|
|
|
| |
| | | | | |
Hollands advocaat
Dertien mei 1619. Den Haag. Het Binnenhof. Het 's nachts getimmerde schavot.
Het zand. ‘Uw sententie is gelezen, voort, voort.’ De scherprechter. De
tweeënzeventigjarige, het bovenlijf naakt - ‘neen, mijnheer, aan de andere
kant, zó hebt u de zon in uw gezicht’ - de laatste zon en de laatste woorden
tot het volk eromheen: ‘Mannen gelooft niet, dat ik een landverrader ben. Ik
heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot en die zal ik sterven,’
de allerlaatste woorden bij het allerlaatste zonlicht, tot de beul: ‘Maak 't
kort, maak 't kort.’ Een suizende glinstering, een doffe slag, drie of vier
fonteinen warm, donker, levend mensenbloed. En het is gedaan.
Zó weten we het allen, bijna van het ogenblik af, dat we lezen konden. Maar
juist in die vertrouwdheid schuilt ons onvermogen tot begrip. Tot begrip van
dit toch zeer bijzondere: dat een man, een der begaafdsten, zo niet de
begaafdste van alle Nederlandse staatslieden, die meer dan veertig jaar de
jonge staat gediend heeft als welks tweede stichter hij moet gelden; een man
die, om met Hooft te spreken, de ‘mogendste
monarch’ der christenheid weerstaan en twee andere koningen tot bondgenoot
van zijn republiek geworven en haar daarmee tot de eerste van Europa
opgestoten had; een man die, als ware dit alles nog niet genoeg, bovendien
in de Oost-Indische Compagnie het lichaam geschapen had, dat zijn staat ook
nog tot de tweede koloniale mogendheid van zijn tijd zou maken - dit zeer
bijzondere dat die man moest eindigen als de minste der misdadigers door de
wil van die ander die hij aan geld, gezag en wereldroem geholpen had.
Zich opnieuw af te vragen: hoe komt het? van wat ons sinds onze prille jeugd
zo vreemd-vertrouwd is, vereist een geestelijke houding en een inspanning
van de geest waartoe niet iedereen in staat is. De geschiedenis der
bijbelkritiek kan het bewijzen, aan wie het niet uit eigen ervaring weet.
Tracht men er zich echter rekenschap van te geven, dan blijkt de
grond-voorstelling uit de voor ons verre gedachtenwereld waaraan het Griekse
drama ontsprongen is, zeer wel op deze historie van toepassing: de wereld
als het schouwtoneel, de spelers daarop, bewust van hun doen, maar onbewust
van de werking daarvan, als de uitvoerders van de wil van de onbekende,
bovenmenselijke dramaturg, en de politiek als het noodlot, dat de reien uit
dat drama bezingen om het te bezweren. Noodlotsgedachte die ook voor de
simpelste mislukte carrière gelden kan, want er bestaat geen toeval, maar
die zich zelden zo opdringt als bij de geschiedenis van Hollands advocaat.
Noodlot: het enige woord om die gebeurtenissen de waarde te geven welke men
voelt, dat erin woont.
Doch dit is de toon niet, waarop men een leven vertellen kan dat zo eenvoudig
begon, in zulke concrete banen verliep en zo aards eindigde. Ten slot- | | | | te is het noodlottig einde in al zijn onbegrijpelijkheid
slechts de som van een zeer begrijpelijke ontwikkeling. Het zijn noch de
gedachten, noch de gevoelens, noch zelfs de daden van de held, het is kortom
niet hij zelf, het is slechts het plan waarop dit alles zich afspeelt, en
het tragisch einde, dat aan dit leven zijn klassieke verhevenheid verleent.
Op 14 sept. 1547 werd Johan te Amersfoort geboren
als zoon van Gerrit van Oldenbarnevelt en Deliana van Weede. Zijn moeder is
in 1587, zijn vader een jaar later gestorven. Het pleit in het algemeen niet
voor een man, wanneer we de namen van zijn ouders in zijn verder leven niet
of nauwelijks meer tegenkomen, maar bij Oldenbarnevelt kan men verzachtende omstandigheden aanvoeren. In een
gestoelte geplaatst waar de 16de eeuw niet gewoon was andere dan adellijke
heren te zien zetelen, was hij als eerste burgerlijk politicus in een
staat-leidende functie ter wille van zijn eigen prestige en daarmee van dat
zijner soevereinen, wel gedwongen zijn bescheiden afkomst zoveel doenlijk te
verbergen. Op dit punt aangevallen door zijn verbeten vijanden, heeft hij in
zijn
Remonstrantie
van 1618 tevergeefs zijn Gelderse adel trachten aan te tonen. Zijn
bewijsstukken daarvoor kon de pamflettist terecht als ‘oude beroockte
papieren’ bespotten, want zij kunnen het feit niet verhelen, dat de
genealogie de familie van de advocaat niet verder heeft kunnen opvoeren dan
tot diens overgrootvader Claes, die dan omtrent het midden van de 15de eeuw,
en vermoedelijk reeds te Amersfoort geleefd heeft, waar hij tot de
welgestelde boeren behoorde. Ja, erger, het hardnekkige gerucht, dat Johans
vader, een zonderlinge kwant en querulant, de bijnaam van ‘Gerretgen Sleght’
droeg en dat hij wegens manslag in de duinen heeft moeten vluchten, waar hij
maar magertjes aan de kost kwam, hebben zelfs zijn vurigste verdedigers
nooit met klem van redenen kunnen weerleggen. En die andere vlek, dit keer
niet op zijn afkomst, maar op zijn huwelijk, heeft hij in 't nauw gebracht,
zelf gedeeltelijk toegegeven: de vrouw waarmee hij in 1575 getrouwd is,
Maria van Utrecht, heette uit bloedschande te zijn geboren. Mogelijk is dat
niet meer dan een kwaadaardige overdrijving van het feit harer onwettige
geboorte die wel vaststaat. Hetgeen ons overigens onverschillig kan zijn.
Wanneer Oldenbarnevelt later dan ook bekende, dat hij over een ‘defect in de
genealogie’ van zijn uitverkorene was heen gestapt ter wille van haar geld,
dan is het niet het eerste, maar het laatste, dat ons hindert. Temeer, omdat
er, gezien zijn ‘hoope van vermeerderingh’, zoals Theun
de Vries het genoemd heeft, wel íéts waar kan zijn van de
beschuldiging uit de Gulden Legende, dat
hij het kapitaal dat Maria hem inbracht, slechts heeft kunnen bemachtigen
door een proces waarin hij een ‘arm menneke tot meineed’ zou hebben
omgekocht. Geldzucht blijft zijn beurse stêe. Wie daar vrij van is en er
behoefte aan heeft, heeft het recht hem dit te verwijten, maar de meeste
Nederlandse geschiedschrijvers van nu en vroeger geven, dunkt ons, slechts
blijk van prijzenswaardige zelfkennis, of toch van kennis der natie waartoe
zij behoren, wanneer zij dit euvel de leider ener koopmansrepubliek niet al
te zwaar aanrekenen. De omgekeerde houding zou immers moeilijk van
huichelarij zijn vrij te pleiten. Het is geen toeval, dat het begrip ‘zonde’
in het Nederlands ondanks al onze theologische preoccupaties, in de | | | |

Johan van Oldenbarnevelt, op eenenzestigjarige leeftijd.
Gravure door Henricus Hondius. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | | eerste plaats verbonden pleegt te zijn aan het verlies of de
verspilling van geld. Is het dan, in die zelfde voorstelling, niet logisch,
dat het sparen en het behalen van winst behoort tot de ‘genade’?
Hoe dit zij, één ding in elk geval staat vast. Oldenbarnevelt zou de Republiek niet de onschatbare diensten
hebben bewezen die hij haar bewezen heeft, indien hij niet het leven
ingetrokken was met de zucht zich zelf een dienst te bewijzen. Nadat hij
vermoedelijk in zijn geboorteplaats de Latijnse school bezocht had, bracht
hij twee jaar in Den Haag door, waarschijnlijk ten
huize en op kosten van verwanten die wat in hem zagen. Het zal wel op deze
jaren doelen, wanneer de Gulden Legende zegt ‘dat hij
indertijd de goede luyden bedankte als hij een halven schellinck met
schrijven verdiende’. Daarna maakte hij de destijds gewone buitenlandse toer
om zich in de rechten te bekwamen: Leuven en
Bourges. Door het uitbreken van de hugenotenoorlog in Frankrijk gedwongen
dit land te verlaten, reisde hij in 1567 door Bourgondië en de
Vrijgraafschap over Bazel naar Keulen. Hier en te Heidelberg, destijds het
centrum van het intellectuele calvinisme, waaruit men op kan maken, dat de
nieuwe tijd ook hem had aangeraakt, zette hij zijn studie voort om met de
gebruikelijke reis naar Italië zijn Europese opvoeding te besluiten.
In 1569 in Den Haag teruggekeerd, werd hij er advocaat voor het Hof van
Holland. Pas bij het uitbreken van de Opstand in 1572 deed hij echter de
stap die over zijn leven beslissen zou. Het Hof en zijn advocaten, trouw aan
Spanje en het voorvaderlijk geloof, namen de wijk naar Utrecht, maar onder die stille stoet was Oldenbarnevelt niet;
met twee andere confraters nog sloot hij zich bij de prins aan. Voor één
keer ging hij in tegen zijn voorzichtige libertijns-agnostische lijfspreuk:
‘nil scire tutissima fides’ - niets te weten is het veiligste geloof; hij
geloofde en wist, dat bij de opstand, bij de prins, zijn toekomst lag. Hij
ontweek ook de verplichtingen niet die die keuze hem oplegde, want hij moge
dan geldzuchtig geweest zijn, gemakzuchtig was hij nooit. En hij moge dan
alles eerder dan een geloofsheld geweest zijn, de arbeids-ethos van het
calvinisme is hem toch als weinig anderen in het bloed gegaan. Als de zuil
van bloed en vlammen die Don Frederiks weg over Mechelen, Zutphen, Naarden aangeeft, Haarlem nadert, als
in Delft de met bloed geschreven brief van de
burgers van die stad gelezen wordt en de prins met zijn laatste geld zijn
laatste legertje verzamelt, dan trekt ook de jonge advocaat als vrijwilliger
op eigen kosten mee. Zijn eerste ervaring als soldaat is niet bemoedigend.
Oldenbarnevelt ontsnapt ternauwernood aan het fiasco van deze poging tot
ontzet. De weer opgenomen rechtspraktijk, nu aan het nieuw opgerichte Hof
van Holland, zal hem beter bevallen zijn. Toch gespte hij het volgend jaar
nog eens het rapier der vrijheid om, als het om Leiden gaat. Dit keer gelukte het ontzet zeer wel, naar ieder weet,
maar op Boisots schuit bevond zich geen Oldenbarnevelt. Ziek geworden, had
hij moeten terugkeren. Op het ‘veld van eer’ groeit geen laurier voor mensen
van zijn slag.
Waar zij wel zou aarden, was intussen reeds in 1573 gebleken. Het onderzoek
naar een halve muiterij der Engelse hulptroepen in het land van Strijen
volbracht hij met success, want de zending was van delicater aard dan zij op
het eerste gezicht schijnt, doordat zij de verhouding van de
republiek-in-wor- | | | | ding tot de wispelturige koningin van
Engeland tot politieke achtergrond had. Het was zijn eerste schermutseling
op het slagveld der diplomatie, waar hij later klinkende overwinningen
behalen en onverwelkbare lauweren plukken zou.
Voorlopig waren voor hem zelf de voornaamste resultaten van deze en
dergelijke zendingen, vooreerst dat hij leerde te roeien met de riemen die
hij had - een kunst in die dagen van verwarring van nog veel essentiëler
belang dan in een geordende maatschappij - en verder, dat de aandacht der
magistraten op hem gevestigd werd. Eind 1576 bezocht een deputatie uit de
vroedschap van Rotterdam de negenentwintigjarige
magister om hem het pensionarisschap van de stad aan te bieden, waaraan hij
na enige aarzeling gevolg gaf.
De eerste stap op de ladder naar de hoogste post in het jonge gemenebest was
hiermee gezet. Immers aan dit ambt van stadsadvocaat was in de regel, en ook
in dit geval, de leiding der stadsvertegenwoordiging in de Staten verbonden.
Zo leerden hem ook de Staten kennen en waarderen, vooral op het stuk van de
behartiging van hun financiën. Hierin heeft hij ook zijn eigen mening, als
het moest zelfs tegenover die van de prins, zoals het geval met Amsterdam bewijst. Terwijl Oranje van mening was, dat
deze stad de gunstige voorwaarden, door haar bij de late overgang in 1578
naar 's prinsen zijde bedongen, diende te behouden, kwam Oldenbarnevelt voor
de omgekeerde mening der Staten op en wat meer zegt: hij wist deze tegenover
de prins en Amsterdam grotendeels door te zetten. Dat de vijandschap der
grote koopstad die hij zich daarmee op de hals haalde, hem veertig jaar
later zo duur te staan zou komen, kon hij toen uiteraard niet voorzien. Zijn
levensweg was nog in volle opgang. Hij werd meer en meer een personage van
gewicht naar wie men luisterde. Gaat men de veranderingen na die
Oldenbarnevelt heeft voorgesteld in het voor hem bestemde exemplaar van de
ontwerpen der Nadere Unie - die van Utrecht - waarbij hij Holland
vertegenwoordigde, zoals die door Van Deventer in
zijn
Gedenkstukken
gepubliceerd en door Van Winter nader
onderzocht zijn, dan blijken het er in de dertig geweest te zijn. Omtrent
een derde daarvan is opgenomen in het befaamde staatsstuk, dat meer dan twee
eeuwen lang de republikeinse grondwet gebleven is.
Gaat men Oldenbarnevelts voorstellen in bijzonderheden na, dan blijkt deze
onmiskenbare invloed intussen niet feilloos vast te stellen, want ook al is
de hand van de schrijver al duidelijk te herkennen, dan is daarmee nog niet
uitgemaakt of hij eigen dan wel voorstellen van anderen in de rand heeft
aangetekend. Nochtans blijft de eindindruk dezelfde die men ook van zijn
latere werkzaamheid krijgt: Oldenbarnevelt was zeker geen dictator die maar
te dicteren had, opdat iets wat hij wilde gebeuren zou, maar wel een man die
in belangrijke aangelegenheden zijn persoonlijk stempel drukte op wat er ten
slotte gebeurde. Met name zijn niet alleen enkele gewichtige wijzigingen in
de concepten van zijn hand, maar ze openbaren ons ook de wezenlijke trekken
van zijn politieke grondconceptie, een conceptie, waaraan hij niet slechts
heel zijn meer dan zeventigjarig leven trouw zou blijven, maar waarvoor hij
ten slotte, toen deze conceptie in haar consequentie met zich zelf in
tegenspraak kwam, het schavot beklimmen zou. Een conceptie die men het
eenvoudigst | | | | als volgt omschrijven kan: eenheid in Holland en
eenheid in de Republiek onder leiding van Holland, alsmede, in het
godsdienstige, verstrekkende verdraagzaamheid en volledige gewetensvrijheid.
Hoezeer de eenheid in Holland hem ter harte ging, zagen we reeds bij zijn
pogingen om zelfs tegen de prins in, Amsterdam tot afstand der satisfactie
te dwingen en waarbij hij zijn doel althans in hoofdzaak bereikte: in 1581
eindelijk werd de stad mede begrepen in de schulden van Holland en erkende
zij het gouvernement van de prins, hetgeen de erkenning van de autonomie van
het gewest insloot. De eenheid in de Republiek onder leiding van Holland
streefde hij onder andere na door zijn plan van 1583 ter verheffing van de
prins tot Hoge Overheid. Immers ware dit plan doorgegaan, de prins graaf van
Holland geworden, dan zou door die eenzijdige verheffing de wel niet
uitdrukkelijk vastgelegde, maar toch stilzwijgend veronderstelde gelijkheid
der provinciën verbroken zijn geweest ten voordele van Holland. Dat
Oldenbarnevelt intussen met dit plan zijn republikeins ideaal niet prijsgaf,
blijkt niet alleen uit de zeer beperkende voorwaarden door de Staten aan de
aanbieding der grafelijkheid verbonden, maar ook en vooral hieruit, dat 's
prinsen verheffing zeker mede bedoeld was als een rem op het gezag van de
zelfgekozen soeverein Anjou, zoals later de verkiezing van Maurits tot
stadhouder vóór de komst van Leicester door Oldenbarnevelt zeker mede
bedoeld was als een rem op de vérgaande bevoegdheden van de Engelse
landvoogd. Hoe jaloers trouwens reeds tijdens de voorbereiding van de Nadere
Unie de Hollandse Staten op hun pril gezag waren, blijkt aardig uit het door
Oldenbarnevelt voorgestelde amendement op artikel 3, waarin de provinciën
beloofden elkaar te zullen bijstaan tegen alle uitheemse
heren, vorsten of prinsen enz., want na uitheemse wilde Oldenbarnevelt
lezen: en inheemse en zo luidt dan ook de definitieve
tekst. Dat hij reeds in 1578 dit voorstel deed, is het vroegst aanwijsbare
spoor van het latere conflict tussen hem en Maurits, dat veertig jaar later
in Oldenbarnevelts terechtstelling zijn tragische ontknoping zou vinden.
Directer en daarom nog duidelijker spreekt van Hollands overwicht
Oldenbarnevelts opmerking bij artikel 9, waar sprake is van het onderscheid
tussen zaken, die met eenparigheid en dezulken, die bij meerderheid van
stemmen beslist zullen worden. Oldenbarnevelt wil hierbij de stemmen der
provinciën echter niet geteld, maar gewogen hebben. Ware zijn voorstel
aangenomen, dan zou in de Staten-Generaal Holland niet als de zes andere
gewesten over één, maar over twee stemmen beschikt hebben, want hij is van
mening, dat ‘elcke opinie strecken sal nae dat deselve Provincie tot de
gemeene defensie contribueren sal’. De andere provinciën waren er echter
niet toe te bewegen. Wel is dit beginsel naar men weet later in de minder
belangrijke Raad van State tot uitdrukking gebracht, waar Holland drie van
de twaalf stemmen uitbracht. Dat intussen in de praktijk het overwicht van
Holland, ondanks zijn ene stem in de vergadering der Hoog-Mogenden, tot een
onbestreden axioma van de binnen- én buitenlandse politiek der Republiek
geworden is, gelijk Oldenbarnevelt het ook in theorie gewild had, is te
bekend om het hier nog eens aan te tonen.
| | | |
Ook een derde poging in de richting van Hollands overwicht mislukte: de
oprichting van een Hoge Raad, als hof van appèl voor de hele Unie, waartoe
de Staten van Holland hem in 1578 uitnodigden. De prins weigerde in 1581
zijn benoeming, waarmee het hele plan verviel. En later in 1586 heeft hij
het slechts zo ver kunnen brengen, dat althans Zeeland zich schikte in het
rechtsgebied van Hollands Hoge Raad, die er toch gekomen is. En ten slotte
horen wij ook Oldenbarnevelts stem in het beroemde artikel 13 over de
religie. De provinciën zijn vrij - luidt het - de religie in hun gebied naar
goeddunken te regelen ‘mits dat een ieder particulier in zijn Religie vry
sal mogen blyven, ende dat men nyemant ter cause van de Religie sal mogen
achterhalen, ofte ondersoecken’, dit laatste woord is weer
een toevoeging van Oldenbarnevelt. En ook aan die bepaling, die bij het
sterker worden der gereformeerde kerk een dode letter dreigde te worden,
omdat deze een bindende regeling voor alle provinciën nastreefde, heeft
Oldenbarnevelt tot het laatst toe
vastgehouden. Al in 1612 zien wij hem en de predikanten in dit opzicht
scherp tegenover elkaar staan. Immers wanneer de advocaat jaren later
opmerkt ‘dat het noyt de meninge der ehm heeren St.
Generael der Ver. Landen geweest en is, den crijgh te voeren tot hanthavinge
deser of gener Religie, maer dat het yeder Provincie, jae yeder Stadt vry
staet sodanige Religie aen te nemen ende te manuteneren als het haer ee soude goet en raetsaem duncken’, dan antwoordt dominee
Fontanus - en zijn deftig Latijn is niet het
enige wat in zijn uitspraak aan de middeleeuwen herinnert - ‘Maar heer
advocaat, als dat nu niet is kerk en staat de zenuw afsteken, dan weet ik
niet, wat dat wel is.’ En helemaal ongelijk had de dominee niet, in zoverre,
dat Oldenbarnevelt een oplossing van dit brandende vraagstuk voorstond - en
dat nog vaag - waarvoor zijn tijd niet rijp was. Precies zoals hij met zijn
politieke ideaal van de eenheid der Republiek gestruikeld is over zijn
toevoeging: onder leiding van Holland, omdat dit hem dwong, toen die eenheid
van een andere kant kwam, Holland tegenóver de andere gewesten te stellen en
daarmee ter wille van zijn ideaal het te verloochenen, - precies zo is hij
bij het kerkelijk probleem gestruikeld over zijn ideaal: scheiding van kerk
en staat, omdat, toen de kerk over de staat wilde prevaleren, hij de
omgekeerde weg werd opgedrongen, de staat boven de kerk moest stellen, aldus
ook hier zijn eigen ideaal van scheiding der beide machten verloochenend ter
wille van dat ideaal.
Dan, dit alles speelt veel later. Het ambt dat hem in staat zou stellen, zijn
politiek ook uit te voeren, kreeg hij pas in 1586. Na de dood van de prins
in '84 was de pensionaris van Rotterdam nog slechts
één der raden die met prins Maurits de voorlopige regering zouden uitmaken.
Maar juist in die functie bewijst hij voor het eerst zijn buitengewone
bekwaamheden ook in de internationale diplomatie. Hij was het die, hierin
nog Oranjes lijn volgend, grotendeels de voorwaarden opstelde waarop de
verweesde Republiek de soevereiniteit aan de Franse koning Hendrik iii aanbood. Want Buys, zijn voorganger in de
landsadvocatuur, had hierin niet willen treden. Hij was het ook die, toen
Hendrik geweigerd had, in 1585 scheep ging naar Engeland, als lid, zo niet
leider van het gezantschap dat nu die zelfde soevereiniteit aan Engelands
koningin moest aanbieden.
| | | |
De komst van Leicester als landvoogd, direct gevolg van deze
onderhandelingen, werd Oldenbarnevelts vuurproef in de hoge politiek. Dat
hij dit zelf beseft heeft, bewijst zijn lange aarzeling om het reeds sinds
1584 vacante en hem aangeboden ambt van Advocaat van den Lande te
aanvaarden. Hij deed het 16 maart 1586, wel niet toevallig enkele weken
voordat het gevreesde plakkaat van Leicester afkwam, dat alle handel op de
vijand verbood. Leicester verscherpte hiermee, op last van Elizabeth die
Nederland wel wilde helpen, maar daarbij Engeland nooit vergat, een plakkaat
van de Staten-Generaal die reeds in 1584 de uitvoer van levensmiddelen naar
vijandelijke landen hadden verboden. En reeds tegen die bedreiging van zijn
handel had Holland zich verzet door er zich niet aan te storen. Die zelfde
houding zou nu moeilijker, maar een andere evenmin mogelijk zijn, en dit
betekende dan tevens scherpe oppositie tegenover Leicester, hetgeen
uiteraard het risico meebracht zich van de nog onmisbare Engelse hulp te
beroven.
Men tast wel niet mis met het vermoeden, dat de Staten van Holland juist met
het oog op dit gevaar hun aandrang op Oldenbarnevelt verdubbeld zullen
hebben en evenmin, wanneer men aanneemt, dat deze met het oog op dit gevaar
zich bij zijn instructie veel uitgebreider macht liet toekennen dan zijn
voorgangers in het ambt bezeten hadden. Het onderscheid is het verschil, dat
tussen de woorden boekhouding en leiding besloten ligt. Terwijl tevoren een
der gedeputeerden dagelijks beurt om beurt de stemmen der Edelen en Steden
omvroeg, waarvan dan óf de griffier óf de advocaat aantekening hield,
bepaalde artikel 10 van Oldenbarnevelts instructie dat ‘de Advocaat de
opinies zal omvragen, een ieders opinie annoteren, verklaren wat de meeste
stemmen zijn en daernae de Resolutiën opmaeken’. Bedenkt men daarbij, dat
zijn ambt ook meebracht de agenda van de vergadering op te maken, wat weer
het openen en het voeren der correspondentie met de gezanten in het
buitenland impliceerde, dat hij tevens als landsadvocaat pensionaris der
Ridderschap was, hetgeen weer insloot, dat hij als zodanig het eerst zijn
stem uitbracht, dan is het niet moeilijk te begrijpen, dat zijn nieuwe ambt
hem tot de veruit gewichtigste ambtenaar van zijn provincie maakte en
evenmin dat hij, gelet op de positie van die provincie in de Unie, met dit
ambt tot haar leider werd, zowel in de binnen- als in de buitenlandse
politiek. En het is slechts een logisch uitvloeisel van deze positie, dat
hij verzoekt in het vervolg van buitenlandse bezendingen verschoond te
blijven ‘om continuatie van saeken te mogen hebben, en te beletten, dat de
ordre, by my te nemen, in myne absentie niet soude gebrooken worden’.
Zó, maar ook zó pas kon hij de strijd met Leicester aanbinden en hij heeft
niet geschroomd dat te doen. In alle kwesties die er rezen, vinden we de
advocaat vierkant tegenover de landvoogd. En die kwesties waren even
gewichtig als talrijk. De Hollandse traditie in de Nederlandse
historiografie is nog altijd min of meer geneigd het Leicesters bewind als
één grote fout te zien, die de regenten slechts hebben kunnen keren door hem
weg te jagen. Zo is het niet. De keuze van Utrecht
als residentie voor iemand die de belangen van heel Nederland behartigen
moest, was eerder juist dan verkeerd. Wanneer hij bij zijn bewind steunde op
de in Utrecht zeer talrijke calvinistische de- | | | |

Brief van Johan van Oldenbarnevelt aan de secretaris van de
Staten van Utrecht, Gilles van Ledenberg, gedateerd 6 oktober l607.
Algemeen Rijks-archief, Den Haag.
| | | | mocraten, steunde hij op de meerderheid en niet op de
minderheid. En als hij een aantal ballingen uit het Zuiden in zijn regering
riep, zoals de Burchgrave, Prouninck en Reingoud, dan is die daad door de
bekwaamheid en energie van deze mannen volkomen gerechtvaardigd. Met name
Reingoud schijnt een figuur die ten onrechte altijd in het halfduister
gehouden wordt. Hij heeft een aantal maatregelen willen invoeren als
afschaffing van de verpachting der belastingen, nauwkeurig beheer van de
domeinen, ernstig toezicht op de inning van konvooien en licenten, toestaan
van handel op de vijand tegen hoge vergunning en vooral oprichting van een
Kamer van Financiën die in plaats van de Raad van State belast zou zijn met
het toezicht op het algemeen financieel beheer - maatregelen allemaal die,
waren zij doorgevoerd, de Republiek ongetwijfeld heel wat ergerlijke
corruptie bespaard zouden hebben. Maar even duidelijk is het, dat geen enkel
van deze punten van de Leicesterse politiek genade kon vinden in de ogen van
de Hollandse regenten en dus ook niet in die van hun getrouwe dienaar
Oldenbarnevelt. Niet Utrecht, maar Holland was voor hen het natuurlijke
centrum der Verenigde Republiek. Droeg het niet viervijfde van de algemene
lasten bij? Niet in de strenge calvinisten, niet in de predikanten en het
volk maar in zich zelf, in de rekkelijke regenten zagen zij de kern van de
natie en om te regeren, dat is voor hen vooral: om hun handel te doen
bloeien, hadden zij waarlijk de adviezen van een Brabantse bankroetier niet
van node.
In de woorden van Buys die om Holland te winnen aangezocht werd om commies
bij de nieuwe Algemene Rekenkamer te worden, ‘dat hij Reingoud niet als
commies onder zich zou dulden, laat staan zich als commies onder hem
stellen’, ligt heel de absolute verachting van het Hollandse regentendom
voor het Leicesterse volksregiment besloten. En toen dit zich een
theoretisch fundament trachtte te geven in het betoog van Wilkes, Engels lid
van de Raad van State, over de volkssoevereiniteit, haastten de Hollandse
Staten zich de Goudse pensionaris Francken op te dragen dit betoog te
beantwoorden met een tegenvertoog waarin hij trachtte aan te tonen, dat de
soevereiniteit van oudsher bij de Staten berust had. En deze ‘Korte
Vertooninghe’ bleef tot diep in de 18de eeuw toe het fundament van het
oligarchische staatsrecht der Republiek.
Leicester, door dit verzet geprikkeld, nam een drietal maatregelen om de
‘ondankbaren’, zoals hij het zag, tot rede te dwingen. West-Friesland kreeg
een eigen stadhouder in de oude watergeus Sonoy; ter beknotting van Maurits'
macht verdeelde hij de admiraliteitscolleges en ten slotte stelde hij over
de Hollandse vestingen eigen, direct aan hem ondergeschikte gouverneurs aan.
Fijne neuzen snoven al een burgerkrijg. De burgerhoplieden in Utrecht, de militaire exponenten van de democratische
burgerij, namen niet zonder medeweten van Leicester, Buys gevangen en
wanneer dit met Oldenbarnevelt niet gebeurd is,
dan is het slechts omdat de oude rot tijdig de val ontdekt heeft. De kans op
een volledige overwinning over Leicester gaf hem diens vertrek naar Engeland
in december 1586, waar hij zes maanden zou blijven. Het verraad van de
Engelse katholieken Stanley en York, die in die tijd de schansen van Zutphen en Deventer in de
handen der Spanjaarden speelden, deed de | | | | rest. Toen dan ook
Leicester in juli 1587 eindelijk terugkwam, was hij een verloren man. De
Hollandse steden hadden waardgelders in dienst genomen, Maurits' macht was
vergroot ten koste van die van de landvoogd en de Raad van State, en
Oldenbarnevelt was aan de weet gekomen, dat Leicester kwam met een geheime
instructie om de Staten-Generaal tot vrede met Spanje te bewegen - dezelfde
man nota bene onder wiens bewind de militaire toestand, voor verbetering
waarvan hij dan toch eigenlijk gekomen was, eer achter- dan vooruitgegaan
was. Toen hij tot overmaat van ramp ook nog met puur geweld begon, Maurits
en Oldenbarnevelt probeerde op te lichten, Leiden
en Amsterdam in handen te krijgen, was het spel
uit. Schaakmat gezet, schoot hem niets anders over dan het land te verlaten
- december 1587. En hoe hopeloos de toestand ook scheen -alleen Holland,
Zeeland, Utrecht en Friesland waren nog maar van vijanden bevrijd, de
financiën deerlijk in de war, het leger dientengevolge muitziek, de houding
van Elizabeth op zijn minst onzeker - de Staten besloten nochtans voortaan
zich zelf te zijn en het dan maar alleen te klaren en het is zeker niet het
enige, maar misschien wel het duidelijkste bewijs van Oldenbarnevelts genie,
dat hij die verantwoordelijkheid niet geschuwd, eer gretig aanvaard heeft.
Wat de fee der politiek hem misschien nog niet in zijn wieg gelegd had, had
de ervaring met Leicester hem geleerd: het taaie en sluwe intrigeren om de
positie van de tegenstander te ondermijnen.
Maar deze verleidelijke fee is een kwade fee. Onder haar bloemen van roem en
rijkdom verbergt zij de giftige bessen van zelfoverschatting en koppigheid,
van een al te zeer overtuigd-raken en te lang overtuigd-blijven van eigen
gelijk. Oldenbarnevelt heeft er te veel van gegeten. Nog tien, nog twintig
keer zou zijn robuust gestel de ziekte te boven komen, de laatste keer zou
hij eraan bezwijken. Marx heeft eens de opmerking gemaakt, dat de
geschiedenis zich herhaalt, de eerste maal als tragedie, de tweede maal als
farce. Maar dat is geen vaste wet. Het kan ook anders. Wat in 1587 nog
betrekkelijk als klucht verliep - de strijd der regenten onder leiding van
Oldenbarnevelt tegen de meerderheid des volks, de strijd van Holland
tegelijk voor de suprematie in de Unie, zou zich veertig jaar later tot
drama ontwikkelen en zo groot als Oldenbarnevelts overwinning in de klucht
was, zo groot en groots werd zijn nederlaag, toen zij zich als drama
herhaalde.
Oldenbarnevelts pad is niet over rozen gegaan. Hij heeft zijn hoge functie,
waarvan hij zelf de hoogste maakte, niet dan na lange aarzeling aanvaard,
zoals wij zagen. Hij heeft zijn ontslag gevraagd in april 1586, april 1587,
in 1592, 1604, 1605, 1608, in de zomer van 1617 en nog eens in het voorjaar
van 1618, en tot tweemaal toe, in 1587 en 1588, heeft het weinig gescheeld
of hij had François Francken als dwarskijker naast zich gekregen. Hij is
gevierd als geen ander Nederlands staatsman, vijftig maal ongeveer is zijn
portret geschilderd, maar hij heeft naar verhouding ook meer vijanden gehad
dan enig ander Nederlands politicus, Abraham Kuyper niet uitgezonderd. Het
aantal pamfletten tegen hem is legio, tot op straat toe zijn zij gevonden.
Maar die openlijke vijandschap is van later tijd. Zijn leven was nog altijd
in opgang. Op Leicesters vertrek zijn de beroemde ‘Tien jaren’ gevolgd, | | | | waarin Oldenbarnevelt en naast hem Maurits en Willem Lodewijk
de verbaasde wereld bewezen, dat het geen zelfoverschatting geweest was,
toen zij onder de benarde omstandigheden van '88 de wezenlijke en volle
verantwoordelijkheid op zich namen. Het is hier de plaats niet voor een
opsomming, laat staan een beschrijving van Maurits' zegetochten, die ‘de
tuin van Nederland’ gesloten hebben. Slechts twee dingen mogen we in dit
verband niet onvermeld laten. Zijn glorierijke overwinningen die terecht de
aandacht van heel Europa trokken, hebben Maurits' zelfbewustzijn zozeer
geschraagd en overspannen, dat er een tijd kon komen, die ook gekomen is,
dat deze jonge ambtenaar-vorst niet meer vol eerbied opzag tegen de twintig
jaar oudere burger-ambtenaar, ja, dat hij diens aandeel in die overwinningen
volledig heeft kunnen vergeten. En toch was dat aandeel waarlijk niet
gering. Het is op drijven van Oldenbarnevelt geweest, dat ook de Staten van
Utrecht, Gelderland en Overijssel Maurits tot hun stadhouder benoemd hebben
tegen de belofte van bevrijding uit het Spaanse juk - de eenheid der Unie
onder Hollandse leiding! Herhaaldelijk was de Hollandse gecommitteerde bij
het leger te velde - Oldenbarnevelt, in 1592 zelfs tot vijfmaal toe. Maar
vooral: het is Oldenbarnevelt geweest die door zijn financieel beleid
gemaakt heeft, dat Maurits zijn moderne, op de antieken geïnspireerde, door
Lipsius hem geleerde oorlogvoering in
praktijk heeft kunnen brengen. Voor het herstel van de tucht, voor een
deskundige opleiding van het kader, voor het kazerneren van de troepen, voor
het snelle transport, voor de voor die tijd uiterst vérgaande mechanisering,
kortom voor al die legerhervormingen waaraan Maurits zijn blijvende plaats
in de krijgswetenschap te danken heeft, was geld, geld en nog eens geld
nodig en het is Oldenbarnevelt geweest, die het hem verschaft heeft, daartoe
in staat gesteld, uiteraard, door de weergaloze accumulatie van het
handelskapitaal in handen der Hollandse regenten.
Groter nog was Oldenbarnevelts invloed op de buitenlandse politiek, die hij
in 1596 bekroond zag door de sluiting van het drievoudig verbond van de
Republiek zowel met Frankrijk als Engeland: de uiteindelijke synthese van de
twee richtingen die sinds de dagen van prins Willem in de Republiek
antithetisch tegenover elkaar hadden gestaan, de uiteindelijke erkenning
tevens van de Republiek als in feite soevereine mogendheid. Doch typischer
nog dan dit succes op zich zelf, dat betrekkelijk kortstondig geweest is,
omdat Frankrijk reeds in 1598, Engeland in 1603 zijn vrede met Spanje sloot,
is de wijze waarop hij het verkregen heeft. Immers niets wees Hollands
advocaat als zodanig als de leider van de buitenlandse politiek der Unie
aan. Oorspronkelijk behoorde deze tot de bevoegdheid van de Raad van State,
behoudens toestemming van de Staten-Generaal, maar mede Oldenbarnevelt
heeft, gebruik makend van de verwarring die op het vertrek van Leicester
volgde, het gezag van de Raad, waar hij geen toegang had, gekortwiekt en de
kiem van de regering naar de Staten-Generaal, verlegd. Sedert 1588 zijn de
Staten-Generaal, feitelijk een gezanten-conferentie der verbonden
republiekjes op de wijze van het Zwitserse eedgenootschap, tot het
eigenlijke regeringslichaam geworden. Vroeger naar hun aard slechts af en
toe bijeen, gingen zij sedert 1588 zelden meer uiteen en hebben zij zich in
1593, tegelijk met de | | | | verplaatsing van hun zetel naar Den
Haag, permanent verklaard, zelfs des zondags doorvergaderend. Alleen met
Pasen, Pinksteren en Kerstmis gingen de leden huistoe. En het is in die
vergadering, dat Oldenbarnevelt, daar toch reeds dé man als leider der
deputatie van Holland, bovendien door zijn agenten van de stromingen in het
buitenland op de hoogte gehouden, ook in deze materie de melodie
voorspeelde.
Die melodie zong, in allerlei toonaarden, het lied van Hollands handel. Een
der belangrijkste variaties op dit thema was in 1600 de tocht naar
Vlaanderen met de verovering van het zeeroversnest Duinkerken dat die handel onnoemelijke schade berokkende, en de
slechting van de door de vijand om Oostende gebouwde forten ten doel. Noch
het een noch het ander werd bereikt en het was alleen aan Maurits'
veldheerstalent te danken, dat de slag bij Nieuwpoort die er het gevolg van was, op een overwinning in plaats
van een nederlaag is uitgelopen. Dat men in deze variatie tevens de eerste
dissonant heeft menen te horen tussen de beide leiders der republiek, berust
echter op verbeelding. Maurits was zeker geen vóór-, maar ook geen stellig
tegenstander van het plan. Maurits is pas een vijand van de Advocaat
geworden, toen deze hem, meer onvermijdelijk trouwens dan met opzet, door
zijn vredespolitiek de grond onder zijn machtspositie wegzoog.
Wel maakte Oldenbarnevelt zich in deze jaren
andere en gevaarlijker vijanden dan Maurits toen nog had kunnen zijn. Hij
doet het zowel door de stichting van de oic als door zijn
weerstand tegen die van de wic. Het eerste is, gezien de
bijna onoverkomelijke moeilijkheden die daarbij te overwinnen waren,
misschien wel zijn meesterstuk, vooral wanneer men let op de ongelooflijk
korte tijd, waarin hij de elkaar hier en in Indië heftig beconcurrerende
maatschappijen en maatschappijtjes wist saam te smelten tot een lichaam dat,
hoeveel kritiek men - en terecht - op zijn gedragingen dan ook wil oefenen,
dan toch maar én de grondslag gelegd heeft voor het Nederlands Imperium én,
toen zij kort daarop een maatschappij op aandelen werd, daarmee een nieuw
hoofdstuk in de geschiedenis van het Nederlandse kapitalisme begon: niet
meer en niet minder. Oldenbarnevelt toch, geld- en staatsman in énen,
begreep drie dingen eerder dan anderen: dat de bestaande concurrentie de
koopprijs voor de koloniale waren hoog, de verkoopprijs daarentegen laag zou
houden en vervolgens dat alleen een monopolie door de staat verleend aan de
Hollandse handel het ginds onmisbare politieke gezag zou kunnen bezorgen
zowel, tegenover de machthebbers ter plaatse, als tegenover de buitenlandse
mededingers.
En hij begreep nog een vierde ding: dat die éne Compagnie er snel moest
komen, wilde men deze ongehoorde kans op vermeerdering van winst en macht
niet aan Holland ontglippen en door de Engelsen gegrepen zien. In 1601 nog
wees de toestand op alles eerder dan op samenwerking. Januari 1602 reeds
presideerde Oldenbarnevelt een vergadering van bewindhebbers ter ontwerping
van de octrooi-aanvrage en in maart van dat jaar verleenden de
Staten-Generaal het voor eenentwintig jaar. Voorzeker, de onhandige en
gecompliceerde machinerie van het staatsbestel kón wel vlot lopen. Zij deed
het zelfs altijd, wanneer het handelsbelang der kooplieden, door hen | | | | met dat der natie vereenzelvigd, haar smeerde.
Het spreekt intussen vanzelf, dat, hoe groot tacticus Oldenbarnevelt ook was,
hij met deze inbreuk op het alleenzaligmakend beginsel van de vrije handel
ter wille van de koloniale politiek, tal van gedupeerden die ernaast kwamen
te staan, voortaan de lippen deed krullen, wanneer de naam van de advocaat
genoemd werd. Dat was nog meer het geval door zijn stille tegenwerking tegen
de plannen van de Franse koning om hem na te volgen en gesteund onder
anderen door De Moucheron, Lijntgens en Lemaire, óók zo'n onderneming op te
zetten. En toen hij zich bovendien nog, na zijn aanvankelijke geneigdheid,
verzette tegen de oprichting der wic, maakte hij zich
noodwendig nog meer vijanden en daaronder geen minderen dan zijn eigen
beschermeling François van Aerssen, de gezant der Republiek in Parijs,
Willem Usselinx, een der leidende kooplieden in de wereld van destijds en de
Goudse pensionaris François Francken.
Dit verzet van de Advocaat had vele redenen. Vooreerst had hij zelf ‘eenig
kapitaal geavontureert’ in de oic en moest het hem reeds
daarom niet raadzaam dunken de aandacht van de staat over twee soortgelijke
officieuze lichamen te verdelen. Verder kan het Franse aandeel in de op te
richten Compagnie hem te groot of zelfs principieel onwenselijk hebben
geleken. Bovendien zou een monopolisering hier de particuliere belangen van
de zoutvaart aantasten die destijds gewichtiger was dan die in specerijen,
maar bovenal konden deze plannen, doordat zij de Spaanse belangen nog
scherper zouden schaden dan de oic het reeds deed, niet
bevorderlijk zijn voor de vrede, waartoe hij in deze jaren meer en meer
begon te neigen.
Die neiging tot vrede was vooral sterk geworden sinds 1604, toen een
soortgelijke poging als die van 1600 weliswaar tot de bezetting van Sluis had geleid, maar haar eigenlijk doel, het
ontzet van Oostende, desondanks mislukt was. De
mislukking leidde als gewoonlijk tot het zoeken van een zondebok en de
volkspartij, de oude Leicesterse factie, had geen moeite die te vinden in de
Advocaat, die immers met zijn gewone koppigheid het plan had doorgedreven
tegen de herhaalde waarschuwingen van de Hollandse en Friese stadhouder in.
Zwaarder dan dit mokkend binnenlands verzet, dat hij in Leicesters tijd wel
erger gekend had, moet intussen bij hem de omstandigheid gewogen hebben, dat
hij op goede gronden meende Jacobus van Engeland die in 1603 Elizabeth was
opgevolgd, niet te kunnen vertrouwen. Hij vreesde niet ten onrechte, dat
deze er niet tegen op zou zien de voor Nederland onmisbare pandsteden zonder
slag of stoot aan Spanje uit te leveren, wanneer hij daarin zijn voordeel
zou zien. Doorslaand was echter pas het argument, dat ook Spanje de oorlog
moe was, zoals de Advocaat in 1606 voorzeker ervoer. In hetzelfde jaar
schrijft hij aan Van Aerssen: ‘gelooft en doet gelooven, dat meer als de
helft van de ingesetenen (hier) tot vrede inclineert’.
Van dat ogenblik af houdt hij, ondanks alle tegenwerking, ondanks een regen
van pamfletten waarin hij met spitse woorden openlijk van verraad
beschuldigd wordt, niet op voor de vrede te werken. Tegenover hem staat de
volkspartij die in het streven naar vrede niet anders dan een heulen met
Spanje kan zien, staan de predikanten die van een vrede met Spanje een | | | |

De vredesonderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand. Met de
linkerfiguur van het groepje op de voorgrond zal de landsadvocaat
bedoeld zijn. Tekening door een anoniem kunstenaar. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | herleving van het katholicisme duchtten, staat de nog machtige
groep van ballingen uit het Zuiden die in een vrede slechts verraad
tegenover de huns inziens toch reeds in de steek gelaten zuiderbroeders
kunnen bespeuren en staan ten slotte Maurits en Willem Lodewijk, hof en
legerleiding, wier positie door de vrede van het eerste naar het tweede plan
geschoven zou worden en die bovendien daarvan het politieke gevaar vrezen
van een mogelijk Spaans-Frans verbond, daarin gesteund door Jacobus i, die reeds uit hoofd der traditionele Engelse
evenwichtspolitiek op het vasteland, tegen een dergelijke mogelijkheid
gekant was.
De uitslag heeft echter geleerd, dat Oldenbarnevelt voor zijn politiek ook medestanders had. Naast hem
staan de regenten, destijds van de koopmansstand nog ononderscheiden, die
niet alleen het betalen van de krijgslasten moe zijn, maar zich bovendien en
niet ten onrechte gouden bergen van de handel in vredestijd beloven en
achter hem staat de Spaanse vredeswil-uit-nijpend-geldgebrek, zodat hij er
ten slotte in slaagt alle tegenstand, hoe formidabel deze ook leek én was,
te overwinnen. Maurits weet hij te winnen door hem met zijn verheffing te
paaien, want al zijn de voorwaarden zodanig, dat deze meent, er niet op in
te kunnen gaan, er komt daardoor niettemin onder bemiddeling van de Franse
en Engelse gezanten, Jeannin en Winwood, een tijdelijke verzoening tussen de
beide leiders der Republiek tot stand. Hetzelfde middel werkte bovendien als
druk op de regentenklasse, voorzover deze nog niet uit zich zelf voor de
vrede geporteerd was, omdat het in uitzicht gestelde alternatief van
Maurits' verheffing voor deze oligarchen nog minder aanlokkelijk was. En de
laatste aarzeling van Filips iii overwon hij door er
genoegen mee te nemen, dat Spanje met de Staten onderhandelen zou als waren zij een onafhankelijke mogendheid.
Maart 1609 was het eindelijk zover, dat hij op een te Bergen op Zoom gehouden vergadering der Staten-Generaal de
afsluitende onderhandelingen kon voorbereiden die dan te Antwerpen werden beklonken, waar 9 april, weliswaar nog niet de
vrede, maar dan toch de Treves, het Twaalfjarig Bestand, ondertekend werd.
Oldenbarnevelt, nu tweeënzestig, stond in het zenit van zijn machtsboog. Het
gevaarlijk ogenblik dat alle succesrijke staatslieden bedreigt, was, zij het
laat, nu ook voor hem gekomen. Gevaarlijk, omdat de ijle lucht daar in de
hoogte licht duizelig maakt en men juist door die duizeling niet meer
beseft, dát men het hoogtepunt bereikt heeft, zodat men daardoor kans loopt
zelf de toch reeds onvermijdelijke neergang tot een val te verhaasten.
Aan het gevaar van mee te werken aan zijn eigen val is ook Oldenbarnevelt
niet ontsnapt. Veeleer is zijn historie er een klassiek voorbeeld van. Dat
er tijdens het Bestand slechts rust en daardoor welvaart zouden volgen, is
de tragische vergissing van de vredespartij en haar leider geweest waarvan
zij zelf het slachtoffer zijn geworden. Want de verwachte welvaart kwam wel,
en groeide zelfs tot het dubbele en driedubbele van de verwachting, maar de
rust bleef uit. Men kan niet zeggen, dat Oldenbarnevelt het politieke onweer
niet gezien heeft dat zo dreigend kwam opzetten, maar men moet wél zeggen,
dat hij de aard en de kracht ervan tot op het laatste ogenblik door over- | | | | schatting van zich zelf en zijn partij heeft onderschat.
Onderschat, niet miskend. Het laatste is onmogelijk, omdat de
religieus-politiek-sociale strijd die de laatste tien jaar van
Oldenbarnevelts leven én zijn sterven beheersen zou, de strijd die in deze
fase die tussen Arminianen en Gomaristen of remonstranten en
contra-remonstranten heet, op dezelfde tegenstellingen berustte, welke reeds
vóór Leicester bestonden en tijdens diens bewind tot het eerste openlijke
conflict hadden geleid, zodat Oldenbarnevelt wel verre van deze te
miskennen, zich het leven in de Republiek zonder die tegenstellingen van
preciezen en rekkelijken, van Holland en de landprovincies, van heren en
volk eenvoudig niet zal hebben kunnen voorstellen. Maar onderschat tegelijk,
omdat hij zowel uit de Leicesterse fase van die strijd als uit die om het
Bestand zegevierend te voorschijn was gekomen, zodat hij zich niet anders
zal hebben kunnen denken, dan dat hij ook dit keer weer triomferen zou. Want
was zijn gezag, ondanks, ja, juist dóór die aanvankelijke, maar door hem
overwonnen weerstand tegen de vrede niet veeleer toegenomen, nu de
zegeningen ervan zich als een regen van welvaart uitstortten over heel het
land?
Het wezen van een strijd van deze aard waarbij ieder die iets meer is dan een
plantenmens partij móet kiezen, is nooit gemakkelijk te vatten. Het is niet
‘ergens’, het is overal. Het ligt in woorden, maar ook weer niet in woorden.
Het uit zich in daden, maar ook weer niet in daden. Het dringt tot in
kleding, manieren, gebaren, ja stembuiging door. En ook wanneer men alles
gelezen zou hebben, wat er van weerszijden aan argumenten en invectieven te
berde gebracht en gescholden is, alles wat er gevloekt en gezongen is, dan
is dat nog geen waarborg voor volledig begrip. Men moet al een dergelijke
strijd in het groot of klein hebben meegemaakt, om te beseffen, hoe hij
tegelijk wel en niet om de beginselen gaat die óók, maar niet uitsluitend in
het geding zijn. Men kan, voorzeker, de twist tussen de Leidse hoogleraren in de godgeleerdheid, Arminius en Gomarus die de aanleiding
werd tot deze fase van de strijd, op de voet volgen. Men kan de
remonstrantie der Arminianen van 1610 en de contra-remonstrantie der
Gomaristen van 1611 bestuderen. Men kan uit deze nuance-verschillen - want
meer zijn het niet - ook opmaken, dat de eersten het leerstuk der
voorbeschikking soepeler interpreteerden, zodat er bij hen naast de genade
althans een achterdeurtje open bleef voor het geloof en de goede werken,
daar zij van mening waren, ‘dat degeene die eens waarlijk geloofde, evenwel
door syn eigen schuldt van Godt kon afwyken en gants en eindelyk het gelove
verliezen’, terwijl de contra-remonstrantie op dit punt veel
onverbiddelijker is, omdat deze van oordeel is, ‘dat Godt in dese syne
verkiesing niet heeft gezien op gelove of bekeering syner uitverkoorenen,
noch op 't recht gebruik syner gaven, als op oorsaecken der verkiesing’. Men
kan ten slotte ook nog begrijpen, hoe de remonstrantse leer de
contra-remonstranten te rekkelijk en naar het roomse afgebogen moest lijken,
maar nooit ofte nimmer zou iemand die het verloop der geschiedenis niet
kende, op de gedachte komen, dat ter wille van deze verschillen nu de tweede
stichter van beider staat als tweeënzeventigjarige grijsaard het schavot zou
moeten bestijgen. Grijsaard die bovendien als jongeling het ‘nil scire
tu- | | | | tissima fides’ tot devies gekozen had, die niet vóór
1591 lidmaat der gereformeerde kerk was geworden, ja die, sterker, ten
slotte juist op het kwestieuze punt der predestinatie - rechtzinnig bleek,
zoals we weten uit zijn laatste onderhoud tijdens zijn gevangenschap met
dominee Walaeus die het hem zonneklaar bewees.
En zijn tegenspeler Maurits? Van hem is de uitspraak bekend, dat hij niet
wist of de predestinatie groen of blauw was, die zich daarom bij zijn
eindelijk partij kiezen veeleer door andere dan godsdienstige gezichtspunten
heeft laten leiden, zoals door zijn groeiend gevoel van afkeer van de
Advocaat en diens bewind dat nu toch wel zweemde althans naar een
minderheidsdictatuur, door de aandrang van zijn neef Willem Lodewijk, en ten
slotte door een vaag dynastiek besef dat hem zei, dat de
contra-remonstranten dezelfde mensen waren, die zijn vader op het kussen
gebracht hadden. Wanneer hij dit dan echter verduidelijkte door de
schijnbaar zo eenvoudige en afdoende uitspraak ‘ik zal de religie die mijn
vader in deze landen geplant heeft, handhaven’, dan twijfelt men toch of hij
ook van het verleden wel wist of het groen of blauw was geweest, want
veeleer dan zíjn vader, verdiende die van Willem Lodewijk, Jan van Nassau,
de bijnaam van ‘religieplanter’.
Wat voor de beide hoofdpersonen geldt, geldt ook voor tal van hun medespelers
en voor het gros der figuranten. Het was in laatste instantie hun sociale
positie en hun persoonlijke voorkeur die hun keuze bepaalde. En dat juist
maakt het begrip voor twisten als deze zo moeilijk: de keuze wordt in een
ander vlak bepaald en is zij eenmaal bepaald, dan overwint de bij de ene
partij gangbare en op het uiterste toegespitste voorstelling omtrent de
andere elke aanvankelijke weifeling. Dan wordt de eigen partij wit op wit,
en de tegenpartij zwart op zwart en het oorspronkelijk geschilpunt slechts
een kapstok waaraan alle andere worden opgehangen, zonder dat er nochtans
van huichelarij sprake behoeft te zijn. Wij kunnen hier ontstaan en verloop
van een dergelijke alles beheersende partijstrijd slechts aanduiden. Het
volledig begrip ervan zou een afzonderlijke, bij ons weten nog niet
geschreven sociologie van de partijstrijd vereisen als onmisbaar theoretisch
fundament voor een sociologie van de burgeroorlog.
Concreet ontwikkelden zich de gebeurtenissen met een bijna beangstigende
consequentie naar het fatale einde. De twist tussen Arminius en Gomarus
brak, na een lange voorbereiding, waarin de eerste al meer verdacht en
veracht gemaakt werd, in 1604 openlijk uit. Van de collegezalen bereikte het
de studeerkamers, van de studeerkamers de kansels, van de kansels het volk.
De overheid moest er zich wel mee bemoeien, of zij wilde of niet. Mei 1607
werd Arminius met Gomarus en voormannen van beide partijen door de Staten
van Holland naar Den Haag geroepen, waar nog die
zelfde maand een vergadering plaats had. Van dat ogenblik af stonden de
partijen beslist tegenover elkaar, van dat ogenblik af ook haakte op het tot
nog toe, althans schijnbaar, zuiver theoretische geschilpunt de grote
praktische kwestie van de verhouding tussen staat en kerk in.
Ook deze kwestie was niet nieuw. Reeds in 1591 had Oldenbarnevelt getracht
met een achttal predikanten en even zoveel wereldlijke personen dit | | | |

Spotprent op de ondergang van de partij van Johan van
Oldenbarnevelt. Anonieme gravure. Rijksprentenkabinet,
Amsterdam.
| | | | probleem voor Holland te regelen door een compromis waarbij
aan de Staten enige invloed op de kerk gegeven werd, maar zó dat de laatste
zich in haar vrijheid niet belemmerd behoefde te gevoelen. Deze regeling was
echter van kerkelijke zijde op zoveel tegenstand gestuit, dat zij
onuitgevoerd gebleven was. En ook nu weer waren het de contra-remonstranten,
die elke inmenging der overheid afwezen en de beslechting van het geschil
uitsluitend aan een synode wilden zien opgedragen, zowel op principiële als
op politieke gronden. Immers van de aanvang af stond vast, dat de overheid
als zodanig geen belang had bij het religieuze geschilpunt, doch slechts bij
een onderdrukking der discussie erover, hetgeen niet alleen neerkwam op een
voor de preciezen ongeoorloofde bemoeiing van de wereldlijke heren met
kerkelijke zaken, maar tevens op een onderdrukking van de ontwijfelbare
meerderheid in de kerk, ter wille van een met die heren heulende kleine
minderheid. Toen dan ook in mei 1608 de Hoge Raad wederom beide partijen
voor zich daagde, heeft Gomarus, van zijn
standpunt niet ten onrechte, getracht de conferentie te doen mislukken door
de bevoegdheid der raadsheren te wraken.
Maar hoe sterker de Gomaristen op een synode aandrongen, des te feller
verzette zich de overheid tegen dit plan, waarvan zij alleen maar kon
vrezen, dat de leiding haar dan geheel ontglippen zou. Om dit te vermijden,
begaven de Staten zich echter in een ander gevaar. Na de aanbieding van
remonstrantie en contra-remonstrantie machtigde zij de steden nog in 1611 om
de kerkorde van 1591 toe te passen en drie jaar later gelastte zij, dat het
geschilpunt niet langer van de kansel behandeld mocht worden, een
‘beslissing’, die, naar het schijnt, aan het theologisch brein van Jacobus
i is ontsproten. Huig de
Groot commentarieerde haar in een goed bedoeld traktaat over de vrede
der kerken. De maatregel zelf, die, misschien, succes gehad zou hebben,
indien de Staten eensgezind waren geweest, liep vast op het feit dat zulks
allerminst het geval was. In Amsterdam en Dordt, Enkhuizen, Edam en Purmerend was de
meerderheid der vroedschap contra-remonstrant. Dit was voldoende om de
regeling van 1614 te doen mislukken, nog afgezien van het feit dat het
machtige Amsterdam onder leiding van de calvinistische burgemeester Reinier
Pauw toch al niet langer bereid was, om naar het pijpen van de Advocaat te
dansen.
De toestand werd van maand tot maand verwarder. In een aantal steden stoorden
de contra-remonstranten zich niet aan het nieuwe besluit. Toen, in Den Haag nog wel, een der heftigste Gomaristen,
Rosaeus, door toedoen van Wtenbogaert, het hoofd der remonstranten, werd
geschorst (1616), gingen zijn aanhangers te Rijswijk bij hem ter kerke en de
benaming ‘slijkgeuzen’ duidt voldoende aan, hoezeer het oorspronkelijk
twistpunt reeds door beide partijen tot onherkenbaar wordens toe met een
politieke traditie beladen was. En buiten Holland was er voor Oldenbarnevelt nog minder te halen. Zijn aanhang
bleef er beperkt tot de meerderheid in de Staten van Utrecht en een grote
minderheid in die van Overijssel. Nijmegen was de
enige stad buiten Holland en Utrecht waar Arminianen regeerden. Tegenover
hem stonden de Friese stadhouder Willem Lodewijk, de meerderheid in de
Staten-Generaal, de overgrote meerderheid der predikanten, de burgerijen in
de | | | | steden, het platteland, de vroedschappen in een aantal
steden in Holland, waaronder vooral die van Amsterdam, de gezant van
Engeland Carleton, met achter zich zijn koning die het niet verkroppen kon
dat hij zich in '16 de kostbare pandsteden door de handige Advocaat had
laten afkopen, en ten slotte de gezant der Republiek in Parijs, de
Brusselaar François van Aerssen, later heer van Sommelsdijk die zijn ontslag
in 1613 aan de Advocaat weet en daarom ook diens gezworen vijand was
geworden.
Het duisterste punt in heel Oldenbarnevelts leven is, dat deze geboren en
getogen politicus zich van 1614 af zo volkomen in de hier geschetste
machtsverhoudingen vergist heeft, doordat hij een strijd ging wagen die
nooit anders had kunnen aflopen dan, zoal niet met zijn ondergang, dan toch
met zijn nederlaag; zeker sinds in juli 1617 Maurits met groot gevolg de
door de contra-remonstranten in gebruik genomen Kloosterkerk in Den Haag
bezocht en ook hij daarmee openlijk tegen de Advocaat partij gekozen had.
Hoe heeft deze realist bij uitstek die, toen een gezant hem eens vroeg om
modellen van gezantschapsberichten ter navolging, in zijn bijna onleesbare
hand aan de rand krabbelde ‘onnodig, de waarheid, zo kort mogelijk, over
zaken van gewicht, zal gelden als goede stijl’, hoe is deze realist in de
laatste tien jaar van zijn leven zo afgedwaald van de ‘waarheid’ en de
‘goede stijl’? De historici hebben die vraag ontlopen door haar zich niet te
stellen. Dat is wel geen toeval. Het is niet de taak van de historicus om
over de vroeger genomen politieke beslissingen na te kaarten, alsof zij nog
genomen moesten worden. Maar voor de biograaf staat dat anders. En al
verbeelden wij ons niet, dat het mogelijk zou zijn voor latere geslachten
zich aan de raadstafel van het verleden te scharen, íéts kan er toch wel van
gezegd worden.
Oldenbarnevelt was zeventig jaar, toen het onweer boven hem losbarstte. Het
is geen ongewoon verschijnsel, dat mensen van die leeftijd op de generaties
die na hen komen, als op onmondige kinderen blijven neerzien, vooral wanneer
zij gelijk de Advocaat een mensenleven lang gewend geweest zijn de touwtjes
in handen te houden. In de loopbaan van Maurits of Willem Lodewijk was tot
dusver niets voorgevallen op grond waarvan Oldenbarnevelt hen als politici
zou moeten vrezen. Integendeel, het streven van de eerste naar de
soevereiniteit had hij, naar hij menen kon, gemakkelijk verijdeld. Een wenk
aan Louise de Coligny die hem erover gepolst had en die hij gezegd had, dat
dit voor Maurits zelf gevaarlijk zou zijn, had voldoende geschenen. En hoe
kon hij geloven, dat Van Aerssen, zijn eigen beschermeling, intelligent wel
maar ijdel, bovendien een dier Zuidnederlanders op wie men hier toch altijd
enigszins neerzag en wiens carrière hij in 1613 zelf gebroken had, in staat
zou zijn, hem, Oldenbarnevelt, te vervangen?
Maar er was meer. Oldenbarnevelt had de burgerlijke en daarom echt Hollandse
minachting voor het militaire en de regenten-minachting voor ‘het grauw’, en
hij minachtte daarom ook het verbond tussen beiden, dezelfde houding die
ruim een halve eeuw later ook Johan de Witt ten verderve zou leiden. Zo
onderschatte hij zijn vijanden door die bijziendheid van het te persoonlijke
waaraan bijna nooit een medespeler in een historisch drama ontkomt, terwijl
diezelfde myopie hem zijn vrienden deed overschatten. Alles | | | |
immers wat in zijn ogen werkelijk schitterde, stond in het kamp van hem, 's
lands Advocaat en groot-zegelbewaarder; gold Huig de
Groot niet als het licht der wereld, was Hogerbeets niet een
geboren regent? En dan spreken we nog niet van Ledenberg, de zoon van een
metselaar, die met zijn voortvarendheid, mensen die van niet tot iet gekomen
zijn zo vaak eigen, misschien zijn boze geest geweest is: was die niet de
almachtige secretaris van de Staten van Utrecht?
Bovendien, steunde hij in theologicis niet op een man als Wtenbogaert, tegenover wiens gezag een Trigland of Smout maar holle
schreeuwers leken? Droegen, meer dan zijn zoons Willem en Reinier, heren van
Stoutenburg en Groeneveld, niet zijn beide schoonzoons tot zijn glorie bij?
Want Cornelis van der Myle en Reinoud van
Brederode waren beiden diplomaten die zeker niet de minderen schenen van de
intrigerende Van Aerssen. Ten overvloede meende hij tegenover diens broer op
de fijnere en politiekere Frederik Hendrik te kunnen rekenen. En was ten
slotte het gros van zijn ‘leger’, het mocht dan kleiner zijn dan dat van
Maurits, niet honderdmaal invloedrijker? Waren de regenten en kooplieden van
Holland, Zeeland en Utrecht niet stuk voor stuk mannen waarop in nood te
rekenen viel? Maar, hoe schitterend zijn factie ook was, er was niemand bij
in staat om de Advocaat op zijn vergissing te wijzen, want zij waren stuk
voor stuk zelf slachtoffer van de illusie, dat hun factie als draagster van
beschaving en geldmacht de eigenlijke representant der natie was.
Doch hoe dit zij, het feit blijkt in elk geval, dat Oldenbarnevelt zijn
politiek zo lang heeft gehandhaafd, dat zij, zonder dat hij het zelf merkte,
in haar tegendeel verkeerde. Hij hield aan zijn verdraagzaamheid vast, ook
toen dit staatsdwang ging betekenen en hij verloochende zijn ideaal van de
eenheid der Unie door en onder Hollands leiding niet, ook niet, toen dit op
overheersing en door die overheersing op het isolement van Holland uitliep.
Want dit is de zin der ‘Scherpe Resolutie’ die de Staten van Holland 4
augustus 1617 aannamen en waarin, naar het woord van Fruin, niet minder dan
de burgeroorlog opgesloten lag. Immers daarin werden de steden gemachtigd
waardgelders in soldij te nemen, omdat men de schutterijen niet vertrouwde,
werd de officieren en soldaten gehoorzaamheid gelast jegens de overheid der
plaatsen, waar zij in garnizoen lagen. Zij werden zelfs met afdanking
bedreigd, als zij hun kapitein-generaal, Maurits, gehoorzaamden. Verder
weigerden in deze resolutie de Staten toestemming tot het houden ener
Nationale Synode en wierpen zij zich zelf als rechters in de religieuze
geschillen op. De waardgelders in heel Holland, overigens nog geen 1800,
waren gedacht als de kern van een nieuw leger, te betalen door afdanking van
het oude en met Frederik Hendrik als hoofd. Maar deze, hoezeer hij, naar
later bleek, ook een gematigder politiek tegenover de regenten voorstond dan
zijn broer Maurits nu, trapte daar niet in.
Deze ‘Scherpe Resolutie’ die men beter de ‘tweesnijdende’ zou kunnen noemen,
was Oldenbarnevelts fout die logisch uit zijn vergissing in de
machtsverhoudingen voortvloeide, zoals ten overvloede nog eens uit Frederik
Hendriks weigering bleek. Dat wil zeggen: zijn fout was niet zozeer het | | | |

De terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt. Detail van een
ets door Claes Jansz. Visscher. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | | zwaard te hebben getrokken, maar het gedaan te hebben tegen
een die het beter hanteren kon dan hij. Want ook aan de andere zijde was
inmiddels en mogelijk al eerder de burgeroorlogstemming gerijpt. Men zag
schippers met 's prinsen wapen in hun vlag en het opschrift ‘Liever met
Oranje te liggen in 't veld, dan langer door Arminiaenen te zijn gekweld’ of
in proza: liever de burgeroorlog met Maurits dan de vrede met Oldenbarnevelt. Maurits' valse leus: Spanje of
Oranje ‘deed’ het niettemin. Een sneeuwstorm van smaadschriften die deze
leuze trachtte te bewijzen of te commentariëren stortte zich uit boven het
grijze hoofd van de Advocaat en zijn ‘eigne snoot’. Was hij niet verblind
geraakt, dan zou hij tussen al die vlokken door het zwaard hebben zien
flikkeren dat het op zijn nek gemunt had. Maar hij zag niets. Zijn huis werd
bewaakt, hij merkte het niet of telde het althans niet. Zijn
Remonstrantie
draagt de duidelijke sporen van die verblinding. De toon ervan is
aanmatigend. Als er van Maurits sprake is, dan vermeldt hij de weldaden die
Zijne Exc. van de Hoogmogenden Heren Staten en hun Advocaat genoten heeft,
nooit zijn verdiensten.
Maurits van zijn kant, hij mocht dan al geen politicus zijn, betoonde zich
sinds de Advocaat met zijn ‘Scherpe Resolutie’ zijn kaarten
onvoorzichtiger-wijze op tafel gelegd had, tactisch Oldenbarnevelts
meerdere. Want de politiek werd nu tot krijgskunde waarin hij een
onbestreden meester was. Militair denkend, vermeed hij het, om een prematuur
conflict in het bolwerk zelf der Arminianen te provoceren. Hij maakte zich
stuk voor stuk 's vijands havens meester. Hij isoleerde de Staten van
Holland. Hij belegerde ze als het ware. De Staten-Generaal besloten, nadat
Overijssel was overgehaald, in juni 1618 wél tot een Nationale Synode en
zetten ondanks Oldenbarnevelts vurige rede ertegen (28 juni) dóór. In
november is zij, zoals men weet te Dordrecht,
inderdaad bijeengekomen. In Nijmegen, de enige
remonstrantse stad buiten Holland en Utrecht, werd de wet verzet. Maurits
kreeg de opdracht om de waardgelders in Utrecht af te danken. Hij deed het,
op de Neude. Ook hier werden nu de Arminianen van het kussen gestoten en
verklaarden de Staten zich vóór de Nationale Synode.
Holland stond alleen en daarbinnen had Oldenbarnevelt slechts acht van de
achttien stemhebbende steden vast in handen. Maar toen én in de zomer van
'17 én in het voorjaar van '18 zijn ontslagaanvraag opnieuw geweigerd was -
de Staten waren het als een tactische zet van hem gaan beschouwen - wist hij
van geen wijken meer. Daarom kreeg, 28 augustus 1618, in een overigens zeer
onvoltallige vergadering der Staten-Generaal, Maurits de dictatoriale
volmacht die hij behoefde om nu ook Hollands verzet te breken. Het te elfder
ure en ten halve toegeven in de kwestie der synode kon nu niet meer baten.
De volgende dag al kreeg Oldenbarnevelt, toen hij zich op weg naar zijn
Staten bevond, het verzoek om bij Maurits te komen. Hij is er gebleven.
Velen hadden iets dergelijks verwacht; hij zelf niet: een waarschuwing van
de vorige dag om te vluchten had hij in de wind geslagen. De bijzonderheden
van zijn preventieve hechtenis kennen we uit het simpel verslag dat zijn
knecht Jan Francken ervan gegeven heeft. Zij was hard. Noch leden van het
college, in welks dienst hij stond, noch zijn vrienden, noch zelfs zijn
vrouw, | | | | werden bij hem toegelaten. Van de gelijktijdige
arrestatie van De Groot, Hogerbeets en Gilles van
Ledenberg hoorde hij slechts door de kleine listen die, hoe streng de
bewaking ook is, altijd weer mogelijk blijken: boodschappen, die hem in
peren en dove kolen worden toegezonden. En de kleine strijd om een open
raam, om verwarming, om lectuur voert hij met dezelfde verbeten doorzetting,
waarmee hij eens tegen de machtigste monarch der christenheid had gestreden.
Maar die verstopte boodschappen brachten geen hoop. De Staten van Holland
waar Maurits op zijn rondreis van veertien van de achttien stemhebbende
steden de wet had verzet, verroerden geen vin voor hun dienaar en meester.
De Groot betoonde zich de intellectueel die hij was: niet opgewassen tegen
deze omstandigheden, is hij er na aan toe geweest Oldenbarnevelt te
verloochenen. Een verdediger werd hem niet toegewezen. Langzaam, o zo
langzaam begon het in zijn schemerdonkere afzondering tot de oude man door
te dringen, dat dit toch wel eens het zozeer onverwachte einde zou kunnen
betekenen.
De eerste, 15 november eindelijk begonnen verhoren voor een door de
Staten-Generaal benoemde commissie, later met enige leden uit Holland
aangevuld, beloofden niets goeds. Op 20 februari van het volgend jaar werden
de vierentwintig rechters benoemd, van wie er twaalf door Holland waren
aangewezen, en die hem tot 1 mei toe blijven verhoren. Tevergeefs heeft hij
hen gewraakt, zich op zijn eed aan de Staten van Holland én op het ius de non evocando beroepend, volgens hetwelk alleen een
Hollandse rechtbank over hem recht mocht spreken. Tevergeefs richtte hij
zich in brieven tot Maurits en Willem Lodewijk. Tevergeefs tot de Franse
gezant, Du Maurier om diens bemiddeling. Tevergeefs probeerde Louise de
Coligny haar stiefzoon tot ingrijpen te bewegen. Maurits liet het recht zijn
loop. Het recht - dit kán men zeggen, want de voorstelling, dat de rechtbank
uit zo goed als louter vijanden van de Advocaat was samengesteld, is niet
houdbaar. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat die vijanden er de eerste viool
speelden, Reinier Pauw voorop, en het neemt zeker niet weg, dat de gronden
waarop het 12 mei, een zondag, uitgesproken doodvonnis berustte, wel zeer
zwak zijn. Zwak vooral hierom, omdat in de ene schaal al zijn feilen en
falen geworpen werd, terwijl de andere schaal, waarin zijn onmetelijke
verdiensten voor het land hadden behoren te liggen, leeg bleef. Voor het hem
ten laste gelegde ‘hoogverraad’ kon men dan nog zó weinig bewijzen
bijbrengen, dat de ‘sententie’ het woord zelfs heeft vermeden. Pas een jaar
later, naar aanleiding van een vraag der weduwe om de verbeurd verklaarde
goederen waarop slechts de helft der rechters geantwoord heeft, verklaarden
dezen, dat de misdaad inderdaad het beroemde crimen laesae
majestatis geweest was. Maar in de sfeer waarin zijn eigen politiek
en baatzucht de staat gebracht had, woog dan ook alle verdenking
loodzwaar...
Toen de 13de alles voorbij was, schreef Maurits een brief aan zijn neef
Willem Lodewijk. Men pleegt die gevoelloos te noemen. Hij is het ook, maar
er de nadruk op te leggen getuigt toch van weinig inzicht in de verharding
waarin politieke hartstochten zelfs de gevoeligsten plegen te brengen.
Immers zélfs indien Maurits aanvankelijk aan de onschuld van Oldenbarnevelt
| | | | geloofd zou hebben, dan móet hij zich tijdens het proces
wel overtuigd hebben van zijn schuld, al was het alleen om zich zelf van
schuld tegenover zijn slachtoffer vrij te kunnen voelen. Hoe dieper daarom
de val van de Advocaat, des te zuiverder Maurits' geweten. Ongevraagd genade
te verlenen, zou de zuiverheid van dat geweten in twijfel hebben gesteld,
zoals omgekeerd voor Oldenbarnevelt: genade te vragen met schuld bekennen
gelijk zou hebben gestaan. Waardiger, want niet zonder zweem van
schuldbesef, is de aantekening op die dag in het register van de Staten van
Holland. ‘Heden werd op het Binnenhof onthoofd Johan van Oldenbarnevelt, een
man van grooten bedrijve, besoigne, memorie en directie, ja singulier in
alles; die staet, siet toe, dat hij niet en valle, ende sy Godt syne ziele
genadigh. Amen.’
Singulier, bijzonder, ja, waarlijk weergaloos hierin vooral, dat hij sinds de
oudheid de eerste burger geweest is die wereldpolitiek gemaakt heeft. En er
is behalve hij wel nooit iemand geweest, die de titel van zijn ambt een
wereldhistorische zin heeft gegeven, want Oldenbarnevelt, Hollands Advocaat, is inderdaad geweest de
pleitbezorger van zijn land in de wereld. Holland, vóór hem een uithoek,
werd na hem en mee dóór hem een eeuw lang het middelpunt van de westelijke
wereld.
|
|
|