|
|
|
| |
| | | | | |
Wonder en is gheen wonder
Simon Stevin van Brugge, gelijk hij zich zelf
steeds met vermelding van zijn geboorteplaats placht te noemen, is een van
de zeer vele Zuidelijke Nederlanders, Vlamingen en Brabanders, geweest die
een belangrijke rol hebben gespeeld in het politieke, economische en
culturele leven van de jonge Republiek waarvan de geschiedenis zonder de
namen van Marnix, Plancius, Usselincx, Bogerman, Stevin en De Geer er
wezenlijk anders uit zou zien. Wij menen daarom door ook hem op te nemen in
deze portrettenreeks niets te kort te doen aan een Belgisch nationalisme,
dat hem graag als coryfee der Belgische wetenschap opeist.
Men zou nog een tweede, minder principiële reden kunnen aanvoeren om Stevin
uit deze reeks weg te laten: de gegevens over hem zijn schaars,
onbegrijpelijk schaars voor een man, wiens verdiensten toch ook door zijn
tijdgenoten niet miskend zijn en die jarenlang gewichtige ambten in dienst
van de Staten en de stadhouder bekleed heeft. Hóé schaars weten we eigenlijk
pas sinds Dijksterhuis in zijn meesterlijk boek
over Stevin (1943) een aantal traditionele gegevens over zijn leven op grond
van archiefstudie naar het rijk der fabelen of althans der onzekerheden
verwees. Die sobere informatie geldt overigens niet voor Stevin alleen: we
zijn al eerder op deze biografische zwakte van onze vaderlandse geschiedenis
gestoten. Kon men voor zover het de laat-middeleeuwse figuren betrof daarbij
nog aan een algemene beperktheid der historische gegevens denken, wanneer
met de renaissance het persoonlijke element in het cultuurleven zoveel meer
naar voren komt, wordt ons dat tekort als een typisch Nederlandse trek
bewust. In wat ons van het levensverhaal van onze grote zestien- en
zeventiende-eeuwers is overgeleverd, blijft alles wat naar het anekdotisch
verhalende of naar uitstorting van het gemoed zweemt, zwak en zeldzaam,
dagboeken zijn vóór de achttiende eeuw hoge uitzondering, brieven stellen
meestal teleur door hun naar ons begrip zinloos verwikkelde, kleurloze
kanselarijstijl. Voor zover het kunstenaars betreft laat zich dat tekort ten
dele uit hun werk goedmaken: omtrent het wezen en de levensloop van een
Rembrandt of Vondel kunnen we heel wat uit hun
scheppingen aflezen.
Ook Stevin was op zijn wijze een kunstenaar, een duizendkunstenaar zelfs, en
ook in zijn werk ligt ons zo een natuurlijk zelfportret en autobiografie
verborgen. Maar dat portret laat zich zoveel moeilijker lezen, doordat de
stof die Stevin hanteert, hoe geniaal breed ook, toch een uitgesproken
onpersoonlijk karakter draagt. Wij lezen uit dit werk het karakter en
lotgeval van de mathematicus Stevin en in zoverre de mens Stevin een
hartstochtelijk mathematicus was, ook dat van deze mens, maar de middelen om
dit portret naar het zuiver menselijke, het persoonlijke te corrigeren of
althans aan te | | | | vullen, ontbreken ons. Wij weten niet of hij
een goed zoon, een liefhebbend echtgenoot, een trouw vriend en vrolijk
disgenoot geweest is, ja, wij kunnen van deze man, die toch zo een
belangrijke rol in het bestuursapparaat van de jonge Republiek gespeeld
heeft, slechts gissenderwijs zeggen, welke zijn politieke en religieuze
overtuiging moet zijn geweest en dat in een zo bewogen tijd waarin de
meningen zo fel tegenover elkander stonden.
Wij mogen ook uit het ontbreken van deze gegevens enige voorzichtige
conclusies trekken, maar wij zullen ons moeten neerleggen bij het feit, dat
wij de mathematicus Stevin slechts als mathematicus - en dat niet toevallig
- kennen en dat in ons beeld van zijn persoon daardoor noodzakelijk deze
overheersende kant van zijn wezen alles overheersend zal worden.
Vast staan jaar en plaats van zijn geboorte: te Brugge in 1548, en wel - gelijk uit Brugse archiefstukken werd
aangetoond - als onwettig kind van Anton Stevin, zoon van een oud
poortersgeslacht en een wat loszinnige poortersdochter Kathelijne Hubrechts
van der Poort, later echtgenote van Joost Sayon, die bovendien ook de Brugse
burgemeester Noël de Caron met een paar natuurlijke kinderen verblijdde. Van
Stevins opleiding weten wij niet veel meer dan dat hij in zijn jeugd Grieks
en Latijn leerde en zich al vroeg aangetrokken voelde tot de mathematica.
Die neiging wekte in hem echter niet het verlangen naar een
wetenschappelijke carrière: hij begon zijn loopbaan als boekhouder en
kassier bij een Antwerps handelshuis. Het is niet noodzakelijk daar een
uiting van Stevins praktische geest in te zien. De mathematica, de exacte
wetenschappen in het algemeen hadden aan de middeleeuwse universiteiten - en
de universiteit van Leuven, toen de enige in de
Nederlanden, was in Stevins jeugd nog vrijwel middeleeuws - een bescheiden
plaatsje ingenomen.
In een stelsel van wetenschappen toch waarvan de theologie fundament en
bekroning tegelijk vormde, en waarin het natuur- en wereldbeeld der
christenheid was vastgelegd in de door de kerk aanvaarde en dus
onaantastbare stelsels van Aristoteles, Archimedes, Galenus en anderen, in
zo een stelsel was voor een ontwikkeling der exacte wetenschap, voor een
wederzijdse bevruchting van bespiegeling tegenover waarneming en experiment
geen sprake. Waar de praktijk tot waarnemen en reageren op die waarneming
dwong, zoals in de eerste plaats in de geneeskunst, bloeide het praktisch
handwerk van chirurgijns, kwakzalvers en wijze vrouwen naast een officiële
wetenschap die vlijtig haar ervaringen naar de wetten van Galenus bleef
ombuigen. De wetenschappelijke tradities der klassieken werden via
Alexandrië het bezit der Arabieren die ze vanuit hun universiteiten in
Cordoba en Salamanca weer in West-Europa deden uitstralen. Maar ze zouden
daar pas werkelijk aanslaan in een tijd, toen de praktische eisen van
zeevaart, techniek en koopmanschap dwongen tot de afbraak van een
gecanoniseerde wis- en natuurkunde die tot een stuk dogmatiek geworden was.
In die tijd leefde Simon Stevin en daarom ontmoeten we hem het eerst als
kassier en boekhouder te Antwerpen.
Antwerpen was zo omstreeks 1570 door de concurrentie van het Noorden reeds
over het hoogtepunt van zijn bloei heen en neigde tot de neergang die | | | |

Simon Stevin. Schilderij door een anoniem kunstenaar. Akademisch Historisch Museum der Rijksuniversiteit,
Leiden.
| | | | met de sluiting van de Schelde in 1585 op een abrupte val zou
uitlopen. Maar toch was het nog altijd een der grote centra van de
toenmalige wereldhandel en Stevins praktische geest stootte er al dadelijk
op een van de problemen die de ongeduldige koopman aan een achtergeraakte
wetenschap ging stellen: het probleem van de interestberekening. Met die
interestberekening had de wetenschap der kerkelijke universiteiten zich,
afgezien van de afstand tussen handel en wetenschap, daarom alleen al nooit
ingelaten, omdat het interest nemen onder het woekerverbod der kerk viel en
daardoor het domein van joden en Lombarden bleef tot de handelsnoodzaak via
eindeloze ontduiking tot een feitelijke opheffing van het verbod dreef.
Wij zullen verderop zien, hoe Stevin zijn eerste
geschrift aan dit vraagstuk wijdde. Voorlopig blijven de gegevens over zijn
leven nog uiterst schaars. Onze kennis omtrent zijn Antwerps kassierschap
ontlenen we aan zijn eigen mededeling in de
Wisconstighe Ghedachtenissen
van 1608. Daaruit weten we ook, dat hij na de Antwerpse periode nog
enige tijd een functie heeft vervuld bij het financieel beheer van het Vrije
van Brugge. En uit één van de Brugse archiefstukken, die ons ook inlichten
omtrent zijn afkomst, blijkt dat hij die laatste functie in 1577 aanvaardde.
‘The rest is silence’, totdat hij in de noordelijke gewesten opduikt. Is hij
als zovele Zuidelijke Nederlanders om den gelove voor Alva uitgeweken? Maar
wij weten niet eens welk geloof hij aanhing, al is lang vanzelfsprekend
beschouwd dat een van Maurits' naaste medewerkers de hervorming was
toegedaan.
Hij moet nogal wat in Europa rondgezworven hebben en enkele verspreide
opmerkingen in zijn latere werken vertellen ons iets omtrent zijn
itinerarium. Zo spreekt hij in zijn sterrenkunde over wandschilderingen aan
het hof van de koning van Polen te Krakau en in zijn
Onderscheyt van de Oirdening der steden
zegt hij: ‘Binnen Craco in Polen, daer mij gedenckt gesien te
hebben verscheyden grooten huysen, diens veinsters ijser luycken hadden.’ In
hetzelfde werk zegt hij: ‘in de cluppen van Noorwegen’ huizen te hebben
gezien ‘na de manier der Romeynsche atria, te weten, crijgende haer licht in
't middel, doch bedeckt met varckens blasen.’ Nog weer elders spreekt hij
over dijken die hij in Oost-Pruisen zag.
Maar wij kunnen zelfs niet met zekerheid zeggen of deze reizen uit de
duistere tijd voor zijn vestiging in de Republiek dateren. Daar streek hij
eerst in Middelburg neer, om in 1581 naar Leiden te verhuizen, waar hij zich op 16 februari
1583 als student heeft laten inschrijven. Hij was toen 35 jaar en geen
beginneling meer. Reeds in het vorige jaar waren te Antwerpen bij Christoffel Plantijn, de wijd en zijd beroemde
drukker uit de Gulden Passer, verschenen zijn:
Tafelen van Interest, Mitsgaders De Constructie der selver,
ghecalculeert Door Simon Stevin Bruggelinck
.
Al eerder hadden verscheidene handelshuizen soortgelijke tafels voor eigen
gebruik laten becijferen, ze werden dan echter zorgvuldig geheim gehouden en
alleen ten eigen bate gebruikt. Stevin gaf niet alleen een zuiverder
becijfering die hij in herdrukken nog perfectioneerde, maar toonde ook met
dit eerste werk zijn begrip voor de grote behoefte én aan praktische kennis
én aan wetenschappelijke verheldering van zijn tijdgenoten.
| | | |
Over Stevins studie in academische zin verschaffen de archieven van de Leidse
universiteit ons geen inlichtingen. Maar dat hij er hard gewerkt heeft,
blijkt in de eerste plaats uit zijn publikaties van de volgende jaren:
Problemata geometrica
(1583),
Dialectike
(1585),
De Thiende
(1585),
L'arithmetique
(1585),
De Weeghdaet (Beghinselen des waterwichts en beghinselen
der Weeghconst)
(1586) en
Vita Politica
(1590). Bovendien voorzag hij in zijn onderhoud door het bijhouden
van koopmansboeken. Zowel de behoefte aan lonende arbeid als zijn technisch
vernuft zullen hem gedreven hebben tot de bestudering van een aantal
praktische problemen, vooral op het gebied der waterlozing in de polders.
Hij werkte daarbij samen met Johan Hugo de Groot de latere burgemeester van
Delft en vader van Hugo. Een reeks octrooien voor uitvindingen, door de Staten
verleend, getuigt van deze vernuftige arbeid.
Noch als student, noch als docent, zoals men vroeger wel meende, heeft Stevin
een rol gespeeld aan de Leidse universiteit. Toch deed de invloed van zijn
actieve geest er zich wel degelijk gelden.
De stichting van de Leidse universiteiten in 1575 beoogde in de eerste plaats
te voorzien in het tekort aan geschoold intellect dat dreigde, nu het
verkeer met de katholieke universiteiten van Leuven
en Parijs en andere was verbroken. Maar het ging hier niet alleen om een
regelmatige voorziening van de behoefte aan theologen, juristen en artsen.
Aan deze nieuwe universiteit, niet beladen met de scholastieke tradities der
oudere centra van geleerdheid, kreeg de nieuwe wetenschap, de wetenschap van
onderzoek en experiment, haar kans. Een dubbele kans: aan de éne kant trok
Leiden door verleidelijke aanbiedingen, maar ook door haar aanwezigheid
alleen al, het moderne, vaak ketterse of op zijn minst elders gevaarlijk
geoordeelde intellect, Coperniciaanse natuurkundigen en tekstkritische
filologen, tot zich, aan de andere kant overvalt het Nederland van omstreeks
1600 een soortgelijke intellectuele honger die we nog eens en dan op veel
breder basis in de 19de eeuw zien optreden. In de 19de eeuw kunnen we
spreken van de democratisering der wetenschap, in de 16de van de laïcering,
de verovering van de algemene ontwikkeling door de burgerij op de
geestelijkheid. Ook de directe impuls vanuit het leven naar de school is in
beide gevallen duidelijk, zowel in de 16de als in de 19de eeuw ontdekken de
beoefenaars van een aantal tot nu toe alleen praktisch bedreven vakken in de
zich vernieuwende wetenschap de mogelijkheid tot oplossing van hun nieuwe
praktische problemen. Een treffend beeld van de theoriehonger van de mannen
van de praktijk geeft de bekende kopergravure van de ‘Zeevaartschool’ van
ds. Plancius, vanaf de preekstoel docerend aan een groep schippers en
kooplui. In 1598 maakte Stevin, onder anderen te zamen met Scaliger, deel uit van een commissie die in
opdracht van de Staten een oordeel gaf over een door Plancius en stuurman
Reijnier Pietersz. van Twisch ontworpen methode van lengtebepaling op zee.
Stevin heeft zich ook in zijn geschriften met de nieuwe verhouding van
theorie en praktijk beziggehouden. In zijn
Burgherlicke Stoffen
, een bundel van zijn werk, gedeeltelijk uit nagelaten papieren in 1649
door zijn zoon Hendrik uitgegeven, spreekt hij over het nut van een
‘spiegelingsche wyse’ (theo- | | | | retische) beoefening van de
‘stercktebou, leger-teykeningh en dierghelycke’ en voert als bewijs aan de
‘duytsche (Nederlandse) lessen die in 't Gemeenschool [universiteit] tot
Leyden gedaen worden, uyt welcke ettelicke commende, en hem totten crychbou
dadelick begevende, terstont soo an't werk vielen, al of sy te vooren meer
gedaen hadden, jae in ander landen tot crychboumeesters versocht en
ghesonden wierden, indervougen dat sommige, die hemlien sonder spiegelingh
in de daet lange geoeffent hebbende, en siende dat soo niet te connen
naedoen sich eintlick daerom tottet leeren der spiegelingh begaven.’ Hij
verwijst hier naar de ‘ingenieursschool’ aan de Leidse universiteit die,
zoals we straks zullen zien, mede onder zijn invloed tot stand kwam.
De vrij plotselinge uitbreiding en laïcering der wetenschap bracht nog een
tweede probleem mee: dat van de academische voertaal. Die was heel de
middeleeuwen door het Latijn geweest en de grote humanisten, Erasmus voorop, hadden bij al wat zij aan de
middeleeuwse wetenschap verworpen, het Latijn als internationale voertaal
behouden. Voor Erasmus was de studie der klassieken de levende kern der bonae litterae geweest en hij had het Latijn, tegelijk
naar klassieke norm gezuiverd en verjongd, tot voertaal der nieuwe
wetenschap gemaakt. Maar dwars door het internationalisme der latinitas
ontwikkelt zich in de humanist een vaderlandse trots die zich ook op Romeins
voorbeeld beriep. En dwars tegen de fetisjistische verering voor het Latijn
en de behoefte aan internationale verstaanbaarheid juist in een tijd waarin
alle wetenschappen een crisis doormaakten, groeit de behoefte van de ‘in
ander spraecken onervaren, nochtans der Consten uytnemende liefhebbers’ aan
wetenschappelijke geschriften in de landstaal. Uit deze tijd (tweede helft
16de eeuw) dateert dan ook de stelselmatige studie der Nederlandse taal en
haar dialecten, uit deze tijd zijn onze oudste grammatica's (van Joos Lambrecht, van Pontus de
Huyter, van Spieghel) en woordenboeken
(van Plantijn en van Kiliaen).
Stevins bijdragen op dit nieuwe veld van wetenschap, dat geenszins het zijne
was, zijn niettemin origineel en tekenend voor zijn persoonlijkheid, voor de
tijdgeest dier dagen en voor het begrip dat hij voor die tijdgeest had.
Al zijn werken, met uitzondering van zijn
Arithmetique
(1585), schreef hij oorspronkelijk in het Nederlands en aan zijn
Weeghconst
liet hij een beschouwing voorafgaan: ‘Uytspraeck van de weerdicheyt
der duytsche tael’ die in gewijzigde vorm nog eens is opgenomen in het boek
Eertclootschrift
(geografie) van de voor Maurits in 1608 samengestelde
Wisconstige Gedachtenissen
. Bovendien zou volgens zijn zoon Hendrik
het handschrift van een Nederduytsche Rhetorica en een Nederduytsche Dichtconst verloren zijn gegaan.
In de
Uytspraeck
wordt met echte humanistentrots en -redeneerkunst betoogd, dat het
‘Duytsch’ boven alle andere talen gesteld moet worden als uitdrukkingsmiddel
der wetenschap, gelijk hij ook in de inleiding tot de Beghinselen des Waterwichts zijn vondsten op het gebied der
hydrostatica verklaart: ‘Belyde oock daerbij, dat ick er een beter helpende
oirsaeck toe ghehadt heb dan Archimedes, namelick de spraeck, welcke Duytsch
was, de siine maer Griex; want dit moet ghij weten dat der spraken goetheyt
niet alleen | | | |

Stevins benadering van het decimale stelsel. Pagina uit De Thiende, Leiden 1585. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | voorderlick en is om de consten [wetenschappen] bequaemlick
daer deur te leeren, maar ook den vinders in haer soucking’. Stevin gebruikt de woorden Duytsch en Nederduytsch
door elkaar. In zijn betoog omtrent de voortreffelijkheid van dit ‘Duytsch’,
dat vooral steunt op de rijkdom aan eenlettergrepige woorden en de
geschiktheid tot het vormen van samenstellingen, geeft hij uitsluitend
Nederlandse voorbeelden (o.a. een uitvoerige lijst van monosyllaben). Maar
in de Uytspraeck dist hij ons zijn apocrief verhaal
omtrent het oorspronkelijke ‘Duitse’ volk op, dat in een honderden jaren
terug gelegen ‘Wijsetijt’ met behulp van dit schitterende taalinstrument de
drager van een bloeiende beschaving moet zijn geweest die blijkens het
voorkomen van oorspronkelijk Germaanse cultuurwoorden in het Frans, over
heel West-Europa uitstraalde, en het is duidelijk, dat hierin legendarische
algemeen Germaanse overleveringen uit Beka en andere schrijvers verwerkt
zijn. Door oorlogen en rampspoeden zijn de ‘Duitsers’ in de ‘Leecketijt’ tot
barbarij vervallen, uit welke nacht der middeleeuwen zij in Stevins tijd
weer bezig zijn zich te verheffen.
In het hoofdstuk over de taal uit de ruim twintig jaar later verschenen Wisconstige Ghedachtenissen blijkt hij zich verder te
hebben verdiept in de geheimzinnige ‘Wijsetijt’. ‘De Hoochgeleerden Heer
Doctor Huych de Groot’ heeft op zijn verzoek een
aantal citaten uit klassieke schrijvers bijeengezocht over verloren
wetenschap uit een ver verleden en de grote taalgeleerde Scaliger heeft hem
bekend gemaakt met wat de Arabieren aan wetenschappelijke tradities bewaard
hebben. Aan hen ontleent hij dan kennelijk het bij de humanisten gangbaar
geworden inzicht, dat ‘de leecketijt sijn oirspronck nam, doen de Christenen
d'overhant creghen boven de Heydenen: Van welcke sij te voren veel gheleden
hebbende en daer benevens de Heydensche Religie seer hatende, verbranden en
vernielden niet alleenelick alle boucken der Religie, metteghene daer eenich
vermaen van hare Goden in stont, maer oock der vrije consten d'een metten
andere, waer sijse cryghen conden.’ Pas een 150 jaar geleden is men daarvan
teruggekomen en is men wat er over was van de heidense kennis ‘met groote
neerstigheit’ gaan vergaren.
Om tot een herleving van de ‘Wijsetijt’ te komen, meent Stevin, is allereerst
een grote verbreding van het wetenschappelijk waarnemen en onderzoeken nodig
en dat is alleen mogelijk, wanneer ‘een grote menichte van menschen in sijn
eyghen aangeboren tael’ zich daarop zou gaan toeleggen, want de ervaring
leert, dat de grondige kennis van het Latijn die tot nu toe als fundament
der wetenschap gold, wel tot de theologie en het recht voert en tot ‘het
soucken van bloemkens van woorden en spreucken om in haer brieven en
schriften te pas te brengen’, maar niet tot een grondige beoefening der
exacte wetenschap. Dat is begrijpelijk: om een geschiedenisje te vertellen,
hoe Paris Helena schaakte of wat grote slagen Achilles sloeg, dat konden de
mimi met gebaren af en daar is het gereedschap van een goede taal niet voor
nodig, maar met de ‘wisconstige handel’ is dat heel iets anders. Hij
herhaalt dan zijn betogen over de voortreffelijkheid van het Duytsch en de
gebreken der andere hem bekende talen, waar hij nog aan toevoegt, dat men
nergens ‘soo suyver en onvermengt Duytsch spreekt als in Noorthollandt’, | | | | om te eindigen met een verrassende conclusie die ons doet
zien, hoeveel gemakkelijker de methode van ‘gaslaen en ondersouck’ zich in
de exacte vakken laat toepassen dan in de historische - en hoe bezeten
Stevin was van zijn taalkunstig idee-fixe -: nadat de aanwijzingen van Huig de Groot en Scaliger hem zo duidelijk de richting hadden gewezen, waar hij de
oorsprong der wis- en sterrenkunde moest zoeken, trekt hij louter uit zijn
1428 ‘eensylbige’ Nederlandse woorden de conclusie: ‘Dit ghetuychenis des
eensylbigen taels ... is voor my soo wonderlick, dat ick vrijelick darf
bekennen in vermoedens te sijn, dattet volck, 't welck die maeckte, de
menschen des onbekenden Wijsentijts meughen geweest sijn.’
Intussen heeft Stevin zich voor het gebruik van de allervolmaaktste taal als
wetenschappelijk uitdrukkingsmiddel heel wat moeite moeten getroosten, want
het Nederlands zoals hij het leerde kennen, mocht dan geschikt zijn om tot
wetenschap-taal te worden gemaakt, klaar voor het gebruik was het zeker niet
en Stevin moest dan ook uit een taal die tot nu toe alleen door burgers,
boeren en buitenlui en door enkele dichters was gehanteerd, de equivalenten
scheppen voor de benamingen van een groot aantal abstracte begrippen die
voordien alleen in het Latijn en Grieks, of hoogstens in het Frans
uitdrukking hadden gevonden. Alleen een zeer gedetailleerde studie van het
wetenschappelijk taaleigen der 16de eeuw kan uitmaken, welke van de vele
‘verduytschingen’ die hij gebruikt, zijn eigen scheppingen zijn, zeker is
dat hij zulke nu voor de denkende en schrijvende Nederlander onmisbare
woorden als ‘hoofdstuk’, ‘geweten’, ‘in het oneindige’, ‘rechtsgeleerde’,
‘neutraal’, ‘beginsel’, ‘opschrift’, ‘bespiegelend’, ‘evenredigheid’, en
andere en ook tal van woorden voor de mathematica en de krijgskunde óf zelf
gesmeed heeft óf heeft helpen gangbaar maken. Aangezien het praktisch
onmogelijk is in zulk een streven van de aanvang af maat te houden, maken
Stevins Nederlandse geschriften nu op ons een zelfde puristische indruk als
het historisch proza van Hooft die uit soortgelijke overwegingen de
grondslagen legde van onze historiografische taal. In de inleiding van zijn
Dialectike ofte Bewijs-const
(1585, bij Plantijns filiaal te Leiden) toont hij zich bewust van
de gevaren van een al te kras purisme dat zelfs tot onduidelijkheid zou
kunnen leiden en in vele van zijn werken geeft hij als het ware ter
vergelijking en verantwoording in margine het oorspronkelijk Latijn van zijn
verduytschingen.
Men zou echter, geloof ik, de geest van Stevin volkomen miskennen, wanneer
men uit deze gematigde houding die wij hem ook elders zullen zien aannemen,
besloot hem als een soort middenman te zien. Niet als een gematigd middenman
komt ons de Brugse rekenmeester uit zijn schimmige
openbare verschijnen en zijn kloeke werk tegemoet, maar als een van die
zeldzame wetenschappelijke geesten - zeldzamer dan het aantal
beroepsgeleerden zou doen vermoeden - die alles onderschikken aan hun
wetenschap en het onpersoonlijk doel, dat zij zich daarmee gesteld hebben.
Voor Stevin die zijn wetenschap in de praktijk had leren kennen en
waarderen, die in de praktijk op zijn wetenschappelijke problemen stootte,
was het doel dat hij zich stelde bijna altijd gebonden aan de praktijk van
toepassing en kennisverspreiding. ‘Ghelijck onnutte cost waer een groote,
stercke grondt te legghen, die een | | | | swaer gesticht dragen can,
sonder eintlick eenich ghebau daerop te willen brenghen, also is de
spiegheling in de beghinselen der consten verloren arbeydt, daer 't einde
totte daet niet en streck’ (inleiding
Weeghdaet
).
Voor hem, als voor de meeste van zijn wetenschappelijke tijdgenoten, was een
nieuwe wereld opengegaan, met nieuwe ogen keken zij de wonderen der natuur
aan en voor het eerst in de geschiedenis der mensheid lokte de illusie, dat
die wonderen binnen de omspanning van het menselijk denkvermogen vielen:
‘Wonder en is gheen wonder,’ zei Stevin, een triomfkreet waarin men niet
louter de machtspreuk van een versimpeld rationalisme moet zien, maar eerder
een moedige opwekking om met het nieuwe ‘reetschap’ van onderzoek en
experiment, het ‘Novum Organum Scientiarum’ van Bacon van Verulam, die
wonderen aan te vatten.
En er is nog iets te beluisteren in die spreuk. Wij worden nu vaak getroffen
door de befaamde ijdelheid der humanisten. Nu is zulk een plotseling
cumuleren van een algemeen menselijke eigenschap bij een bepaalde
mensensoort altijd een wat verdacht verschijnsel dat vaak op gezichtsbedrog
blijkt te berusten. Laat de ‘ijdelheid’ en het ‘zelfbesef’ der 16de-eeuwse
geleerden zich althans ten dele niet verklaren uit de eigen verbazing om de
bereikte resultaten? En zijn zij voor het overige niet een gevolg van de
profetenmantel, uit innerlijke noodzaak omgeslagen door deze lekengeleerden,
die zonder het gezag der geestelijke waardigheid en vaak tegen het gezag der
kerk in, een nieuwe waarheid moesten verkondigen, niet langer aan een kleine
mandarijnengemeenschap, maar aan de eerste intellectuele ‘massa’? Zo'n
profetenmantel was niet alleen de rode toga van Scaliger, maar waren ook de
snorkende titels en inleidingen der toenmalige geschriften, de griezelkraam
van het ‘theatrum anatomicum’ en het ‘Wonder en is gheen wonder’ van Stevin
of zijn belofte op het titelblad van de
Dialectike
: ‘Leerende van allen saecken recht ende constelick Oirdeelen; Oock
openende den wech tot de alderdiepste verborgentheden der Naturen.’
Van het streven het lekendom te compenseren en ook anderen daartoe in de
gelegenheid te stellen is deze Dialectike - en niet deze
alleen, want er verschenen ongeveer gelijktijdig nog andere ‘Nederduytsche
redekavelingen’ - een opmerkelijke uiting. De inhoud valt de moderne lezer
na de titel tegen: het is een schoolse uiteenzetting van de spelregels der
redeneerkunst, zoals die in de middeleeuwse wetenschap golden, een eindeloze
classificering van alle denkbare soorten bewijs-, sluit- en drogredenen.
Maar de bestaansreden van dit boekje dat in 1621 nog eens herdrukt werd,
vindt men in het tot ‘den Nederduytschen’ gerichte voorwoord. Daarin zet hij
uiteen, ‘dat nadien ick mijne studie ten goede deele der Mathematiken
toegheeyghent hadde, so wiert onze verkeeringhe daer deur met den
Mathematicienen grooter dan sy anders soude gheweest hebben; 't welck mij
oirsaecke was, van onder anderen oock te ontmoeten, verscheyden Persoonen,
die Consten dapperlick ervaren, nochtans (hoewel andersins ongheleert) daer
toe gecommen, sonder mondelicke onderwijser, hebbende alleenelick door haar
vernuft int lesen verscheydener boucken dat begrepen: ja sommighe syn alsoo
in de Arithmetike gherocht ter kennisse niet alleen van de ghemeene Regelen,
maer | | | | van de alderwonderlicste Reghel der Reghelen
A-l-g-e-b-r-a, de toetse van de subtylheijt des menschelicken verstandts,
Andere in de Geometrie, en de Astronomie, tot het begrijp van sware
propositiën; Maer alsoo niemandt tot de Conste der Dialectiken.’ Hij vraagt
dan naar de oorzaken van dit verschijnsel en vindt die in de
onbereikbaarheid van mondeling onderricht voor velen en het ontbreken van
een goede handleiding, immers aan de lust tot de dialectiek ontbreekt het de
leergierigen niet ‘nademael sij eendrachtelick van allen geleerden hooren,
de selve een instrument te wesen der wetenschap, ja sien door de Daet de
gheleerden heurlieden daerom te boven gaen’. Of met andere woorden: deze
dialectiek was een handleiding in de traditionele geheimtaal der geleerde
wereld ten behoeve van met minderwaardigheidsgevoelens beladen autodidacten
in de meer zakelijke wetenschappen.
Het is duidelijk, dat Stevin bij de verbreiding
der nieuwe wetenschap steeds een tweeledig doel voor ogen staat en dat dat
een zuiver zakelijk, onpersoonlijk doel is: de wetenschap toegankelijk maken
voor het opkomende lekenintellect en door samenwerking van geleerden en
begaafde autodidacten de wetenschap verder brengen. Het weinige wat wij
omtrent zijn verhouding tot zijn medemensen weten, betreft overwegend
wetenschappelijke contacten.
Op zijn samenwerking met Maurits komen wij nog terug. Hij stond, gelijk we al
zagen, in wetenschappelijk verkeer met de predikant-geograaf Plancius, met
de mathematicus Nicolaas Petri, de schrijver van
een boek:
Practique om te leeren rekenen, cijferen ende
boeckhouwen
, met de mathematicus Ludolf van Keulen van wie hij in zijn
verhandeling over de algebra vermeldt, dat hij ook een - hem nog onbekende -
methode voor de oplossing van vergelijkingen van de tweede graad moet hebben
gevonden, met Lipsius, die hij raadpleegde over
de Romeinse legerkampbouw, met Scaliger, die hem
inlichtte over het gebruik van de cijfers bij de Arabieren en hem tekeningen
van de dierenriem toonde, zoals Arabische kosmografen die gebruikten, met de
Delftse burgemeesters Govert Brasser aan wie hij zijn
Burgerlyck Leven
opdroeg en Johan Hugo de Groot met wie hij proeven over de vrije
val deed, met diens zoon, de beroemde Huig die
zijn
Havenvinding
in het Latijn vertaalde en een lofdicht schreef op zijn zeilwagen
en met de jonge Willebrord Snellius te Leiden die
hetzelfde deed voor zijn
Wisconstige Ghedachtenissen
. Waar hij in zijn
Aardbeschrijving
de aantrekkingskracht van de maan aanwijst als oorzaak van eb en
vloed, concludeert hij, dat er nog een tweede tegenwerkende invloed is waar
te nemen op grond van een groot aantal gegevens, hem door havenmeesters en
zeelieden verschaft. Zijn kosmografie was een vurige verdediging van het
toen nog fel omstreden stelsel van Copernicus en in zijn
Eertclootschrift
houdt hij een pleidooi voor wetenschappelijke samenwerking in het
algemeen, gedemonstreerd aan de betekenis van uitwisseling van de resultaten
van astronomische waarnemingen gelijk die van Tycho Brahe en de landgraaf
van Hessen, waarbij hij terloops de mening bestrijdt als zou ‘de stof [der
sterrenkunde] te weerdich sijn om van de gemeente ghehandelt te worden en
alleen den Vorsten toegestaen’.
In Leiden moet hij ook de jonge stadhouder Maurits
ontmoet hebben, in | | | | wie hij een begaafd en weetgierig leerling
voor zijn mathematische en vestingbouwkundige lessen vindt en die op den
duur, misschien niet ten bate van het land, geheel beslag zal leggen op zijn
werkkracht en vernuft in dienst van 's lands waterstaat, van 's lands
defensie en van het economisch beheer van de stadhouderlijke domeinen.
Maar in de overheidsarchieven is maar nauwelijks meer over hem te vinden dan
in de Leidse universitaire. Wij kunnen ook daarom slechts gissen, dat het de
aanbiedingen van Maurits en mogelijk ook zijn eigen zin voor praktische
werkzaamheid zijn geweest die hem hebben weggelokt van een wetenschappelijk
centrum waarvan hij een van de coryfeeën had kunnen worden. Het blijft
overigens opmerkelijk, dat de Leidse universiteit geen poging - althans geen
in schrift vastgelegde poging heeft gedaan Stevin blijvend aan zich te
binden. De oorzaken daarvan zullen we zowel in zijn persoon als in zijn vak
moeten zoeken. Om te beginnen was Stevin, toen hij in Leiden kwam, een
onbekend boekhouder en rekenmeester en geen Europese beroemdheid als bij
voorbeeld Scaliger of Lipsius die door de heren curatoren achtervolgd werden
met verzoekschriften om naar Leiden te komen, om er te blijven of indien ze
daar niet toe te bewegen waren, althans hun naam als trekpleister op de series te laten staan. Verder was de mathematica als
academisch leervak zelfs in Leiden toch altijd nog een bijzaak. Pas in 1600
vinden wij vermeld, dat op aandringen van Maurits die in zijn
krijgsbedrijven de hulp van goede vestingbouwkundigen had leren waarderen,
mr. Simon van der Werven en mr. Ludolf van Ceulen worden aangesteld om ‘in
goeder duytscer tale die telconste ende landmeten principalycken tot
bevordering van de geenen, die hem souden willen begeven tottet
ingenieurscap’ te doceren.
De instructie voor deze opleiding die ook bewaard bleef, is van de hand van
Simon Stevin, die in zijn
Vita Politica
of
Borgherlick Leven
van 1590 nadrukkelijk de wenselijkheid betoogd had van een
academische vorming niet alleen voor juristen, theologen en medici, maar ook
voor kooplieden, economen, regeringsambtenaren en ingenieurs. ‘Aengezien,’
staat er in de instructie, ‘dat degenen die dadelijk met Ingenieurshandel
omgaen met malkander geen Latijn en spreken of immer seer selden, maer dat
men in elk land de lantspraeck gebruikt; soo sullen deze [lessen] niet in
het Latijn, François of andere talen gedaen worden, maar alleenlyck in 't
Duytsch.’ Dat intussen de ingenieursschool van 1600 nog geen volwaardige
academische instelling was, blijkt uit een rekwest door de leerlingen van
die school enige jaren later ingediend, waarin zij om vrijdom van accijns,
gelijk de studenten die hadden, verzoeken, ‘wanneer syluyden elck van hem
bequaem soude wesen, omme haer te connen verantwoorden op de vrachtstukken,
hier bij gevoecht’. Uit een ander rekwest van de toekomstige ingenieurs uit
omstreeks dezelfde tijd en met naam en beroep der rekwestranten ondertekend,
blijkt pas hoe revolutionair Stevins eisen op dit punt waren: naast een
aantal ‘ghesworen landmeters’ en één schoolmeester blijken het
‘steenhouwers, timmergesellen en metselaers’ te zijn, voor wie hij de
toegang tot de academische waardigheid opeist.
| | | |
Een pagina uit De beghinselen der weeghconst,
Leiden 1586. Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | |
Uit het bovenstaande én uit Stevins uitgesproken neiging tot verenigen van
‘spiegeling’ en praktijk laat zich de kortstondigheid van zijn academische
loopbaan zo genoegzaam verklaren, dat het nauwelijks zin heeft ons af te
vragen of ook Stevins, naar men veelal aanneemt katholieke,
geloofsovertuiging hier van invloed is geweest.
Voor zover wij hebben kunnen nagaan, heeft niemand zich over Stevins geloof
zorgen gemaakt, voor men in 1845 te Brugge het plan
opvatte ter gelegenheid van zijn derde eeuwfeest een standbeeld op te
richten en daarover een felle pennestrijd ontbrandde, omdat volgens sommigen
Stevin ‘al die eere niet waard geweest, ook protestant geworden, zijn
vaderland verlaten en tegen hetzelve de wapenen gevoerd had’. Ook deze
polemisten echter zomin als de latere schrijvers over Stevin hebben met zekerheid kunnen uitmaken wat de belijdenis
van de uitgeweken Bruggeling geweest is. Nergens is zijn overgang tot het
protestantisme vastgelegd, noch of het om den gelove was, dat hij Vlaanderen
verliet en zich kort na 1580, mogelijk na zijn zwerftochten door Europa, in
de Noordelijke Nederlanden vestigde. Hoogstens mogen we aannemen, dat een
overtuigd verdediger van de door de katholieke kerk verketterde leer van
Copernicus, zich beter thuis voelde te Leiden dan
te Leuven. En aan de Leidse universiteit schijnt
men, zeker in de eerste jaren van haar bestaan, veel meer vervuld te zijn
geweest van de wetenschappelijke roep der stichting en van de grote
mogelijkheden van de bevrijde wetenschap dan van de rechtzinnigheid van
studenten en docenten. Tijdens Stevins verblijf in Leiden speelde zich daar
de felle strijd af van de rekkelijke predikant Casper
Coolhaes die de leer ver achter stelde bij de gezindheid des
harten en de ruimdenkende Dirk Volkertz. Coornhert tegen de strenge calvinisten Pieter Cornelisz. en prof. Danaeus. In die strijd stonden zowel de stedelijke als de
academische overheid aan de zijde van de eersten en ook in latere tijden,
zodra de opwinding van de strijd tijdens het bestand wat geluwd is, krijgt
men de indruk, dat niemand zich ernstig druk maakt over de belijdenis der
professoren en dat er tegen dissidenten alleen bezwaar gemaakt wordt,
wanneer andere grieven of afgunst zich hierachter verbergen of wanneer de
synode ingrijpt, als in het geval van de ongedoopte (!) professor in de
filosofie De Volder, in 1670 te Leiden benoemd.
Omtrent Stevins geloof zullen wij daarom uit de bemoeienissen van de Leidse
heren weinig wijzer worden. We zijn daartoe aangewezen op het weinige dat
hij er zelf in zijn geschriften over zegt. En zoals het meer gaat met
dergelijke problemen: voor wie de betreffende passages in zijn
Burgerlick Leven
onbevangen naleest, vervluchtigt de vraag van het dit of dat. Want
is het nog van enig belang of de roomse of de Augsburgse confessie verdedigd
wordt door een rationalistische ‘gelovige’ die daartoe deze redenering
aanvoert: wie kinderen groot brengt, ziet ze graag in eer en deugd opgroeien
en tracht dat te bereiken door hun het goede voor te houden, door beloning
en straf. Maar kinderen doen allerlei kwaad, dat de ouders verborgen blijft;
daarom is het goed hen van jongs af in te prenten, dat er een alziend God is
die zich niet om de tuin laat leiden en goed en kwaad steeds vergeldt, zodat
‘daer wortelt in haer een heftige vreese ter eender, ende hoope ter ander
syde, | | | | die als een swepe hun met gewelt van de boosheyt jaeght,
ende tot de deught stout’, het aangewezen middel tot het kweken van ‘vrome
burgers, uyt welcke ooc vrome Regierders gecoren worden’. Zie daar de oude
natuurkracht van de vreze Gods door de praktische geest van de
‘vernufteling’ gekanaliseerd en met een zo groot mogelijk rendement
uitgebaat.
‘Daerom soo u herte seght, daer en is geen God (dat schrickelick is) doedet
de mont swijgen om u kinders wille, die ghy geerne saecht in deught ende
eere opwassen, om de gemeentens wille, diens welvaert oock de uwe is.’
Uitgaande van dit onmisbaar nut der religie zet hij in een volgend hoofdstuk
uiteen ‘Hoe men hem in de Religie Burgerlick [d.i. als een goed burger]
dragen sal.’ Hij gaat daarbij uit van de stelling die de grondslag is van
zijn hele beschouwing over het ‘burgerlick leven’, dat voor alles alle
troebelen en geweld vermeden moeten worden en men zich dus altijd te
onderschikken heeft aan de overheid die de facto het gezag in handen heeft.
Vandaar dat volksopstanden, gelijk die der wederdopers in ieder geval te
veroordelen zijn: onderdanen die tegen de overheid in verzet komen, dienen,
willen ze zich ‘burgerlick’ gedragen, buitenslands te gaan en van daaruit
voor hun zaak te strijden. In geval van geschillen tussen overheidspersonen,
dient men na rijp beraad partij te kiezen tegen de partij die de wetten en
het recht geschonden heeft. Naar deze wat simplistische stelregel kan men
wat de religie betreft alleen vrijelijk zijn geloof belijden, waar de
overheid dat toestaat, wie geen geloof heeft, zwijgt, wie een ander geloof
heeft, belijdt dat in stilte zonder het gezag afbreuk te doen. Wie meent dat
een dergelijke onderwerping in strijd is met het ‘God meer onderdanig zijn
dan de mensen’ en de plicht anderen van hun dwalingen af te brengen, welnu,
‘treckt naer eenige plaetsen, daer wilde Lieden sonder Religie woonen, 't
welck ook Menschen sijnde, soo doet daer in haer zielen ofte zalicheyt te
winnen, dyn uiterste beste, 't welck geschieden sal sonder overtredinge der
Godswetten dier Landen, overmits datter geen en sijn’.
Me dunkt dat het bovenstaande voldoende is om te doen zien, dat het niet meer
dan een verre benadering van de waarheid is, wanneer men Stevin, gelijk wel
gebeurt, als een verdediger der verdraagzaamheid gelijk Erasmus en Coornhert eert. Hier
spreekt niet de verdraagzaamheid om zich zelfs wil, maar het verlangen naar
rust en orde, de afkeer van storend rumoer en conflict van de man met één
grote brandende belangstelling: zijn werk, de rationalistische mechanicus
die alles zo doeltreffend mogelijk en met zo min mogelijk wrijving wil laten
draaien. Ziet hoe hij in ‘Der Raden Oirden’ (
Burgherlicke Stoffen
) een ideaal staatsbestel ontwerpt, waarbij de instanties als de
raderen van een uurwerk in elkaar grijpen en het onderwijs in elkaar
controlerende ‘trappen’ ingedeeld met de ‘gemeenschool’ [universiteit] aan
de top, een kweekplaats der loyaliteit wordt ‘om met oirden de jonckheydt te
doen opvoeden na de regelen die den vorst of Hoochoverheyt stelt, en te
weeren 't geene datter tegenstrijdt, waer uyt men sulcke nut soude meugen
trecken, alsmen in dergelycke deur ervaringh by de Jesuyten siet getrocken
te worden’.
Deze neiging tot ordenend ingrijpen bewijst al, dat hij zijn werk, de taak
| | | | die hij zich stelt, ruimer ziet dan die van de
kamergeleerde die met rust gelaten wil worden. Slechts een klein gedeelte
van zijn werk - en het is tekenend voor zijn genialiteit, dat het niet het
minst oorspronkelijke is - houdt zich met abstract wetenschappelijke
problemen bezig. Bijna altijd vloeit zijn vraagstelling en vaak ook zijn
vondst uit de praktische ervaring voort, herhaaldelijk zet hij zijn
theoretische vondst zelf dadelijk in een toepassing om en neemt de
verbreiding daarvan ter hand, terwijl hij bovendien een bijzonder talent
heeft voor het praktisch doordenken van ideeën die anderen hebben opgeworpen
zonder ze in hun consequenties te vervolgen. Zie bij voorbeeld zijn ‘vondst’
van de decimale breuk en het tientallig stelsel. De kerngedachte van de
decimale breuk was reeds in de 15de eeuw door Regiomontanus (Johan Müller
uit Koningsbergen) gevonden. Stevin zelf die dat - overigens enige jaren na
het schrijven van zijn
Thiende
- ontdekte, liet niet na het te vermelden. Maar Stevin ziet pas tot
het einde toe welke mogelijkheden hier schuilen, gelijk zijn titelblad
vermeldt: ‘door ongehoorde lichticheyt allen rekeningen onder den Menschen
noodlich vallende afveerdighen door heele ghetalen sonder ghebrokenen.’ Hij
draagt zijn werk niet, zoals toen veelal gebruikelijk was aan de een of
andere beschermer op, maar aan: ‘den Sterrekijkers, Landmeters,
Tapijtmeters, Wijnmeters, Lichaemmeters int ghemeene, Muntmeesters ende
allen Cooplieden’ van wie hij terecht verwacht, dat zij groot nut kunnen
hebben van zijn vondst. Liefst zou hij zien, dat de overheid nu ook maar
meteen het decimaalstelsel voor maten en gewichten invoerde, maar hij is
realist genoeg om daar zelfs niet op aan te dringen en de zegeningen daarvan
aan ‘onsen Naercommers’ over te laten die, wanneer de mens zich zelf gelijk
blijft, een dergelijke besparing van ‘cost en arbeydt’ niet versmaden
zullen. De mathematici bleken wel toegankelijk voor de voordelen van Stevins
vinding. In Frankrijk, Duitsland en Engeland komen enige jaren later
geschriften uit, die met of zonder vermelding van de naam van de uitvinder
de decimaalrekening aanbevelen; de Engelse bewerker kondigt zelfs zijn plan
aan om op een soort propagandareis langs de grote steden demonstraties te
geven van het stelsel.
Juist deze voor de ‘naercommers’ zo vlak voor de hand liggende overdracht van
een vruchtbare gedachte op een ander gebied van het menselijk denken en
bedrijf blijkt telkens weer het merkteken van de genialiteit. Een tweede
bewijs van Stevins genie kunnen we daarom zien in de toepassing van de in de
16de eeuw gangbaar geworden dubbele koopmansboekhouding op het beheer van
domeinen en vervolgens op de staatsfinanciën. Maurits bleek het eerst
toegankelijk voor zijn adviezen in deze en vertrouwde hem het - zeer
verwarde en achterop geraakte - beheer van zijn domeinen toe. In 1608 geeft
hij zijn
Vorstelicke Bouckhouding op de Italiaensche Wijse
uit, opgedragen aan Hendrik iv's minister Sully
die ook een dankbaar gebruik van Stevins raadgevingen had gemaakt in zijn
streven tot ordening der koninklijke financiën, duchtig gehavend door
wanbeheer en oorlogskosten tijdens de godsdiensttwisten. In die opdracht
vertelt hij hoe het hem is opgevallen dat, terwijl de kooplui door hun
boekhouding een voortdurende controle hebben op de stand van hun bezit en
het doen en laten van hun kassiers, de vorst | | | |

De zeilwagen van Simon Stevin. Anonieme ets. Atlas
Van Stolk, Rotterdam.
| | | | hoogstens eenmaal per jaar een ‘slot van rekening’ wordt
voorgelegd, dat hij gewoonlijk op goed geloof moet aanvaarden, met het
gevolg, dat er heel wat meer ‘vorstelijcke penningmeesters’ rijk worden dan
koopmans-kassiers en de vorsten veel meer met ‘banckquerouten en quade
schulden’ te kampen hebben dan de kooplui. Door zijn werkzaamheid, eerst in
de koophandel te Antwerpen, dan in ‘het
financiewezen van het Vrije van Brugge is hij op de
gedachte gekomen, dat de koopmansboekhouding zich zeer wel op die van
domeinen en staatskassen laat toepassen en deze gedachte, het eerst en met
succes in praktijk gebracht op de stadhouderlijke domeinen, werkt hij in
zijn boek uit na een beknopte inleiding waarin hij het wezen van de
koopmansboekhouding uiteenzet.
Een van de octrooien aan Stevin door de Staten
verleend, betrof een verbeterd type watermolen (1586). De plaatsing van een
aantal van die molens is waarschijnlijk zijn eerste overheidsopdracht
geweest. Was deze opdracht of hun gedeelde belangstelling voor de wiskunde
de eerste aanleiding tot zijn kennismaking met prins Maurits? Wij weten
alweer onbegrijpelijk weinig van de persoonlijke betrekkingen tussen Maurits
en de man die eerst zijn leermeester, daarna zijn voornaamste helper is
geweest én in het beheer van zijn persoonlijk budget én in wat zijn
levenstaak werd: het terugdringen van de Spaanse legers van het gebied van
de Republiek. Wat was daarbij zijn staat en functie? Wij vinden hem
herhaaldelijk aangeduid als ‘ingenieur’ in dienst van Maurits. Wanneer in
1603 de Quartiermeester-Generaal van het leger, die ontslag neemt, door een
nieuwe wordt vervangen (beiden heren met een adellijke titel), dringt
Maurits er bij de overheid op aan, dat Stevin een salaris van 50 pond 's
maands zal worden toegewezen ‘al affteeckenaer der Quartieren in het Leger;
't welck hij niet langer om niet en behoorde te doen gelijck hij nu tien
jaar gedaen hadde’. Na enige strubbelingen krijgt hij inderdaad een beperkte
aanstelling naast de ‘Quartiermeester absolut’. Er zijn geen stukken die op
een latere promotie wijzen; integendeel, een jaar voor zijn dood wordt
afwijzend beschikt op een verzoek om salarisverhoging als Quartiermeester en
het moet dus of een vergissing of een tikje bluf zijn, wanneer Hendrik
Stevin zijn vader met de titel van Quartiermeester-Generaal siert.
Uit de jarenlange samenwerking van Stevin en Maurits kan men een
vriendschapsverhouding vermoeden, maar deze laat zich nauwelijks beluisteren
in de formeel eerbiedige vermeldingen van opdrachten aan ‘Zijne Vorstelicke
Genade’ in de voorberichten van zijn werken, in het bijzonder van de Wisconstige ghedachtenissen, Inhoudende 't ghene
daer hem in gheoeffent heeft Den Doorluchtichsten Hoochgeboren Vorst
ende Heere, Maurits, Prince van Oranje, enz. enz. van 1608 en
gelijktijdig als
Hypomnemata mathematica
in een Latijnse vertaling van Willebrord
Snellius, als
Mémoires Mathématiques
in een Franse van Jan Tuning verschenen.
In die inleiding zet Stevin uiteen, hoe hij voor de van beleg naar beleg
voorttrekkende Maurits zijn lessen in mathematica, kosmografie, enzovoort en
hun gezamenlijke vondsten op schrift had gezet en Maurits deze geschriften
steeds met zich voerde op zijn expedities ‘niet sonder perikel van te
meughen verloren wor- | | | | den, te meer dat die reysen de
crychfortuynen gemeenelick onderworpen waren’. Daarom en ook om ze voor
anderen toegankelijk te maken, besloot Stevin ze te laten drukken.
Opmerkelijk en tekenend voor de persoonlijke relatie van beide mannen is
ook, dat Snellius Stevin niet aanduidt als de kwartiermeester van het
Staatse leger, maar als ‘minister’ (dienaar) van de prins en dat ook andere
tijdgenoten hem in de eerste plaats als Maurits' mathematicus kennen.
Stevins belangrijkste, althans zijn theoretisch belangrijkste publikaties,
waarop wij straks nog terugkomen, liggen vóór zijn benoeming tot
kwartiermeester van het Staatse leger. Wat ons niet behoeft te verwonderen,
als wij in zijn
Onderscheyt van de Chrychspiegeling
lezen, waaruit de taak van deze functionaris bij een leger te velde
bestaat: ‘Hij heeft onder hem als onghemiddelde Amptlien de logierders der
groote hoopen, die hier tot acht gestelt sijn, als vande Crychsoverst met
vreemde Heeren, voort van Voetvolck, Ruyterije, Amptlien gheen Crychsvolck
wesende, voort Crychtuych, Leeftocht en het buytendienstich naghevolch, als
Cramers, Cooplien, Herbergiers, Ambachtslien en diergelhijcke. - Des
Opperlogierders werck is, int reysen an elcken Logierder der hoopen te
segghen, op wat Dorp of plaets haer Volck legghen sal en op heurlien toe te
sien tegens alle misvallen en bedroch datter mocht ommegaen.’
Ongetwijfeld had Maurits een goede keus gedaan, toen hij het altijd raad
wetend vernuft van Stevin deze functie opdroeg bij een leger, dat heel de
wereld verbaasd deed staan door zijn geordende beweeglijkheid. Maar het is
begrijpelijk, dat de man die deze functie op zich nam voor de theoretische
wetenschap vrijwel verloren ging en zijn werk na ongeveer 1590 meer en meer
het karakter krijgt van het te boek stellen van praktische ervaringen. Te
meer, wanneer we zien, dat het niet bij deze éne functie blijft; afgezien
van Maurits' domeinbeheer, is hij belast met de ‘legermeting’, de bouw en
inrichting der kampen waarin naar Maurits' stelsel de troepen doorlopend
geoefend werden en blijkt hij de ziel te zijn geweest van de vestingbouw van
het Staatse leger: in het bijzonder het systematisch gebruik van het water
als verdedigingsgordel staat op zijn naam (
Stercktebouw door Spilsluizen
, 1617). In de opdracht aan de Staten in zijn
Castrametatio
schrijft hij over de aanleiding tot het publiceren van dit werk:
‘Ooc heeft mij gedocht mijn beroep zulck te vereysschen, om dattet u
Hooghmogende Heeren belieft heeft mij van de Leghermeting den last te
gheven.’
Blijkbaar was het ook Maurits' bedoeling hem met het oppertoezicht van de
vestingbouw officieel te belasten, maar hebben de heren Staten het instellen
van een dergelijk ambt tijdens het Bestand niet noodzakelijk gevonden. Van
een benoeming althans is niets bekend, maar in de bundel Burgherlicke Stoffen (Materiae
politicae) in 1649 door Stevins zoon Hendrik bezorgd, vinden we ‘seker Request van mijn Vader Zal.’
vermeld, dat deze, naar Hendrik meent, in overleg met Maurtis tot de Staten
zou hebben gericht, waaruit hij deze woorden aanhaalt: ‘Nu so ist dat
eenighe achten hoognoodig te wesen, yemant te stellen, die generale toesicht
op de sake der fortificatie neemt, ghelyck in ander landen, die een
Superintendent daer over hebben. 't | | | | Welck bij aldient daer toe
comt, en datter gheen ander bequamer toe ghevonden en wordt, soo presenteert
den Remonstrant daer toe ootmoedelick sijnen dienst.’
Dit sobere rekwest is wel zeer kenmerkend voor de mens Stevin, zoals wij hem
ook door de zakelijke toon van zijn werk heen, kunnen leren kennen. Een mens
wiens hele eerzucht in het buiten-persoonlijke ligt, in de dingen waar het
om gaat. Geen aanzien, geen eerbewijzen, geen ‘positie’ streeft hij na; in
een tijd waarin iedere fortuinlijke koopman of stadsbestuurder naar de
afgedragen titulatuur van de adel vist, blijft deze zakelijke
man-van-de-geest en gunsteling van ‘Zijne Vorstelicke Genade’ tot zijn dood
toe ‘seigneur Stevin’ en vraagt hoogstens de functie waarin zijn werk tot
zijn recht kan komen. Om de waarde van zo een mens te bepalen vindt men geen
norm in het eerbetoon van zijn tijd, die is alleen in zijn werk te vinden.
De geschiedenis der wetenschappen is een nog maar spaarzaam ontgonnen
terrein. Wie in 't kort de verdiensten wil samenvatten van een genie van
ruim drie eeuwen her, gelijk Stevin, stuit daardoor op verschillende
moeilijkheden.
1 Ontbreekt het vaak aan gegevens of althans aan geordende
en toegankelijke gegevens.
2 Laat zich niet gemakkelijk ontwarren wat oorspronkelijke
vondsten zijn en wat geheel of ten dele van anderen overgenomen is.
3 Zet de wedijver der grote geesten zich vaak in verhevigde
mate in hun latere bewonderaars voort, waardoor de objectiviteit van de
discussie bedenkelijk in gevaar gebracht wordt door chauvinisme of
vak-eigenwaan, ja, gelijk we al zagen, zelfs door kerkelijke
vooringenomenheid.
Wat het eerste betreft: al bleken onze biografische gegevens over Stevin
uiterst schaars, zijn werk liet hij ons, zo niet volledig dan toch naar wij
mogen aannemen wel voor het overgrote gedeelte, in druk na. Zijn
trouwhartige bronvermeldingen, zijn geneigdheid het doel boven het succes te
stellen, zoals dat ook uit zijn pleidooi voor wetenschappelijke samenwerking
blijkt, geven ons zekere waarborgen bij het afperken van zijn aandeel in de
ontwikkeling der vele door hem beoefende wetenschappen. Bovendien bezitten
we op dit punt een uiterst betrouwbare gids sinds het verschijnen van het
werk van Dijksterhuis. Wat ten slotte de
objectiviteit van zijn historiografen aangaat, al te bont hebben zij het
niet gemaakt: het gebied der wetenschap is niet de vruchtbaarste bodem voor
de romantische legendevorming of heldenverering. Er is dan ook maar één
Brugge dat zich erop beroemt zijn
geboorteplaats te zijn, en de twijfel of Den Haag
of Leiden zijn gebeente bergt, komt eerder voort
uit het rumoer der binnenlandse twisten te midden waarvan hij stierf dan uit
stedelijke naijver. Zijn inmiddels tot stof vervallen zeilwagen liet een
groter roep na dan zijn meer blijvende scheppingen en hier en daar een klein
krakeel tussen vakgeleerden over de prioriteit van zijn vondsten heeft die
roep gebaat noch geschaad.
Het veelzijdig oeuvre van Stevin laat zich in drie groepen indelen waarvan
het nageslacht die van de mathematisch-natuurkundige werken zeker als de
belangrijkste en oorspronkelijkste zal zien, terwijl zijn tijdgenoten, die
nog | | | | moeilijk de baanbrekende waarde daarvan konden
onderkennen, vooral die van de toegepaste kennis in techniek en organisatie
bewonderd zullen hebben. Een derde groep vormen de meer beschouwelijke
werken die misschien wel het meest om historische waardering vragen, maar
waarin toch ook nu nog een grote mate van gezond verstand opvalt, een zeer
zuiver en pittig taalgebruik en een gerede aanvaarding van nieuwe toestanden
en nieuwe gedachten.
Van zijn zuiver mathematisch werk liggen de grootste verdiensten in de
uitvoering van de berekening met behulp van decimale breuken, zoals hij die
uiteenzette in
De Thiende
(1585) en in zijn verdere werk toepaste en in wat we zouden kunnen
noemen het bruikbaar maken van de algebra, waarvan het allereerste begin
teruggaat op Diophantos van Alexandrië en zijn Arabische opvolgers.
Stevin kwam bij de optekening van zijn decimale
breuken nog niet tot het gebruik van de komma, die later door de Engelse
wiskunstenaar Briggs is ingevoerd. Hij schreef bij voorbeeld 378,54:
| (0) |
(1) |
(2) |
|
| |
|
|
of wel 378 (0) 5 (1) 4 (2) |
| 378 |
5 |
4 |
|
In zijn in 't Frans geschreven
Arithmetica
van 1585 nam Stevin de vertaling op van de vier eerste der zes
boeken over de algebra die ons van het werk van Diophantos bewaard bleven,
‘laissant le cinquième [volgens het voorbericht] et le sixième pour
empêchement d'autres occupations plus nécessaires’, maar de latere bewerker
van de Franse uitgave van zijn werk Girard, die boek v en
vi eraan toevoegde, waagt de gissing ‘Soit que le
temps ou, ce qui est plus apparent, que les grandes difficultés qui se
rencontrent aux derniers livres de Diophante, ayent empêché le translateur
d'en parachever la version’. Beide motieven laten zich nog wel rijmen: het
is niet onmogelijk, dat Stevin die zeker meer mathematicus dan latinist was,
de verdere vertaling uit een zeer corrupte Latijnse tekst als al te
tijdrovend heeft opgegeven.
De algebra zoals Stevin ze hier vond en waarin hij dadelijk de ‘Regel der
Regelen’ erkende, was onhanteerbaar, omdat haar een tekenschrift ontbrak.
Stevin schiep daartoe een stelsel, dat reeds alle essentiële vondsten bergt
van dat van latere mathematici (o.a. van Descartes en Newton), waaruit het
huidige ontstond. De eerste macht van een willekeurig getal schreef hij:
(1), de tweede: (2), dus 3(1) + 5(2) - 7(3)= 3a + 5a2 -
7a3; een macht van een tweede getal werd: sec.(1),
sec.(2), enz., van een derde: ter(1), ter(2), enz. In deze richting
doordenkend komt hij ertoe wortels aan te geven door in een cirkeltje
geplaatste breuken. Met dit apparaat maakt hij de algebra tot een werktuig
voor praktische becijfering: in de ‘Appendice Algebraïque’ van zijn
Mathématique
ontwerpt hij een algemene methode voor de oplossing van
vergelijkingen van iedere graad.
Het lot van dit gedeelte van Stevins werk bewees hoe gerechtvaardigd zijn | | | | eis van internationale, wetenschappelijke samenwerking was:
zijn algebraïsch werk vond in zijn abstractie bij zijn tijdgenoten nog
weinig begrip en de latere mathematici lieten het onder het stof liggen en
vatten zijn problemen opnieuw aan. Stevins meest oorspronkelijke schepping,
die én door zijn genialiteit én door zijn onmiddellijk ingrijpen in de
praktijk, veel meer de aandacht trok, is zijn Weeghconst, oorspronkelijk in drie boekjes
uitgegeven: Beghinselen der Weeghconst,
De Weeghdaet (‘daet’ is bij Stevin: praktijk
tegenover spiegeling = theorie) en Beghinselen des
Waterwichts.
Met deze drie kleine boekjes werd Stevin de schepper van de moderne statica
en hydrostatica. Sinds Archimedes immers waren deze wetenschappen vrijwel
algemeen als voltooid beschouwd en daardoor geen stap verder gekomen. Door
een samengaan van waarneming en experiment met een buitengewoon
scherpzinnige redenering doet Stevin hier een reeks ontdekkingen van zo
ingrijpende aard, dat wij hem en zijn jongere tijdgenoot Galilei de
grondleggers der moderne natuurkunde kunnen noemen. Stevins grote vondsten
op het gebied van de statica en de hydrostatica zijn ten eerste zijn theorie
van het evenwicht op het hellend vlak, de bepaling van de vaste verhouding
tussen ‘macht’ en ‘last’; ten tweede de ontbinding en samenstelling van
krachten, aangegeven door lijnen (z.g. parallellogram der krachten), in het
platte vlak en in de ruimte; ten derde het bewijs, geleverd door de met Joh.
de Groot te Delft ondernomen valproeven, vóór de
beroemde proeven die Galilei zijn professoraat te Pisa kostten, dat de
valsnelheid niet afhankelijk is van de massa, zoals Aristoteles meende en
men hem eeuwenlang had nageschreven; ten vierde de z.g. hydrostatische
paradox, nl. dat de horizontale druk van een vloeistofkolom, onafhankelijk
van gewicht of vorm, evenredig is met basis × hoogte. Uit zijn Waterwicht is bovendien duidelijk, dat hem de gelijkheid van de
druk in alle richtingen in een vloeistof bekend was, een wet die eerst door
Pascal in een formule zou worden vastgelegd. Alsof dit alles aan vondsten
nog niet genoeg was, heeft Stevin zich ook met de berekening van de druk van
gassen beziggehouden, maar dit gedeelte van zijn werk Het
Lochtwicht bleef manuscript en ging helaas verloren.
Zijn geschriften over de optica, het perspectief, de geometrie en de
trigonometrie zijn ondanks tal van kleine vondsten en praktische
aanwijzingen voor de landmeters van zijn tijd, minder oorspronkelijk dan de
voorgaande.
Zijn astronomie is een solide en scherpzinnige verdediging van het stelsel
van Copernicus. In zijn geografie (
Eertclootschrift
) treffen ons twee passages: in de eerste plaats zijn eb- en
vloedtheorie, waarin voor het eerst op goede gronden en na het zorgvuldig
verzamelen van gegevens betoogd wordt, wat alleen Plinius tot nu toe als
vermoeden had uitgesproken: dat de vloed op de aantrekkingskracht van de
maan terugging.
De tweede is de in de latere uitgave van zijn Eertclootschrift opgenomen Havenvinding, in 1699 afzonderlijk verschenen, dadelijk
door Huig de Groot in het Latijn vertaald en kort
daarna ook in het Engels uitgegeven, een nu verouderde, maar voor zijn tijd
zeer praktische handleiding voor de plaatsbepaling op zee.
Tot Stevins werken over toegepaste wetenschap moeten we zowel de boek- | | | |

De ‘grontteyckeningen’ van een poort en een bolwerk in De sterctenbouwing, Leiden 1594. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | houdkundige van zijn eerste tijd als die van de latere
vestingbouwkundige en kwartiermeester rekenen. De koopmansboekhouding kan
hem nog altijd dankbaar zijn voor de popularisering van de Italiaanse
methode hier te lande en vooral voor zijn decimaalstelsel; het financiewezen
van de moderne staat is een zo samengesteld bouwsel geworden, dat Stevin er nauwelijks zijn schepping in herkennen
zou. Toch heeft hij er de grondslagen van gelegd.
De krijgskunde is een wetenschap die door haar gebondenheid aan praktische
resultaten in telkens andere omstandigheden, snel veroudert en zeer
wisselvallig is in haar waardebepaling. Ten aanzien van de bepaling van
Stevins bijdrage aan deze wetenschap, stuiten we bovendien op de
moeilijkheid, dat het werk van Maurits en zijn ‘mathemathicien’ moeilijk te
scheiden is. Zeker is, dat door beider werk zowel in de vestingbouwkunde als
in de legerorganisatie de jaren 1590-1620 een nieuw tijdperk, en dat niet
alleen in de Nederlanden, markeren. Zeker is ook voor wie Stevins
Stercktebouw, Legermeting en Crychspiegelingh
leest, dat dit rustig rusteloze vernuft dat iedere praktische
moeilijkheid tot in haar theoretisch probleem doorlicht én oplost, een
belangrijk aandeel in deze vernieuwing moet hebben gehad.
Van Stevins architectonische studies:
Van de Oirdening der Steden
en
Van de Huysoirdening
bleven slechts fragmenten bewaard. Dat is te meer te betreuren,
omdat Stevin hoogst waarschijnlijk niet alleen de eerste Nederlander was die
over bouwkunde schreef, maar bovendien in het algemeen een van de eersten,
zo niet de eerste schrijver die zich theoretisch verdiepte in de bouw en de
groepering van de burgerwoning. Men moet ten aanzien van het werk van Stevin
eer van bouwkunde dan van bouwkunst spreken, want wel toont hij zin voor
verhouding en evenwicht, maar de verfraaiing van het bouwwerk, de
tegenstelling van stijlen heeft zijn aandacht niet. Hij verwerpt alle
doelloze zuiltjes en pilasters evenals alle klassieke autoriteit en vraagt
uitsluitend naar de voorwaarde van de grond waarop, het klimaat waarin, de
mensen waarvoor gebouwd wordt: wat in Rome mooi was, kan in Moskou
belachelijk zijn.
Beschilderde ruiten zijn mooi, maar nemen veel licht weg en niet ieder kan
zich veroorloven ze passend te laten herstellen, wanneer ze breken. ‘Wat
lelicke monsters belangt, gemengt van menschen- en beesten-leden met
ansichten yselick greinsende, en bevallen my int cieraet niet, eensdeels om
datse sorgelick sijn voor bevruchte Vrouwen; Ten anderen hoewel des
Werckmeesters suyver hant daer in blijcken can, soo isser weynich const
inden omtreck van dingen die an geen seker natuerlicke maet en stant
verbonden sijn.’
Stevin geeft geen architectonische modellen, maar gaat punt voor punt de
problemen na die zich voor kunnen doen bij het ontwerpen van een stadsplan
en bij de burgerlijke woningbouw. Hij ontwerpt zijn stad met rechte straten
en grachten en zo, dat geen burger ongerieflijk ver van markt, kerk of
stadspoort verwijderd woont, met overkluisde riolen en overluifelde
trottoirs. Zijn pleidooi voor het systematisch aanbrengen van luifels aan de
huizen is even menslievend als nuchter menskundig en daarom waard vermeld te
worden: ‘Als de Son heet schijnt so canmen op d'een of d'ander sijde in de
coele schauwe gaen. Al 't welck niet alleen en sijn anghename dinghen voor
de | | | | Rijcken, maer oock tot voordeel der Aermen die de cost
moeten winnen algaende langs de straten, wiens cleeren eens doorreghent
sijnde tottet lijf toe, gheen ander drooge en hebben, om aen te trecken,
diens cousen en schoen in de modder haest verslijten en gheduerlick met
natte voeten gaen, veroirsakende veel sieckten die daer uit volghen, welcke
smettelick sijnde, van hemlien totte Rijcken wel geraken. Daerom als de
Rijcken het bouwen sulcker Looven int ghemeen hielpen voorstaen sy souden
hun eygen saken oock bevorderen.’
Men zegt, dat Batavia naar Stevins plan gebouwd is en inderdaad tonen
tekeningen en plattegrond van de oude stad verwantschap met zijn ontwerpen:
niet aan Stevin echter, maar aan zijn slechte leerlingen die een
West-europees stadsplan in de tropen uitvoerden, dankt de stad haar latere
naam van kerkhof der Hollanders.
De huizen groepeert Stevin tot blokken, afgesloten tegen inbraak en
inklimming, de kamers zo, dat overal ‘vrijlicht’ invalt zonder kans op
‘inkijk’ van buren en voorbijgangers. Het bewaard gebleven deel der Huysoirdening geeft een reeks praktische wenken over de
indeling, kelderbouw, watervoorziening, reukloze ‘heymelicken’,
dakbedekking, afsluiting, enzovoort. In het hoofdstuk over het boren van
putten is een korte uitweiding opgenomen over het boren van een put van 232
voet diep in 1605 op het terrein van het Oudemannenhuis te Amsterdam verricht. Daarbij was zorgvuldig aantekening en meting
gedaan van de aangeboorde grondlagen en Stevin toont opnieuw zijn scherp
begrip voor wetenschappelijke perspectieven, waar hij dit eerste begin van
geologisch onderzoek onder de ‘groote vonden, niet alleen van onsen tijden’
rekent. Verloren gingen de hoofdstukken over bouwmaterialen, funderingen,
constructie van trappen, gewelfbouw, enz. Het gehele werk moet een treffend
voorbeeld geweest zijn van technische kennis, onafhankelijkheid van oordeel
en ordeningshartstocht.
Die zelfde ordeningshartstocht is de drijfkracht van zijn meer beschouwelijk
staatkundige werken, van zijn al eerder genoemd
Burgherlick Leven
met een tegen Machiavelli gekeerd aanhangsel: ‘Oftmen om best te
regieren, de deucht met boosheyt moet menghen of datse daer af onbesmet moet
wesen?’,
Van der Raden Oirden
en Van de Amptlien Kiesing en ghemeene
Anclevingen der Ampten, twee beschouwingen over
bestuursorganisatie en de merkwaardige
Regel op Gesantterie
in 1610 op verzoek van Maurits door zijn ordescheppend geniaal
factotum opgesteld, toen hem de verwarde verslagen van terugkerende
gezanten, het tijdverlies in het bij elkaar zoeken en ordenen van hun
papieren begonnen te verdrieten. In dertien kleine bladzijden zet Stevin de
heren gezanten de pen op de neus: uw instructie, uw geloofsbrieven,
volmacht, verslagen en kostenberekening, zo en zo ingedeeld, zo en zo
geformuleerd, zo en zo verantwoord. Tot het ‘tauken, dat men lichtelick mach
binden en ontbinden’ om de stukken bij elkaar te houden, heeft zijn
aandacht! Heeft hij wellicht François van Aerssen aanschouwelijk onderwijs
gegeven in een praktische knoop?
Aan het begin van deze beschouwing hebben we ons afgevraagd in hoeverre | | | |
Simon Stevin (als Vlaming) in deze bundel
thuishoort en die vraag bevestigend beantwoord. Nu - aan het eind - rijst
die vraag opnieuw, maar van een ander gezichtspunt uit. Stevin liet zijn
geschriften grotendeels in druk, maar gedeeltelijk ook in handschrift na.
Van die handschriften is weinig terechtgekomen. Op bijna zestigjarige
leeftijd was hij nog getrouwd met de veel jongere Catherina Krai die bij
zijn dood in 1620 met twee dochters en twee zoons achterbleef. De oudste
zoon Frederik die jong gestorven is, kreeg zijn opleiding van de bekende
natuurfilosoof en pedagoog Isaäc Beeckman, en het schijnt dat deze en
anderen van moeder Catherina, die zelf na twee jaar hertrouwde, verlof
hebben gekregen om naar hartelust te grasduinen in Stevins nalatenschap. Het
gevolg was, dat toen de tweede zoon Hendrik die bij de dood van zijn vader
pas zes jaar oud was, op een leeftijd kwam, waarop hij, zelf een niet
onbegaafd wiskunstenaar, zich voor die papieren erfenis ging interesseren,
er niet meer over was dan een ordeloze hoop fragmenten, die Hendrik naar
zijn beste weten uitgaf.
Zo kwamen een aantal vondsten van Stevin in het geestelijk bezit van Beeckman
terecht om vandaar te verhuizen naar dat van zijn vriend en correspondent
Descartes die, zoals later uit hun briefwisseling is gebleken, er geen
bezwaar in zag de ideeën, die de Dordtste rector hem aan de hand deed, voor
de zijne uit te geven.
Stevins gedrukte geschriften lagen ten dele begraven in de taal die zijn
trots was geweest, en ook de Franse en Latijnse vertalingen die ervan
bestonden, voerden niet tot die internationale wetenschappelijke
samenwerking die Stevin als ideaal had voorgezweefd. Zo werden verscheidene
van zijn belangrijkste ontdekkingen door Newton, Pascal, en anderen
overgedaan en als de hunne bekend.
Een paar eeuwen lang leefde de naam van Stevin slechts voort als die van de
medewerker van Maurits en de schepper van de wonderbaarlijke zeilwagen, die
beladen met achtentwintig adellijke heren van Maurits' hofhouding in twee
uur van Scheveningen naar Petten zeilde.
En hier ligt onze vraag in zijn nieuwe vorm: kunnen wij Stevin nog tot de
erflaters onzer beschaving rekenen, waar zoveel van de schat die hij naliet,
ongebruikt bleef liggen tot de munt niet meer gangbaar was? Ook hier kan het
antwoord positief zijn. Niet omdat een piëteitvol eerherstel gegrond op
zorgvuldige lectuur van zijn geschriften Stevin de plaats in de ontwikkeling
der exacte wetenschappen heeft toegekend, waarop hij recht had. Daar mag de
nationale trots mee gebaat zijn, ons beschavingsbezit wordt er niet groter
mee. Maar een geest als Stevin liet niet alleen het papieren geld van zijn
boeken aan zijn volk en de mensheid na, maar ook de pasmunt en het
zilvergeld, dat hij dagelijks met handen vol heeft uitgegeven en dat door de
eeuwen heen van hand tot hand is gegaan. Het is de afgesleten en naar het
soms schijnt in een zoveel ‘diepzinniger’ tijd als de onze waardeloos
geworden munt van het rationalisme, maar die in wezen nog niets van zijn
waarde aan gezond verstand, denkmoed en menselijkheid heeft ingeboet en
waarvan het inschrift ‘Wonder en is gheen wonder’ nog altijd duidelijk
leesbaar is.
|
|
|