Erflaters van onze beschaving


auteur: Jan Romein en Annie Romein-Verschoor


bron: Jan Romein en Annie Romein-Verschoor, Erflaters van onze beschaving. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 183]

Simon Stevin

Wonder en is gheen wonder

Simon Stevin van Brugge, gelijk hij zich zelf steeds met vermelding van zijn geboorteplaats placht te noemen, is een van de zeer vele Zuidelijke Nederlanders, Vlamingen en Brabanders, geweest die een belangrijke rol hebben gespeeld in het politieke, economische en culturele leven van de jonge Republiek waarvan de geschiedenis zonder de namen van Marnix, Plancius, Usselincx, Bogerman, Stevin en De Geer er wezenlijk anders uit zou zien. Wij menen daarom door ook hem op te nemen in deze portrettenreeks niets te kort te doen aan een Belgisch nationalisme, dat hem graag als coryfee der Belgische wetenschap opeist.

Men zou nog een tweede, minder principiële reden kunnen aanvoeren om Stevin uit deze reeks weg te laten: de gegevens over hem zijn schaars, onbegrijpelijk schaars voor een man, wiens verdiensten toch ook door zijn tijdgenoten niet miskend zijn en die jarenlang gewichtige ambten in dienst van de Staten en de stadhouder bekleed heeft. Hóé schaars weten we eigenlijk pas sinds Dijksterhuis in zijn meesterlijk boek over Stevin (1943) een aantal traditionele gegevens over zijn leven op grond van archiefstudie naar het rijk der fabelen of althans der onzekerheden verwees. Die sobere informatie geldt overigens niet voor Stevin alleen: we zijn al eerder op deze biografische zwakte van onze vaderlandse geschiedenis gestoten. Kon men voor zover het de laat-middeleeuwse figuren betrof daarbij nog aan een algemene beperktheid der historische gegevens denken, wanneer met de renaissance het persoonlijke element in het cultuurleven zoveel meer naar voren komt, wordt ons dat tekort als een typisch Nederlandse trek bewust. In wat ons van het levensverhaal van onze grote zestien- en zeventiende-eeuwers is overgeleverd, blijft alles wat naar het anekdotisch verhalende of naar uitstorting van het gemoed zweemt, zwak en zeldzaam, dagboeken zijn vóór de achttiende eeuw hoge uitzondering, brieven stellen meestal teleur door hun naar ons begrip zinloos verwikkelde, kleurloze kanselarijstijl. Voor zover het kunstenaars betreft laat zich dat tekort ten dele uit hun werk goedmaken: omtrent het wezen en de levensloop van een Rembrandt of Vondel kunnen we heel wat uit hun scheppingen aflezen.

Ook Stevin was op zijn wijze een kunstenaar, een duizendkunstenaar zelfs, en ook in zijn werk ligt ons zo een natuurlijk zelfportret en autobiografie verborgen. Maar dat portret laat zich zoveel moeilijker lezen, doordat de stof die Stevin hanteert, hoe geniaal breed ook, toch een uitgesproken onpersoonlijk karakter draagt. Wij lezen uit dit werk het karakter en lotgeval van de mathematicus Stevin en in zoverre de mens Stevin een hartstochtelijk mathematicus was, ook dat van deze mens, maar de middelen om dit portret naar het zuiver menselijke, het persoonlijke te corrigeren of althans aan te

[p. 184]

vullen, ontbreken ons. Wij weten niet of hij een goed zoon, een liefhebbend echtgenoot, een trouw vriend en vrolijk disgenoot geweest is, ja, wij kunnen van deze man, die toch zo een belangrijke rol in het bestuursapparaat van de jonge Republiek gespeeld heeft, slechts gissenderwijs zeggen, welke zijn politieke en religieuze overtuiging moet zijn geweest en dat in een zo bewogen tijd waarin de meningen zo fel tegenover elkander stonden.

Wij mogen ook uit het ontbreken van deze gegevens enige voorzichtige conclusies trekken, maar wij zullen ons moeten neerleggen bij het feit, dat wij de mathematicus Stevin slechts als mathematicus - en dat niet toevallig - kennen en dat in ons beeld van zijn persoon daardoor noodzakelijk deze overheersende kant van zijn wezen alles overheersend zal worden.

Vast staan jaar en plaats van zijn geboorte: te Brugge in 1548, en wel - gelijk uit Brugse archiefstukken werd aangetoond - als onwettig kind van Anton Stevin, zoon van een oud poortersgeslacht en een wat loszinnige poortersdochter Kathelijne Hubrechts van der Poort, later echtgenote van Joost Sayon, die bovendien ook de Brugse burgemeester Noël de Caron met een paar natuurlijke kinderen verblijdde. Van Stevins opleiding weten wij niet veel meer dan dat hij in zijn jeugd Grieks en Latijn leerde en zich al vroeg aangetrokken voelde tot de mathematica. Die neiging wekte in hem echter niet het verlangen naar een wetenschappelijke carrière: hij begon zijn loopbaan als boekhouder en kassier bij een Antwerps handelshuis. Het is niet noodzakelijk daar een uiting van Stevins praktische geest in te zien. De mathematica, de exacte wetenschappen in het algemeen hadden aan de middeleeuwse universiteiten - en de universiteit van Leuven, toen de enige in de Nederlanden, was in Stevins jeugd nog vrijwel middeleeuws - een bescheiden plaatsje ingenomen.

In een stelsel van wetenschappen toch waarvan de theologie fundament en bekroning tegelijk vormde, en waarin het natuur- en wereldbeeld der christenheid was vastgelegd in de door de kerk aanvaarde en dus onaantastbare stelsels van Aristoteles, Archimedes, Galenus en anderen, in zo een stelsel was voor een ontwikkeling der exacte wetenschap, voor een wederzijdse bevruchting van bespiegeling tegenover waarneming en experiment geen sprake. Waar de praktijk tot waarnemen en reageren op die waarneming dwong, zoals in de eerste plaats in de geneeskunst, bloeide het praktisch handwerk van chirurgijns, kwakzalvers en wijze vrouwen naast een officiële wetenschap die vlijtig haar ervaringen naar de wetten van Galenus bleef ombuigen. De wetenschappelijke tradities der klassieken werden via Alexandrië het bezit der Arabieren die ze vanuit hun universiteiten in Cordoba en Salamanca weer in West-Europa deden uitstralen. Maar ze zouden daar pas werkelijk aanslaan in een tijd, toen de praktische eisen van zeevaart, techniek en koopmanschap dwongen tot de afbraak van een gecanoniseerde wis- en natuurkunde die tot een stuk dogmatiek geworden was. In die tijd leefde Simon Stevin en daarom ontmoeten we hem het eerst als kassier en boekhouder te Antwerpen.

Antwerpen was zo omstreeks 1570 door de concurrentie van het Noorden reeds over het hoogtepunt van zijn bloei heen en neigde tot de neergang die

[p. 185]



illustratie

Simon Stevin. Schilderij door een anoniem kunstenaar. Akademisch Historisch Museum der Rijksuniversiteit, Leiden.


[p. 186]

met de sluiting van de Schelde in 1585 op een abrupte val zou uitlopen. Maar toch was het nog altijd een der grote centra van de toenmalige wereldhandel en Stevins praktische geest stootte er al dadelijk op een van de problemen die de ongeduldige koopman aan een achtergeraakte wetenschap ging stellen: het probleem van de interestberekening. Met die interestberekening had de wetenschap der kerkelijke universiteiten zich, afgezien van de afstand tussen handel en wetenschap, daarom alleen al nooit ingelaten, omdat het interest nemen onder het woekerverbod der kerk viel en daardoor het domein van joden en Lombarden bleef tot de handelsnoodzaak via eindeloze ontduiking tot een feitelijke opheffing van het verbod dreef.

Wij zullen verderop zien, hoe Stevin zijn eerste geschrift aan dit vraagstuk wijdde. Voorlopig blijven de gegevens over zijn leven nog uiterst schaars. Onze kennis omtrent zijn Antwerps kassierschap ontlenen we aan zijn eigen mededeling in de Wisconstighe Ghedachtenissen van 1608. Daaruit weten we ook, dat hij na de Antwerpse periode nog enige tijd een functie heeft vervuld bij het financieel beheer van het Vrije van Brugge. En uit één van de Brugse archiefstukken, die ons ook inlichten omtrent zijn afkomst, blijkt dat hij die laatste functie in 1577 aanvaardde. ‘The rest is silence’, totdat hij in de noordelijke gewesten opduikt. Is hij als zovele Zuidelijke Nederlanders om den gelove voor Alva uitgeweken? Maar wij weten niet eens welk geloof hij aanhing, al is lang vanzelfsprekend beschouwd dat een van Maurits' naaste medewerkers de hervorming was toegedaan.

Hij moet nogal wat in Europa rondgezworven hebben en enkele verspreide opmerkingen in zijn latere werken vertellen ons iets omtrent zijn itinerarium. Zo spreekt hij in zijn sterrenkunde over wandschilderingen aan het hof van de koning van Polen te Krakau en in zijn Onderscheyt van de Oirdening der steden zegt hij: ‘Binnen Craco in Polen, daer mij gedenckt gesien te hebben verscheyden grooten huysen, diens veinsters ijser luycken hadden.’ In hetzelfde werk zegt hij: ‘in de cluppen van Noorwegen’ huizen te hebben gezien ‘na de manier der Romeynsche atria, te weten, crijgende haer licht in 't middel, doch bedeckt met varckens blasen.’ Nog weer elders spreekt hij over dijken die hij in Oost-Pruisen zag.

Maar wij kunnen zelfs niet met zekerheid zeggen of deze reizen uit de duistere tijd voor zijn vestiging in de Republiek dateren. Daar streek hij eerst in Middelburg neer, om in 1581 naar Leiden te verhuizen, waar hij zich op 16 februari 1583 als student heeft laten inschrijven. Hij was toen 35 jaar en geen beginneling meer. Reeds in het vorige jaar waren te Antwerpen bij Christoffel Plantijn, de wijd en zijd beroemde drukker uit de Gulden Passer, verschenen zijn: Tafelen van Interest, Mitsgaders De Constructie der selver, ghecalculeert Door Simon Stevin Bruggelinck .

Al eerder hadden verscheidene handelshuizen soortgelijke tafels voor eigen gebruik laten becijferen, ze werden dan echter zorgvuldig geheim gehouden en alleen ten eigen bate gebruikt. Stevin gaf niet alleen een zuiverder becijfering die hij in herdrukken nog perfectioneerde, maar toonde ook met dit eerste werk zijn begrip voor de grote behoefte én aan praktische kennis én aan wetenschappelijke verheldering van zijn tijdgenoten.

[p. 187]

Over Stevins studie in academische zin verschaffen de archieven van de Leidse universiteit ons geen inlichtingen. Maar dat hij er hard gewerkt heeft, blijkt in de eerste plaats uit zijn publikaties van de volgende jaren: Problemata geometrica (1583), Dialectike (1585), De Thiende (1585), L'arithmetique (1585), De Weeghdaet (Beghinselen des waterwichts en beghinselen der Weeghconst) (1586) en Vita Politica (1590). Bovendien voorzag hij in zijn onderhoud door het bijhouden van koopmansboeken. Zowel de behoefte aan lonende arbeid als zijn technisch vernuft zullen hem gedreven hebben tot de bestudering van een aantal praktische problemen, vooral op het gebied der waterlozing in de polders. Hij werkte daarbij samen met Johan Hugo de Groot de latere burgemeester van Delft en vader van Hugo. Een reeks octrooien voor uitvindingen, door de Staten verleend, getuigt van deze vernuftige arbeid.

Noch als student, noch als docent, zoals men vroeger wel meende, heeft Stevin een rol gespeeld aan de Leidse universiteit. Toch deed de invloed van zijn actieve geest er zich wel degelijk gelden.

De stichting van de Leidse universiteiten in 1575 beoogde in de eerste plaats te voorzien in het tekort aan geschoold intellect dat dreigde, nu het verkeer met de katholieke universiteiten van Leuven en Parijs en andere was verbroken. Maar het ging hier niet alleen om een regelmatige voorziening van de behoefte aan theologen, juristen en artsen. Aan deze nieuwe universiteit, niet beladen met de scholastieke tradities der oudere centra van geleerdheid, kreeg de nieuwe wetenschap, de wetenschap van onderzoek en experiment, haar kans. Een dubbele kans: aan de éne kant trok Leiden door verleidelijke aanbiedingen, maar ook door haar aanwezigheid alleen al, het moderne, vaak ketterse of op zijn minst elders gevaarlijk geoordeelde intellect, Coperniciaanse natuurkundigen en tekstkritische filologen, tot zich, aan de andere kant overvalt het Nederland van omstreeks 1600 een soortgelijke intellectuele honger die we nog eens en dan op veel breder basis in de 19de eeuw zien optreden. In de 19de eeuw kunnen we spreken van de democratisering der wetenschap, in de 16de van de laïcering, de verovering van de algemene ontwikkeling door de burgerij op de geestelijkheid. Ook de directe impuls vanuit het leven naar de school is in beide gevallen duidelijk, zowel in de 16de als in de 19de eeuw ontdekken de beoefenaars van een aantal tot nu toe alleen praktisch bedreven vakken in de zich vernieuwende wetenschap de mogelijkheid tot oplossing van hun nieuwe praktische problemen. Een treffend beeld van de theoriehonger van de mannen van de praktijk geeft de bekende kopergravure van de ‘Zeevaartschool’ van ds. Plancius, vanaf de preekstoel docerend aan een groep schippers en kooplui. In 1598 maakte Stevin, onder anderen te zamen met Scaliger, deel uit van een commissie die in opdracht van de Staten een oordeel gaf over een door Plancius en stuurman Reijnier Pietersz. van Twisch ontworpen methode van lengtebepaling op zee.

Stevin heeft zich ook in zijn geschriften met de nieuwe verhouding van theorie en praktijk beziggehouden. In zijn Burgherlicke Stoffen , een bundel van zijn werk, gedeeltelijk uit nagelaten papieren in 1649 door zijn zoon Hendrik uitgegeven, spreekt hij over het nut van een ‘spiegelingsche wyse’ (theo-

[p. 188]

retische) beoefening van de ‘stercktebou, leger-teykeningh en dierghelycke’ en voert als bewijs aan de ‘duytsche (Nederlandse) lessen die in 't Gemeenschool [universiteit] tot Leyden gedaen worden, uyt welcke ettelicke commende, en hem totten crychbou dadelick begevende, terstont soo an't werk vielen, al of sy te vooren meer gedaen hadden, jae in ander landen tot crychboumeesters versocht en ghesonden wierden, indervougen dat sommige, die hemlien sonder spiegelingh in de daet lange geoeffent hebbende, en siende dat soo niet te connen naedoen sich eintlick daerom tottet leeren der spiegelingh begaven.’ Hij verwijst hier naar de ‘ingenieursschool’ aan de Leidse universiteit die, zoals we straks zullen zien, mede onder zijn invloed tot stand kwam.

De vrij plotselinge uitbreiding en laïcering der wetenschap bracht nog een tweede probleem mee: dat van de academische voertaal. Die was heel de middeleeuwen door het Latijn geweest en de grote humanisten, Erasmus voorop, hadden bij al wat zij aan de middeleeuwse wetenschap verworpen, het Latijn als internationale voertaal behouden. Voor Erasmus was de studie der klassieken de levende kern der bonae litterae geweest en hij had het Latijn, tegelijk naar klassieke norm gezuiverd en verjongd, tot voertaal der nieuwe wetenschap gemaakt. Maar dwars door het internationalisme der latinitas ontwikkelt zich in de humanist een vaderlandse trots die zich ook op Romeins voorbeeld beriep. En dwars tegen de fetisjistische verering voor het Latijn en de behoefte aan internationale verstaanbaarheid juist in een tijd waarin alle wetenschappen een crisis doormaakten, groeit de behoefte van de ‘in ander spraecken onervaren, nochtans der Consten uytnemende liefhebbers’ aan wetenschappelijke geschriften in de landstaal. Uit deze tijd (tweede helft 16de eeuw) dateert dan ook de stelselmatige studie der Nederlandse taal en haar dialecten, uit deze tijd zijn onze oudste grammatica's (van Joos Lambrecht, van Pontus de Huyter, van Spieghel) en woordenboeken (van Plantijn en van Kiliaen).

Stevins bijdragen op dit nieuwe veld van wetenschap, dat geenszins het zijne was, zijn niettemin origineel en tekenend voor zijn persoonlijkheid, voor de tijdgeest dier dagen en voor het begrip dat hij voor die tijdgeest had.

Al zijn werken, met uitzondering van zijn Arithmetique (1585), schreef hij oorspronkelijk in het Nederlands en aan zijn Weeghconst liet hij een beschouwing voorafgaan: ‘Uytspraeck van de weerdicheyt der duytsche tael’ die in gewijzigde vorm nog eens is opgenomen in het boek Eertclootschrift (geografie) van de voor Maurits in 1608 samengestelde Wisconstige Gedachtenissen . Bovendien zou volgens zijn zoon Hendrik het handschrift van een Nederduytsche Rhetorica en een Nederduytsche Dichtconst verloren zijn gegaan.

In de Uytspraeck wordt met echte humanistentrots en -redeneerkunst betoogd, dat het ‘Duytsch’ boven alle andere talen gesteld moet worden als uitdrukkingsmiddel der wetenschap, gelijk hij ook in de inleiding tot de Beghinselen des Waterwichts zijn vondsten op het gebied der hydrostatica verklaart: ‘Belyde oock daerbij, dat ick er een beter helpende oirsaeck toe ghehadt heb dan Archimedes, namelick de spraeck, welcke Duytsch was, de siine maer Griex; want dit moet ghij weten dat der spraken goetheyt niet alleen

[p. 189]



illustratie

Stevins benadering van het decimale stelsel. Pagina uit De Thiende, Leiden 1585. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.


[p. 190]

voorderlick en is om de consten [wetenschappen] bequaemlick daer deur te leeren, maar ook den vinders in haer soucking’. Stevin gebruikt de woorden Duytsch en Nederduytsch door elkaar. In zijn betoog omtrent de voortreffelijkheid van dit ‘Duytsch’, dat vooral steunt op de rijkdom aan eenlettergrepige woorden en de geschiktheid tot het vormen van samenstellingen, geeft hij uitsluitend Nederlandse voorbeelden (o.a. een uitvoerige lijst van monosyllaben). Maar in de Uytspraeck dist hij ons zijn apocrief verhaal omtrent het oorspronkelijke ‘Duitse’ volk op, dat in een honderden jaren terug gelegen ‘Wijsetijt’ met behulp van dit schitterende taalinstrument de drager van een bloeiende beschaving moet zijn geweest die blijkens het voorkomen van oorspronkelijk Germaanse cultuurwoorden in het Frans, over heel West-Europa uitstraalde, en het is duidelijk, dat hierin legendarische algemeen Germaanse overleveringen uit Beka en andere schrijvers verwerkt zijn. Door oorlogen en rampspoeden zijn de ‘Duitsers’ in de ‘Leecketijt’ tot barbarij vervallen, uit welke nacht der middeleeuwen zij in Stevins tijd weer bezig zijn zich te verheffen.

In het hoofdstuk over de taal uit de ruim twintig jaar later verschenen Wisconstige Ghedachtenissen blijkt hij zich verder te hebben verdiept in de geheimzinnige ‘Wijsetijt’. ‘De Hoochgeleerden Heer Doctor Huych de Groot’ heeft op zijn verzoek een aantal citaten uit klassieke schrijvers bijeengezocht over verloren wetenschap uit een ver verleden en de grote taalgeleerde Scaliger heeft hem bekend gemaakt met wat de Arabieren aan wetenschappelijke tradities bewaard hebben. Aan hen ontleent hij dan kennelijk het bij de humanisten gangbaar geworden inzicht, dat ‘de leecketijt sijn oirspronck nam, doen de Christenen d'overhant creghen boven de Heydenen: Van welcke sij te voren veel gheleden hebbende en daer benevens de Heydensche Religie seer hatende, verbranden en vernielden niet alleenelick alle boucken der Religie, metteghene daer eenich vermaen van hare Goden in stont, maer oock der vrije consten d'een metten andere, waer sijse cryghen conden.’ Pas een 150 jaar geleden is men daarvan teruggekomen en is men wat er over was van de heidense kennis ‘met groote neerstigheit’ gaan vergaren.

Om tot een herleving van de ‘Wijsetijt’ te komen, meent Stevin, is allereerst een grote verbreding van het wetenschappelijk waarnemen en onderzoeken nodig en dat is alleen mogelijk, wanneer ‘een grote menichte van menschen in sijn eyghen aangeboren tael’ zich daarop zou gaan toeleggen, want de ervaring leert, dat de grondige kennis van het Latijn die tot nu toe als fundament der wetenschap gold, wel tot de theologie en het recht voert en tot ‘het soucken van bloemkens van woorden en spreucken om in haer brieven en schriften te pas te brengen’, maar niet tot een grondige beoefening der exacte wetenschap. Dat is begrijpelijk: om een geschiedenisje te vertellen, hoe Paris Helena schaakte of wat grote slagen Achilles sloeg, dat konden de mimi met gebaren af en daar is het gereedschap van een goede taal niet voor nodig, maar met de ‘wisconstige handel’ is dat heel iets anders. Hij herhaalt dan zijn betogen over de voortreffelijkheid van het Duytsch en de gebreken der andere hem bekende talen, waar hij nog aan toevoegt, dat men nergens ‘soo suyver en onvermengt Duytsch spreekt als in Noorthollandt’,

[p. 191]

om te eindigen met een verrassende conclusie die ons doet zien, hoeveel gemakkelijker de methode van ‘gaslaen en ondersouck’ zich in de exacte vakken laat toepassen dan in de historische - en hoe bezeten Stevin was van zijn taalkunstig idee-fixe -: nadat de aanwijzingen van Huig de Groot en Scaliger hem zo duidelijk de richting hadden gewezen, waar hij de oorsprong der wis- en sterrenkunde moest zoeken, trekt hij louter uit zijn 1428 ‘eensylbige’ Nederlandse woorden de conclusie: ‘Dit ghetuychenis des eensylbigen taels ... is voor my soo wonderlick, dat ick vrijelick darf bekennen in vermoedens te sijn, dattet volck, 't welck die maeckte, de menschen des onbekenden Wijsentijts meughen geweest sijn.’

Intussen heeft Stevin zich voor het gebruik van de allervolmaaktste taal als wetenschappelijk uitdrukkingsmiddel heel wat moeite moeten getroosten, want het Nederlands zoals hij het leerde kennen, mocht dan geschikt zijn om tot wetenschap-taal te worden gemaakt, klaar voor het gebruik was het zeker niet en Stevin moest dan ook uit een taal die tot nu toe alleen door burgers, boeren en buitenlui en door enkele dichters was gehanteerd, de equivalenten scheppen voor de benamingen van een groot aantal abstracte begrippen die voordien alleen in het Latijn en Grieks, of hoogstens in het Frans uitdrukking hadden gevonden. Alleen een zeer gedetailleerde studie van het wetenschappelijk taaleigen der 16de eeuw kan uitmaken, welke van de vele ‘verduytschingen’ die hij gebruikt, zijn eigen scheppingen zijn, zeker is dat hij zulke nu voor de denkende en schrijvende Nederlander onmisbare woorden als ‘hoofdstuk’, ‘geweten’, ‘in het oneindige’, ‘rechtsgeleerde’, ‘neutraal’, ‘beginsel’, ‘opschrift’, ‘bespiegelend’, ‘evenredigheid’, en andere en ook tal van woorden voor de mathematica en de krijgskunde óf zelf gesmeed heeft óf heeft helpen gangbaar maken. Aangezien het praktisch onmogelijk is in zulk een streven van de aanvang af maat te houden, maken Stevins Nederlandse geschriften nu op ons een zelfde puristische indruk als het historisch proza van Hooft die uit soortgelijke overwegingen de grondslagen legde van onze historiografische taal. In de inleiding van zijn Dialectike ofte Bewijs-const (1585, bij Plantijns filiaal te Leiden) toont hij zich bewust van de gevaren van een al te kras purisme dat zelfs tot onduidelijkheid zou kunnen leiden en in vele van zijn werken geeft hij als het ware ter vergelijking en verantwoording in margine het oorspronkelijk Latijn van zijn verduytschingen.

Men zou echter, geloof ik, de geest van Stevin volkomen miskennen, wanneer men uit deze gematigde houding die wij hem ook elders zullen zien aannemen, besloot hem als een soort middenman te zien. Niet als een gematigd middenman komt ons de Brugse rekenmeester uit zijn schimmige openbare verschijnen en zijn kloeke werk tegemoet, maar als een van die zeldzame wetenschappelijke geesten - zeldzamer dan het aantal beroepsgeleerden zou doen vermoeden - die alles onderschikken aan hun wetenschap en het onpersoonlijk doel, dat zij zich daarmee gesteld hebben. Voor Stevin die zijn wetenschap in de praktijk had leren kennen en waarderen, die in de praktijk op zijn wetenschappelijke problemen stootte, was het doel dat hij zich stelde bijna altijd gebonden aan de praktijk van toepassing en kennisverspreiding. ‘Ghelijck onnutte cost waer een groote, stercke grondt te legghen, die een

[p. 192]

swaer gesticht dragen can, sonder eintlick eenich ghebau daerop te willen brenghen, also is de spiegheling in de beghinselen der consten verloren arbeydt, daer 't einde totte daet niet en streck’ (inleiding Weeghdaet ).

Voor hem, als voor de meeste van zijn wetenschappelijke tijdgenoten, was een nieuwe wereld opengegaan, met nieuwe ogen keken zij de wonderen der natuur aan en voor het eerst in de geschiedenis der mensheid lokte de illusie, dat die wonderen binnen de omspanning van het menselijk denkvermogen vielen: ‘Wonder en is gheen wonder,’ zei Stevin, een triomfkreet waarin men niet louter de machtspreuk van een versimpeld rationalisme moet zien, maar eerder een moedige opwekking om met het nieuwe ‘reetschap’ van onderzoek en experiment, het ‘Novum Organum Scientiarum’ van Bacon van Verulam, die wonderen aan te vatten.

En er is nog iets te beluisteren in die spreuk. Wij worden nu vaak getroffen door de befaamde ijdelheid der humanisten. Nu is zulk een plotseling cumuleren van een algemeen menselijke eigenschap bij een bepaalde mensensoort altijd een wat verdacht verschijnsel dat vaak op gezichtsbedrog blijkt te berusten. Laat de ‘ijdelheid’ en het ‘zelfbesef’ der 16de-eeuwse geleerden zich althans ten dele niet verklaren uit de eigen verbazing om de bereikte resultaten? En zijn zij voor het overige niet een gevolg van de profetenmantel, uit innerlijke noodzaak omgeslagen door deze lekengeleerden, die zonder het gezag der geestelijke waardigheid en vaak tegen het gezag der kerk in, een nieuwe waarheid moesten verkondigen, niet langer aan een kleine mandarijnengemeenschap, maar aan de eerste intellectuele ‘massa’? Zo'n profetenmantel was niet alleen de rode toga van Scaliger, maar waren ook de snorkende titels en inleidingen der toenmalige geschriften, de griezelkraam van het ‘theatrum anatomicum’ en het ‘Wonder en is gheen wonder’ van Stevin of zijn belofte op het titelblad van de Dialectike : ‘Leerende van allen saecken recht ende constelick Oirdeelen; Oock openende den wech tot de alderdiepste verborgentheden der Naturen.’

Van het streven het lekendom te compenseren en ook anderen daartoe in de gelegenheid te stellen is deze Dialectike - en niet deze alleen, want er verschenen ongeveer gelijktijdig nog andere ‘Nederduytsche redekavelingen’ - een opmerkelijke uiting. De inhoud valt de moderne lezer na de titel tegen: het is een schoolse uiteenzetting van de spelregels der redeneerkunst, zoals die in de middeleeuwse wetenschap golden, een eindeloze classificering van alle denkbare soorten bewijs-, sluit- en drogredenen. Maar de bestaansreden van dit boekje dat in 1621 nog eens herdrukt werd, vindt men in het tot ‘den Nederduytschen’ gerichte voorwoord. Daarin zet hij uiteen, ‘dat nadien ick mijne studie ten goede deele der Mathematiken toegheeyghent hadde, so wiert onze verkeeringhe daer deur met den Mathematicienen grooter dan sy anders soude gheweest hebben; 't welck mij oirsaecke was, van onder anderen oock te ontmoeten, verscheyden Persoonen, die Consten dapperlick ervaren, nochtans (hoewel andersins ongheleert) daer toe gecommen, sonder mondelicke onderwijser, hebbende alleenelick door haar vernuft int lesen verscheydener boucken dat begrepen: ja sommighe syn alsoo in de Arithmetike gherocht ter kennisse niet alleen van de ghemeene Regelen, maer

[p. 193]

van de alderwonderlicste Reghel der Reghelen A-l-g-e-b-r-a, de toetse van de subtylheijt des menschelicken verstandts, Andere in de Geometrie, en de Astronomie, tot het begrijp van sware propositiën; Maer alsoo niemandt tot de Conste der Dialectiken.’ Hij vraagt dan naar de oorzaken van dit verschijnsel en vindt die in de onbereikbaarheid van mondeling onderricht voor velen en het ontbreken van een goede handleiding, immers aan de lust tot de dialectiek ontbreekt het de leergierigen niet ‘nademael sij eendrachtelick van allen geleerden hooren, de selve een instrument te wesen der wetenschap, ja sien door de Daet de gheleerden heurlieden daerom te boven gaen’. Of met andere woorden: deze dialectiek was een handleiding in de traditionele geheimtaal der geleerde wereld ten behoeve van met minderwaardigheidsgevoelens beladen autodidacten in de meer zakelijke wetenschappen.

Het is duidelijk, dat Stevin bij de verbreiding der nieuwe wetenschap steeds een tweeledig doel voor ogen staat en dat dat een zuiver zakelijk, onpersoonlijk doel is: de wetenschap toegankelijk maken voor het opkomende lekenintellect en door samenwerking van geleerden en begaafde autodidacten de wetenschap verder brengen. Het weinige wat wij omtrent zijn verhouding tot zijn medemensen weten, betreft overwegend wetenschappelijke contacten.

Op zijn samenwerking met Maurits komen wij nog terug. Hij stond, gelijk we al zagen, in wetenschappelijk verkeer met de predikant-geograaf Plancius, met de mathematicus Nicolaas Petri, de schrijver van een boek: Practique om te leeren rekenen, cijferen ende boeckhouwen , met de mathematicus Ludolf van Keulen van wie hij in zijn verhandeling over de algebra vermeldt, dat hij ook een - hem nog onbekende - methode voor de oplossing van vergelijkingen van de tweede graad moet hebben gevonden, met Lipsius, die hij raadpleegde over de Romeinse legerkampbouw, met Scaliger, die hem inlichtte over het gebruik van de cijfers bij de Arabieren en hem tekeningen van de dierenriem toonde, zoals Arabische kosmografen die gebruikten, met de Delftse burgemeesters Govert Brasser aan wie hij zijn Burgerlyck Leven opdroeg en Johan Hugo de Groot met wie hij proeven over de vrije val deed, met diens zoon, de beroemde Huig die zijn Havenvinding in het Latijn vertaalde en een lofdicht schreef op zijn zeilwagen en met de jonge Willebrord Snellius te Leiden die hetzelfde deed voor zijn Wisconstige Ghedachtenissen . Waar hij in zijn Aardbeschrijving de aantrekkingskracht van de maan aanwijst als oorzaak van eb en vloed, concludeert hij, dat er nog een tweede tegenwerkende invloed is waar te nemen op grond van een groot aantal gegevens, hem door havenmeesters en zeelieden verschaft. Zijn kosmografie was een vurige verdediging van het toen nog fel omstreden stelsel van Copernicus en in zijn Eertclootschrift houdt hij een pleidooi voor wetenschappelijke samenwerking in het algemeen, gedemonstreerd aan de betekenis van uitwisseling van de resultaten van astronomische waarnemingen gelijk die van Tycho Brahe en de landgraaf van Hessen, waarbij hij terloops de mening bestrijdt als zou ‘de stof [der sterrenkunde] te weerdich sijn om van de gemeente ghehandelt te worden en alleen den Vorsten toegestaen’.

In Leiden moet hij ook de jonge stadhouder Maurits ontmoet hebben, in

[p. 194]

wie hij een begaafd en weetgierig leerling voor zijn mathematische en vestingbouwkundige lessen vindt en die op den duur, misschien niet ten bate van het land, geheel beslag zal leggen op zijn werkkracht en vernuft in dienst van 's lands waterstaat, van 's lands defensie en van het economisch beheer van de stadhouderlijke domeinen.

Maar in de overheidsarchieven is maar nauwelijks meer over hem te vinden dan in de Leidse universitaire. Wij kunnen ook daarom slechts gissen, dat het de aanbiedingen van Maurits en mogelijk ook zijn eigen zin voor praktische werkzaamheid zijn geweest die hem hebben weggelokt van een wetenschappelijk centrum waarvan hij een van de coryfeeën had kunnen worden. Het blijft overigens opmerkelijk, dat de Leidse universiteit geen poging - althans geen in schrift vastgelegde poging heeft gedaan Stevin blijvend aan zich te binden. De oorzaken daarvan zullen we zowel in zijn persoon als in zijn vak moeten zoeken. Om te beginnen was Stevin, toen hij in Leiden kwam, een onbekend boekhouder en rekenmeester en geen Europese beroemdheid als bij voorbeeld Scaliger of Lipsius die door de heren curatoren achtervolgd werden met verzoekschriften om naar Leiden te komen, om er te blijven of indien ze daar niet toe te bewegen waren, althans hun naam als trekpleister op de series te laten staan. Verder was de mathematica als academisch leervak zelfs in Leiden toch altijd nog een bijzaak. Pas in 1600 vinden wij vermeld, dat op aandringen van Maurits die in zijn krijgsbedrijven de hulp van goede vestingbouwkundigen had leren waarderen, mr. Simon van der Werven en mr. Ludolf van Ceulen worden aangesteld om ‘in goeder duytscer tale die telconste ende landmeten principalycken tot bevordering van de geenen, die hem souden willen begeven tottet ingenieurscap’ te doceren.

De instructie voor deze opleiding die ook bewaard bleef, is van de hand van Simon Stevin, die in zijn Vita Politica of Borgherlick Leven van 1590 nadrukkelijk de wenselijkheid betoogd had van een academische vorming niet alleen voor juristen, theologen en medici, maar ook voor kooplieden, economen, regeringsambtenaren en ingenieurs. ‘Aengezien,’ staat er in de instructie, ‘dat degenen die dadelijk met Ingenieurshandel omgaen met malkander geen Latijn en spreken of immer seer selden, maer dat men in elk land de lantspraeck gebruikt; soo sullen deze [lessen] niet in het Latijn, François of andere talen gedaen worden, maar alleenlyck in 't Duytsch.’ Dat intussen de ingenieursschool van 1600 nog geen volwaardige academische instelling was, blijkt uit een rekwest door de leerlingen van die school enige jaren later ingediend, waarin zij om vrijdom van accijns, gelijk de studenten die hadden, verzoeken, ‘wanneer syluyden elck van hem bequaem soude wesen, omme haer te connen verantwoorden op de vrachtstukken, hier bij gevoecht’. Uit een ander rekwest van de toekomstige ingenieurs uit omstreeks dezelfde tijd en met naam en beroep der rekwestranten ondertekend, blijkt pas hoe revolutionair Stevins eisen op dit punt waren: naast een aantal ‘ghesworen landmeters’ en één schoolmeester blijken het ‘steenhouwers, timmergesellen en metselaers’ te zijn, voor wie hij de toegang tot de academische waardigheid opeist.

[p. 195]


illustratie
Een pagina uit De beghinselen der weeghconst, Leiden 1586. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.


[p. 196]

Uit het bovenstaande én uit Stevins uitgesproken neiging tot verenigen van ‘spiegeling’ en praktijk laat zich de kortstondigheid van zijn academische loopbaan zo genoegzaam verklaren, dat het nauwelijks zin heeft ons af te vragen of ook Stevins, naar men veelal aanneemt katholieke, geloofsovertuiging hier van invloed is geweest.

Voor zover wij hebben kunnen nagaan, heeft niemand zich over Stevins geloof zorgen gemaakt, voor men in 1845 te Brugge het plan opvatte ter gelegenheid van zijn derde eeuwfeest een standbeeld op te richten en daarover een felle pennestrijd ontbrandde, omdat volgens sommigen Stevin ‘al die eere niet waard geweest, ook protestant geworden, zijn vaderland verlaten en tegen hetzelve de wapenen gevoerd had’. Ook deze polemisten echter zomin als de latere schrijvers over Stevin hebben met zekerheid kunnen uitmaken wat de belijdenis van de uitgeweken Bruggeling geweest is. Nergens is zijn overgang tot het protestantisme vastgelegd, noch of het om den gelove was, dat hij Vlaanderen verliet en zich kort na 1580, mogelijk na zijn zwerftochten door Europa, in de Noordelijke Nederlanden vestigde. Hoogstens mogen we aannemen, dat een overtuigd verdediger van de door de katholieke kerk verketterde leer van Copernicus, zich beter thuis voelde te Leiden dan te Leuven. En aan de Leidse universiteit schijnt men, zeker in de eerste jaren van haar bestaan, veel meer vervuld te zijn geweest van de wetenschappelijke roep der stichting en van de grote mogelijkheden van de bevrijde wetenschap dan van de rechtzinnigheid van studenten en docenten. Tijdens Stevins verblijf in Leiden speelde zich daar de felle strijd af van de rekkelijke predikant Casper Coolhaes die de leer ver achter stelde bij de gezindheid des harten en de ruimdenkende Dirk Volkertz. Coornhert tegen de strenge calvinisten Pieter Cornelisz. en prof. Danaeus. In die strijd stonden zowel de stedelijke als de academische overheid aan de zijde van de eersten en ook in latere tijden, zodra de opwinding van de strijd tijdens het bestand wat geluwd is, krijgt men de indruk, dat niemand zich ernstig druk maakt over de belijdenis der professoren en dat er tegen dissidenten alleen bezwaar gemaakt wordt, wanneer andere grieven of afgunst zich hierachter verbergen of wanneer de synode ingrijpt, als in het geval van de ongedoopte (!) professor in de filosofie De Volder, in 1670 te Leiden benoemd.

Omtrent Stevins geloof zullen wij daarom uit de bemoeienissen van de Leidse heren weinig wijzer worden. We zijn daartoe aangewezen op het weinige dat hij er zelf in zijn geschriften over zegt. En zoals het meer gaat met dergelijke problemen: voor wie de betreffende passages in zijn Burgerlick Leven onbevangen naleest, vervluchtigt de vraag van het dit of dat. Want is het nog van enig belang of de roomse of de Augsburgse confessie verdedigd wordt door een rationalistische ‘gelovige’ die daartoe deze redenering aanvoert: wie kinderen groot brengt, ziet ze graag in eer en deugd opgroeien en tracht dat te bereiken door hun het goede voor te houden, door beloning en straf. Maar kinderen doen allerlei kwaad, dat de ouders verborgen blijft; daarom is het goed hen van jongs af in te prenten, dat er een alziend God is die zich niet om de tuin laat leiden en goed en kwaad steeds vergeldt, zodat ‘daer wortelt in haer een heftige vreese ter eender, ende hoope ter ander syde,

[p. 197]

die als een swepe hun met gewelt van de boosheyt jaeght, ende tot de deught stout’, het aangewezen middel tot het kweken van ‘vrome burgers, uyt welcke ooc vrome Regierders gecoren worden’. Zie daar de oude natuurkracht van de vreze Gods door de praktische geest van de ‘vernufteling’ gekanaliseerd en met een zo groot mogelijk rendement uitgebaat.

‘Daerom soo u herte seght, daer en is geen God (dat schrickelick is) doedet de mont swijgen om u kinders wille, die ghy geerne saecht in deught ende eere opwassen, om de gemeentens wille, diens welvaert oock de uwe is.’

Uitgaande van dit onmisbaar nut der religie zet hij in een volgend hoofdstuk uiteen ‘Hoe men hem in de Religie Burgerlick [d.i. als een goed burger] dragen sal.’ Hij gaat daarbij uit van de stelling die de grondslag is van zijn hele beschouwing over het ‘burgerlick leven’, dat voor alles alle troebelen en geweld vermeden moeten worden en men zich dus altijd te onderschikken heeft aan de overheid die de facto het gezag in handen heeft. Vandaar dat volksopstanden, gelijk die der wederdopers in ieder geval te veroordelen zijn: onderdanen die tegen de overheid in verzet komen, dienen, willen ze zich ‘burgerlick’ gedragen, buitenslands te gaan en van daaruit voor hun zaak te strijden. In geval van geschillen tussen overheidspersonen, dient men na rijp beraad partij te kiezen tegen de partij die de wetten en het recht geschonden heeft. Naar deze wat simplistische stelregel kan men wat de religie betreft alleen vrijelijk zijn geloof belijden, waar de overheid dat toestaat, wie geen geloof heeft, zwijgt, wie een ander geloof heeft, belijdt dat in stilte zonder het gezag afbreuk te doen. Wie meent dat een dergelijke onderwerping in strijd is met het ‘God meer onderdanig zijn dan de mensen’ en de plicht anderen van hun dwalingen af te brengen, welnu, ‘treckt naer eenige plaetsen, daer wilde Lieden sonder Religie woonen, 't welck ook Menschen sijnde, soo doet daer in haer zielen ofte zalicheyt te winnen, dyn uiterste beste, 't welck geschieden sal sonder overtredinge der Godswetten dier Landen, overmits datter geen en sijn’.

Me dunkt dat het bovenstaande voldoende is om te doen zien, dat het niet meer dan een verre benadering van de waarheid is, wanneer men Stevin, gelijk wel gebeurt, als een verdediger der verdraagzaamheid gelijk Erasmus en Coornhert eert. Hier spreekt niet de verdraagzaamheid om zich zelfs wil, maar het verlangen naar rust en orde, de afkeer van storend rumoer en conflict van de man met één grote brandende belangstelling: zijn werk, de rationalistische mechanicus die alles zo doeltreffend mogelijk en met zo min mogelijk wrijving wil laten draaien. Ziet hoe hij in ‘Der Raden Oirden’ ( Burgherlicke Stoffen ) een ideaal staatsbestel ontwerpt, waarbij de instanties als de raderen van een uurwerk in elkaar grijpen en het onderwijs in elkaar controlerende ‘trappen’ ingedeeld met de ‘gemeenschool’ [universiteit] aan de top, een kweekplaats der loyaliteit wordt ‘om met oirden de jonckheydt te doen opvoeden na de regelen die den vorst of Hoochoverheyt stelt, en te weeren 't geene datter tegenstrijdt, waer uyt men sulcke nut soude meugen trecken, alsmen in dergelycke deur ervaringh by de Jesuyten siet getrocken te worden’.

Deze neiging tot ordenend ingrijpen bewijst al, dat hij zijn werk, de taak

[p. 198]

die hij zich stelt, ruimer ziet dan die van de kamergeleerde die met rust gelaten wil worden. Slechts een klein gedeelte van zijn werk - en het is tekenend voor zijn genialiteit, dat het niet het minst oorspronkelijke is - houdt zich met abstract wetenschappelijke problemen bezig. Bijna altijd vloeit zijn vraagstelling en vaak ook zijn vondst uit de praktische ervaring voort, herhaaldelijk zet hij zijn theoretische vondst zelf dadelijk in een toepassing om en neemt de verbreiding daarvan ter hand, terwijl hij bovendien een bijzonder talent heeft voor het praktisch doordenken van ideeën die anderen hebben opgeworpen zonder ze in hun consequenties te vervolgen. Zie bij voorbeeld zijn ‘vondst’ van de decimale breuk en het tientallig stelsel. De kerngedachte van de decimale breuk was reeds in de 15de eeuw door Regiomontanus (Johan Müller uit Koningsbergen) gevonden. Stevin zelf die dat - overigens enige jaren na het schrijven van zijn Thiende - ontdekte, liet niet na het te vermelden. Maar Stevin ziet pas tot het einde toe welke mogelijkheden hier schuilen, gelijk zijn titelblad vermeldt: ‘door ongehoorde lichticheyt allen rekeningen onder den Menschen noodlich vallende afveerdighen door heele ghetalen sonder ghebrokenen.’ Hij draagt zijn werk niet, zoals toen veelal gebruikelijk was aan de een of andere beschermer op, maar aan: ‘den Sterrekijkers, Landmeters, Tapijtmeters, Wijnmeters, Lichaemmeters int ghemeene, Muntmeesters ende allen Cooplieden’ van wie hij terecht verwacht, dat zij groot nut kunnen hebben van zijn vondst. Liefst zou hij zien, dat de overheid nu ook maar meteen het decimaalstelsel voor maten en gewichten invoerde, maar hij is realist genoeg om daar zelfs niet op aan te dringen en de zegeningen daarvan aan ‘onsen Naercommers’ over te laten die, wanneer de mens zich zelf gelijk blijft, een dergelijke besparing van ‘cost en arbeydt’ niet versmaden zullen. De mathematici bleken wel toegankelijk voor de voordelen van Stevins vinding. In Frankrijk, Duitsland en Engeland komen enige jaren later geschriften uit, die met of zonder vermelding van de naam van de uitvinder de decimaalrekening aanbevelen; de Engelse bewerker kondigt zelfs zijn plan aan om op een soort propagandareis langs de grote steden demonstraties te geven van het stelsel.

Juist deze voor de ‘naercommers’ zo vlak voor de hand liggende overdracht van een vruchtbare gedachte op een ander gebied van het menselijk denken en bedrijf blijkt telkens weer het merkteken van de genialiteit. Een tweede bewijs van Stevins genie kunnen we daarom zien in de toepassing van de in de 16de eeuw gangbaar geworden dubbele koopmansboekhouding op het beheer van domeinen en vervolgens op de staatsfinanciën. Maurits bleek het eerst toegankelijk voor zijn adviezen in deze en vertrouwde hem het - zeer verwarde en achterop geraakte - beheer van zijn domeinen toe. In 1608 geeft hij zijn Vorstelicke Bouckhouding op de Italiaensche Wijse uit, opgedragen aan Hendrik iv's minister Sully die ook een dankbaar gebruik van Stevins raadgevingen had gemaakt in zijn streven tot ordening der koninklijke financiën, duchtig gehavend door wanbeheer en oorlogskosten tijdens de godsdiensttwisten. In die opdracht vertelt hij hoe het hem is opgevallen dat, terwijl de kooplui door hun boekhouding een voortdurende controle hebben op de stand van hun bezit en het doen en laten van hun kassiers, de vorst

[p. 199]



illustratie

De zeilwagen van Simon Stevin. Anonieme ets. Atlas Van Stolk, Rotterdam.


[p. 200]

hoogstens eenmaal per jaar een ‘slot van rekening’ wordt voorgelegd, dat hij gewoonlijk op goed geloof moet aanvaarden, met het gevolg, dat er heel wat meer ‘vorstelijcke penningmeesters’ rijk worden dan koopmans-kassiers en de vorsten veel meer met ‘banckquerouten en quade schulden’ te kampen hebben dan de kooplui. Door zijn werkzaamheid, eerst in de koophandel te Antwerpen, dan in ‘het financiewezen van het Vrije van Brugge is hij op de gedachte gekomen, dat de koopmansboekhouding zich zeer wel op die van domeinen en staatskassen laat toepassen en deze gedachte, het eerst en met succes in praktijk gebracht op de stadhouderlijke domeinen, werkt hij in zijn boek uit na een beknopte inleiding waarin hij het wezen van de koopmansboekhouding uiteenzet.

Een van de octrooien aan Stevin door de Staten verleend, betrof een verbeterd type watermolen (1586). De plaatsing van een aantal van die molens is waarschijnlijk zijn eerste overheidsopdracht geweest. Was deze opdracht of hun gedeelde belangstelling voor de wiskunde de eerste aanleiding tot zijn kennismaking met prins Maurits? Wij weten alweer onbegrijpelijk weinig van de persoonlijke betrekkingen tussen Maurits en de man die eerst zijn leermeester, daarna zijn voornaamste helper is geweest én in het beheer van zijn persoonlijk budget én in wat zijn levenstaak werd: het terugdringen van de Spaanse legers van het gebied van de Republiek. Wat was daarbij zijn staat en functie? Wij vinden hem herhaaldelijk aangeduid als ‘ingenieur’ in dienst van Maurits. Wanneer in 1603 de Quartiermeester-Generaal van het leger, die ontslag neemt, door een nieuwe wordt vervangen (beiden heren met een adellijke titel), dringt Maurits er bij de overheid op aan, dat Stevin een salaris van 50 pond 's maands zal worden toegewezen ‘al affteeckenaer der Quartieren in het Leger; 't welck hij niet langer om niet en behoorde te doen gelijck hij nu tien jaar gedaen hadde’. Na enige strubbelingen krijgt hij inderdaad een beperkte aanstelling naast de ‘Quartiermeester absolut’. Er zijn geen stukken die op een latere promotie wijzen; integendeel, een jaar voor zijn dood wordt afwijzend beschikt op een verzoek om salarisverhoging als Quartiermeester en het moet dus of een vergissing of een tikje bluf zijn, wanneer Hendrik Stevin zijn vader met de titel van Quartiermeester-Generaal siert.

Uit de jarenlange samenwerking van Stevin en Maurits kan men een vriendschapsverhouding vermoeden, maar deze laat zich nauwelijks beluisteren in de formeel eerbiedige vermeldingen van opdrachten aan ‘Zijne Vorstelicke Genade’ in de voorberichten van zijn werken, in het bijzonder van de Wisconstige ghedachtenissen, Inhoudende 't ghene daer hem in gheoeffent heeft Den Doorluchtichsten Hoochgeboren Vorst ende Heere, Maurits, Prince van Oranje, enz. enz. van 1608 en gelijktijdig als Hypomnemata mathematica in een Latijnse vertaling van Willebrord Snellius, als Mémoires Mathématiques in een Franse van Jan Tuning verschenen. In die inleiding zet Stevin uiteen, hoe hij voor de van beleg naar beleg voorttrekkende Maurits zijn lessen in mathematica, kosmografie, enzovoort en hun gezamenlijke vondsten op schrift had gezet en Maurits deze geschriften steeds met zich voerde op zijn expedities ‘niet sonder perikel van te meughen verloren wor-

[p. 201]

den, te meer dat die reysen de crychfortuynen gemeenelick onderworpen waren’. Daarom en ook om ze voor anderen toegankelijk te maken, besloot Stevin ze te laten drukken. Opmerkelijk en tekenend voor de persoonlijke relatie van beide mannen is ook, dat Snellius Stevin niet aanduidt als de kwartiermeester van het Staatse leger, maar als ‘minister’ (dienaar) van de prins en dat ook andere tijdgenoten hem in de eerste plaats als Maurits' mathematicus kennen.

Stevins belangrijkste, althans zijn theoretisch belangrijkste publikaties, waarop wij straks nog terugkomen, liggen vóór zijn benoeming tot kwartiermeester van het Staatse leger. Wat ons niet behoeft te verwonderen, als wij in zijn Onderscheyt van de Chrychspiegeling lezen, waaruit de taak van deze functionaris bij een leger te velde bestaat: ‘Hij heeft onder hem als onghemiddelde Amptlien de logierders der groote hoopen, die hier tot acht gestelt sijn, als vande Crychsoverst met vreemde Heeren, voort van Voetvolck, Ruyterije, Amptlien gheen Crychsvolck wesende, voort Crychtuych, Leeftocht en het buytendienstich naghevolch, als Cramers, Cooplien, Herbergiers, Ambachtslien en diergelhijcke. - Des Opperlogierders werck is, int reysen an elcken Logierder der hoopen te segghen, op wat Dorp of plaets haer Volck legghen sal en op heurlien toe te sien tegens alle misvallen en bedroch datter mocht ommegaen.’

Ongetwijfeld had Maurits een goede keus gedaan, toen hij het altijd raad wetend vernuft van Stevin deze functie opdroeg bij een leger, dat heel de wereld verbaasd deed staan door zijn geordende beweeglijkheid. Maar het is begrijpelijk, dat de man die deze functie op zich nam voor de theoretische wetenschap vrijwel verloren ging en zijn werk na ongeveer 1590 meer en meer het karakter krijgt van het te boek stellen van praktische ervaringen. Te meer, wanneer we zien, dat het niet bij deze éne functie blijft; afgezien van Maurits' domeinbeheer, is hij belast met de ‘legermeting’, de bouw en inrichting der kampen waarin naar Maurits' stelsel de troepen doorlopend geoefend werden en blijkt hij de ziel te zijn geweest van de vestingbouw van het Staatse leger: in het bijzonder het systematisch gebruik van het water als verdedigingsgordel staat op zijn naam ( Stercktebouw door Spilsluizen , 1617). In de opdracht aan de Staten in zijn Castrametatio schrijft hij over de aanleiding tot het publiceren van dit werk: ‘Ooc heeft mij gedocht mijn beroep zulck te vereysschen, om dattet u Hooghmogende Heeren belieft heeft mij van de Leghermeting den last te gheven.’

Blijkbaar was het ook Maurits' bedoeling hem met het oppertoezicht van de vestingbouw officieel te belasten, maar hebben de heren Staten het instellen van een dergelijk ambt tijdens het Bestand niet noodzakelijk gevonden. Van een benoeming althans is niets bekend, maar in de bundel Burgherlicke Stoffen (Materiae politicae) in 1649 door Stevins zoon Hendrik bezorgd, vinden we ‘seker Request van mijn Vader Zal.’ vermeld, dat deze, naar Hendrik meent, in overleg met Maurtis tot de Staten zou hebben gericht, waaruit hij deze woorden aanhaalt: ‘Nu so ist dat eenighe achten hoognoodig te wesen, yemant te stellen, die generale toesicht op de sake der fortificatie neemt, ghelyck in ander landen, die een Superintendent daer over hebben. 't

[p. 202]

Welck bij aldient daer toe comt, en datter gheen ander bequamer toe ghevonden en wordt, soo presenteert den Remonstrant daer toe ootmoedelick sijnen dienst.’

Dit sobere rekwest is wel zeer kenmerkend voor de mens Stevin, zoals wij hem ook door de zakelijke toon van zijn werk heen, kunnen leren kennen. Een mens wiens hele eerzucht in het buiten-persoonlijke ligt, in de dingen waar het om gaat. Geen aanzien, geen eerbewijzen, geen ‘positie’ streeft hij na; in een tijd waarin iedere fortuinlijke koopman of stadsbestuurder naar de afgedragen titulatuur van de adel vist, blijft deze zakelijke man-van-de-geest en gunsteling van ‘Zijne Vorstelicke Genade’ tot zijn dood toe ‘seigneur Stevin’ en vraagt hoogstens de functie waarin zijn werk tot zijn recht kan komen. Om de waarde van zo een mens te bepalen vindt men geen norm in het eerbetoon van zijn tijd, die is alleen in zijn werk te vinden.

De geschiedenis der wetenschappen is een nog maar spaarzaam ontgonnen terrein. Wie in 't kort de verdiensten wil samenvatten van een genie van ruim drie eeuwen her, gelijk Stevin, stuit daardoor op verschillende moeilijkheden.

1 Ontbreekt het vaak aan gegevens of althans aan geordende en toegankelijke gegevens.

2 Laat zich niet gemakkelijk ontwarren wat oorspronkelijke vondsten zijn en wat geheel of ten dele van anderen overgenomen is.

3 Zet de wedijver der grote geesten zich vaak in verhevigde mate in hun latere bewonderaars voort, waardoor de objectiviteit van de discussie bedenkelijk in gevaar gebracht wordt door chauvinisme of vak-eigenwaan, ja, gelijk we al zagen, zelfs door kerkelijke vooringenomenheid.

Wat het eerste betreft: al bleken onze biografische gegevens over Stevin uiterst schaars, zijn werk liet hij ons, zo niet volledig dan toch naar wij mogen aannemen wel voor het overgrote gedeelte, in druk na. Zijn trouwhartige bronvermeldingen, zijn geneigdheid het doel boven het succes te stellen, zoals dat ook uit zijn pleidooi voor wetenschappelijke samenwerking blijkt, geven ons zekere waarborgen bij het afperken van zijn aandeel in de ontwikkeling der vele door hem beoefende wetenschappen. Bovendien bezitten we op dit punt een uiterst betrouwbare gids sinds het verschijnen van het werk van Dijksterhuis. Wat ten slotte de objectiviteit van zijn historiografen aangaat, al te bont hebben zij het niet gemaakt: het gebied der wetenschap is niet de vruchtbaarste bodem voor de romantische legendevorming of heldenverering. Er is dan ook maar één Brugge dat zich erop beroemt zijn geboorteplaats te zijn, en de twijfel of Den Haag of Leiden zijn gebeente bergt, komt eerder voort uit het rumoer der binnenlandse twisten te midden waarvan hij stierf dan uit stedelijke naijver. Zijn inmiddels tot stof vervallen zeilwagen liet een groter roep na dan zijn meer blijvende scheppingen en hier en daar een klein krakeel tussen vakgeleerden over de prioriteit van zijn vondsten heeft die roep gebaat noch geschaad.

Het veelzijdig oeuvre van Stevin laat zich in drie groepen indelen waarvan het nageslacht die van de mathematisch-natuurkundige werken zeker als de belangrijkste en oorspronkelijkste zal zien, terwijl zijn tijdgenoten, die nog

[p. 203]

moeilijk de baanbrekende waarde daarvan konden onderkennen, vooral die van de toegepaste kennis in techniek en organisatie bewonderd zullen hebben. Een derde groep vormen de meer beschouwelijke werken die misschien wel het meest om historische waardering vragen, maar waarin toch ook nu nog een grote mate van gezond verstand opvalt, een zeer zuiver en pittig taalgebruik en een gerede aanvaarding van nieuwe toestanden en nieuwe gedachten.

Van zijn zuiver mathematisch werk liggen de grootste verdiensten in de uitvoering van de berekening met behulp van decimale breuken, zoals hij die uiteenzette in De Thiende (1585) en in zijn verdere werk toepaste en in wat we zouden kunnen noemen het bruikbaar maken van de algebra, waarvan het allereerste begin teruggaat op Diophantos van Alexandrië en zijn Arabische opvolgers.

Stevin kwam bij de optekening van zijn decimale breuken nog niet tot het gebruik van de komma, die later door de Engelse wiskunstenaar Briggs is ingevoerd. Hij schreef bij voorbeeld 378,54:

(0) (1) (2)  
      of wel 378 (0) 5 (1) 4 (2)
378 5 4  

In zijn in 't Frans geschreven Arithmetica van 1585 nam Stevin de vertaling op van de vier eerste der zes boeken over de algebra die ons van het werk van Diophantos bewaard bleven, ‘laissant le cinquième [volgens het voorbericht] et le sixième pour empêchement d'autres occupations plus nécessaires’, maar de latere bewerker van de Franse uitgave van zijn werk Girard, die boek v en vi eraan toevoegde, waagt de gissing ‘Soit que le temps ou, ce qui est plus apparent, que les grandes difficultés qui se rencontrent aux derniers livres de Diophante, ayent empêché le translateur d'en parachever la version’. Beide motieven laten zich nog wel rijmen: het is niet onmogelijk, dat Stevin die zeker meer mathematicus dan latinist was, de verdere vertaling uit een zeer corrupte Latijnse tekst als al te tijdrovend heeft opgegeven.

De algebra zoals Stevin ze hier vond en waarin hij dadelijk de ‘Regel der Regelen’ erkende, was onhanteerbaar, omdat haar een tekenschrift ontbrak. Stevin schiep daartoe een stelsel, dat reeds alle essentiële vondsten bergt van dat van latere mathematici (o.a. van Descartes en Newton), waaruit het huidige ontstond. De eerste macht van een willekeurig getal schreef hij: (1), de tweede: (2), dus 3(1) + 5(2) - 7(3)= 3a + 5a2 - 7a3; een macht van een tweede getal werd: sec.(1), sec.(2), enz., van een derde: ter(1), ter(2), enz. In deze richting doordenkend komt hij ertoe wortels aan te geven door in een cirkeltje geplaatste breuken. Met dit apparaat maakt hij de algebra tot een werktuig voor praktische becijfering: in de ‘Appendice Algebraïque’ van zijn Mathématique ontwerpt hij een algemene methode voor de oplossing van vergelijkingen van iedere graad.

Het lot van dit gedeelte van Stevins werk bewees hoe gerechtvaardigd zijn

[p. 204]

eis van internationale, wetenschappelijke samenwerking was: zijn algebraïsch werk vond in zijn abstractie bij zijn tijdgenoten nog weinig begrip en de latere mathematici lieten het onder het stof liggen en vatten zijn problemen opnieuw aan. Stevins meest oorspronkelijke schepping, die én door zijn genialiteit én door zijn onmiddellijk ingrijpen in de praktijk, veel meer de aandacht trok, is zijn Weeghconst, oorspronkelijk in drie boekjes uitgegeven: Beghinselen der Weeghconst, De Weeghdaet (‘daet’ is bij Stevin: praktijk tegenover spiegeling = theorie) en Beghinselen des Waterwichts.

Met deze drie kleine boekjes werd Stevin de schepper van de moderne statica en hydrostatica. Sinds Archimedes immers waren deze wetenschappen vrijwel algemeen als voltooid beschouwd en daardoor geen stap verder gekomen. Door een samengaan van waarneming en experiment met een buitengewoon scherpzinnige redenering doet Stevin hier een reeks ontdekkingen van zo ingrijpende aard, dat wij hem en zijn jongere tijdgenoot Galilei de grondleggers der moderne natuurkunde kunnen noemen. Stevins grote vondsten op het gebied van de statica en de hydrostatica zijn ten eerste zijn theorie van het evenwicht op het hellend vlak, de bepaling van de vaste verhouding tussen ‘macht’ en ‘last’; ten tweede de ontbinding en samenstelling van krachten, aangegeven door lijnen (z.g. parallellogram der krachten), in het platte vlak en in de ruimte; ten derde het bewijs, geleverd door de met Joh. de Groot te Delft ondernomen valproeven, vóór de beroemde proeven die Galilei zijn professoraat te Pisa kostten, dat de valsnelheid niet afhankelijk is van de massa, zoals Aristoteles meende en men hem eeuwenlang had nageschreven; ten vierde de z.g. hydrostatische paradox, nl. dat de horizontale druk van een vloeistofkolom, onafhankelijk van gewicht of vorm, evenredig is met basis × hoogte. Uit zijn Waterwicht is bovendien duidelijk, dat hem de gelijkheid van de druk in alle richtingen in een vloeistof bekend was, een wet die eerst door Pascal in een formule zou worden vastgelegd. Alsof dit alles aan vondsten nog niet genoeg was, heeft Stevin zich ook met de berekening van de druk van gassen beziggehouden, maar dit gedeelte van zijn werk Het Lochtwicht bleef manuscript en ging helaas verloren.

Zijn geschriften over de optica, het perspectief, de geometrie en de trigonometrie zijn ondanks tal van kleine vondsten en praktische aanwijzingen voor de landmeters van zijn tijd, minder oorspronkelijk dan de voorgaande.

Zijn astronomie is een solide en scherpzinnige verdediging van het stelsel van Copernicus. In zijn geografie ( Eertclootschrift ) treffen ons twee passages: in de eerste plaats zijn eb- en vloedtheorie, waarin voor het eerst op goede gronden en na het zorgvuldig verzamelen van gegevens betoogd wordt, wat alleen Plinius tot nu toe als vermoeden had uitgesproken: dat de vloed op de aantrekkingskracht van de maan terugging.

De tweede is de in de latere uitgave van zijn Eertclootschrift opgenomen Havenvinding, in 1699 afzonderlijk verschenen, dadelijk door Huig de Groot in het Latijn vertaald en kort daarna ook in het Engels uitgegeven, een nu verouderde, maar voor zijn tijd zeer praktische handleiding voor de plaatsbepaling op zee.

Tot Stevins werken over toegepaste wetenschap moeten we zowel de boek-

[p. 205]



illustratie

De ‘grontteyckeningen’ van een poort en een bolwerk in De sterctenbouwing, Leiden 1594. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.


[p. 206]

houdkundige van zijn eerste tijd als die van de latere vestingbouwkundige en kwartiermeester rekenen. De koopmansboekhouding kan hem nog altijd dankbaar zijn voor de popularisering van de Italiaanse methode hier te lande en vooral voor zijn decimaalstelsel; het financiewezen van de moderne staat is een zo samengesteld bouwsel geworden, dat Stevin er nauwelijks zijn schepping in herkennen zou. Toch heeft hij er de grondslagen van gelegd.

De krijgskunde is een wetenschap die door haar gebondenheid aan praktische resultaten in telkens andere omstandigheden, snel veroudert en zeer wisselvallig is in haar waardebepaling. Ten aanzien van de bepaling van Stevins bijdrage aan deze wetenschap, stuiten we bovendien op de moeilijkheid, dat het werk van Maurits en zijn ‘mathemathicien’ moeilijk te scheiden is. Zeker is, dat door beider werk zowel in de vestingbouwkunde als in de legerorganisatie de jaren 1590-1620 een nieuw tijdperk, en dat niet alleen in de Nederlanden, markeren. Zeker is ook voor wie Stevins Stercktebouw, Legermeting en Crychspiegelingh leest, dat dit rustig rusteloze vernuft dat iedere praktische moeilijkheid tot in haar theoretisch probleem doorlicht én oplost, een belangrijk aandeel in deze vernieuwing moet hebben gehad.

Van Stevins architectonische studies: Van de Oirdening der Steden en Van de Huysoirdening bleven slechts fragmenten bewaard. Dat is te meer te betreuren, omdat Stevin hoogst waarschijnlijk niet alleen de eerste Nederlander was die over bouwkunde schreef, maar bovendien in het algemeen een van de eersten, zo niet de eerste schrijver die zich theoretisch verdiepte in de bouw en de groepering van de burgerwoning. Men moet ten aanzien van het werk van Stevin eer van bouwkunde dan van bouwkunst spreken, want wel toont hij zin voor verhouding en evenwicht, maar de verfraaiing van het bouwwerk, de tegenstelling van stijlen heeft zijn aandacht niet. Hij verwerpt alle doelloze zuiltjes en pilasters evenals alle klassieke autoriteit en vraagt uitsluitend naar de voorwaarde van de grond waarop, het klimaat waarin, de mensen waarvoor gebouwd wordt: wat in Rome mooi was, kan in Moskou belachelijk zijn.

Beschilderde ruiten zijn mooi, maar nemen veel licht weg en niet ieder kan zich veroorloven ze passend te laten herstellen, wanneer ze breken. ‘Wat lelicke monsters belangt, gemengt van menschen- en beesten-leden met ansichten yselick greinsende, en bevallen my int cieraet niet, eensdeels om datse sorgelick sijn voor bevruchte Vrouwen; Ten anderen hoewel des Werckmeesters suyver hant daer in blijcken can, soo isser weynich const inden omtreck van dingen die an geen seker natuerlicke maet en stant verbonden sijn.’

Stevin geeft geen architectonische modellen, maar gaat punt voor punt de problemen na die zich voor kunnen doen bij het ontwerpen van een stadsplan en bij de burgerlijke woningbouw. Hij ontwerpt zijn stad met rechte straten en grachten en zo, dat geen burger ongerieflijk ver van markt, kerk of stadspoort verwijderd woont, met overkluisde riolen en overluifelde trottoirs. Zijn pleidooi voor het systematisch aanbrengen van luifels aan de huizen is even menslievend als nuchter menskundig en daarom waard vermeld te worden: ‘Als de Son heet schijnt so canmen op d'een of d'ander sijde in de coele schauwe gaen. Al 't welck niet alleen en sijn anghename dinghen voor de

[p. 207]

Rijcken, maer oock tot voordeel der Aermen die de cost moeten winnen algaende langs de straten, wiens cleeren eens doorreghent sijnde tottet lijf toe, gheen ander drooge en hebben, om aen te trecken, diens cousen en schoen in de modder haest verslijten en gheduerlick met natte voeten gaen, veroirsakende veel sieckten die daer uit volghen, welcke smettelick sijnde, van hemlien totte Rijcken wel geraken. Daerom als de Rijcken het bouwen sulcker Looven int ghemeen hielpen voorstaen sy souden hun eygen saken oock bevorderen.’

Men zegt, dat Batavia naar Stevins plan gebouwd is en inderdaad tonen tekeningen en plattegrond van de oude stad verwantschap met zijn ontwerpen: niet aan Stevin echter, maar aan zijn slechte leerlingen die een West-europees stadsplan in de tropen uitvoerden, dankt de stad haar latere naam van kerkhof der Hollanders.

De huizen groepeert Stevin tot blokken, afgesloten tegen inbraak en inklimming, de kamers zo, dat overal ‘vrijlicht’ invalt zonder kans op ‘inkijk’ van buren en voorbijgangers. Het bewaard gebleven deel der Huysoirdening geeft een reeks praktische wenken over de indeling, kelderbouw, watervoorziening, reukloze ‘heymelicken’, dakbedekking, afsluiting, enzovoort. In het hoofdstuk over het boren van putten is een korte uitweiding opgenomen over het boren van een put van 232 voet diep in 1605 op het terrein van het Oudemannenhuis te Amsterdam verricht. Daarbij was zorgvuldig aantekening en meting gedaan van de aangeboorde grondlagen en Stevin toont opnieuw zijn scherp begrip voor wetenschappelijke perspectieven, waar hij dit eerste begin van geologisch onderzoek onder de ‘groote vonden, niet alleen van onsen tijden’ rekent. Verloren gingen de hoofdstukken over bouwmaterialen, funderingen, constructie van trappen, gewelfbouw, enz. Het gehele werk moet een treffend voorbeeld geweest zijn van technische kennis, onafhankelijkheid van oordeel en ordeningshartstocht.

Die zelfde ordeningshartstocht is de drijfkracht van zijn meer beschouwelijk staatkundige werken, van zijn al eerder genoemd Burgherlick Leven met een tegen Machiavelli gekeerd aanhangsel: ‘Oftmen om best te regieren, de deucht met boosheyt moet menghen of datse daer af onbesmet moet wesen?’, Van der Raden Oirden en Van de Amptlien Kiesing en ghemeene Anclevingen der Ampten, twee beschouwingen over bestuursorganisatie en de merkwaardige Regel op Gesantterie in 1610 op verzoek van Maurits door zijn ordescheppend geniaal factotum opgesteld, toen hem de verwarde verslagen van terugkerende gezanten, het tijdverlies in het bij elkaar zoeken en ordenen van hun papieren begonnen te verdrieten. In dertien kleine bladzijden zet Stevin de heren gezanten de pen op de neus: uw instructie, uw geloofsbrieven, volmacht, verslagen en kostenberekening, zo en zo ingedeeld, zo en zo geformuleerd, zo en zo verantwoord. Tot het ‘tauken, dat men lichtelick mach binden en ontbinden’ om de stukken bij elkaar te houden, heeft zijn aandacht! Heeft hij wellicht François van Aerssen aanschouwelijk onderwijs gegeven in een praktische knoop?

 

Aan het begin van deze beschouwing hebben we ons afgevraagd in hoeverre

[p. 208]

Simon Stevin (als Vlaming) in deze bundel thuishoort en die vraag bevestigend beantwoord. Nu - aan het eind - rijst die vraag opnieuw, maar van een ander gezichtspunt uit. Stevin liet zijn geschriften grotendeels in druk, maar gedeeltelijk ook in handschrift na. Van die handschriften is weinig terechtgekomen. Op bijna zestigjarige leeftijd was hij nog getrouwd met de veel jongere Catherina Krai die bij zijn dood in 1620 met twee dochters en twee zoons achterbleef. De oudste zoon Frederik die jong gestorven is, kreeg zijn opleiding van de bekende natuurfilosoof en pedagoog Isaäc Beeckman, en het schijnt dat deze en anderen van moeder Catherina, die zelf na twee jaar hertrouwde, verlof hebben gekregen om naar hartelust te grasduinen in Stevins nalatenschap. Het gevolg was, dat toen de tweede zoon Hendrik die bij de dood van zijn vader pas zes jaar oud was, op een leeftijd kwam, waarop hij, zelf een niet onbegaafd wiskunstenaar, zich voor die papieren erfenis ging interesseren, er niet meer over was dan een ordeloze hoop fragmenten, die Hendrik naar zijn beste weten uitgaf.

Zo kwamen een aantal vondsten van Stevin in het geestelijk bezit van Beeckman terecht om vandaar te verhuizen naar dat van zijn vriend en correspondent Descartes die, zoals later uit hun briefwisseling is gebleken, er geen bezwaar in zag de ideeën, die de Dordtste rector hem aan de hand deed, voor de zijne uit te geven.

Stevins gedrukte geschriften lagen ten dele begraven in de taal die zijn trots was geweest, en ook de Franse en Latijnse vertalingen die ervan bestonden, voerden niet tot die internationale wetenschappelijke samenwerking die Stevin als ideaal had voorgezweefd. Zo werden verscheidene van zijn belangrijkste ontdekkingen door Newton, Pascal, en anderen overgedaan en als de hunne bekend.

Een paar eeuwen lang leefde de naam van Stevin slechts voort als die van de medewerker van Maurits en de schepper van de wonderbaarlijke zeilwagen, die beladen met achtentwintig adellijke heren van Maurits' hofhouding in twee uur van Scheveningen naar Petten zeilde.

En hier ligt onze vraag in zijn nieuwe vorm: kunnen wij Stevin nog tot de erflaters onzer beschaving rekenen, waar zoveel van de schat die hij naliet, ongebruikt bleef liggen tot de munt niet meer gangbaar was? Ook hier kan het antwoord positief zijn. Niet omdat een piëteitvol eerherstel gegrond op zorgvuldige lectuur van zijn geschriften Stevin de plaats in de ontwikkeling der exacte wetenschappen heeft toegekend, waarop hij recht had. Daar mag de nationale trots mee gebaat zijn, ons beschavingsbezit wordt er niet groter mee. Maar een geest als Stevin liet niet alleen het papieren geld van zijn boeken aan zijn volk en de mensheid na, maar ook de pasmunt en het zilvergeld, dat hij dagelijks met handen vol heeft uitgegeven en dat door de eeuwen heen van hand tot hand is gegaan. Het is de afgesleten en naar het soms schijnt in een zoveel ‘diepzinniger’ tijd als de onze waardeloos geworden munt van het rationalisme, maar die in wezen nog niets van zijn waarde aan gezond verstand, denkmoed en menselijkheid heeft ingeboet en waarvan het inschrift ‘Wonder en is gheen wonder’ nog altijd duidelijk leesbaar is.