Erflaters van onze beschaving


auteur: Jan Romein en Annie Romein-Verschoor


bron: Jan Romein en Annie Romein-Verschoor, Erflaters van onze beschaving. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 157]

Johan van Oldenbarnevelt

Hollands advocaat

Dertien mei 1619. Den Haag. Het Binnenhof. Het 's nachts getimmerde schavot. Het zand. ‘Uw sententie is gelezen, voort, voort.’ De scherprechter. De tweeënzeventigjarige, het bovenlijf naakt - ‘neen, mijnheer, aan de andere kant, zó hebt u de zon in uw gezicht’ - de laatste zon en de laatste woorden tot het volk eromheen: ‘Mannen gelooft niet, dat ik een landverrader ben. Ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot en die zal ik sterven,’ de allerlaatste woorden bij het allerlaatste zonlicht, tot de beul: ‘Maak 't kort, maak 't kort.’ Een suizende glinstering, een doffe slag, drie of vier fonteinen warm, donker, levend mensenbloed. En het is gedaan.

Zó weten we het allen, bijna van het ogenblik af, dat we lezen konden. Maar juist in die vertrouwdheid schuilt ons onvermogen tot begrip. Tot begrip van dit toch zeer bijzondere: dat een man, een der begaafdsten, zo niet de begaafdste van alle Nederlandse staatslieden, die meer dan veertig jaar de jonge staat gediend heeft als welks tweede stichter hij moet gelden; een man die, om met Hooft te spreken, de ‘mogendste monarch’ der christenheid weerstaan en twee andere koningen tot bondgenoot van zijn republiek geworven en haar daarmee tot de eerste van Europa opgestoten had; een man die, als ware dit alles nog niet genoeg, bovendien in de Oost-Indische Compagnie het lichaam geschapen had, dat zijn staat ook nog tot de tweede koloniale mogendheid van zijn tijd zou maken - dit zeer bijzondere dat die man moest eindigen als de minste der misdadigers door de wil van die ander die hij aan geld, gezag en wereldroem geholpen had.

Zich opnieuw af te vragen: hoe komt het? van wat ons sinds onze prille jeugd zo vreemd-vertrouwd is, vereist een geestelijke houding en een inspanning van de geest waartoe niet iedereen in staat is. De geschiedenis der bijbelkritiek kan het bewijzen, aan wie het niet uit eigen ervaring weet.

Tracht men er zich echter rekenschap van te geven, dan blijkt de grond-voorstelling uit de voor ons verre gedachtenwereld waaraan het Griekse drama ontsprongen is, zeer wel op deze historie van toepassing: de wereld als het schouwtoneel, de spelers daarop, bewust van hun doen, maar onbewust van de werking daarvan, als de uitvoerders van de wil van de onbekende, bovenmenselijke dramaturg, en de politiek als het noodlot, dat de reien uit dat drama bezingen om het te bezweren. Noodlotsgedachte die ook voor de simpelste mislukte carrière gelden kan, want er bestaat geen toeval, maar die zich zelden zo opdringt als bij de geschiedenis van Hollands advocaat. Noodlot: het enige woord om die gebeurtenissen de waarde te geven welke men voelt, dat erin woont.

Doch dit is de toon niet, waarop men een leven vertellen kan dat zo eenvoudig begon, in zulke concrete banen verliep en zo aards eindigde. Ten slot-

[p. 158]

te is het noodlottig einde in al zijn onbegrijpelijkheid slechts de som van een zeer begrijpelijke ontwikkeling. Het zijn noch de gedachten, noch de gevoelens, noch zelfs de daden van de held, het is kortom niet hij zelf, het is slechts het plan waarop dit alles zich afspeelt, en het tragisch einde, dat aan dit leven zijn klassieke verhevenheid verleent.

Op 14 sept. 1547 werd Johan te Amersfoort geboren als zoon van Gerrit van Oldenbarnevelt en Deliana van Weede. Zijn moeder is in 1587, zijn vader een jaar later gestorven. Het pleit in het algemeen niet voor een man, wanneer we de namen van zijn ouders in zijn verder leven niet of nauwelijks meer tegenkomen, maar bij Oldenbarnevelt kan men verzachtende omstandigheden aanvoeren. In een gestoelte geplaatst waar de 16de eeuw niet gewoon was andere dan adellijke heren te zien zetelen, was hij als eerste burgerlijk politicus in een staat-leidende functie ter wille van zijn eigen prestige en daarmee van dat zijner soevereinen, wel gedwongen zijn bescheiden afkomst zoveel doenlijk te verbergen. Op dit punt aangevallen door zijn verbeten vijanden, heeft hij in zijn Remonstrantie van 1618 tevergeefs zijn Gelderse adel trachten aan te tonen. Zijn bewijsstukken daarvoor kon de pamflettist terecht als ‘oude beroockte papieren’ bespotten, want zij kunnen het feit niet verhelen, dat de genealogie de familie van de advocaat niet verder heeft kunnen opvoeren dan tot diens overgrootvader Claes, die dan omtrent het midden van de 15de eeuw, en vermoedelijk reeds te Amersfoort geleefd heeft, waar hij tot de welgestelde boeren behoorde. Ja, erger, het hardnekkige gerucht, dat Johans vader, een zonderlinge kwant en querulant, de bijnaam van ‘Gerretgen Sleght’ droeg en dat hij wegens manslag in de duinen heeft moeten vluchten, waar hij maar magertjes aan de kost kwam, hebben zelfs zijn vurigste verdedigers nooit met klem van redenen kunnen weerleggen. En die andere vlek, dit keer niet op zijn afkomst, maar op zijn huwelijk, heeft hij in 't nauw gebracht, zelf gedeeltelijk toegegeven: de vrouw waarmee hij in 1575 getrouwd is, Maria van Utrecht, heette uit bloedschande te zijn geboren. Mogelijk is dat niet meer dan een kwaadaardige overdrijving van het feit harer onwettige geboorte die wel vaststaat. Hetgeen ons overigens onverschillig kan zijn. Wanneer Oldenbarnevelt later dan ook bekende, dat hij over een ‘defect in de genealogie’ van zijn uitverkorene was heen gestapt ter wille van haar geld, dan is het niet het eerste, maar het laatste, dat ons hindert. Temeer, omdat er, gezien zijn ‘hoope van vermeerderingh’, zoals Theun de Vries het genoemd heeft, wel íéts waar kan zijn van de beschuldiging uit de Gulden Legende, dat hij het kapitaal dat Maria hem inbracht, slechts heeft kunnen bemachtigen door een proces waarin hij een ‘arm menneke tot meineed’ zou hebben omgekocht. Geldzucht blijft zijn beurse stêe. Wie daar vrij van is en er behoefte aan heeft, heeft het recht hem dit te verwijten, maar de meeste Nederlandse geschiedschrijvers van nu en vroeger geven, dunkt ons, slechts blijk van prijzenswaardige zelfkennis, of toch van kennis der natie waartoe zij behoren, wanneer zij dit euvel de leider ener koopmansrepubliek niet al te zwaar aanrekenen. De omgekeerde houding zou immers moeilijk van huichelarij zijn vrij te pleiten. Het is geen toeval, dat het begrip ‘zonde’ in het Nederlands ondanks al onze theologische preoccupaties, in de

[p. 159]



illustratie

Johan van Oldenbarnevelt, op eenenzestigjarige leeftijd. Gravure door Henricus Hondius. Atlas Van Stolk, Rotterdam.


[p. 160]

eerste plaats verbonden pleegt te zijn aan het verlies of de verspilling van geld. Is het dan, in die zelfde voorstelling, niet logisch, dat het sparen en het behalen van winst behoort tot de ‘genade’?

Hoe dit zij, één ding in elk geval staat vast. Oldenbarnevelt zou de Republiek niet de onschatbare diensten hebben bewezen die hij haar bewezen heeft, indien hij niet het leven ingetrokken was met de zucht zich zelf een dienst te bewijzen. Nadat hij vermoedelijk in zijn geboorteplaats de Latijnse school bezocht had, bracht hij twee jaar in Den Haag door, waarschijnlijk ten huize en op kosten van verwanten die wat in hem zagen. Het zal wel op deze jaren doelen, wanneer de Gulden Legende zegt ‘dat hij indertijd de goede luyden bedankte als hij een halven schellinck met schrijven verdiende’. Daarna maakte hij de destijds gewone buitenlandse toer om zich in de rechten te bekwamen: Leuven en Bourges. Door het uitbreken van de hugenotenoorlog in Frankrijk gedwongen dit land te verlaten, reisde hij in 1567 door Bourgondië en de Vrijgraafschap over Bazel naar Keulen. Hier en te Heidelberg, destijds het centrum van het intellectuele calvinisme, waaruit men op kan maken, dat de nieuwe tijd ook hem had aangeraakt, zette hij zijn studie voort om met de gebruikelijke reis naar Italië zijn Europese opvoeding te besluiten.

In 1569 in Den Haag teruggekeerd, werd hij er advocaat voor het Hof van Holland. Pas bij het uitbreken van de Opstand in 1572 deed hij echter de stap die over zijn leven beslissen zou. Het Hof en zijn advocaten, trouw aan Spanje en het voorvaderlijk geloof, namen de wijk naar Utrecht, maar onder die stille stoet was Oldenbarnevelt niet; met twee andere confraters nog sloot hij zich bij de prins aan. Voor één keer ging hij in tegen zijn voorzichtige libertijns-agnostische lijfspreuk: ‘nil scire tutissima fides’ - niets te weten is het veiligste geloof; hij geloofde en wist, dat bij de opstand, bij de prins, zijn toekomst lag. Hij ontweek ook de verplichtingen niet die die keuze hem oplegde, want hij moge dan geldzuchtig geweest zijn, gemakzuchtig was hij nooit. En hij moge dan alles eerder dan een geloofsheld geweest zijn, de arbeids-ethos van het calvinisme is hem toch als weinig anderen in het bloed gegaan. Als de zuil van bloed en vlammen die Don Frederiks weg over Mechelen, Zutphen, Naarden aangeeft, Haarlem nadert, als in Delft de met bloed geschreven brief van de burgers van die stad gelezen wordt en de prins met zijn laatste geld zijn laatste legertje verzamelt, dan trekt ook de jonge advocaat als vrijwilliger op eigen kosten mee. Zijn eerste ervaring als soldaat is niet bemoedigend. Oldenbarnevelt ontsnapt ternauwernood aan het fiasco van deze poging tot ontzet. De weer opgenomen rechtspraktijk, nu aan het nieuw opgerichte Hof van Holland, zal hem beter bevallen zijn. Toch gespte hij het volgend jaar nog eens het rapier der vrijheid om, als het om Leiden gaat. Dit keer gelukte het ontzet zeer wel, naar ieder weet, maar op Boisots schuit bevond zich geen Oldenbarnevelt. Ziek geworden, had hij moeten terugkeren. Op het ‘veld van eer’ groeit geen laurier voor mensen van zijn slag.

Waar zij wel zou aarden, was intussen reeds in 1573 gebleken. Het onderzoek naar een halve muiterij der Engelse hulptroepen in het land van Strijen volbracht hij met success, want de zending was van delicater aard dan zij op het eerste gezicht schijnt, doordat zij de verhouding van de republiek-in-wor-

[p. 161]

ding tot de wispelturige koningin van Engeland tot politieke achtergrond had. Het was zijn eerste schermutseling op het slagveld der diplomatie, waar hij later klinkende overwinningen behalen en onverwelkbare lauweren plukken zou.

Voorlopig waren voor hem zelf de voornaamste resultaten van deze en dergelijke zendingen, vooreerst dat hij leerde te roeien met de riemen die hij had - een kunst in die dagen van verwarring van nog veel essentiëler belang dan in een geordende maatschappij - en verder, dat de aandacht der magistraten op hem gevestigd werd. Eind 1576 bezocht een deputatie uit de vroedschap van Rotterdam de negenentwintigjarige magister om hem het pensionarisschap van de stad aan te bieden, waaraan hij na enige aarzeling gevolg gaf.

De eerste stap op de ladder naar de hoogste post in het jonge gemenebest was hiermee gezet. Immers aan dit ambt van stadsadvocaat was in de regel, en ook in dit geval, de leiding der stadsvertegenwoordiging in de Staten verbonden. Zo leerden hem ook de Staten kennen en waarderen, vooral op het stuk van de behartiging van hun financiën. Hierin heeft hij ook zijn eigen mening, als het moest zelfs tegenover die van de prins, zoals het geval met Amsterdam bewijst. Terwijl Oranje van mening was, dat deze stad de gunstige voorwaarden, door haar bij de late overgang in 1578 naar 's prinsen zijde bedongen, diende te behouden, kwam Oldenbarnevelt voor de omgekeerde mening der Staten op en wat meer zegt: hij wist deze tegenover de prins en Amsterdam grotendeels door te zetten. Dat de vijandschap der grote koopstad die hij zich daarmee op de hals haalde, hem veertig jaar later zo duur te staan zou komen, kon hij toen uiteraard niet voorzien. Zijn levensweg was nog in volle opgang. Hij werd meer en meer een personage van gewicht naar wie men luisterde. Gaat men de veranderingen na die Oldenbarnevelt heeft voorgesteld in het voor hem bestemde exemplaar van de ontwerpen der Nadere Unie - die van Utrecht - waarbij hij Holland vertegenwoordigde, zoals die door Van Deventer in zijn Gedenkstukken gepubliceerd en door Van Winter nader onderzocht zijn, dan blijken het er in de dertig geweest te zijn. Omtrent een derde daarvan is opgenomen in het befaamde staatsstuk, dat meer dan twee eeuwen lang de republikeinse grondwet gebleven is.

Gaat men Oldenbarnevelts voorstellen in bijzonderheden na, dan blijkt deze onmiskenbare invloed intussen niet feilloos vast te stellen, want ook al is de hand van de schrijver al duidelijk te herkennen, dan is daarmee nog niet uitgemaakt of hij eigen dan wel voorstellen van anderen in de rand heeft aangetekend. Nochtans blijft de eindindruk dezelfde die men ook van zijn latere werkzaamheid krijgt: Oldenbarnevelt was zeker geen dictator die maar te dicteren had, opdat iets wat hij wilde gebeuren zou, maar wel een man die in belangrijke aangelegenheden zijn persoonlijk stempel drukte op wat er ten slotte gebeurde. Met name zijn niet alleen enkele gewichtige wijzigingen in de concepten van zijn hand, maar ze openbaren ons ook de wezenlijke trekken van zijn politieke grondconceptie, een conceptie, waaraan hij niet slechts heel zijn meer dan zeventigjarig leven trouw zou blijven, maar waarvoor hij ten slotte, toen deze conceptie in haar consequentie met zich zelf in tegenspraak kwam, het schavot beklimmen zou. Een conceptie die men het eenvoudigst

[p. 162]

als volgt omschrijven kan: eenheid in Holland en eenheid in de Republiek onder leiding van Holland, alsmede, in het godsdienstige, verstrekkende verdraagzaamheid en volledige gewetensvrijheid.

Hoezeer de eenheid in Holland hem ter harte ging, zagen we reeds bij zijn pogingen om zelfs tegen de prins in, Amsterdam tot afstand der satisfactie te dwingen en waarbij hij zijn doel althans in hoofdzaak bereikte: in 1581 eindelijk werd de stad mede begrepen in de schulden van Holland en erkende zij het gouvernement van de prins, hetgeen de erkenning van de autonomie van het gewest insloot. De eenheid in de Republiek onder leiding van Holland streefde hij onder andere na door zijn plan van 1583 ter verheffing van de prins tot Hoge Overheid. Immers ware dit plan doorgegaan, de prins graaf van Holland geworden, dan zou door die eenzijdige verheffing de wel niet uitdrukkelijk vastgelegde, maar toch stilzwijgend veronderstelde gelijkheid der provinciën verbroken zijn geweest ten voordele van Holland. Dat Oldenbarnevelt intussen met dit plan zijn republikeins ideaal niet prijsgaf, blijkt niet alleen uit de zeer beperkende voorwaarden door de Staten aan de aanbieding der grafelijkheid verbonden, maar ook en vooral hieruit, dat 's prinsen verheffing zeker mede bedoeld was als een rem op het gezag van de zelfgekozen soeverein Anjou, zoals later de verkiezing van Maurits tot stadhouder vóór de komst van Leicester door Oldenbarnevelt zeker mede bedoeld was als een rem op de vérgaande bevoegdheden van de Engelse landvoogd. Hoe jaloers trouwens reeds tijdens de voorbereiding van de Nadere Unie de Hollandse Staten op hun pril gezag waren, blijkt aardig uit het door Oldenbarnevelt voorgestelde amendement op artikel 3, waarin de provinciën beloofden elkaar te zullen bijstaan tegen alle uitheemse heren, vorsten of prinsen enz., want na uitheemse wilde Oldenbarnevelt lezen: en inheemse en zo luidt dan ook de definitieve tekst. Dat hij reeds in 1578 dit voorstel deed, is het vroegst aanwijsbare spoor van het latere conflict tussen hem en Maurits, dat veertig jaar later in Oldenbarnevelts terechtstelling zijn tragische ontknoping zou vinden.

Directer en daarom nog duidelijker spreekt van Hollands overwicht Oldenbarnevelts opmerking bij artikel 9, waar sprake is van het onderscheid tussen zaken, die met eenparigheid en dezulken, die bij meerderheid van stemmen beslist zullen worden. Oldenbarnevelt wil hierbij de stemmen der provinciën echter niet geteld, maar gewogen hebben. Ware zijn voorstel aangenomen, dan zou in de Staten-Generaal Holland niet als de zes andere gewesten over één, maar over twee stemmen beschikt hebben, want hij is van mening, dat ‘elcke opinie strecken sal nae dat deselve Provincie tot de gemeene defensie contribueren sal’. De andere provinciën waren er echter niet toe te bewegen. Wel is dit beginsel naar men weet later in de minder belangrijke Raad van State tot uitdrukking gebracht, waar Holland drie van de twaalf stemmen uitbracht. Dat intussen in de praktijk het overwicht van Holland, ondanks zijn ene stem in de vergadering der Hoog-Mogenden, tot een onbestreden axioma van de binnen- én buitenlandse politiek der Republiek geworden is, gelijk Oldenbarnevelt het ook in theorie gewild had, is te bekend om het hier nog eens aan te tonen.

[p. 163]

Ook een derde poging in de richting van Hollands overwicht mislukte: de oprichting van een Hoge Raad, als hof van appèl voor de hele Unie, waartoe de Staten van Holland hem in 1578 uitnodigden. De prins weigerde in 1581 zijn benoeming, waarmee het hele plan verviel. En later in 1586 heeft hij het slechts zo ver kunnen brengen, dat althans Zeeland zich schikte in het rechtsgebied van Hollands Hoge Raad, die er toch gekomen is. En ten slotte horen wij ook Oldenbarnevelts stem in het beroemde artikel 13 over de religie. De provinciën zijn vrij - luidt het - de religie in hun gebied naar goeddunken te regelen ‘mits dat een ieder particulier in zijn Religie vry sal mogen blyven, ende dat men nyemant ter cause van de Religie sal mogen achterhalen, ofte ondersoecken’, dit laatste woord is weer een toevoeging van Oldenbarnevelt. En ook aan die bepaling, die bij het sterker worden der gereformeerde kerk een dode letter dreigde te worden, omdat deze een bindende regeling voor alle provinciën nastreefde, heeft Oldenbarnevelt tot het laatst toe vastgehouden. Al in 1612 zien wij hem en de predikanten in dit opzicht scherp tegenover elkaar staan. Immers wanneer de advocaat jaren later opmerkt ‘dat het noyt de meninge der ehm heeren St. Generael der Ver. Landen geweest en is, den crijgh te voeren tot hanthavinge deser of gener Religie, maer dat het yeder Provincie, jae yeder Stadt vry staet sodanige Religie aen te nemen ende te manuteneren als het haer ee soude goet en raetsaem duncken’, dan antwoordt dominee Fontanus - en zijn deftig Latijn is niet het enige wat in zijn uitspraak aan de middeleeuwen herinnert - ‘Maar heer advocaat, als dat nu niet is kerk en staat de zenuw afsteken, dan weet ik niet, wat dat wel is.’ En helemaal ongelijk had de dominee niet, in zoverre, dat Oldenbarnevelt een oplossing van dit brandende vraagstuk voorstond - en dat nog vaag - waarvoor zijn tijd niet rijp was. Precies zoals hij met zijn politieke ideaal van de eenheid der Republiek gestruikeld is over zijn toevoeging: onder leiding van Holland, omdat dit hem dwong, toen die eenheid van een andere kant kwam, Holland tegenóver de andere gewesten te stellen en daarmee ter wille van zijn ideaal het te verloochenen, - precies zo is hij bij het kerkelijk probleem gestruikeld over zijn ideaal: scheiding van kerk en staat, omdat, toen de kerk over de staat wilde prevaleren, hij de omgekeerde weg werd opgedrongen, de staat boven de kerk moest stellen, aldus ook hier zijn eigen ideaal van scheiding der beide machten verloochenend ter wille van dat ideaal.

Dan, dit alles speelt veel later. Het ambt dat hem in staat zou stellen, zijn politiek ook uit te voeren, kreeg hij pas in 1586. Na de dood van de prins in '84 was de pensionaris van Rotterdam nog slechts één der raden die met prins Maurits de voorlopige regering zouden uitmaken. Maar juist in die functie bewijst hij voor het eerst zijn buitengewone bekwaamheden ook in de internationale diplomatie. Hij was het die, hierin nog Oranjes lijn volgend, grotendeels de voorwaarden opstelde waarop de verweesde Republiek de soevereiniteit aan de Franse koning Hendrik iii aanbood. Want Buys, zijn voorganger in de landsadvocatuur, had hierin niet willen treden. Hij was het ook die, toen Hendrik geweigerd had, in 1585 scheep ging naar Engeland, als lid, zo niet leider van het gezantschap dat nu die zelfde soevereiniteit aan Engelands koningin moest aanbieden.

[p. 164]

De komst van Leicester als landvoogd, direct gevolg van deze onderhandelingen, werd Oldenbarnevelts vuurproef in de hoge politiek. Dat hij dit zelf beseft heeft, bewijst zijn lange aarzeling om het reeds sinds 1584 vacante en hem aangeboden ambt van Advocaat van den Lande te aanvaarden. Hij deed het 16 maart 1586, wel niet toevallig enkele weken voordat het gevreesde plakkaat van Leicester afkwam, dat alle handel op de vijand verbood. Leicester verscherpte hiermee, op last van Elizabeth die Nederland wel wilde helpen, maar daarbij Engeland nooit vergat, een plakkaat van de Staten-Generaal die reeds in 1584 de uitvoer van levensmiddelen naar vijandelijke landen hadden verboden. En reeds tegen die bedreiging van zijn handel had Holland zich verzet door er zich niet aan te storen. Die zelfde houding zou nu moeilijker, maar een andere evenmin mogelijk zijn, en dit betekende dan tevens scherpe oppositie tegenover Leicester, hetgeen uiteraard het risico meebracht zich van de nog onmisbare Engelse hulp te beroven.

Men tast wel niet mis met het vermoeden, dat de Staten van Holland juist met het oog op dit gevaar hun aandrang op Oldenbarnevelt verdubbeld zullen hebben en evenmin, wanneer men aanneemt, dat deze met het oog op dit gevaar zich bij zijn instructie veel uitgebreider macht liet toekennen dan zijn voorgangers in het ambt bezeten hadden. Het onderscheid is het verschil, dat tussen de woorden boekhouding en leiding besloten ligt. Terwijl tevoren een der gedeputeerden dagelijks beurt om beurt de stemmen der Edelen en Steden omvroeg, waarvan dan óf de griffier óf de advocaat aantekening hield, bepaalde artikel 10 van Oldenbarnevelts instructie dat ‘de Advocaat de opinies zal omvragen, een ieders opinie annoteren, verklaren wat de meeste stemmen zijn en daernae de Resolutiën opmaeken’. Bedenkt men daarbij, dat zijn ambt ook meebracht de agenda van de vergadering op te maken, wat weer het openen en het voeren der correspondentie met de gezanten in het buitenland impliceerde, dat hij tevens als landsadvocaat pensionaris der Ridderschap was, hetgeen weer insloot, dat hij als zodanig het eerst zijn stem uitbracht, dan is het niet moeilijk te begrijpen, dat zijn nieuwe ambt hem tot de veruit gewichtigste ambtenaar van zijn provincie maakte en evenmin dat hij, gelet op de positie van die provincie in de Unie, met dit ambt tot haar leider werd, zowel in de binnen- als in de buitenlandse politiek. En het is slechts een logisch uitvloeisel van deze positie, dat hij verzoekt in het vervolg van buitenlandse bezendingen verschoond te blijven ‘om continuatie van saeken te mogen hebben, en te beletten, dat de ordre, by my te nemen, in myne absentie niet soude gebrooken worden’.

Zó, maar ook zó pas kon hij de strijd met Leicester aanbinden en hij heeft niet geschroomd dat te doen. In alle kwesties die er rezen, vinden we de advocaat vierkant tegenover de landvoogd. En die kwesties waren even gewichtig als talrijk. De Hollandse traditie in de Nederlandse historiografie is nog altijd min of meer geneigd het Leicesters bewind als één grote fout te zien, die de regenten slechts hebben kunnen keren door hem weg te jagen. Zo is het niet. De keuze van Utrecht als residentie voor iemand die de belangen van heel Nederland behartigen moest, was eerder juist dan verkeerd. Wanneer hij bij zijn bewind steunde op de in Utrecht zeer talrijke calvinistische de-

[p. 165]



illustratie

Brief van Johan van Oldenbarnevelt aan de secretaris van de Staten van Utrecht, Gilles van Ledenberg, gedateerd 6 oktober l607. Algemeen Rijks-archief, Den Haag.


[p. 166]

mocraten, steunde hij op de meerderheid en niet op de minderheid. En als hij een aantal ballingen uit het Zuiden in zijn regering riep, zoals de Burchgrave, Prouninck en Reingoud, dan is die daad door de bekwaamheid en energie van deze mannen volkomen gerechtvaardigd. Met name Reingoud schijnt een figuur die ten onrechte altijd in het halfduister gehouden wordt. Hij heeft een aantal maatregelen willen invoeren als afschaffing van de verpachting der belastingen, nauwkeurig beheer van de domeinen, ernstig toezicht op de inning van konvooien en licenten, toestaan van handel op de vijand tegen hoge vergunning en vooral oprichting van een Kamer van Financiën die in plaats van de Raad van State belast zou zijn met het toezicht op het algemeen financieel beheer - maatregelen allemaal die, waren zij doorgevoerd, de Republiek ongetwijfeld heel wat ergerlijke corruptie bespaard zouden hebben. Maar even duidelijk is het, dat geen enkel van deze punten van de Leicesterse politiek genade kon vinden in de ogen van de Hollandse regenten en dus ook niet in die van hun getrouwe dienaar Oldenbarnevelt. Niet Utrecht, maar Holland was voor hen het natuurlijke centrum der Verenigde Republiek. Droeg het niet viervijfde van de algemene lasten bij? Niet in de strenge calvinisten, niet in de predikanten en het volk maar in zich zelf, in de rekkelijke regenten zagen zij de kern van de natie en om te regeren, dat is voor hen vooral: om hun handel te doen bloeien, hadden zij waarlijk de adviezen van een Brabantse bankroetier niet van node.

In de woorden van Buys die om Holland te winnen aangezocht werd om commies bij de nieuwe Algemene Rekenkamer te worden, ‘dat hij Reingoud niet als commies onder zich zou dulden, laat staan zich als commies onder hem stellen’, ligt heel de absolute verachting van het Hollandse regentendom voor het Leicesterse volksregiment besloten. En toen dit zich een theoretisch fundament trachtte te geven in het betoog van Wilkes, Engels lid van de Raad van State, over de volkssoevereiniteit, haastten de Hollandse Staten zich de Goudse pensionaris Francken op te dragen dit betoog te beantwoorden met een tegenvertoog waarin hij trachtte aan te tonen, dat de soevereiniteit van oudsher bij de Staten berust had. En deze ‘Korte Vertooninghe’ bleef tot diep in de 18de eeuw toe het fundament van het oligarchische staatsrecht der Republiek.

Leicester, door dit verzet geprikkeld, nam een drietal maatregelen om de ‘ondankbaren’, zoals hij het zag, tot rede te dwingen. West-Friesland kreeg een eigen stadhouder in de oude watergeus Sonoy; ter beknotting van Maurits' macht verdeelde hij de admiraliteitscolleges en ten slotte stelde hij over de Hollandse vestingen eigen, direct aan hem ondergeschikte gouverneurs aan. Fijne neuzen snoven al een burgerkrijg. De burgerhoplieden in Utrecht, de militaire exponenten van de democratische burgerij, namen niet zonder medeweten van Leicester, Buys gevangen en wanneer dit met Oldenbarnevelt niet gebeurd is, dan is het slechts omdat de oude rot tijdig de val ontdekt heeft. De kans op een volledige overwinning over Leicester gaf hem diens vertrek naar Engeland in december 1586, waar hij zes maanden zou blijven. Het verraad van de Engelse katholieken Stanley en York, die in die tijd de schansen van Zutphen en Deventer in de handen der Spanjaarden speelden, deed de

[p. 167]

rest. Toen dan ook Leicester in juli 1587 eindelijk terugkwam, was hij een verloren man. De Hollandse steden hadden waardgelders in dienst genomen, Maurits' macht was vergroot ten koste van die van de landvoogd en de Raad van State, en Oldenbarnevelt was aan de weet gekomen, dat Leicester kwam met een geheime instructie om de Staten-Generaal tot vrede met Spanje te bewegen - dezelfde man nota bene onder wiens bewind de militaire toestand, voor verbetering waarvan hij dan toch eigenlijk gekomen was, eer achter- dan vooruitgegaan was. Toen hij tot overmaat van ramp ook nog met puur geweld begon, Maurits en Oldenbarnevelt probeerde op te lichten, Leiden en Amsterdam in handen te krijgen, was het spel uit. Schaakmat gezet, schoot hem niets anders over dan het land te verlaten - december 1587. En hoe hopeloos de toestand ook scheen -alleen Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland waren nog maar van vijanden bevrijd, de financiën deerlijk in de war, het leger dientengevolge muitziek, de houding van Elizabeth op zijn minst onzeker - de Staten besloten nochtans voortaan zich zelf te zijn en het dan maar alleen te klaren en het is zeker niet het enige, maar misschien wel het duidelijkste bewijs van Oldenbarnevelts genie, dat hij die verantwoordelijkheid niet geschuwd, eer gretig aanvaard heeft. Wat de fee der politiek hem misschien nog niet in zijn wieg gelegd had, had de ervaring met Leicester hem geleerd: het taaie en sluwe intrigeren om de positie van de tegenstander te ondermijnen.

Maar deze verleidelijke fee is een kwade fee. Onder haar bloemen van roem en rijkdom verbergt zij de giftige bessen van zelfoverschatting en koppigheid, van een al te zeer overtuigd-raken en te lang overtuigd-blijven van eigen gelijk. Oldenbarnevelt heeft er te veel van gegeten. Nog tien, nog twintig keer zou zijn robuust gestel de ziekte te boven komen, de laatste keer zou hij eraan bezwijken. Marx heeft eens de opmerking gemaakt, dat de geschiedenis zich herhaalt, de eerste maal als tragedie, de tweede maal als farce. Maar dat is geen vaste wet. Het kan ook anders. Wat in 1587 nog betrekkelijk als klucht verliep - de strijd der regenten onder leiding van Oldenbarnevelt tegen de meerderheid des volks, de strijd van Holland tegelijk voor de suprematie in de Unie, zou zich veertig jaar later tot drama ontwikkelen en zo groot als Oldenbarnevelts overwinning in de klucht was, zo groot en groots werd zijn nederlaag, toen zij zich als drama herhaalde.

Oldenbarnevelts pad is niet over rozen gegaan. Hij heeft zijn hoge functie, waarvan hij zelf de hoogste maakte, niet dan na lange aarzeling aanvaard, zoals wij zagen. Hij heeft zijn ontslag gevraagd in april 1586, april 1587, in 1592, 1604, 1605, 1608, in de zomer van 1617 en nog eens in het voorjaar van 1618, en tot tweemaal toe, in 1587 en 1588, heeft het weinig gescheeld of hij had François Francken als dwarskijker naast zich gekregen. Hij is gevierd als geen ander Nederlands staatsman, vijftig maal ongeveer is zijn portret geschilderd, maar hij heeft naar verhouding ook meer vijanden gehad dan enig ander Nederlands politicus, Abraham Kuyper niet uitgezonderd. Het aantal pamfletten tegen hem is legio, tot op straat toe zijn zij gevonden.

Maar die openlijke vijandschap is van later tijd. Zijn leven was nog altijd in opgang. Op Leicesters vertrek zijn de beroemde ‘Tien jaren’ gevolgd,

[p. 168]

waarin Oldenbarnevelt en naast hem Maurits en Willem Lodewijk de verbaasde wereld bewezen, dat het geen zelfoverschatting geweest was, toen zij onder de benarde omstandigheden van '88 de wezenlijke en volle verantwoordelijkheid op zich namen. Het is hier de plaats niet voor een opsomming, laat staan een beschrijving van Maurits' zegetochten, die ‘de tuin van Nederland’ gesloten hebben. Slechts twee dingen mogen we in dit verband niet onvermeld laten. Zijn glorierijke overwinningen die terecht de aandacht van heel Europa trokken, hebben Maurits' zelfbewustzijn zozeer geschraagd en overspannen, dat er een tijd kon komen, die ook gekomen is, dat deze jonge ambtenaar-vorst niet meer vol eerbied opzag tegen de twintig jaar oudere burger-ambtenaar, ja, dat hij diens aandeel in die overwinningen volledig heeft kunnen vergeten. En toch was dat aandeel waarlijk niet gering. Het is op drijven van Oldenbarnevelt geweest, dat ook de Staten van Utrecht, Gelderland en Overijssel Maurits tot hun stadhouder benoemd hebben tegen de belofte van bevrijding uit het Spaanse juk - de eenheid der Unie onder Hollandse leiding! Herhaaldelijk was de Hollandse gecommitteerde bij het leger te velde - Oldenbarnevelt, in 1592 zelfs tot vijfmaal toe. Maar vooral: het is Oldenbarnevelt geweest die door zijn financieel beleid gemaakt heeft, dat Maurits zijn moderne, op de antieken geïnspireerde, door Lipsius hem geleerde oorlogvoering in praktijk heeft kunnen brengen. Voor het herstel van de tucht, voor een deskundige opleiding van het kader, voor het kazerneren van de troepen, voor het snelle transport, voor de voor die tijd uiterst vérgaande mechanisering, kortom voor al die legerhervormingen waaraan Maurits zijn blijvende plaats in de krijgswetenschap te danken heeft, was geld, geld en nog eens geld nodig en het is Oldenbarnevelt geweest, die het hem verschaft heeft, daartoe in staat gesteld, uiteraard, door de weergaloze accumulatie van het handelskapitaal in handen der Hollandse regenten.

Groter nog was Oldenbarnevelts invloed op de buitenlandse politiek, die hij in 1596 bekroond zag door de sluiting van het drievoudig verbond van de Republiek zowel met Frankrijk als Engeland: de uiteindelijke synthese van de twee richtingen die sinds de dagen van prins Willem in de Republiek antithetisch tegenover elkaar hadden gestaan, de uiteindelijke erkenning tevens van de Republiek als in feite soevereine mogendheid. Doch typischer nog dan dit succes op zich zelf, dat betrekkelijk kortstondig geweest is, omdat Frankrijk reeds in 1598, Engeland in 1603 zijn vrede met Spanje sloot, is de wijze waarop hij het verkregen heeft. Immers niets wees Hollands advocaat als zodanig als de leider van de buitenlandse politiek der Unie aan. Oorspronkelijk behoorde deze tot de bevoegdheid van de Raad van State, behoudens toestemming van de Staten-Generaal, maar mede Oldenbarnevelt heeft, gebruik makend van de verwarring die op het vertrek van Leicester volgde, het gezag van de Raad, waar hij geen toegang had, gekortwiekt en de kiem van de regering naar de Staten-Generaal, verlegd. Sedert 1588 zijn de Staten-Generaal, feitelijk een gezanten-conferentie der verbonden republiekjes op de wijze van het Zwitserse eedgenootschap, tot het eigenlijke regeringslichaam geworden. Vroeger naar hun aard slechts af en toe bijeen, gingen zij sedert 1588 zelden meer uiteen en hebben zij zich in 1593, tegelijk met de

[p. 169]

verplaatsing van hun zetel naar Den Haag, permanent verklaard, zelfs des zondags doorvergaderend. Alleen met Pasen, Pinksteren en Kerstmis gingen de leden huistoe. En het is in die vergadering, dat Oldenbarnevelt, daar toch reeds dé man als leider der deputatie van Holland, bovendien door zijn agenten van de stromingen in het buitenland op de hoogte gehouden, ook in deze materie de melodie voorspeelde.

Die melodie zong, in allerlei toonaarden, het lied van Hollands handel. Een der belangrijkste variaties op dit thema was in 1600 de tocht naar Vlaanderen met de verovering van het zeeroversnest Duinkerken dat die handel onnoemelijke schade berokkende, en de slechting van de door de vijand om Oostende gebouwde forten ten doel. Noch het een noch het ander werd bereikt en het was alleen aan Maurits' veldheerstalent te danken, dat de slag bij Nieuwpoort die er het gevolg van was, op een overwinning in plaats van een nederlaag is uitgelopen. Dat men in deze variatie tevens de eerste dissonant heeft menen te horen tussen de beide leiders der republiek, berust echter op verbeelding. Maurits was zeker geen vóór-, maar ook geen stellig tegenstander van het plan. Maurits is pas een vijand van de Advocaat geworden, toen deze hem, meer onvermijdelijk trouwens dan met opzet, door zijn vredespolitiek de grond onder zijn machtspositie wegzoog.

Wel maakte Oldenbarnevelt zich in deze jaren andere en gevaarlijker vijanden dan Maurits toen nog had kunnen zijn. Hij doet het zowel door de stichting van de oic als door zijn weerstand tegen die van de wic. Het eerste is, gezien de bijna onoverkomelijke moeilijkheden die daarbij te overwinnen waren, misschien wel zijn meesterstuk, vooral wanneer men let op de ongelooflijk korte tijd, waarin hij de elkaar hier en in Indië heftig beconcurrerende maatschappijen en maatschappijtjes wist saam te smelten tot een lichaam dat, hoeveel kritiek men - en terecht - op zijn gedragingen dan ook wil oefenen, dan toch maar én de grondslag gelegd heeft voor het Nederlands Imperium én, toen zij kort daarop een maatschappij op aandelen werd, daarmee een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het Nederlandse kapitalisme begon: niet meer en niet minder. Oldenbarnevelt toch, geld- en staatsman in énen, begreep drie dingen eerder dan anderen: dat de bestaande concurrentie de koopprijs voor de koloniale waren hoog, de verkoopprijs daarentegen laag zou houden en vervolgens dat alleen een monopolie door de staat verleend aan de Hollandse handel het ginds onmisbare politieke gezag zou kunnen bezorgen zowel, tegenover de machthebbers ter plaatse, als tegenover de buitenlandse mededingers.

En hij begreep nog een vierde ding: dat die éne Compagnie er snel moest komen, wilde men deze ongehoorde kans op vermeerdering van winst en macht niet aan Holland ontglippen en door de Engelsen gegrepen zien. In 1601 nog wees de toestand op alles eerder dan op samenwerking. Januari 1602 reeds presideerde Oldenbarnevelt een vergadering van bewindhebbers ter ontwerping van de octrooi-aanvrage en in maart van dat jaar verleenden de Staten-Generaal het voor eenentwintig jaar. Voorzeker, de onhandige en gecompliceerde machinerie van het staatsbestel kón wel vlot lopen. Zij deed het zelfs altijd, wanneer het handelsbelang der kooplieden, door hen

[p. 170]

met dat der natie vereenzelvigd, haar smeerde.

Het spreekt intussen vanzelf, dat, hoe groot tacticus Oldenbarnevelt ook was, hij met deze inbreuk op het alleenzaligmakend beginsel van de vrije handel ter wille van de koloniale politiek, tal van gedupeerden die ernaast kwamen te staan, voortaan de lippen deed krullen, wanneer de naam van de advocaat genoemd werd. Dat was nog meer het geval door zijn stille tegenwerking tegen de plannen van de Franse koning om hem na te volgen en gesteund onder anderen door De Moucheron, Lijntgens en Lemaire, óók zo'n onderneming op te zetten. En toen hij zich bovendien nog, na zijn aanvankelijke geneigdheid, verzette tegen de oprichting der wic, maakte hij zich noodwendig nog meer vijanden en daaronder geen minderen dan zijn eigen beschermeling François van Aerssen, de gezant der Republiek in Parijs, Willem Usselinx, een der leidende kooplieden in de wereld van destijds en de Goudse pensionaris François Francken.

Dit verzet van de Advocaat had vele redenen. Vooreerst had hij zelf ‘eenig kapitaal geavontureert’ in de oic en moest het hem reeds daarom niet raadzaam dunken de aandacht van de staat over twee soortgelijke officieuze lichamen te verdelen. Verder kan het Franse aandeel in de op te richten Compagnie hem te groot of zelfs principieel onwenselijk hebben geleken. Bovendien zou een monopolisering hier de particuliere belangen van de zoutvaart aantasten die destijds gewichtiger was dan die in specerijen, maar bovenal konden deze plannen, doordat zij de Spaanse belangen nog scherper zouden schaden dan de oic het reeds deed, niet bevorderlijk zijn voor de vrede, waartoe hij in deze jaren meer en meer begon te neigen.

Die neiging tot vrede was vooral sterk geworden sinds 1604, toen een soortgelijke poging als die van 1600 weliswaar tot de bezetting van Sluis had geleid, maar haar eigenlijk doel, het ontzet van Oostende, desondanks mislukt was. De mislukking leidde als gewoonlijk tot het zoeken van een zondebok en de volkspartij, de oude Leicesterse factie, had geen moeite die te vinden in de Advocaat, die immers met zijn gewone koppigheid het plan had doorgedreven tegen de herhaalde waarschuwingen van de Hollandse en Friese stadhouder in. Zwaarder dan dit mokkend binnenlands verzet, dat hij in Leicesters tijd wel erger gekend had, moet intussen bij hem de omstandigheid gewogen hebben, dat hij op goede gronden meende Jacobus van Engeland die in 1603 Elizabeth was opgevolgd, niet te kunnen vertrouwen. Hij vreesde niet ten onrechte, dat deze er niet tegen op zou zien de voor Nederland onmisbare pandsteden zonder slag of stoot aan Spanje uit te leveren, wanneer hij daarin zijn voordeel zou zien. Doorslaand was echter pas het argument, dat ook Spanje de oorlog moe was, zoals de Advocaat in 1606 voorzeker ervoer. In hetzelfde jaar schrijft hij aan Van Aerssen: ‘gelooft en doet gelooven, dat meer als de helft van de ingesetenen (hier) tot vrede inclineert’.

Van dat ogenblik af houdt hij, ondanks alle tegenwerking, ondanks een regen van pamfletten waarin hij met spitse woorden openlijk van verraad beschuldigd wordt, niet op voor de vrede te werken. Tegenover hem staat de volkspartij die in het streven naar vrede niet anders dan een heulen met Spanje kan zien, staan de predikanten die van een vrede met Spanje een

[p. 171]



illustratie

De vredesonderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand. Met de linkerfiguur van het groepje op de voorgrond zal de landsadvocaat bedoeld zijn. Tekening door een anoniem kunstenaar. Atlas Van Stolk, Rotterdam.


[p. 172]

herleving van het katholicisme duchtten, staat de nog machtige groep van ballingen uit het Zuiden die in een vrede slechts verraad tegenover de huns inziens toch reeds in de steek gelaten zuiderbroeders kunnen bespeuren en staan ten slotte Maurits en Willem Lodewijk, hof en legerleiding, wier positie door de vrede van het eerste naar het tweede plan geschoven zou worden en die bovendien daarvan het politieke gevaar vrezen van een mogelijk Spaans-Frans verbond, daarin gesteund door Jacobus i, die reeds uit hoofd der traditionele Engelse evenwichtspolitiek op het vasteland, tegen een dergelijke mogelijkheid gekant was.

De uitslag heeft echter geleerd, dat Oldenbarnevelt voor zijn politiek ook medestanders had. Naast hem staan de regenten, destijds van de koopmansstand nog ononderscheiden, die niet alleen het betalen van de krijgslasten moe zijn, maar zich bovendien en niet ten onrechte gouden bergen van de handel in vredestijd beloven en achter hem staat de Spaanse vredeswil-uit-nijpend-geldgebrek, zodat hij er ten slotte in slaagt alle tegenstand, hoe formidabel deze ook leek én was, te overwinnen. Maurits weet hij te winnen door hem met zijn verheffing te paaien, want al zijn de voorwaarden zodanig, dat deze meent, er niet op in te kunnen gaan, er komt daardoor niettemin onder bemiddeling van de Franse en Engelse gezanten, Jeannin en Winwood, een tijdelijke verzoening tussen de beide leiders der Republiek tot stand. Hetzelfde middel werkte bovendien als druk op de regentenklasse, voorzover deze nog niet uit zich zelf voor de vrede geporteerd was, omdat het in uitzicht gestelde alternatief van Maurits' verheffing voor deze oligarchen nog minder aanlokkelijk was. En de laatste aarzeling van Filips iii overwon hij door er genoegen mee te nemen, dat Spanje met de Staten onderhandelen zou als waren zij een onafhankelijke mogendheid.

Maart 1609 was het eindelijk zover, dat hij op een te Bergen op Zoom gehouden vergadering der Staten-Generaal de afsluitende onderhandelingen kon voorbereiden die dan te Antwerpen werden beklonken, waar 9 april, weliswaar nog niet de vrede, maar dan toch de Treves, het Twaalfjarig Bestand, ondertekend werd. Oldenbarnevelt, nu tweeënzestig, stond in het zenit van zijn machtsboog. Het gevaarlijk ogenblik dat alle succesrijke staatslieden bedreigt, was, zij het laat, nu ook voor hem gekomen. Gevaarlijk, omdat de ijle lucht daar in de hoogte licht duizelig maakt en men juist door die duizeling niet meer beseft, dát men het hoogtepunt bereikt heeft, zodat men daardoor kans loopt zelf de toch reeds onvermijdelijke neergang tot een val te verhaasten.

Aan het gevaar van mee te werken aan zijn eigen val is ook Oldenbarnevelt niet ontsnapt. Veeleer is zijn historie er een klassiek voorbeeld van. Dat er tijdens het Bestand slechts rust en daardoor welvaart zouden volgen, is de tragische vergissing van de vredespartij en haar leider geweest waarvan zij zelf het slachtoffer zijn geworden. Want de verwachte welvaart kwam wel, en groeide zelfs tot het dubbele en driedubbele van de verwachting, maar de rust bleef uit. Men kan niet zeggen, dat Oldenbarnevelt het politieke onweer niet gezien heeft dat zo dreigend kwam opzetten, maar men moet wél zeggen, dat hij de aard en de kracht ervan tot op het laatste ogenblik door over-

[p. 173]

schatting van zich zelf en zijn partij heeft onderschat.

Onderschat, niet miskend. Het laatste is onmogelijk, omdat de religieus-politiek-sociale strijd die de laatste tien jaar van Oldenbarnevelts leven én zijn sterven beheersen zou, de strijd die in deze fase die tussen Arminianen en Gomaristen of remonstranten en contra-remonstranten heet, op dezelfde tegenstellingen berustte, welke reeds vóór Leicester bestonden en tijdens diens bewind tot het eerste openlijke conflict hadden geleid, zodat Oldenbarnevelt wel verre van deze te miskennen, zich het leven in de Republiek zonder die tegenstellingen van preciezen en rekkelijken, van Holland en de landprovincies, van heren en volk eenvoudig niet zal hebben kunnen voorstellen. Maar onderschat tegelijk, omdat hij zowel uit de Leicesterse fase van die strijd als uit die om het Bestand zegevierend te voorschijn was gekomen, zodat hij zich niet anders zal hebben kunnen denken, dan dat hij ook dit keer weer triomferen zou. Want was zijn gezag, ondanks, ja, juist dóór die aanvankelijke, maar door hem overwonnen weerstand tegen de vrede niet veeleer toegenomen, nu de zegeningen ervan zich als een regen van welvaart uitstortten over heel het land?

Het wezen van een strijd van deze aard waarbij ieder die iets meer is dan een plantenmens partij móet kiezen, is nooit gemakkelijk te vatten. Het is niet ‘ergens’, het is overal. Het ligt in woorden, maar ook weer niet in woorden. Het uit zich in daden, maar ook weer niet in daden. Het dringt tot in kleding, manieren, gebaren, ja stembuiging door. En ook wanneer men alles gelezen zou hebben, wat er van weerszijden aan argumenten en invectieven te berde gebracht en gescholden is, alles wat er gevloekt en gezongen is, dan is dat nog geen waarborg voor volledig begrip. Men moet al een dergelijke strijd in het groot of klein hebben meegemaakt, om te beseffen, hoe hij tegelijk wel en niet om de beginselen gaat die óók, maar niet uitsluitend in het geding zijn. Men kan, voorzeker, de twist tussen de Leidse hoogleraren in de godgeleerdheid, Arminius en Gomarus die de aanleiding werd tot deze fase van de strijd, op de voet volgen. Men kan de remonstrantie der Arminianen van 1610 en de contra-remonstrantie der Gomaristen van 1611 bestuderen. Men kan uit deze nuance-verschillen - want meer zijn het niet - ook opmaken, dat de eersten het leerstuk der voorbeschikking soepeler interpreteerden, zodat er bij hen naast de genade althans een achterdeurtje open bleef voor het geloof en de goede werken, daar zij van mening waren, ‘dat degeene die eens waarlijk geloofde, evenwel door syn eigen schuldt van Godt kon afwyken en gants en eindelyk het gelove verliezen’, terwijl de contra-remonstrantie op dit punt veel onverbiddelijker is, omdat deze van oordeel is, ‘dat Godt in dese syne verkiesing niet heeft gezien op gelove of bekeering syner uitverkoorenen, noch op 't recht gebruik syner gaven, als op oorsaecken der verkiesing’. Men kan ten slotte ook nog begrijpen, hoe de remonstrantse leer de contra-remonstranten te rekkelijk en naar het roomse afgebogen moest lijken, maar nooit ofte nimmer zou iemand die het verloop der geschiedenis niet kende, op de gedachte komen, dat ter wille van deze verschillen nu de tweede stichter van beider staat als tweeënzeventigjarige grijsaard het schavot zou moeten bestijgen. Grijsaard die bovendien als jongeling het ‘nil scire tu-

[p. 174]

tissima fides’ tot devies gekozen had, die niet vóór 1591 lidmaat der gereformeerde kerk was geworden, ja die, sterker, ten slotte juist op het kwestieuze punt der predestinatie - rechtzinnig bleek, zoals we weten uit zijn laatste onderhoud tijdens zijn gevangenschap met dominee Walaeus die het hem zonneklaar bewees.

En zijn tegenspeler Maurits? Van hem is de uitspraak bekend, dat hij niet wist of de predestinatie groen of blauw was, die zich daarom bij zijn eindelijk partij kiezen veeleer door andere dan godsdienstige gezichtspunten heeft laten leiden, zoals door zijn groeiend gevoel van afkeer van de Advocaat en diens bewind dat nu toch wel zweemde althans naar een minderheidsdictatuur, door de aandrang van zijn neef Willem Lodewijk, en ten slotte door een vaag dynastiek besef dat hem zei, dat de contra-remonstranten dezelfde mensen waren, die zijn vader op het kussen gebracht hadden. Wanneer hij dit dan echter verduidelijkte door de schijnbaar zo eenvoudige en afdoende uitspraak ‘ik zal de religie die mijn vader in deze landen geplant heeft, handhaven’, dan twijfelt men toch of hij ook van het verleden wel wist of het groen of blauw was geweest, want veeleer dan zíjn vader, verdiende die van Willem Lodewijk, Jan van Nassau, de bijnaam van ‘religieplanter’.

Wat voor de beide hoofdpersonen geldt, geldt ook voor tal van hun medespelers en voor het gros der figuranten. Het was in laatste instantie hun sociale positie en hun persoonlijke voorkeur die hun keuze bepaalde. En dat juist maakt het begrip voor twisten als deze zo moeilijk: de keuze wordt in een ander vlak bepaald en is zij eenmaal bepaald, dan overwint de bij de ene partij gangbare en op het uiterste toegespitste voorstelling omtrent de andere elke aanvankelijke weifeling. Dan wordt de eigen partij wit op wit, en de tegenpartij zwart op zwart en het oorspronkelijk geschilpunt slechts een kapstok waaraan alle andere worden opgehangen, zonder dat er nochtans van huichelarij sprake behoeft te zijn. Wij kunnen hier ontstaan en verloop van een dergelijke alles beheersende partijstrijd slechts aanduiden. Het volledig begrip ervan zou een afzonderlijke, bij ons weten nog niet geschreven sociologie van de partijstrijd vereisen als onmisbaar theoretisch fundament voor een sociologie van de burgeroorlog.

Concreet ontwikkelden zich de gebeurtenissen met een bijna beangstigende consequentie naar het fatale einde. De twist tussen Arminius en Gomarus brak, na een lange voorbereiding, waarin de eerste al meer verdacht en veracht gemaakt werd, in 1604 openlijk uit. Van de collegezalen bereikte het de studeerkamers, van de studeerkamers de kansels, van de kansels het volk. De overheid moest er zich wel mee bemoeien, of zij wilde of niet. Mei 1607 werd Arminius met Gomarus en voormannen van beide partijen door de Staten van Holland naar Den Haag geroepen, waar nog die zelfde maand een vergadering plaats had. Van dat ogenblik af stonden de partijen beslist tegenover elkaar, van dat ogenblik af ook haakte op het tot nog toe, althans schijnbaar, zuiver theoretische geschilpunt de grote praktische kwestie van de verhouding tussen staat en kerk in.

Ook deze kwestie was niet nieuw. Reeds in 1591 had Oldenbarnevelt getracht met een achttal predikanten en even zoveel wereldlijke personen dit

[p. 175]



illustratie

Spotprent op de ondergang van de partij van Johan van Oldenbarnevelt. Anonieme gravure. Rijksprentenkabinet, Amsterdam.


[p. 176]

probleem voor Holland te regelen door een compromis waarbij aan de Staten enige invloed op de kerk gegeven werd, maar zó dat de laatste zich in haar vrijheid niet belemmerd behoefde te gevoelen. Deze regeling was echter van kerkelijke zijde op zoveel tegenstand gestuit, dat zij onuitgevoerd gebleven was. En ook nu weer waren het de contra-remonstranten, die elke inmenging der overheid afwezen en de beslechting van het geschil uitsluitend aan een synode wilden zien opgedragen, zowel op principiële als op politieke gronden. Immers van de aanvang af stond vast, dat de overheid als zodanig geen belang had bij het religieuze geschilpunt, doch slechts bij een onderdrukking der discussie erover, hetgeen niet alleen neerkwam op een voor de preciezen ongeoorloofde bemoeiing van de wereldlijke heren met kerkelijke zaken, maar tevens op een onderdrukking van de ontwijfelbare meerderheid in de kerk, ter wille van een met die heren heulende kleine minderheid. Toen dan ook in mei 1608 de Hoge Raad wederom beide partijen voor zich daagde, heeft Gomarus, van zijn standpunt niet ten onrechte, getracht de conferentie te doen mislukken door de bevoegdheid der raadsheren te wraken.

Maar hoe sterker de Gomaristen op een synode aandrongen, des te feller verzette zich de overheid tegen dit plan, waarvan zij alleen maar kon vrezen, dat de leiding haar dan geheel ontglippen zou. Om dit te vermijden, begaven de Staten zich echter in een ander gevaar. Na de aanbieding van remonstrantie en contra-remonstrantie machtigde zij de steden nog in 1611 om de kerkorde van 1591 toe te passen en drie jaar later gelastte zij, dat het geschilpunt niet langer van de kansel behandeld mocht worden, een ‘beslissing’, die, naar het schijnt, aan het theologisch brein van Jacobus i is ontsproten. Huig de Groot commentarieerde haar in een goed bedoeld traktaat over de vrede der kerken. De maatregel zelf, die, misschien, succes gehad zou hebben, indien de Staten eensgezind waren geweest, liep vast op het feit dat zulks allerminst het geval was. In Amsterdam en Dordt, Enkhuizen, Edam en Purmerend was de meerderheid der vroedschap contra-remonstrant. Dit was voldoende om de regeling van 1614 te doen mislukken, nog afgezien van het feit dat het machtige Amsterdam onder leiding van de calvinistische burgemeester Reinier Pauw toch al niet langer bereid was, om naar het pijpen van de Advocaat te dansen.

De toestand werd van maand tot maand verwarder. In een aantal steden stoorden de contra-remonstranten zich niet aan het nieuwe besluit. Toen, in Den Haag nog wel, een der heftigste Gomaristen, Rosaeus, door toedoen van Wtenbogaert, het hoofd der remonstranten, werd geschorst (1616), gingen zijn aanhangers te Rijswijk bij hem ter kerke en de benaming ‘slijkgeuzen’ duidt voldoende aan, hoezeer het oorspronkelijk twistpunt reeds door beide partijen tot onherkenbaar wordens toe met een politieke traditie beladen was. En buiten Holland was er voor Oldenbarnevelt nog minder te halen. Zijn aanhang bleef er beperkt tot de meerderheid in de Staten van Utrecht en een grote minderheid in die van Overijssel. Nijmegen was de enige stad buiten Holland en Utrecht waar Arminianen regeerden. Tegenover hem stonden de Friese stadhouder Willem Lodewijk, de meerderheid in de Staten-Generaal, de overgrote meerderheid der predikanten, de burgerijen in de

[p. 177]

steden, het platteland, de vroedschappen in een aantal steden in Holland, waaronder vooral die van Amsterdam, de gezant van Engeland Carleton, met achter zich zijn koning die het niet verkroppen kon dat hij zich in '16 de kostbare pandsteden door de handige Advocaat had laten afkopen, en ten slotte de gezant der Republiek in Parijs, de Brusselaar François van Aerssen, later heer van Sommelsdijk die zijn ontslag in 1613 aan de Advocaat weet en daarom ook diens gezworen vijand was geworden.

Het duisterste punt in heel Oldenbarnevelts leven is, dat deze geboren en getogen politicus zich van 1614 af zo volkomen in de hier geschetste machtsverhoudingen vergist heeft, doordat hij een strijd ging wagen die nooit anders had kunnen aflopen dan, zoal niet met zijn ondergang, dan toch met zijn nederlaag; zeker sinds in juli 1617 Maurits met groot gevolg de door de contra-remonstranten in gebruik genomen Kloosterkerk in Den Haag bezocht en ook hij daarmee openlijk tegen de Advocaat partij gekozen had.

Hoe heeft deze realist bij uitstek die, toen een gezant hem eens vroeg om modellen van gezantschapsberichten ter navolging, in zijn bijna onleesbare hand aan de rand krabbelde ‘onnodig, de waarheid, zo kort mogelijk, over zaken van gewicht, zal gelden als goede stijl’, hoe is deze realist in de laatste tien jaar van zijn leven zo afgedwaald van de ‘waarheid’ en de ‘goede stijl’? De historici hebben die vraag ontlopen door haar zich niet te stellen. Dat is wel geen toeval. Het is niet de taak van de historicus om over de vroeger genomen politieke beslissingen na te kaarten, alsof zij nog genomen moesten worden. Maar voor de biograaf staat dat anders. En al verbeelden wij ons niet, dat het mogelijk zou zijn voor latere geslachten zich aan de raadstafel van het verleden te scharen, íéts kan er toch wel van gezegd worden.

Oldenbarnevelt was zeventig jaar, toen het onweer boven hem losbarstte. Het is geen ongewoon verschijnsel, dat mensen van die leeftijd op de generaties die na hen komen, als op onmondige kinderen blijven neerzien, vooral wanneer zij gelijk de Advocaat een mensenleven lang gewend geweest zijn de touwtjes in handen te houden. In de loopbaan van Maurits of Willem Lodewijk was tot dusver niets voorgevallen op grond waarvan Oldenbarnevelt hen als politici zou moeten vrezen. Integendeel, het streven van de eerste naar de soevereiniteit had hij, naar hij menen kon, gemakkelijk verijdeld. Een wenk aan Louise de Coligny die hem erover gepolst had en die hij gezegd had, dat dit voor Maurits zelf gevaarlijk zou zijn, had voldoende geschenen. En hoe kon hij geloven, dat Van Aerssen, zijn eigen beschermeling, intelligent wel maar ijdel, bovendien een dier Zuidnederlanders op wie men hier toch altijd enigszins neerzag en wiens carrière hij in 1613 zelf gebroken had, in staat zou zijn, hem, Oldenbarnevelt, te vervangen?

Maar er was meer. Oldenbarnevelt had de burgerlijke en daarom echt Hollandse minachting voor het militaire en de regenten-minachting voor ‘het grauw’, en hij minachtte daarom ook het verbond tussen beiden, dezelfde houding die ruim een halve eeuw later ook Johan de Witt ten verderve zou leiden. Zo onderschatte hij zijn vijanden door die bijziendheid van het te persoonlijke waaraan bijna nooit een medespeler in een historisch drama ontkomt, terwijl diezelfde myopie hem zijn vrienden deed overschatten. Alles

[p. 178]

immers wat in zijn ogen werkelijk schitterde, stond in het kamp van hem, 's lands Advocaat en groot-zegelbewaarder; gold Huig de Groot niet als het licht der wereld, was Hogerbeets niet een geboren regent? En dan spreken we nog niet van Ledenberg, de zoon van een metselaar, die met zijn voortvarendheid, mensen die van niet tot iet gekomen zijn zo vaak eigen, misschien zijn boze geest geweest is: was die niet de almachtige secretaris van de Staten van Utrecht?

Bovendien, steunde hij in theologicis niet op een man als Wtenbogaert, tegenover wiens gezag een Trigland of Smout maar holle schreeuwers leken? Droegen, meer dan zijn zoons Willem en Reinier, heren van Stoutenburg en Groeneveld, niet zijn beide schoonzoons tot zijn glorie bij? Want Cornelis van der Myle en Reinoud van Brederode waren beiden diplomaten die zeker niet de minderen schenen van de intrigerende Van Aerssen. Ten overvloede meende hij tegenover diens broer op de fijnere en politiekere Frederik Hendrik te kunnen rekenen. En was ten slotte het gros van zijn ‘leger’, het mocht dan kleiner zijn dan dat van Maurits, niet honderdmaal invloedrijker? Waren de regenten en kooplieden van Holland, Zeeland en Utrecht niet stuk voor stuk mannen waarop in nood te rekenen viel? Maar, hoe schitterend zijn factie ook was, er was niemand bij in staat om de Advocaat op zijn vergissing te wijzen, want zij waren stuk voor stuk zelf slachtoffer van de illusie, dat hun factie als draagster van beschaving en geldmacht de eigenlijke representant der natie was.

Doch hoe dit zij, het feit blijkt in elk geval, dat Oldenbarnevelt zijn politiek zo lang heeft gehandhaafd, dat zij, zonder dat hij het zelf merkte, in haar tegendeel verkeerde. Hij hield aan zijn verdraagzaamheid vast, ook toen dit staatsdwang ging betekenen en hij verloochende zijn ideaal van de eenheid der Unie door en onder Hollands leiding niet, ook niet, toen dit op overheersing en door die overheersing op het isolement van Holland uitliep.

Want dit is de zin der ‘Scherpe Resolutie’ die de Staten van Holland 4 augustus 1617 aannamen en waarin, naar het woord van Fruin, niet minder dan de burgeroorlog opgesloten lag. Immers daarin werden de steden gemachtigd waardgelders in soldij te nemen, omdat men de schutterijen niet vertrouwde, werd de officieren en soldaten gehoorzaamheid gelast jegens de overheid der plaatsen, waar zij in garnizoen lagen. Zij werden zelfs met afdanking bedreigd, als zij hun kapitein-generaal, Maurits, gehoorzaamden. Verder weigerden in deze resolutie de Staten toestemming tot het houden ener Nationale Synode en wierpen zij zich zelf als rechters in de religieuze geschillen op. De waardgelders in heel Holland, overigens nog geen 1800, waren gedacht als de kern van een nieuw leger, te betalen door afdanking van het oude en met Frederik Hendrik als hoofd. Maar deze, hoezeer hij, naar later bleek, ook een gematigder politiek tegenover de regenten voorstond dan zijn broer Maurits nu, trapte daar niet in.

Deze ‘Scherpe Resolutie’ die men beter de ‘tweesnijdende’ zou kunnen noemen, was Oldenbarnevelts fout die logisch uit zijn vergissing in de machtsverhoudingen voortvloeide, zoals ten overvloede nog eens uit Frederik Hendriks weigering bleek. Dat wil zeggen: zijn fout was niet zozeer het

[p. 179]



illustratie

De terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt. Detail van een ets door Claes Jansz. Visscher. Atlas Van Stolk, Rotterdam.


[p. 180]

zwaard te hebben getrokken, maar het gedaan te hebben tegen een die het beter hanteren kon dan hij. Want ook aan de andere zijde was inmiddels en mogelijk al eerder de burgeroorlogstemming gerijpt. Men zag schippers met 's prinsen wapen in hun vlag en het opschrift ‘Liever met Oranje te liggen in 't veld, dan langer door Arminiaenen te zijn gekweld’ of in proza: liever de burgeroorlog met Maurits dan de vrede met Oldenbarnevelt. Maurits' valse leus: Spanje of Oranje ‘deed’ het niettemin. Een sneeuwstorm van smaadschriften die deze leuze trachtte te bewijzen of te commentariëren stortte zich uit boven het grijze hoofd van de Advocaat en zijn ‘eigne snoot’. Was hij niet verblind geraakt, dan zou hij tussen al die vlokken door het zwaard hebben zien flikkeren dat het op zijn nek gemunt had. Maar hij zag niets. Zijn huis werd bewaakt, hij merkte het niet of telde het althans niet. Zijn Remonstrantie draagt de duidelijke sporen van die verblinding. De toon ervan is aanmatigend. Als er van Maurits sprake is, dan vermeldt hij de weldaden die Zijne Exc. van de Hoogmogenden Heren Staten en hun Advocaat genoten heeft, nooit zijn verdiensten.

Maurits van zijn kant, hij mocht dan al geen politicus zijn, betoonde zich sinds de Advocaat met zijn ‘Scherpe Resolutie’ zijn kaarten onvoorzichtiger-wijze op tafel gelegd had, tactisch Oldenbarnevelts meerdere. Want de politiek werd nu tot krijgskunde waarin hij een onbestreden meester was. Militair denkend, vermeed hij het, om een prematuur conflict in het bolwerk zelf der Arminianen te provoceren. Hij maakte zich stuk voor stuk 's vijands havens meester. Hij isoleerde de Staten van Holland. Hij belegerde ze als het ware. De Staten-Generaal besloten, nadat Overijssel was overgehaald, in juni 1618 wél tot een Nationale Synode en zetten ondanks Oldenbarnevelts vurige rede ertegen (28 juni) dóór. In november is zij, zoals men weet te Dordrecht, inderdaad bijeengekomen. In Nijmegen, de enige remonstrantse stad buiten Holland en Utrecht, werd de wet verzet. Maurits kreeg de opdracht om de waardgelders in Utrecht af te danken. Hij deed het, op de Neude. Ook hier werden nu de Arminianen van het kussen gestoten en verklaarden de Staten zich vóór de Nationale Synode.

Holland stond alleen en daarbinnen had Oldenbarnevelt slechts acht van de achttien stemhebbende steden vast in handen. Maar toen én in de zomer van '17 én in het voorjaar van '18 zijn ontslagaanvraag opnieuw geweigerd was - de Staten waren het als een tactische zet van hem gaan beschouwen - wist hij van geen wijken meer. Daarom kreeg, 28 augustus 1618, in een overigens zeer onvoltallige vergadering der Staten-Generaal, Maurits de dictatoriale volmacht die hij behoefde om nu ook Hollands verzet te breken. Het te elfder ure en ten halve toegeven in de kwestie der synode kon nu niet meer baten. De volgende dag al kreeg Oldenbarnevelt, toen hij zich op weg naar zijn Staten bevond, het verzoek om bij Maurits te komen. Hij is er gebleven. Velen hadden iets dergelijks verwacht; hij zelf niet: een waarschuwing van de vorige dag om te vluchten had hij in de wind geslagen. De bijzonderheden van zijn preventieve hechtenis kennen we uit het simpel verslag dat zijn knecht Jan Francken ervan gegeven heeft. Zij was hard. Noch leden van het college, in welks dienst hij stond, noch zijn vrienden, noch zelfs zijn vrouw,

[p. 181]

werden bij hem toegelaten. Van de gelijktijdige arrestatie van De Groot, Hogerbeets en Gilles van Ledenberg hoorde hij slechts door de kleine listen die, hoe streng de bewaking ook is, altijd weer mogelijk blijken: boodschappen, die hem in peren en dove kolen worden toegezonden. En de kleine strijd om een open raam, om verwarming, om lectuur voert hij met dezelfde verbeten doorzetting, waarmee hij eens tegen de machtigste monarch der christenheid had gestreden. Maar die verstopte boodschappen brachten geen hoop. De Staten van Holland waar Maurits op zijn rondreis van veertien van de achttien stemhebbende steden de wet had verzet, verroerden geen vin voor hun dienaar en meester. De Groot betoonde zich de intellectueel die hij was: niet opgewassen tegen deze omstandigheden, is hij er na aan toe geweest Oldenbarnevelt te verloochenen. Een verdediger werd hem niet toegewezen. Langzaam, o zo langzaam begon het in zijn schemerdonkere afzondering tot de oude man door te dringen, dat dit toch wel eens het zozeer onverwachte einde zou kunnen betekenen.

De eerste, 15 november eindelijk begonnen verhoren voor een door de Staten-Generaal benoemde commissie, later met enige leden uit Holland aangevuld, beloofden niets goeds. Op 20 februari van het volgend jaar werden de vierentwintig rechters benoemd, van wie er twaalf door Holland waren aangewezen, en die hem tot 1 mei toe blijven verhoren. Tevergeefs heeft hij hen gewraakt, zich op zijn eed aan de Staten van Holland én op het ius de non evocando beroepend, volgens hetwelk alleen een Hollandse rechtbank over hem recht mocht spreken. Tevergeefs richtte hij zich in brieven tot Maurits en Willem Lodewijk. Tevergeefs tot de Franse gezant, Du Maurier om diens bemiddeling. Tevergeefs probeerde Louise de Coligny haar stiefzoon tot ingrijpen te bewegen. Maurits liet het recht zijn loop. Het recht - dit kán men zeggen, want de voorstelling, dat de rechtbank uit zo goed als louter vijanden van de Advocaat was samengesteld, is niet houdbaar. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat die vijanden er de eerste viool speelden, Reinier Pauw voorop, en het neemt zeker niet weg, dat de gronden waarop het 12 mei, een zondag, uitgesproken doodvonnis berustte, wel zeer zwak zijn. Zwak vooral hierom, omdat in de ene schaal al zijn feilen en falen geworpen werd, terwijl de andere schaal, waarin zijn onmetelijke verdiensten voor het land hadden behoren te liggen, leeg bleef. Voor het hem ten laste gelegde ‘hoogverraad’ kon men dan nog zó weinig bewijzen bijbrengen, dat de ‘sententie’ het woord zelfs heeft vermeden. Pas een jaar later, naar aanleiding van een vraag der weduwe om de verbeurd verklaarde goederen waarop slechts de helft der rechters geantwoord heeft, verklaarden dezen, dat de misdaad inderdaad het beroemde crimen laesae majestatis geweest was. Maar in de sfeer waarin zijn eigen politiek en baatzucht de staat gebracht had, woog dan ook alle verdenking loodzwaar...

Toen de 13de alles voorbij was, schreef Maurits een brief aan zijn neef Willem Lodewijk. Men pleegt die gevoelloos te noemen. Hij is het ook, maar er de nadruk op te leggen getuigt toch van weinig inzicht in de verharding waarin politieke hartstochten zelfs de gevoeligsten plegen te brengen. Immers zélfs indien Maurits aanvankelijk aan de onschuld van Oldenbarnevelt

[p. 182]

geloofd zou hebben, dan móet hij zich tijdens het proces wel overtuigd hebben van zijn schuld, al was het alleen om zich zelf van schuld tegenover zijn slachtoffer vrij te kunnen voelen. Hoe dieper daarom de val van de Advocaat, des te zuiverder Maurits' geweten. Ongevraagd genade te verlenen, zou de zuiverheid van dat geweten in twijfel hebben gesteld, zoals omgekeerd voor Oldenbarnevelt: genade te vragen met schuld bekennen gelijk zou hebben gestaan. Waardiger, want niet zonder zweem van schuldbesef, is de aantekening op die dag in het register van de Staten van Holland. ‘Heden werd op het Binnenhof onthoofd Johan van Oldenbarnevelt, een man van grooten bedrijve, besoigne, memorie en directie, ja singulier in alles; die staet, siet toe, dat hij niet en valle, ende sy Godt syne ziele genadigh. Amen.’

Singulier, bijzonder, ja, waarlijk weergaloos hierin vooral, dat hij sinds de oudheid de eerste burger geweest is die wereldpolitiek gemaakt heeft. En er is behalve hij wel nooit iemand geweest, die de titel van zijn ambt een wereldhistorische zin heeft gegeven, want Oldenbarnevelt, Hollands Advocaat, is inderdaad geweest de pleitbezorger van zijn land in de wereld. Holland, vóór hem een uithoek, werd na hem en mee dóór hem een eeuw lang het middelpunt van de westelijke wereld.