de gehoopte opstand
een intensieve propaganda diende vooraf te gaan. En het is zelfs wel
mogelijk dat Oranje, door Geldorpius' woorden opgewekt, besloot Marnix als
propagandist aan zich en hun beider zaak te verbinden. Het is in elk geval
in deze dagen, begin '71, dat hij hem ‘leent’ van Frederik iii van de Paltz, in wiens dienst Marnix getreden was om de gemeente
niet tot last te zijn, nadat in '68 zijn eigen en twee jaar later de
goederen van zijn vrouw door de regering waren verbeurd verklaard. Marnix
was toen kennelijk ondanks zijn maar even dertig jaren al een beroemd man.
Niet alleen had hij nog in '69 in zijn
Vraye narration et apologie des choses passées au Pays-Bas
... en l'an '66
de argumenten uit zijn beeldenstormbrochure uitvoeriger herhaald en
nu wel, zij het nog zonder zijn naam, uitgegeven, doch hij had ook reeds het
beroemdste van al zijn werken op zijn naam staan, de
Biëncorf
waarvan de voorrede van 5 januari 1569 dateert. Het boek is
geschreven op Lütelsburg (bij Norden) in Oost-Friesland, waar Marnix zich in
'68 had teruggetrokken, overtuigd, dat na Jemmingen, waar Lodewijk van
Nassau en na de Geete, waar Willem van Oranje zelf verslagen was, de zaak
van de op- | | | | stand politiek en militair verloren was. Maar juist
in de behoefte aan compensatie van dit desillusionerend inzicht moet men,
menen wij, de overstromende bron van dit mousserende geschrift zoeken. De
betekenis ervan voor die dagen is moeilijk te overschatten. Pastoor Jan Coens, die in 1598 zijn
Confutatie of Wederlegginghe van den Biëncorf
schreef, getuigt daarvan met de volgende woorden: ‘Nochtans men
houdt in Hollandt en Zeelant desen Biecorf in grooter
weerden, als een boeck vol wijsheyt en gheleertheyt; want alsoo haest als
iemand uut Vlaenderen coemt in Hollant, sy segghen terstont “Leest den Biecorf, leest den Biecorf”, hiermede te
kennen ghevende, dat den Biecorf alleen genoegh is om
iemand ketters te maken... ende het dunckt my oock alsoo.’ En Bayle wist nog
te vermelden, dat het met ongelooflijke toejuiching ontvangen was, die
waarschijnlijk die van Erasmus'
Moriae Encomium
en zijn
Colloquia
nabij kwam.
De Biëncorf der H. Roomscher Kercke, een
‘clare ende grondelicke utlegginghe der Sendbriefs Meester Gentiani Hervet'
is in letterlijke zin Marnix' levenswerk geworden. Want aan het boek zoals
wij het nu kennen, is nog een in het Frans gestelde, vermoedelijk beknopter
editie voorafgegaan (1567) die zoek geraakt is, en nog veel uitvoeriger
bewerkingen zijn er op gevolgd. Met dat al vermag de Biëncorf zo tintelend het is, de moderne lezer niet van a tot z meer
te boeien, vooral niet wanneer hij het boek in een van de uitgebreide latere
uitgaven, en zeker niet, wanneer hij het in de door Marnix zelf in zijn
laatste jaren geschreven vierdelige Franse bewerking, de
Tableau des différends de la religion
leest. De drang die Marnix bij het schrijven van zijn Biëncorf bewoog, was in de grond dezelfde als die Erasmus bewogen
had bij het schrijven van zijn
Lof der zotheid
: de drang tot afbraak van de formalistische denkwereld der
middeleeuwen om op haar ruïnes de tempel van het kritische weten van de
Nieuwe Tijd te bouwen. Vandaar dat beiden de humanistische vorm van de
satire kozen en met name Marnix geen stijlmiddel van zijn tijd ongebruikt
heeft gelaten om haar kracht bij te zetten. Alleen het accent ligt anders.
Wat bij Erasmus nog door zijn algemeenheid een vaag redelijk ideaal was, is
bij Marnix die de school van Calvijn doorlopen had, tot een engere maar ook
positievere en daardoor veel krachtiger overtuiging gestold. Het sprankelend
vertoog dat er op berekend schijnt met de waterval van zijn over elkaar heen
stortende woorden, woordspelingen, spreekwoorden en beelden alle twijfel aan
zijn waarheid bij de lezer weg te spoelen, heeft de vorm van een commentaar
op de zendbrief van zekere Gentianus Hervet en is
quasi gericht tot en opgedragen aan Sonnius, bisschop van Den Bosch, de promotor van de nieuwe kerkelijke hiërarchie van
1559 die men de leider van de Nederlandse contrareformatie zou kunnen
noemen. De inhoud is een - ironische - aanklacht tegen de ketters en een -
uiteraard even ironische - verdediging van het oude geloof. Maar de ironie
is plomp genoeg om ook de eenvoudigste lezer niet te misleiden. De ketters
zijn ten eerste ongelovig, omdat zij niet alles geloven wat de heilige
moederkerk gelooft. Het is ten tweede ten onrechte, dat zij het ervoor
houden, dat men niets behoort te geloven dan de Heilige Schrift.
Verwerpelijk is ten derde, dat zij de zeven sacramenten en inzonderheid die
van de biecht, van het huwelijk en het laatste oliesel niet | | | |

De slag bij Austruweel, 1567, waarbij Jan van Marnix het leven
liet. Ets door Romeyn de Hooghe. Stedelijk
Prentenkabinet, Antwerpen.
| | | | geloven. Zij doen ten vierde de katholieken onrecht door hen
voor afgodendienaars te schelden; ten vijfde zoeken zij niets anders dan de
vleselijke vrijheid, terwijl ten slotte in het zesde stuk ‘betoogd’ wordt,
dat de ketterse predikanten ‘ongeleerde buffels zijn die een boos en
ongepast leven leiden’.
En dat gaat dan in deze trant: Meester Gentianus zegt, ‘dat hem de walge zeer
steekt, als hij merkt de kwaliteit [namelijk het wezen en het leven] der
nieuwe hugenootse predikanten.’ Meester Gentianus moet zich echter aan die
gevoelens niet overgeven, nadat hij de mis gezongen heeft, ‘want anders
mocht hij ons een kwaad spel maken en de heilige kerk genoeg te doen geven’.
Hij zou er namelijk zo van kunnen walgen, dat hij er misselijk van werd en
dan zou de lieve god (de ouwel) zijn maag moeten ruimen. Ofschoon de kerk
daar overigens wel in voorzien heeft, want de regel is dat degeen die ‘het
kalf gelegd heeft’ - zoals Marnix het vomeren
omschrijft - hetzelve weer moet opslorpen, zonder zout. Het hypothetische
geval wordt dan met 16de-eeuwse breedsprakigheid en humor nog een bladzijde
lang ‘uitgekauwd’. (Men vergeve mij het woord in dit verband, maar wie met
pek omgaat wordt ermee besmet.) De toepassing van de bovengegeven regel
immers zou de situatie niet redden, meent Marnix. Want het weer opgeslorpte
kalf zou hem nog slechts misselijker maken en dan zou hij de lieve god
moeten verbranden en de heilige as onder het altaar verstoppen als een
relikwie. En ‘dit ware gewis zeer schandalig en ergerlijk voor onze lieve
moeder de heilige kerk, dat zij met haar god net zo zou moeten omspringen
als zij met de ketters en hugenoten doet’. Maar deze en dergelijke voor
20ste-eeuwse oren onkiese grollen blijken dan telkens toch weer geen loos
spel van onsmakelijke boert te zijn, want in volle schijn-ernst citeert hij
dan een verordening van een concilie van Orleans, waardoor op de boven
omschreven wijze in het pijnlijke geval voorzien is. Een verordening die,
naar hij zegt, nog heden ten dage in de cautelen der missen in alle
misboeken geschreven staat: ‘Als dat men god tsamen met het gelegde kalf
zonder genade verbranden zal en heilige as daarvan maken, om de goede devote
luiden op de eerste dag van de vasten of op Asdag daarmee een kruis op het
voorhoofd te drukken.’ Ook die oplossing - vervolgt Marnix die zijn
onderwerp niet wil loslaten vóór hij er alle loog uitgezogen heeft - zou
echter gevaarlijk zijn tegenwoordig, omdat de ketters van alle kanten God
overvallen, zodat als God zou merken, dat de katholieken hem ook al wilden
verbranden, hij de moed wel eens helemaal zou kunnen laten zakken en dan zou
het een verloren spel met ons zijn. Conclusie: laat meester Gentianus niet
zo walgen van de predikanten en zeker niet na het doen van de mis.
Men behoeft geen kenner van Rabelais te zijn om in te zien, dat Marnix zich
hier een waardig leerling van de Franse meester betoont wiens hoon zich
hierin van die van anderen onderscheidt, dat zij tegelijk gul en venijnig
is. In het volgende hoofdstuk keert hij de punt van zijn degen dan helemaal
om en de aanval van Hervet op de ongeletterde predikanten wordt beantwoord
met een waarlijk inquisitoriaal onderzoek naar de geleerdheid der roomse
geestelijkheid, die - op rabelaisiaanse wijs alweer - over de hekel gehaald
wordt. Is er niet een spreekwoord: monacho indoctior?
Stom- | | | | mer dan een monnik? Ja, in Italië bestaat een
zonderlinge orde die zich zelf de onwetende of ongeleerde noemt ‘makende
daarom haar principale professie van niet te weten dan eten en drinken en
doen 't geen de wereld doet’. Dan krijgt het monnikenlatijn een veeg uit de
pan. Een geestelijke hoeft trouwens geen Latijn te kennen, ‘want zo hij
slechts de vijf secrete woorden van de mis kan stamelen zonder Priscianus of
Despauterius (destijds alom gebruikte Latijnse grammatica's) voor de
kinnebak te slaan, dan is de zaak al klaar en hij veel geleerder dan de
engelen in de hemel, want hij kan god maken en de engelen niet.’ ‘Als zij
daarenboven’ - zo spot hij voort - ‘een weinig van het allerdunste Latijn
weten te bakken, dan is hun zeug vet: zij mogen vrij de buren op de beuling
noden en met de grote pollepel opscheppen. Zij kunnen er niet alleen
parochiaan, maar ook bisschop, prelaat, kardinaal, ja paus mee worden. En
wat kan hun hartje meer begeren? Want wat hun leven betreft, daar moet je
altijd maar het beste van denken, zoals in de decreten bevolen is: ‘Daarom
zo een paap een meisje kust of naar haar borsten tast, men zal denken dat
hij ze biechten wil of absolutie van haar zonden geven.’ En het hele
rekwisitoor loopt uit op de ‘tweeëndertig kwartieren’ der geestelijkheid,
waarin Marnix kennelijk alles bij elkaar gesleept heeft wat hem maar bekend
kon zijn omtrent de min of meer profane en arkane geschiedenis van een
aantal pausen, van paus Liberius af tot zijn eigen tijd toe.
Cultuurhistorisch gezien zal dit boek zonder enige twijfel altijd
belangwekkend blijven, omdat het, duidelijker dan welk ander werk ook, laat
zien hoe humanisme en calvinisme, die later zo ver uiteen zouden groeien, op
één wortel stoelden. Louter naar de inhoud gemeten daarentegen heeft het nu
vrijwel alle belang verloren. De popularisering van de protestantse kritiek
op de middeleeuwse kerk - en dat is de
Biëncorf
- waarvan de bedoeling was, aan te tonen, ten eerste, hoezeer deze
kerk in de loop der eeuwen van de evangelische en patristische grondslagen
was afgeweken en ten tweede, hoezeer haar praktijk nog weer beneden haar
reeds verdorven leer gebleven was, heeft ons door haar oppervlakkigheid
enerzijds en haar overdrijving anderzijds nu niets meer te zeggen. De kern
van juistheid die zij bevatte, heeft de historische kritiek later uiteraard
veel solider en objectiever gefundeerd. Doch destijds sloeg het in, om
dezelfde reden die maakt, dat het ons nu niets meer zegt. De Biëncorf heeft het lot gedeeld van zoveel andere cultuurhistorisch
belangrijke werken die juist omdat er naar ‘geluisterd’ is, als het ware
zich zelf overbodig hebben gemaakt. Heel wat van de rommelkamer der
middeleeuwse kerk - van haar Augiasstal spreekt Marnix - waar de schrijver
der Biëncorf driftig tegen bezemde, had de kerk zelf al of
heeft zij iets later opgeruimd. Reeds hierdoor kan en zal ook een goed
katholiek niet ontkennen, dat een zuivering destijds hoognodig was, al zal
deze van mening blijven, dat Marnix tegelijk met het vuile badwater ook het
kind van het ware geloof heeft weggegooid.
Marnix heeft, zeiden we, de Biëncorf als zijn levenswerk
beschouwd, maar pas de rust van zijn laatste jaren heeft hem veroorloofd,
ertoe terug te keren. Tussen 1571 en 1585 heeft hij zijn leven aan de
politiek gewijd en niets be- | | | | wijst misschien meer, dat hij tot
de groten, maar tegelijk niet tot de grootsten gerekend mag worden, dan dat
hij zich in deze periode buiten zijn eigenlijk beroep van intellectueel
heeft laten dringen om zich als soldaat en diplomaat te laten gebruiken, ja,
gezien zijn aanleg, mag men wel zeggen: misbruiken. Door Oranje. Een van
zijn oude biografen, W. Broes, heeft het naïef,
maar toch treffend uitgedrukt, toen hij zijn boek tot titel gaf:
Marnix aan de hand van Willem
i
. Het heeft geen zin om alle zendingen op te sommen, waar Oranje
Marnix op uit gestuurd of alle gelegenheden, waarin hij op andere wijze van
zijn diensten gebruik gemaakt heeft. Hij is in Duitsland geweest om steun
bij de protestantse vorsten en hoogleraren voor de Leidse universiteit te
werven; zijn rede op de Duitse rijksdag van Worms in 1578 in verband met die
eerste taak is terecht beroemd gebleven. Hij is naar Polen gestuurd en naar
Engeland. Hij had zijn aandeel in de Pacificatie van Gent, in de Unies van
Brussel en in de vredeshandel in Geertruidenberg.
Het is ons echter genoeg te weten, dat sinds de dagen, nog vóór Alva's komst,
toen hij hem naar Breda riep, tot aan die in 1583
waarin hij hem het buiten-burgemeesterschap van Antwerpen opdrong, Marnix zich steeds weer, zij het niet steeds
zonder tegenstribbelen, voor de machtiger persoon van de Zwijger gebogen
heeft en heeft gehoorzaamd, overtuigd dat dit blijvend offer van zijn
kleinere persoonlijkheid voor de zaak, waarvoor beiden streden, onmisbaar
was.
Hoezeer Marnix in deze vriendschap, want zo mag men hun verhouding wel
noemen, de geleide en Oranje de leidende was, en dat vooral, omdat deze
vriendschap leefde en leven moest in een sfeer, de politieke, die bij
uitstek die des prinsen, niet die van Marnix was, blijkt telkens, wanneer de
omstandigheden voor iets langer tijd Marnix aan Oranjes invloed onttrekken.
In 1572 op de Staten-vergadering in Dordt of bij
het verzetten van de wet in Haarlem, waar hij als
vertegenwoordiger van Oranje slechts diens opdrachten heeft uit te voeren,
gaat alles goed. De vlotte woordenrijkdom van zijn buigzame persoonlijkheid
wint gemakkelijk het pleit, waar sterker, maar stugger naturen misschien
gefaald zouden hebben. Maar het volgend jaar, als hij, gouverneur geworden
van Delft, Schiedam en
Rotterdam, deze streek tegen de Spaanse
stadhouder Bossu zelfstandig verdedigen moet, faalt hij - en niet alleen als
militair. November 1573 bij Maaslandsluis gevangen,
werd hij tot oktober 1574 op het Vreeburg in Utrecht vastgehouden. En hier, in dit vijandelijk, maar niet
vijandig milieu, in gesprekken met de grote, maar innemend redelijke heer
Noircarmes, smolt zijn vertrouwen niet alleen in de uitslag, maar zelfs in
de gerechtvaardigdheid van zijn zaak, in de gloed van zijn angst voor het
schavot. Marnix, we zeiden het al eerder, was een intellectueel en dit
mensenslag wordt maar hoogst zelden gesneden uit het harde hout waarvan men
martelaren krijgt. Marnix in elk geval behoorde zeker niet tot die
ongelukkige bevoorrechten. Hij liet zich door Noircarmes verleiden als
bemiddelaar tussen hem en Oranje op te treden en kreeg, in juli, zelfs
verlof daarover persoonlijk met deze te Rotterdam te onderhandelen.
Het bewijst, hoe weinig krachten Oranje in die jaren nog tot zijn beschikking
had, dat deze inzinking van Marnix de prins er niet toe gebracht heeft, | | | |

De brug van Farnese over de Schelde tijdens het beleg van Antwerpen. Gravure door Frans Hogenberg. Stedelijk Prentenkabinet, Antwerpen.
| | | | hem naar het schijnt ook maar één ogenblik zijn vertrouwen op
te zeggen. En al kan men tevens aanvoeren, dat hij wel op Marnix aangewezen was, omdat het destijds niet
aanging voor diplomatieke zendingen gewone burgers te gebruiken - de
diplomatie is immers zelfs in onze dagen nog vaak in adellijke handen - het
pleit, menen wij, toch óók voor Marnix. Oranje, die een mensenkenner was,
zal zeer goed gevoeld hebben, dat zijn vertrouwde, ondanks alles, op één
punt van geen wijken zou weten, op dat der religie. Hij moge dan naar vrede
gehaakt hebben, hij zou die nooit gekocht hebben tot de prijs van een
terugkeer tot het katholicisme. En Oranje wist daarom evenzeer, dat het
gereformeerde volk Marnix in dit opzicht, en niet ten onrechte, meer
vertrouwde dan hem, ook na zijn overgang tot ‘de religie’. En hij wist ten
slotte, dat op dit punt zijn vijand evenmin van wijken weten wilde.
Hoe dan ook, Marnix is voortdurend in 's prinsen diplomatieke dienst gebleven
en al zijn een aantal van zijn zendingen rondweg mislukt, hij heeft toch ook
Oranje en de zaak van de Opstand zeer wezenlijke diensten bewezen. Ook hier
weer vooral literaire. Op één punt moet zijn scherpzinnigheid onnavolgbaar
geweest zijn. Hij kon zó goed onderschepte in geheimschrift gestelde brieven
ontcijferen, dat hij later zelfs uit Engeland een dergelijke opdracht kreeg.
Ook de onderhandelingen met Anjou zijn door Marnix gevoerd. Maar tegen deze
is hij evenmin opgewassen gebleken als vroeger tegen Noircarmes en later
tegen Parma. Zo kritisch als hij namelijk tegen de dogma's en decreten der
katholieke kerk stond, zo onkritisch stond hij tegenover haar vleselijke
vertegenwoordigers uit de hoge wereld, wier lagen en listen de eerlijke
intellectueel op zijn hoogst beschrijven, zelden begrijpen en nooit nadoen
kan. Dat aangeboren gebrek kan zelfs de lectuur van Machiavelli niet
verhelpen, want ook deze had zijn kennis der politieke kronkelpaden ten
slotte maar van horen zeggen en niet van doen, en zelfs hij is in zekere zin
even naïef gestorven als hij geboren was. Is het dan wonder, dat toen ook
Anjou het in hem gestelde vertrouwen smadelijk misbruikte en zijn aanslag op
Antwerpen in '83 slechts de voorbode scheen van de naderende ondergang, ook
voor Holland en Zeeland, is het dan wonder, dat toen Marnix die zich voor
het Anjouse bewind rechtstreeks verantwoordelijk voelde, omdat hij hem
hierheen getroond had, zijn stemming van 1571 en '74 voelde terugkeren? Toen
Oranje, in verband met deze gebeurtenissen, zich ten tweeden male
genoodzaakt zag, zich binnen de Hollandse veste terug te trekken, vroeg en
verkreeg Marnix zijn ontslag als lid van de Raad van State en de oorlogsraad
en begaf zich naar zijn in 1578 verworven bezitting West-Souburg, tussen Middelburg en
Vlissingen, om er in landelijke rust kool te
planten en te zitten lezen in zijn uitgebreide bibliotheek, waarnaar hij al
die jaren nauwelijks had kunnen omkijken. Ook het bloed van intellectuelen,
dat alleen in de voorstelling van niet-intellectuelen dunner is dan dat van
‘gewone’ mensen, kruipt waar het niet gaan kan.
Doch Marnix, geen filosofische, maar een calvinistische Candide, wist ook wat
plicht was en in het bijzonder plicht die niet lokt, maar die opgenomen
wordt, ondanks, ja, misschien juist omdat men er afkerig van is. Hij had
Oranje bij zijn ontslag uit de staatsdienst beloofd, te zijner beschikking
te zul- | | | | len blijven en weer te komen, zodra hij hem nodig zou
hebben. En dat was nog in hetzelfde jaar '83. In het Zuiden drong Parma
voortdurend meer op. Stad na stad viel hem in handen en het was niet
moeilijk te voorzien, dat Antwerpen, enerzijds het
pistool op de borst van Engeland, anderzijds het bolwerk der hervorming voor
Brabant en Vlaanderen, zijn naaste doel zou zijn. Antwerpen moest tot elke
prijs behouden blijven en Marnix, de overtuigde calvinist, die het
vertrouwen van het gereformeerde volk en zijn vertegenwoordigers in raad en
gilden bezat, was de man die het moest behouden. Oranje wist hem, niet
zonder moeite overigens, over te halen tot het aanvaarden van de betrekking
van buiten-burgemeester, dat wil zeggen van die eerste der beide
burgemeesteren, die de betrekkingen van de stad met de gewestelijke en
landsregering regelde en onderhield.
Deze taak, die zijn kruis werd, nam Marnix op zich. Maar het was wederom een
taak, waarvoor hij niet berekend was, minder nog dan voor de vorige. Naar
binnen toe niet en naar buiten toe niet. Toen het beleg onvermijdelijk
naderde, was het doorsteken van de Cauwesteynse dijk strategisch de eerst
nodige maatregel geweest. Immers, bleef deze in stand, en maakte Parma er
zich meester van, dan kon hij de toegang tot de stad ook van de Scheldezijde
afsluiten. Bestond hij daarentegen niet meer, dan bleef de toevoer tot de
stad hetzij van levensmiddelen of van militaire hulp verzekerd. Dat kon ook
Marnix begrijpen, maar wat hij niet gekund heeft, is de slagers die in de
polder achter de dijk hun vee hadden lopen, van de noodzaak van dit offer te
overtuigen. Hij zal zich de bittere woorden, in '71 al aan de prins over het
Nederlandse volkskarakter geschreven, herinnerd hebben. Maar tevergeefs:
alleen de Blauwegarense dijk is doorgestoken en ook die pas, toen het al te
laat was. Doch Marnix hield nog vol, men mag hier wel zeggen: tegen zijn
natuur in, tot een opeenstapeling van tegenslagen in de zomer van '84 zijn
veerkracht verlamde. Op 10 juli overmeesterde Roubaix het fort
Liefkenshoeck, terwijl Mondragon het beleg sloeg voor het op de overoever
gelegen fort Lilloo. Daarmee begon de insluiting van Antwerpen in ernst. Het
was dezelfde dag, waarop de fatale schoten op het Prinsenhof te Delft een einde maakten aan het leven van Oranje:
alsof de vijand geweten heeft dat hij met het éne hart er eigenlijk twee
doorschoot.
Het is hier de plaats niet voor een beschrijving van het beleg van Antwerpen
noch voor een studie over Marnix' houding als leider der verdediging. Zelfs
een summiere weergave van de verschillende interpretaties dier houding zou
al te veel ruimte vergen. Het zij ons genoeg te weten, dat de komende
dertien maanden na de zwarte 10de juli 1584 beslisten, zowel voor de eerste
twee eeuwen over het lot der Zuidelijke Nederlanden, alsook voor de ruim
twee lustra, die hem nog restten, over dat van haar onfortuinlijke
verdediger. Toen het begon te nijpen kwam de oude vredesstemming van 1574
weer bij Marnix boven; stemming, die een der beste Marnix-kenners, de
Duitser Elkan, wil verklaren uit zijn overtuiging, dat de strijd toch
eigenlijk de vrijheid voor de ware religie en niet de politieke
onafhankelijkheid van de wel afgezworen, maar ondanks dat toch wettige
soeverein gold. Het is de oude later weer uitgebroken tegenstelling of de
strijd haec religionis ergo dan wel haec
| | | |
libertatis ergo gevoerd was, ter wille van het geloof of
ter wille van de vrijheid. Het eerste zou dan Marnix' diepste mening geweest
zijn, waarvoor de nu opgehouden invloed van Oranje slechts tijdelijk het
tweede bij hem zou hebben in de plaats gesteld. Er zit waars in deze
gedachtengang, maar zij raakt, dunkt ons, de bodem niet. Immers zó naïef mag
men zich Marnix na zijn bijna twintigjarige ervaring als politicus toch ook
weer niet voorstellen, dat hij gemeend zou hebben, dat de Spaanse regering
godsdienstvrijheid voor de Nederlanden ooit zou toestaan. Wanneer hij dus
nochtans zich met algemene vredesvoorstellen tot Parma gewend heeft, dan
moeten zeer bijzondere omstandigheden hem daartoe gebracht hebben. En die
zien wij ten eerste in de indruk die Parma's superieure veldheerschap en
diplomatie op hem gemaakt hebben, en ten tweede in zijn gebrek aan
vertrouwen in de kracht van de opstand. Een van zijn vijanden heeft hem eens
verweten, dat hij als student al ‘niet zeer vrome schrijvers’ las en hij
noemt met name Rabelais en Machiavelli. Maar de lectuur van Machiavelli, en
zelfs de jarenlange omgang met iemand, wie diens principes als
zestiende-eeuwse politicus in het bloed zaten, was voor Marnix blijkbaar
niet voldoende om in de praktijk tegen deze staatkunde opgewassen te zijn en
zo liet hij zich nu weer door Parma troeven, zoals hij het zich vroeger door
Oranje, toen door Noircarmes en daarna door Anjou had laten doen. Overtuigd,
dat de stad met eigen kracht het tegen haar eminente belegeraar niet kon
houden en tegelijk wanhopende aan de toegezegde Hollands-Engelse hulp, begon
hij eerst bedektelijk, daarna openlijk Parma's welwillendheid en
verdraagzaamheid te prijzen en stuurde daarmee op een capitulatie aan. Op 17
augustus 1585 werden de voorwaarden getekend. Tot 15 oktober bleef Marnix
die alleen had moeten beloven een jaar lang niet meer de wapenen tegen de
Spaanse koning te dragen, nog in de nu weer katholiek koninklijke stad, zijn
tijd gebruikend voor een apologie en voor brieven aan Van Meetkerke en Van der Mijle, waarin hij zich wanhopig verweerde
tegen de overal opduikende beschuldiging van verraad. Hij wilde naar Souburg om er te vergeten en vergeten te worden. Deze
gedachte lokte de gekwelde die niet geweten zal hebben wie hij méér te
verwijten had: zich zelf of zijn beschuldigers, zó zeer, dat hij, het verbod
der Zeeuwse Staten ten spijt, 10 november onverwacht op Walcheren landde.
Maar zó groot was, ondanks alles, nog de autoriteit van wie bijna twintig
jaar lang Oranje's naaste medewerker geweest was, dat de Staten van Zeeland
het raadzaam vonden, het oordeel over hem over te laten aan de
Staten-Generaal. Maar ook deze, hetzij om dezelfde reden huiverig hem voor
zich te dagen, vrezende iemand te veroordelen, op wie noch de Raad van State
noch Maurits een blaam hadden willen werpen, hetzij in gemoede overtuigd,
dat iemand als Marnix wel zijn zwakke ogenblikken kon hebben, maar geen
verrader kon zijn, dan wel ten slotte, minder romantisch, maar misschien
reëler, omdat zij uit handelsnijd niet zó rouwig waren om het lot van
Antwerpen - ook de Staten-Generaal lieten de zaak zonder onderzoek en de
Zeeuwse Staten kregen daardoor de gelegenheid Marnix zijn volle
bewegingsvrijheid te hergeven. De ‘behandeling’ van de zaak Marnix was meer
menselijk begrijpelijk dan stijlvol. Zij had evenveel van een verlegen hulde
aan | | | |

Een psalmvertaling van Filips van Marnix in zijn Trouwe vermaninge aen de christelicke gemeynten van
Brabant, Vlanderen ... dienende tot troost ende
versterckinge in dese benaude tijden, Leiden
1589. Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | | de nagedachtenis van de Vader des Vaderlands als van een
belediging van diens literaire paladijn.
Was Marnix een eerzuchteling geweest, hij zou vermoedelijk niet gerust hebben
vóór hij een volledig en officieel eerherstel bewerkt had. Maar omdat hij
dat niet was, liet hij het bij enkele brieven waarin hij zich wel steeds
opnieuw over het hem aangedane onrecht beklaagde, maar in de grond zich toch
niet ongelukkig toonde, eindelijk ontheven te zijn van een
verantwoordelijkheid die hij alleen op zich genomen had, omdat hij het zijn
dure maar dan ook zure plicht achtte. In een brief aan Adriaen van der
Mijle, zijn vriend reeds uit de Leuvense jaren, die
toen president van het Hof van Holland was, schreef hij in oktober '86: ‘Wat
kan je je gelukkiger denken dan het leven, dat ik nu leid? Wat ik al jaren
lang zo vurig begeerd heb, dat biedt zich nu vanzelf aan. Als boer leef ik
onder de mijnen op het mijne.’ Deze toon treft te meer, omdat hem pas enkele
maanden tevoren zijn trouwe Filipotte door de dood ontvallen was, en hij pas
het volgend jaar in Katharina van Eckeren, weduwe van de Antwerpse burgemeester Jan van Stralen, een nieuwe
levensgezellin zou vinden die hem nog twee kinderen schonk bij de vier van
zijn eerste vrouw. Overigens voor slechts korte tijd, want Katharina is
reeds in 1591 gestorven. Zijn ouderdom, de eenzaamheid vrezende, koos zich
in Jossina de Lannoy nog een derde vrouw die hem zou overleven. Zij stierf
in 1605.
Het eerherstel dat hij niet gezocht heeft, is, in zekere zin althans, toch
nog gekomen. Het is typerend voor hem, dat het een literaire verdienste
geweest is, die hem in 1590 weer in genade bracht. De gouverneur van Bergen op Zoom had namelijk een aantal cijferbrieven
onderschept, waarvan er enkele van Filips ii zelf schenen
te zijn. Tot wie anders zich in deze te wenden dan tot Marnix? Hij ontdekte
weldra, niet alleen dat het vermoeden juist was, maar tevens, dat daarin
sprake was van plannen zowel tegen de afvallige Nederlanden als tegen
Elizabeth en Hendrik iv gericht. En de Staten droegen hem
nu ook op, beide soevereinen daarvan in kennis te gaan stellen. Na in
Engeland zich van zijn zending gekweten te hebben, trof hij Hendrik iv in het kamp voor Parijs. De Franse koning nam niet
alleen zijn mededeling in ontvangst maar hem ook in dienst en dat is voor
prins Maurits wel de onmiddellijke aanleiding geweest om hetzelfde te doen.
In 1592 kreeg hij de opdracht Louise Juliana van Nassau, een dochter van
prins Willem, naar Frederik iv van de Paltz te begeleiden
en bij de huwelijksplechtigheden te Dillenburg vertegenwoordigde Marnix de
jonge stadhouder. In dit soort aangelegenheden voelde Marnix zich wél goed
thuis. In '75 had hij ook Charlotte de Bourbon. Oranjes derde vrouw, voor
hem gevraagd en naar Holland gebracht. Een grote eer zonder twijfel, maar
toch niet helemáál in overeenstemming met zijn kwaliteiten. Oldenbarnevelt
begreep beter wat hem toekwam. Het is op zijn aandrang, en op verzoek van
twee synodes, dat de Staten-Generaal hem in 1596 de Nederlandse vertaling
van de bijbel opdroegen, waartoe niet alleen zijn reeds verschenen
psalmvertalingen, maar ook zijn grote kennis van het Hebreeuws en het Grieks
hem de aangewezen man maakten. Hij verhuisde ervoor naar Leiden, begon ook, maar bracht het, tel- | | | | kens weer
door andere beslommeringen van dit werk geroepen, niet verder dan het boek
Genesis. Een deel van zijn tijd ging heen aan de uitvoerige Franse bewerking
van de Biëncorf, het
Tableau des différends de la religion
dat hij in handschrift naliet, een ander deel aan een opdracht van
Maurits om orde op zaken in het prinsdom Oranje te stellen: zijn laatste
diplomatieke opdracht, zijn laatste mislukking ook, waarvan hij verouderd en
zieker dan tevoren in Leiden terugkeerde. Verder bleef hij vijlen en slijpen
aan zijn psalmvertaling. Dat de zijne, ofschoon literair van veel hoger
gehalte dan de berijming van Datheen, nochtans door de kerk bij deze werd
ten achter gesteld, is voor de dichter Marnix misschien een bitterder pil
geweest dan de val van Antwerpen voor de staatsman Marnix. In de
Psalmen Davidts
stortte Marnix zijn geest én ziel uit, want voor hem waren de
lotgevallen van het strijdend en lijdend Israël uit het Oude Testament één
met de bange worsteling van zijn Nederland.
Maar de meeste tijd nam hem nog een felle pennestrijd. Het onvermijdelijke
gebeurde. Godsdienstige verdraagzaamheid, misschien nu nog, maar zeker in de
zestiende eeuw alleen mogelijk uit die soort gelouterde onverschilligheid
die toch op de bodem van Oranjes houding in deze had gelegen, was voor een
overtuigd calvinist als Marnix onmogelijk. En zelfs indien dit niet zo was:
verdraagzaamheid houdt altijd ergens op. Bij Marnix hield zij op bij de
sociaal radicale anabaptisten en bij de libertijnen. In 1595 al had hij zijn
jarenlang verzamelde aantekeningen dienaangaande aaneengeregen tot een
heftige denunciatie van dit soort, toen zeer talrijke ‘ketters’, onder de
titel van
Ondersoekinge ende grondelijcke wederlegginge van de
geestdrijverische leere
. Hij bood dit geschrift aan de Staten aan, niet alleen tot hun
belering, maar ook, omdat hij al deze sektariërs, die andere consequenties
uit het vrije bijbelonderzoek trokken dan hij, met de dood bestraft wilde
zien. Is het hetzelfde krachtsvertoon uit inwendige zwakte, dat hem voor
dertig jaar zijn verdediging van de beeldenstormers in de pen gegeven had?
Was het de behoefte om de smet van onrechtzinnigheid die sinds Antwerpen op
hem was blijven kleven, schoon te wassen met bloed? Was het de herinnering
aan zijn botsing van destijds met de steile Gentenaren, met Rijhove, Hembyze en Datheen wier overijver hij in opdracht van Oranje had moeten
temperen, dubbel pijnlijke herinnering én omdat hij zich toen tegen het
calvinisme had moeten keren én omdat ook die opdracht hem mislukt was,
herinnering die hij nu, door zijn ijveren tegen de oncalvinistische sekten
in zich zelf wilde smoren? Of wilde hij die zo vaak door zijn
vredelievendheid dupe geweest was, nu wraakzuchtig zijn om geen dupe meer te
wezen? Vragen, die voor altijd onbeantwoord zullen blijven, want - het mag
wel eens ronduit gezegd - wij die niet eens ons zelf noch onze tijdgenoten
kennen, hoe zouden wij in staat zijn, zelfs de bewuste, laat staan de half-
en onderbewuste roerselen van een mensenhart te doorgronden, dat meer dan
driehonderdvijftig jaar geleden ophield te kloppen? Op vragen als deze geeft
de geschiedenis geen antwoord.
Verstandig was het, naar de gewone maatstaven gemeten, van Marnix in elk
geval niet zijn theologische vechtnatuur nog eens in extremis te laten | | | | spreken. Onder de bittere antwoorden
die de bal weerkaatsten die hij geworpen had, was er één, de
Antidote ou contre-poison contre les conseils sanguinaires
et envenimés de Ph. de Marnix
van een onbekende, die behalve een energiek protest tegen de
onverdraagzaamheid van de calvinist, bovendien een directe en ernstige
aanval op de politicus Marnix inhield. Marnix
leerde het geschrift kennen op zijn reis naar het zuiden van Frankrijk. Tot
het uiterste geprikkeld op die zeerste plek, vlamde de uitgedoofde kracht
van zijn jeugd nog eenmaal op. Zijn antwoord, de
Réponse apologétique
is te lang - een goede honderd bladzijden druks - om geheel
overtuigend te zijn. Iemand die zich niets te verwijten heeft, heeft niet
zoveel ruimte nodig voor zijn verdediging.
Op 15 december 1598 in de ouderdom van achtenvijftig jaren stierf Marnix. In
hetzelfde jaar waarin zijn laatste geschrift, de Réponse,
verschenen was. Zijn vrienden begroeven hem in de Leidse Sint-Pieter. Maar ook het kerkje van West-Souburg bewaarde de herinnering aan hem die het had laten
herstellen. Nog in de achttiende eeuw zag men er, links van de preekstoel,
zijn wapen met de datum van zijn overlijden erop en het beroemde devies
‘repos ailleurs’.
Wil men zijn betekenis voor onze beschaving kort saamgevat zien? Wij zouden
zeggen: zij ligt niet in Marnix als staatsman, hoe bruikbaar hij geweest
moge zijn voor Oranje in een tijd dat deze geen enkele andere medewerker van
sociale rang naast zich had. Zij ligt ook niet in Marnix als theoloog. Hij
heeft op dit gebied zo min een oorspronkelijke gedachte gehad als zijn
grotere voorganger Erasmus. Zij ligt evenmin in
Marnix als geleerde, want hoe groot zijn kennis van de oude talen, van de
bijbel en van de kerkgeschiedenis ook moge zijn geweest, zij stond bij hem
toch steeds in dienst van zijn religie. Nee, zijn betekenis ligt, behalve
gedeeltelijk op al deze gebieden, toch vooral hierin, dat hij te onzent de
eerste seculiere intellectueel geweest is, die met zijn geschriften
rechtstreeks de politiek beïnvloedde en die rechtstreeks erdoor beïnvloed
werd, aldus twee levenssferen verbindend, die door de kerkelijke cultuur van
de middeleeuwen sinds de oudheid onverbonden waren gebleven. Is het dan
wonder, dat hij nog met zijn ongewende ogen knippert tegen het ongewone
licht en dat hij telkens gestruikeld is op het nog ongebaande pad? Als hij
ergens zegt, dat de bevrijding van het vaderland, naast God, aan hem te
danken is, dan overdrijft hij, maar het is een overdrijving, te vergeven,
niet alleen bij iemand die zich verweren moest tegen al of niet verdiend
verwijt, maar ook bij iemand die zich, omdat hij de eerste geestelijke
werker was in de volle wereldse werkelijkheid, een nieuwe levensstijl had te
scheppen.
|
|
|