|
|
|
| |
| | | | | |
Het Delfts orakel
In 1925, het jaar waarin het derde eeuwfeest van de verschijning van De
Groots hoofdwerk
De Iure belli ac pacis
gevierd werd, zag onder de stroom van gelegenheidsgeschriften als
vierde publikatie van ‘The Grotius Society’ ook een nieuwe biografie door
W.S.M. Knight het licht waarin wij onder
andere lezen, dat de Engelse schooljongen van een of twee generaties terug
nog vertrouwd was met Grotius'
Bewijs van den waren godsdienst
en zijn schrijver. Van geen andere Nederlander - of het moest De
Ruyter zijn, maar zeehelden hadden een of twee generaties geleden nu eenmaal
nog een apart plaatsje in jongensharten - zal dit ooit gezegd zijn of gezegd
kunnen zijn.
De uitspraak is te treffender, omdat, zo onze herinnering ons althans niet
bedriegt, De Groots vermaardheid bij de schooljeugd in zijn eigen land tot
de boekenkist en zijn bijzondere inhoud beperkt pleegt te blijven en zich
stellig niet uitstrekt tot de inhoud van de boeken. Als bewijs van Hugo's
ongeëvenaarde roem zouden wij hier dan ook mee mogen volstaan, als niet deze
éne uitspraak de mogelijkheid openliet, dat die roem, waardoor dan ook, van
het vaderland uit alleen naar het Westen gewaaid was. En zo is het waarlijk
niet. De De Iure werd nog in de eigenste eeuw waarin het
geschreven was, behalve in het Engels en Nederlands, ook in het Frans en
Duits en zelfs in het Zweeds vertaald. Dit laatste is trouwens begrijpelijk
genoeg, omdat de schrijver, zoals bekend is, jarenlang gezant van dat land
aan het Franse hof geweest is niet alleen, maar in verband met die functie
ook de Zweedse nationaliteit heeft aangenomen. Nog ruimer was de
verspreiding van het Bewijs of in zijn Latijnse door
Grotius zelf bewerkte, proza-versie
De Veritate religionis christianae
waarvan niet minder dan honderdtien uitgaven bekend zijn en dat
behalve in de genoemde talen ook nog verschenen is in een Ierse, Deense,
Hongaarse en zelfs een Griekse en Arabische overzetting. De beide laatste
overigens niet uit belangstelling in die landen zelf gewekt. De Griekse is
vervaardigd door de predikant van de Engelse ambassade in Parijs; de
Arabische door de oriëntalist Pocock. De vitter zou bovendien kunnen zeggen,
dat het hier dan ook een populair boekske gold over een thema dat eeuwen
lang nu eenmaal het thema was, waarin iedereen van hoog
tot laag en in alle landen belang stelde. Het is waar, maar niet minder waar
is, dat men al aan een boekje als de
Navolging van Christus
moet denken, om iets te vinden dat zich in dit opzicht met Grotius'
Bewijs laat vergelijken. Het allesbehalve populaire
Over Oorlogs- en vredesrecht
dat we zoëven noemden, heeft het bovendien toch ook alles bij
elkaar tot vijfenzeventig edities gebracht en dat het, anders dan het Bewijs, nog steeds niet dood is, blijkt hieruit, dat de
laatste, vierentwintigste vertaling, die van Oxford-Washington pas van 1925
dateert, terwijl de laatste, Leidse, uitgaaf, de veertigste van de
oorspronkelijke | | | | tekst in 1919 de pers verliet.
Zo hebben we hier te doen met het opvallende feit van een auteur die én
tijdens zijn leven, én kort na zijn dood én in onze tijd nog even beroemd
is. Van het eerste zullen we de bewijzen nog in overvloed tegenkomen; voor
het tweede spreekt voldoende het feit, dat de Heidelbergse leerstoel waarop
in 1661 Samuel Pufendorf benoemd werd, gesticht was met de bedoeling om er
Grotius' leer te doceren en verder te ontwikkelen. Van zijn tegenwoordige
beroemdheid heeft Van Vollenhoven die er zelf
trouwens niet het minst toe bijgedragen heeft, in
De Gids
van januari 1925 de treffende staaltjes meegedeeld.
‘In 1914,’ schrijft hij, ‘wordt het boek [De Iure]
voortdurend door de belligerenten aangeroepen; in 1915 sticht men, onder de
auspiciën van dit boek, te Londen een Grotius Society; in 1920 maakt de
rector van de universiteit van Rostock van de auteur van dit boek een
onderwerp voor zijn academische oratie; in 1924 onthult men te Balagny in
Noord-Frankrijk voor dit boek een gedenksteen en als 2 oktober 1924 het
protocol van Genève getekend wordt, gaan de gedachten van velen regelrecht
naar de man van 1625.’
Beroemd in zijn tijd, beroemd na zijn tijd, tegenwoordig nog beroemd - en
toch, voor ons nu, onmetelijk veraf. Sla welk werk ook van De Groot op - en
neem een Hollands of een in vertaling, opdat men niet kan zeggen dat het
niet-verstaan ligt aan uw gebrekkige kennis van het Latijn - en ge zult
hetzelfde ervaren, dat schrijver dezes overkomen is, toen hij indertijd in
jeugdige overmoed trachtte een prijsvraag te beantwoorden naar De Groots
betekenis voor de moderne theologie. Gij zult ervaren, dat zijn wereld een
verzonken wereld is, door duizend banden verbonden met die vóór hem, door
een enkele daarentegen slechts met die ná hem. Huizinga heeft in een herdenkingsrede van De Groot gezegd: ‘Hij is
te zeer humanist, te zwaar met geestelijke bagage beladen, om waarlijk
voortrekker te zijn.’ Er valt geen woord op af te dingen, maar wel aan toe
te voegen. Want humanist en evenmin luchtig met geestelijke bagage belast
was ook Erasmus die desondanks toch wel waarlijk
voortrekker geweest is. De kwestie is, dat Erasmus' humanisme en geestelijke
bagage in zijn tijd, hem tot vernieuwer moest maken, wat
zijn waarde uitmaakte, terwijl het humanisme en de
geestelijke bagage van De Groot hem in zijn tijd tot een
traditionalist stempelden, hetgeen - zoals wij nog zullen zien - juist zijn waarde uitmaakt.
De Groot, secularisator van het natuurrecht, grondlegger van een nieuwe
wetenschap, van het volkenrecht, de eerste die de soevereiniteit der staten
wilde beperken ter wille van een internationale organisatie en die daarmee
een voorontwerp van de Volkenbond schiep, - want al deze eretekenen en meer
nog hebben zijn bewonderaars hem om de hals gehangen - De Groot een
conservatief? Ongetwijfeld en méér nog: hij kon niet anders zijn dan dat.
Kind van de eerste generatie na een revolutie, is hij, hoe vroegrijp ook,
toch pas tot bewustzijn van de wereld om hem heen kunnen komen, na afloop
van de ‘Tien jaren’ (1588-'98) waarin die revolutie zich geconsolideerd en
de nieuwe heersende klasse en de nieuwe staat die er uit voortgekomen waren,
zich gevestigd hadden. Man geworden, moest hem aan een verdere bevesti- | | | |

Huig de Groot, op vijftienjarige leeftijd. Gravure door Jacob
de Gheyn. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | ging van de positie van die klasse en de erkenning van
die staat, alles gelegen zijn en kon hij niet anders dan conservatief wezen.
Hij kon het bovendien niet, kind als hij was van een regentengeslacht dat
een rol had gespeeld, niet slechts in die revolutie, maar al lang daarvóór.
Hij kon het ten slotte helemaal niet, omdat hij zelf van de al oude
betekenis van dat geslacht ten diepste doordrongen was.
Huig de Groot werd 10 april 1583, op paasdag, te
Delft geboren als zoon van Johan Hugo Cornets
de Groot en Alida Borren van Overschie. De vader was in 1589 raad en
schepen, van 1591-'95 een der burgemeesters van Delft, en met die destijds
bij ons niet zo zeldzame vermenging van bestuurder en cultuurdrager
bovendien de medewerker van Stevin bij diens
wiskundige studiën en zijn hulp bij diens natuurkundige ontdekkingen,
alsmede, ideaal ambt voor die beide functies, curator van de Leidse
hogeschool nog vóór hij er meester in de rechten werd. Hij stierf,
hoogbedaagd, in 1640, slechts vijf jaar vóór zijn zoon. Zijn moeder, die in
1643 stierf, een dochter van Frans Borren van Overschie en Adriana van
Adrichem, was van bijna even deftige afkomst. En De Groot kende het belang
van zijn geslacht terdege. Hoort, met welk een toon van solide
zelfvertrouwen hij in zijn
Verantwoordinghe
het aanzien van zijn geslacht en dat van zijn vrouw beschreef:
‘Mijn voorouders, genoemd Cornets en De Groot, hadden de stad Delft
ettelijke honderd jaren zeer loffelijk helpen regeren’ - en inderdaad,
volgens de jongste onderzoekingen zouden de uit Frankrijk afkomstige Cornets
reeds in de 12de eeuw tot de notabelen van het stadje behoord hebben en van
vader op zoon elkaar in hun verschillende ambten zijn opgevolgd. Hun namen
kennen we echter niet tot op een zekere Huig, die in 1350 geboren moet zijn.
Honderdvijftig jaar later - en dat is aan niet de minste twijfel onderhevig
- was Diederik van Kraayenburg de Groot er burgemeester en even vast staat
het, dat deze de betovergrootvader van onze Huig geweest is.
Maar luisteren we verder naar De Groot zelf, want meer nog dan om de feiten,
is het ons om de toon te doen. ‘Door mijn vaders moeder kwam ik van de
Heemskerken, welk geslacht van ouds bekend is geweest onder de edelste
geslachten van Holland. Mijn naaste vrienden waren gehuwlijkt aan zeer edele
huizen, als aan het huis Almonde, gekomen van de heren van Strye, en aan de
huizen van Renes en Uit den Eng tot Utrecht. Ik had mijn bloedverwanten in
de regering, niet alleen van Delft, maar ook van Leiden, Amsterdam en andere steden, ook in
alle de voornaamste collegiën van het land. Door mijn huisvrouw, een dochter
van de burgemeester Reigersbergh’ - Pieter, burgemeester van Veere, onder Leicester tijdelijk verbannen en
woonachtig in Boulogne, waar 7 oktober 1589 Maria, De Groots vrouw geboren
schijnt te zijn - ‘die het land van Zeeland en het Huis Nassau goede
diensten had gedaan, was ik vermaagschapt aan de beste huizen van Zeeland,
hebbende mijn verwanten in de steden en collegiën aldaar.’ Zeiden we teveel
met de bewering, dat iemand van deze afkomst, in die tijd geboren en
‘nourri’ in dit ‘sérail’, niet anders kon zijn dan conservatief - en
aristocratisch, door en door?
Maar het eigene van De Groot, dat wat hem psychologisch zo ongenaak- | | | | baar maakt en - menen wij - mede zijn werk zo veraf doet
schijnen, verder dan van menige tijdgenoot zelfs van geringer faam, is dit
toch uiteraard niet. Afkomst en milieu deelde hij met zijn broers en zijn
zusters, met zijn neven en nichten en honderden meer uit andere reeds sinds
lang gevestigde patricische families gesproten. Neen, het bijzondere van
Huig de Groot, het afwijkende moet men misschien zeggen, wat hem de eigen
aard verleend heeft die tot diep in zijn leven en werk is doorgedrongen,
schijnt ons toe, zijn wonderkindschap te zijn. Hij was vroegrijp. In de
eerste plaats voorzeker door zijn inderdaad buitengewone verstandelijke
begaafdheid gepaard aan een even buitengewone ijver. Als kind kocht hij van
zijn weekgeld kaarsen ter wille van het verboden leesuurtje in bed. Maar
zowel zijn afkomst, onwillekeurig, als zijn omgeving, bewust, hebben alles
gedaan om de aanleg daartoe als in een broeikas te ‘trekken’, in plaats van
rustig te wachten tot de natuur het zou doen uitlopen. En zo werd hij te
vroeg rijp, werd hij een wonderkind.
Acht jaar was hij, toen hij zijn eerste elegieën schreef - in het Latijn,
waaraan dus, moet men aannemen, enige studiejaren zijn voorafgegaan en de
beroemdsten der oudere generatie, mannen als Scaliger, Heinsius, Douza, Lipsius, Junius, Merula, Stevin en Wtenbogaert stonden, bij
wijze van spreken, als even zoveel feeën om deze ‘wiegepoëzie’ te
applaudisseren. Elf jaar oud was hij, toen hij uit Wtenbogaerts huis in
Den Haag naar Leiden
op studie ging, niet de enige overigens van zijn leeftijd, toen de scheiding
tussen wat wij nu middelbaar onderwijs noemen en het hogere niet scherp
getrokken werd. Maar niet was er nóg een, die door de curator Jan van der
Does met een Latijnse ode begroet werd, waarin hij het kind vergeleek met -
Erasmus. Twaalf jaar was hij, toen hij zijn moeder, katholiek nog, tot het
protestantisme ‘bekeerde’ met het ‘argument’, dat zij een te verstandige
vrouw was om in de papisterij te blijven volharden. En het verhaal wil
zelfs, dat zij al haar leven bleef roemen op het feit, dat zij haar bekering
dankte aan haar zoon. In 1596, dus toen hij dertien was, verscheen zijn
eerste publikatie, een ode aan Frederik Hendrik, toen twaalf jaar oud - in
het Latijn natuurlijk. En vijftien jaar was hij, toen de Staten hem als een
bezienswaardigheid aan een plechtig gezantschap naar Frankrijk onder
Justinus van Nassau en Oldenbarnevelt toevoegden,
waar Hendrik iv de knaap openlijk het ‘wonder van
Holland’ noemde en met een gouden keten vereerde. Alleen Meursius waarschuwde: ‘Overtroef je zelf niet,’ schreef hij, ‘en
houd niet teveel van je zelf.’
Maar genoeg van dit wonderkindschap. Genoeg, om te doen beseffen, dat deze
roem van het kind op een bepaalde manier het ongeluk moest worden van de
man. Alleen wie zelf wel eens een succes te boeken heeft gehad, kent de
knaging van het succes, kent die op zich zelf wel begrijpelijke, maar dan
ook onbedwingbare neiging om met een volgend succes het vorige te
overtreffen ten einde het slopende gevoel te ontgaan van beneden zich zelf
te blijven, als hij werkelijk wat waard is, of, erger nog, zijn roep te
overleven, als hij in de grond niets waard is. Maar ook hij die dat niet
kent, zal toch licht kunnen begrijpen, wanneer dit bij een volwassene al
schier onvermijdelijk is, welke uitwerking niet slechts het succes, maar de
roem op het zoveel ontvankelij- | | | | ker gemoed van een kind moet
hebben. De prille roem moet zijn ziel geschaad hebben, omdat zij hem het
natuurlijk contact met zijn leeftijdgenoten heeft afgesneden. Achterlijkheid
had hem niet vroeger oud kunnen maken dan deze voorlijkheid het deed. En
niet alleen zijn ziel, erger misschien nog moet het zijn geest geschaad
hebben, omdat deze op zó jeugdige leeftijd reeds zó verzadigd, juist uit een
rest van natuurlijke reactie geweigerd moet hebben, nieuwe indrukken te
blijven opnemen - de laatste oorzaak, komt ons voor, van zijn diep geworteld
conservatisme. Ruit hora kiest hij zich tot lijfspreuk. De
tijd vervliegt. Hij die de beker van de tijd te vroeg had leegge-dronken,
had er zich waarlijk geen betere kunnen kiezen. De tijd vervliegt. Hoe kon
het hem anders voorkomen, die zonder strijd overwinnaar verklaard was op het
toernooiveld des geestes op een leeftijd waarop anderen nog strijd moeten
voeren om er toegelaten te worden; hem wiens baan daardoor voltrokken leek
op het punt, waar anderen haar beginnen?
De tijd vervliegt. Het is geen wonder, dat we hem zich zelf van het ene werk
naar het andere en van het ene soort werk naar het andere zien jagen, in een
steeds versnelde ren naar de gedroomde volmaaktheid die zijn roem nog hoger
opstoten zou: filologie - zijn uitgave van het
Martiani ... Capellae Satyricon
is nog net uit de 16de eeuw; exacte wetenschap - zijn
Limeneuretikè
of
Havenvinder
(vertaling naar Stevin) van hetzelfde jaar 1599; historie - in 1601
aanvaardt hij de opdracht tot het schrijven van een geschiedenis van de
opstand, die hij pas veel later volvoeren zal in de na zijn dood gedrukte
Annales et historiae de rebus belgicis
(1657); dicht en drama - zijn
Adam exul
of ‘Adam in ballingschap’ is van 1601. De tijd vervliegt. Het is
geen wonder, dat we hem in Leiden haastig zien
afstuderen, in 1597 al, op wijsgerige en wiskundige stellingen, dat hij het
jaar daarop, haastig alweer en naar familietraditie in Orleans in de rechten
promoveert, een soort erepromotie schijnt het.
De tijd vervliegt. Het is geen wonder, dat we De
Groot zich van de ene betrekking in de andere zien storten, nergens
bevrediging vindend, als waren alle betrekkingen bij elkaar voor zijn
capaciteiten nog niet genoeg. December 1599, zestien jaar nog maar en vóór
de wettelijke leeftijd, naar hij zelf zegt, vestigt hij zich in Den Haag als advocaat bij de Hoge Raad en het Hof van
Holland, zoals ook Oldenbarnevelt begonnen was en
Johan de Witt en zoveel andere ambitieuze
jongelieden later beginnen zouden. Maar de advocatenpraktijk bevredigt hem
niet. Hij klaagt het Heinsius. ‘Geloof mij,’ schrijft hij, ‘en prijs je
geluk: dit is heel iets anders dan de academie. Want onze processen, behalve
dat zij ook de ijverigste mens bezwaren en een vredig gemoed als het mijne
slecht passen, leveren ook weinig dank van de cliënten op, om van roem bij
anderen maar te zwijgen.’ Hij wil dus liever professor worden, maar hij
wordt het toch ook weer niet. Hij blijft echter studeren. En intussen
vervliegt de tijd, hij moet voort.
December 1607 zegt hij de advocatenpraktijk voorgoed vaarwel. Hij betreedt
als advocaat-fiscaal, zoveel als procureur-generaal bij het Hof van Holland,
de ambtelijke loopbaan. In de verte lokte al de politiek, het enige terrein
dat hij nog niet betreden, waarop hij zijn krachten nog niet beproefd | | | |

Brief van Huig de Groot aan zijn vrouw, gedateerd 3 juli 1631.
Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | en waarop hij dus nog geen lauweren geoogst had. In 1613 zou
hij de eerste stap zetten op die weg, die hem de toekomst van een
Oldenbarnevelt scheen te openen; maar die in werkelijkheid slechts zijn
volledige ongeschiktheid als politicus zou openbaren en erger, hem,
maatschappelijk gesproken, tot een volledig fiasco brengen. In dat jaar toch
stierf Oldenbarnevelts broer Elias en zoals deze Johan was opgevolgd, zo
volgde nu De Groot Elias van Oldenbarnevelt op als pensionaris van Rotterdam, een formeel niet, maar feitelijk wel
politieke functie, naar men weet, omdat het ambt in de praktijk aan de
leider der stadsdeputatie toegang verleende tot de Staten van Holland en via
deze hogerop tot de aanzienlijke ambten der Republiek, ja tot het
aanzienlijkste van alle, de advocatuur van den lande.
De Groots politieke belangstelling was al lang vóór 1613 gaande gemaakt, wat
bij de zoon van een toenmalige burgemeester ook niet verwonderlijk is, en
wel van de juridische sfeer uit. Reeds in 1604 had hij een groot werk op
touw gezet:
De Iure praedae commentarius
- een commentaar op het buit-recht. Het was een opdracht van de
Heren xvii der nog jonge Verenigde Oost-Indische
Compagnie; de bedoeling ervan zuiver zakelijk en zelfs enigszins triviaal.
Het leek er immers eenvoudig om te doen aan de twijfelaars in het vaderland
te bewijzen, dat de rijk beladen Portugese kraak die Jacob Heemskerck (geen
andere dan de held van Nova Zembla en de latere van Gibraltar), in 1603 in
dienst nog van een der voorcompagnieën, in de Oost had buitgemaakt, met het
volste recht genomen was. En gewoonlijk staat de uitkomst van een dergelijk
onderzoek van tevoren vast.
In werkelijkheid was het heel wat minder eenvoudig. Niet alleen omdat er een
bedrag van bijna vier miljoen gulden mee gemoeid was, ook niet omdat er een
aantal competentie-conflicten tussen de Staten, de admiraliteiten, de
compagnie en de admiraal aan vastzaten die veroorzaakt werden door de nog
niet geheel gevestigde verhoudingen in de Republiek. Maar bovenal, omdat het
in wezen geen juridische, maar een politieke zaak gold. Zelfs een van de
hoge politiek. Want in de toewijzing van deze buit, aan welke der Hollandse
instanties ook, lag het overbrengen van de oorlog met het destijds aan
Spanje behorende Portugal opgesloten naar buiten-Europees gebied, in
afwijking van de vroegere regeling, die het aantasten van vijanden daar die
geen strijd zochten, ten stelligste verbood.
Hoe de eis, ingesteld door de advocaat-fiscaal, de compagnie en de admiraal
gezamenlijk ten slotte is toegewezen, hoe groot de belangstelling, ook in
het buitenland, voor de publieke verkoop van de buit was, ja zelfs hoe deze
de eerste grondslag gelegd heeft voor de verzamelingen in de porseleinkasten
van onze voorouders - de uitdrukking ‘kraak-porselein’ schijnt op deze
gelegenheid terug te gaan - kan ons, hoe belangwekkend op zich zelf ook,
minder schelen. Waar het voor ons op aankomt, is het geschrift van De Groot
waarin hij, zoals we nu weten, voor het eerst zijn denkbeelden over het
oorlogsrecht ontvouwd heeft. Zoals we nu weten, zeg ik, want het boek is
destijds niet uitgegeven, mogelijk omdat men de uitdrukkelijke erkenning van
een oorlogstoestand met Spanje-Portugal in de Oost inopportuun achtte in
verband met de vredesonderhandelingen waarbij de vrije vaart op Indië | | | | juist het zere punt was. En De
Groot, die hier waarlijk niet als een man des vredes was opgetreden,
had in zijn pleidooi geen blad voor de mond genomen. Hij noemde de behaalde
buit niet alleen ‘de schoonste’, maar ook de ‘ware vrucht van de vaart op
Indië’ en, klassiek geschoold als hij was, stond hem daar blijkens zijn
eigen woorden iets bij voor, dat de Hollanders nu voortaan de oorlog in
Europa bekostigen zouden, niet meer uit belastingen, maar met wat zij in de
Oost op de vijand wonnen, zoals de Romeinen na de bemachtiging van Macedonië
hun staatsuitgaven uit hun veroveringen hadden bestreden. En wat de Romeinen
gedaan hadden of schenen te hebben, was, hoe krom ook, altijd recht.
Doch wat ook de oorzaak geweest moge zijn, een feit is het, dat het
handschrift in de Groots schrijftafel bleef liggen en later zelfs zoek
raakte, totdat het in 1868 pas weer opdook, uitgegeven en in onze eeuw ook
uit het oorspronkelijk Latijn, zowel in het Nederlands, Engels als Frans
vertaald werd.
De Iure praedae bestaat uit drie delen. Het eerste,
dogmatisch van aard, leidt in negen ‘onderzoekingen’ het recht van
oorlogvoeren en buitmaken af uit de beginselen van het natuurrecht en het
positieve volkenrecht. Het tweede, historische gedeelte rechtvaardigt de
opstand der Nederlanden tegen Spanje uit de tirannie van Alva en bevat
vervolgens een aantal, breed uitgemeten wandaden van de Portugezen tegen
Nederlandse Oostinjevaarders van 1596 tot aan de verovering van de
‘Catharina’ - de bewuste kraak - in 1603, dezelfde wandaden, die Heemskerck
ertoe gebracht heetten te hebben om de kraak aan te vallen in afwijking van
de geldende regeling. Het derde deel waarin de compagnie dan op grond van de
dogmatiek uit het eerste deel gerechtigd verklaard wordt de oorlog voort te
zetten die zij begonnen is, bevat onder andere de verhandeling over het
Mare Liberum, seu de iure quod Batavis competit ad Indica
commercia
- de ‘Vrije Zee, of over het recht der Bataven op de handel op
Indië’.
Het is dit derde deel, dat in 1609 wél anoniem verschenen is, maar dat bij
zijn verschijnen niet sterk de aandacht getrokken schijnt te hebben en dat
zeker wel niet, anders dan De Groot meende, nog op de onderhandelingen over
het Bestand van invloed geweest is, maar dat wel later met de
oorspronkelijke opzet van Engelse zijde bestrijding vond. De Groots
redenering op grond van het toen algemeen aangenomen natuurrecht was
namelijk deze dat bezit, wilde het rechtmatig verkregen bezit zijn, door
arbeid behoorde te zijn verworven. Aangezien er nu aan de zee evenmin iets
te bearbeiden viel als aan de lucht, waren deze zowel als gene res nullius, niemandsbezit, ergo vrij en voor ieder open, zodat de
Hollanders evenveel recht op de vaart op Indië hadden als de Portugezen. Dit
strookte weliswaar met de Hollandse opvatting, maar niet met die der
Engelsen die met lede ogen zagen, dat de visvangst der Hollanders onder de
Engelse kust dezen schatten opbracht die, naar zij meenden, hun eigen
landgenoten toekwamen. William Welwood in 1615 en John Selden in 1618 namen
dan ook de pen tegen Grotius op. De eerste heeft De Groot zelf nog in een
overigens ook pas in onze tijd uitgegeven verweerschrift beantwoord; op
Seldens Mare Clausum - de Gesloten Zee - dat trouwens pas
in 1635 onder voor De Groot zo geheel verander- | | | | de
omstandigheden het licht zag, heeft hij gezwegen: in een tijd, toen hij zelf
in Zweedse dienst was en Zweden naar de heerschappij in de Oostzee streefde,
kon hij bezwaarlijk opkomen voor het recht van de ‘vrije zee’.
Wij zijn op dit eerste staatsrechtelijke geschrift van De Groot zo
betrekkelijk uitvoerig ingegaan, omdat het hem zo typeert en wel, als wij
goed zien, vooral in twee opzichten. Ten eerste toch bevat dit geschrift van
de eenentwintigjarige advocaat in kern (en zelfs meer dan dat, al zijn er
verschillen) de opvattingen die de volwassen rechtsgeleerde later in zijn
oneindig beroemder
De Iure belli ac pacis
zal ontvouwen. Dat wil zeggen, dat zijn boek over het buitrecht
bewijst, dat De Groots ontwikkeling met zijn puberteit in wezen afgesloten
was. Nieuwe gebieden zal hij zich na dit boek niet meer veroveren, want het
terrein van de praktische politiek, waarop zijn eerzucht hem in 1613 dreef,
is hem in wezen, zoals wij nog zien zullen, evenzeer gesloten gebleven in
zijn algemene vorm als in de bijzondere van de diplomatie, waarheen zijn
mislukking in de vaderlandse politiek hem later brengen zal. Hij is aan de
druk van zijn wonderkindschap dan ook nooit ontkomen.
Maar tegelijk - en dat pleit voor zijn inderdaad geniale aanleg - openbaart
zich hier de - bij hem - positieve zijde van dit ‘infantilisme’. Gespeend
van elke humor - humor is niet des kinds, omdat humor de ontvankelijkheid
voor de meerkantigheid der dingen vooronderstelt en alleen de volwassen
ervaring dit dialectisch wezen ontwaart - en kind in de boosheid, als hij
was en bleef, omdat hij kind bleef, had hij de zeer praktisch en nuchter
bedoelde opdracht der Compagnie theoretisch en verheven opgevat. Daardoor
had hij weliswaar enerzijds iets recht gepraat wat toch eigenlijk krom was;
maar hij had dat niet uit wereldse baatzucht doch uit naïeve onnozelheid
gedaan. Anderzijds had hij tegelijk, door zijn kinderlijke zuiverheid en uit
behoefte om het gebeurde met de Catharina wérkelijk als recht te zien, een
werk geleverd dat, zij het dan in de latere vorm van de De Iure
belli alle eeuwen en op een bepaalde manier alle wisselende
behoeften overleven zou. De Groots roem is van zijn ‘infantilisme’ niet los
te maken, maar door het schelle licht van de eerste heeft men het laatste
niet gezien en omdat men voor het laatste geen of te weinig oog had, heeft
men de eerste gewoonlijk verkeerd geschat of toch onbegrepen aanvaard.
Inmiddels was echter ook De Groot naar zijn jaren een man geworden. Op 2 juli
1608 was hij met Maria van Reigersbergh, de dochter van de burgemeester van
Veere, getrouwd. Zes jaar zijn jongere - 7
oktober 1589 was zij geboren - en volgzaam naar de zeden van de tijd en het
recept van haar landsman Jacob Cats, werd zij
nochtans, in de praktijk van het leven ongewild wellicht, maar stellig niet
onbewust, zijn meerdere. In 1613 zette hij, zoals gezegd, de eerste stap op
zijn politieke loopbaan die voor hem weliswaar minder dramatisch, maar even
tragisch zou eindigen als voor zijn voor hem onbereikbaar en onbruikbaar
voorbeeld: Oldenbarnevelt. Even tragisch, want De
Groot moge dan al voor zijn overtuiging niet gestreden hebben, hij heeft er
wel voor geleden. Is het laatste in het algemeen al moeilijker te dragen dan
het eerste, het was het zeker voor dit door lot en aanleg zo buitensporig
verwende kind.
| | | |
Huig de Groot, pensionaris der stad Rotterdam. Gravure door
Hendrick Bary. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | |
Na een gezantschapsreis naar Engeland waarbij hij niet voldeed - Jacobus i noemde hem een pedant vol woorden en zonder oordeel -
werd hij, nog in hetzelfde jaar, pensionaris van Rotterdam en vestigde zich met zijn jonge vrouw en hun twee
kinderen, Cornelia en Cornelis, in een woning in de Prinsenstraat. Hij moet
geweten hebben wat hij deed. Want de twisten tussen remonstranten en
contra-remonstranten waren reeds in volle gang. Bewust heeft hij de partij
van de Advocaat, men kan niet zeggen: gekozen, want hij behoorde er bij
wijze van spreken van nature bij, maar dan toch gevolgd. Had hij niet reeds
in 1602 een breed werk opgezet - ook dit een jeugdwerk dus! - het
Parallelon rerum publicarum
, een vergelijking tussen de staten van Griekenland, Rome en de
Republiek, en daaruit in 1610 het gedeelte dat op de Republiek betrekking
had afzonderlijk en omgewerkt in het licht gegeven? En bevatte dit onder de
titel
De antiquitate reipublicae batavicae
verschenen gedeelte niet een verdediging van de staatsrechtelijke
maximes, waarop ook de politiek van de Advocaat berustte? Het ging om de
kwestie die al in het Leicesterse tijdvak zoveel gemoederen beroerd had,
waar of nu eigenlijk de soevereiniteit berustte. ‘Bij het volk’ had Wilkes,
een Engelsman uit Leicesters gevolg, betoogd; neen, ‘bij de Staten’ had
Francken, pensionaris van Gouda, daarop geantwoord.
Van Franckens stelling was het boekje van De
Groot een nadere uitwerking en het is, hoezeer historisch onhoudbaar,
mede door De Groots gezag gedurende de hele Republiek de officiële opvatting
gebleven, dat de soevereiniteit ook reeds in de graventijd bij de Staten had
berust. Dat de schrijver zelf er een praktisch-politieke bedoeling mee had,
blijkt uit het feit, dat hij er nog in hetzelfde jaar tezamen met zijn vader
een Hollandse vertaling van bezorgde. Hetzelfde geldt voor zijn
Ordinum Hollandiae ac Westfrisiae pietas
van 1613, waarin hij de maatregel der Staten tot beteugeling der
godsdiensttwisten verdedigde tegen de aanval van de Friese theoloog
Lubbertus. Nog in hetzelfde jaar bezorgde Wtenbogaert er een Hollandse vertaling van.
Zozeer dit soort werk hem lag, zo weinig lag hem de taak, waar hij in deze
beroerde tijden als pensionaris van Rotterdam voor kwam te staan. Want hij
was het, die in 1613 en '14 de door hem zelf geconcipieerde onaangename
maatregelen ter onderdrukking van de contra-remonstranten in de stad en
omgeving moest nemen. Reeds de mogelijkheid van een burgeroorlog, die,
gegeven de verhoudingen zoals zij nu eenmaal lagen, in deze staatsdwang
opgesloten lag, stuitte zijn irenische natuur, die al wel veel over de
oorlog nagedacht en deze zelfs gerechtvaardigd had, maar die er nooit een
van nabij gezien en er zeker nooit in meegevochten had, tegen de borst. Hij
voelde dezelfde weerzin die hem als advocaat-fiscaal bevangen had, wanneer
hij door zijn ambt daartoe verplicht, de voltrekking van doodvonnissen had
moeten bijwonen. Hij drong dan ook bij de magistraten op matiging aan. Meer
kon hij niet doen. Anders dan vroeger zat hij nu eenmaal in het schuitje en
moest meevaren. Verwend als een kind, had hij ook de aanhankelijkheid van
een kind en bleef hij zijn partij getrouw. Zijn zending, in 1616, naar Amsterdam om er de vroedschap op het belang van
wederzijdse verdraagzaamheid te wijzen, was nog in overeenstemming met zijn
aard. Hij kweet er zich van in een | | | | beroemd geworden en
geleerde rede van twee uur duurs. Maar de ervaring, dat de Heren van
Amsterdam hem zonder enig teken van instemming aanhoorden en het koele
antwoord, dat zij hun bezwaren wel ter dagvaart bij de Staten zouden
inbrengen, was voor deze man, die nooit tegengesproken en wél altijd
bewonderd was, al minder aangenaam. De zware ziekte die hem kort daarop
overviel, heeft men mogelijk niet ten onrechte wel aan zijn gekwetste
eerzucht toegeschreven.
Erger nog was zijn volgende ervaring. Het was voor hem een zware taak naar
Middelburg te moeten gaan om de Zeeuwen te
overtuigen, dat er geen Nationale Synode gehouden moest worden. Hij slaagde
ook niet; wel, bijna, zijn tegenstanders - met hem in het water te gooien.
Toen hij onverrichterzake wegzeilde, verhaalt de Engelse gezant Carleton,
‘juichte het volk aan de kant zo uitbundig, alsof er een beleg voor hun stad
was opgebroken’. En in Dordrecht ging het niet anders. Maar wijken deed hij
niet. In mei 1617, vlak voordat Maurits voor de tegenpartij zou kiezen, liet
hij zich nog een benoeming tot lid van de Gecommitteerde Raden van Holland,
dat is tot het dagelijks bestuur van het gewest, welgevallen.
Maar het ergst voor hem was, een jaar later ongeveer, zijn zending naar Utrecht, tezamen met Hogerbeets, want deze ging dwars
tegen zijn natuur in. Hier ging het erom, leiding te geven bij de gewapende
opstand van de waardgelders die de stad in dienst had genomen tegen de
inmiddels door de Staten-Generaal met dictatoriale bevoegdheden voorziene
stadhouder. Er kwam, zoals bekend, maar wat ons nu niet langer verwondert,
van dat verzet niet alleen niets terecht, maar men mag ook aannemen, dat
deze mislukking Grotius in de onbekende diepte van zijn hart een al of niet
door zelfverwijt doorkruiste voldoening heeft geschonken. ‘Wilt u uw ambt
verkopen?’ moet zijn barbier hem kort daarop gevraagd hebben. En toen
Grotius ‘neen’ antwoordde: ‘Dan zullen ze het u afnemen!’ ‘In dat geval,’
was Grotius' repliek, ‘zal ik mijn advocatentoga weer aandoen.’
Hij heeft hem nooit meer aangehad. Op 29 augustus 1618 viel de grote slag die
deze man wel breken moest: zijn arrestatie en gevangenschap op de Voorpoort.
Negen maanden lang zijn vrouw niet bij hem die in de strijd daarvóór zo niet
zijn enige, dan toch zijn hechtste steun geweest zal zijn. Is het wonder,
dat hij aan de rand van het bezwijken getoefd heeft? Twee weken gevangen,
schrijft hij een brief aan Maurits, waarin hij zich ter verontschuldiging op
zijn leeftijd beroept: ‘Mijne jaeren laeten my niet veel ervarentheit toe.’
Een zwak argument voor iemand die al zesendertig jaar was en elf daarvan
hoge staatsfuncties bekleed had. Des stadhouders repliek: ‘een weerhaan’
leek niet van alle grond ontbloot.
Het leven dat tot nog toe onder hem weggespoeld was - ruit
hora - spoelde nu over hem heen. Had de Advocaat hem niet gedreven? Was
deze wel zo onschuldig, als hij altijd gedacht had? Hij is er in zijn
benardheid niet zeker meer van en zegt het ook. Maar ten slotte is er in
deze man een overtuiging en in dit kind een zeldzame zuiverheid en misschien
ook iets van de koppigheid van een kind - ten slotte, als Maria hem
geschreven heeft, dat zij van zijn afval gehoord heeft, maar dat zij het
niet geloven wil, ‘want ik zeker | | | | houde, hetgeen gij mij
dikmaals hebt gezegd, dat gij geen geheimen wist’ -ten slotte erkent hij
niets, waar niets te erkennen viel. Maar daardoor werkt hij zich zelf nog
slechts vaster, want door zijn spreken eerst en zijn zwijgen daarna, stelde
hij de onderzoekingscommissie die op de openbaring van geheimen gehoopt had,
teleur en kwam hij eerst recht onder de verdenking van onoprechtheid.
Het proces eindigde, zoals elkeen weet, met een vonnis tot verbeurdverklaring
van zijn goederen en levenslange gevangenschap op Loevestein waarheen hij in
de nacht van 5 op 6 juni 1619 overgebracht werd. Het is of het lot dat hem
als kind zo verwend had, zijn fout heeft willen goed maken. Hier, in de
gedwongen afzondering en in de beproeving der onvrijheid, getemperd al
spoedig door de aanwezigheid van zijn bij hem toegelaten gezin, kon hij, als
hij een kerel was, de mogelijkheid voor een nieuw leven vinden, dat niet
vervliegen zou. Hij bleek ten slotte een kerel en hij vond de mogelijkheid,
al brandde dit vagevuur ook niet hard genoeg voor een volledige staling en
al moest hij de slakken van zijn even geslaagd als mislukt verleden ook in
dit tweede leven blijvend met zich meedragen.
Hebben we zijn karakter goed begrepen, dan moet hij zich in de gevangenschap
op het stille fort met het uitzicht op het stille water nochtans minder
onbevredigd gevoeld hebben dan in de vrijheid daarvoor en daarna. Hij werd
er behandeld op een manier die door hem zelf en in de 19de eeuw hard
geoordeeld werd, maar die de meeste politieke gevangenen van tegenwoordig,
ook die van zijn geestelijke rang, hem zullen benijden en bovenal: hij had
er zijn boekenkist, die hem niet één, maar twee keer bevrijd heeft. Hij
studeerde en schreef er. Hij zette er zijn onderbroken filologische arbeid
voort. Hij schreef er de
Memorie van mijne intentiën
en de
Memorie van mijne bejegening
met al de uitvoerigheid die de gevierdheid, maar tegelijk met de
innerlijke zekerheid die het besef van onschuld pleegt te geven. Beide
stukken vormen de grondslag voor zijn in '22 uitgegeven
Verantwoordinghe
. Hij ontwierp er bovendien de
Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheit
, vrijwel zonder over materiaal te beschikken louter uit zijn enorme
rechtskennis ten bate van zijn trouwe hulp en verdediger, zijn broer Willem,
die ook in de advocatuur was getreden. Het gaf hem al de zelfvoldoening die
steeds de natuurlijke vrucht is van het doen van nuttig werk, tevoren door
niemand ondernomen. Maar hier nog verdiept door het altijd strelend gevoel
van edelmoedigheid, want hij wist, dat hij hiermee het ondankbare vaderland
nog een dienst bewees. Het is hetzelfde gevoel dat hem de epiloog van het
Bewijs
in de pen gaf:
Schoon Holland, laet dit syn in plaats van mij bij u
Mijn Koningin: ik toon soo als ik kan nogh nu
De liefde die ik heb altijd tot u gedragen
En draegh en dragen sal voorts alle myne dagen.
Want ten slotte berijmde hij ook op Loevestein het
Bewijs van den waren godsdienst
waarover wij in het begin reeds spraken, een geloofsbelijdenis voor
| | | |

Het slot Loevestein en het inschepen van de boekenkist. Detail
van een kinderprent door Christiaan Jacob Schuyling. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | zijn kinderen bestemd waaraan hij de vorm gaf van een
catechismus voor zeelieden om hen te sterken in het christendom, wanneer dit
soms onder invloed van andere godsdiensten waarmee zij op hun reizen in
aanraking kwamen, mocht gaan wankelen. Zoveel goed als de Inleydinge hem bij zijn tijdgenoten gedaan heeft, zoveel kwaad
heeft hem het Bewijs gedaan, want hoe orthodox dit ook in
onze oren klinken mag, de 17de-eeuwse orthodoxie, die in die aangelegenheden
scherper zag, proefde er overal de Arminiaan in die op verzoening van de
tegenstellingen niet slechts binnen het protestantisme, maar zelfs binnen
het christendom uit was, hetgeen voor haar slechts een verzaking van de
zuiverheid der leer betekende. Zijn overtuiging dat ‘het offer meest begeert
is een geloovigh hert’ en dat de godsdienst niet
Maar in een ongeveynst, opreght gemoed bestaet
konden de ware broeders in den Here kwalijk met hem delen.
Dat alles is het werk van maanden slechts, want dankzij de ontembare energie
en vindingrijkheid van zijn huisvrouw heeft zijn gevangenschap maar tot 22
maart 1621, dus nog geen volle twee jaar, geduurd. Tijdens een toevallige
afwezigheid van de slotvoogd-cipier bevrijdde Maria hem door hem in de voor
het heen en weer zenden van zijn boeken bestemde kist te verstoppen en zo,
begeleid door hun dienstmeisje Elsje van Houweningen, per schip naar Gorkum naar het huis van de lintkoopman Daetselaer te
laten brengen. Daar verkleedde hij zich als metselaar, begaf zich van Gorkum
naar Waalwijk, en vandaar, via Antwerpen, naar Parijs waar hij 15 april aankwam.
Zijn vernedering was een episode gebleken. Als voorheen werd hij weer met
eerbewijzen overstelpt. Lodewijk xiii zegde hem een
jaargeld toe dat echter pas in '22 voor het eerst en dan nog ongeregeld,
later helemaal niet meer uitbetaald werd. Gemakkelijk werd zijn leven ook
toen nog niet. De tijd vervloog wel niet meer als vroeger, maar begon
integendeel te kruipen, wat misschien nog onverdraaglijker was. Een leven
van wachten. Hij wachtte op de mondigheid van zijn kinderen en of zij in
zijn voetstappen zouden treden. Maar drie ervan, een jongen en twee meisjes,
stierven jong en de andere vier, drie jongens en een meisje, ontworteld in
het nieuwe, onzekere milieu, geslingerd tussen de toegeeflijkheid van een al
te milde vader en de gestrengheid van een al te ferme moeder, beloofden niet
veel en gaven nog minder dan zij beloofden. Hij wachtte op zijn vrouw die
tussen de jaren '24 en '40 tot vijf keer toe naar Holland reisde om van hun
vermogen te redden wat er te redden viel en de mogelijkheid van terugkeer
voor haar man te peilen en er voor zijn eerherstel te pleiten. Maar ook zij
kon, zelfs onder de uiterlijk zoveel gunstiger omstandigheden na Maurits'
dood, niets van belang bereiken. Ook Frederik Hendrik kon of wilde ondanks
zijn zakelijke en persoonlijke sympathie voor De
Groot niet iemand rehabiliteren, die sinds Oldenbarnevelts dood als het partijhoofd van de verslagen
Loevesteinse factie te boek stond. Daaraan kon ook de
Grollae Obsidio
, een werk, waarin De Groot in '29 de verovering van Grol door de Stadhouder gevierd had, niets verhelpen.
| | | |
Eens in '31 is hij teruggekeerd. In Rotterdam
aangekomen richtte hij er, tekenend genoeg, zijn eerste schreden naar het
nieuwe standbeeld voor Erasmus. Maar het was niet
diens geest die destijds over de lage landen zweefde. Het plan om er te
blijven, mislukte. De Groot in zijn trots die geen schuld, geen ongelijk
zelfs kon of wilde bekennen, berustte verdrietig. Niet verbitterd. Zowel in
zijn
Verantwoordinghe
als in zijn
Historiae
is hij billijk, volgens zijn partijgenoten zelfs te billijk
tegenover Maurits. Zijn vrouw daarentegen, in háár trots die uit zo heel
andere bronnen welde, bezeerde zich en verzuurde. Het knaagde ook aan hun
huwelijksleven dat toch al moeilijk het evenwicht tussen twee zo ongelijke
temperamenten bewaren kon. Levenskunst, indien men daaronder de kunst
verstaat van het in het leven zo te manoeuvreren, dat men slaagt, kende De
Groot niet. We zullen er verderop nog meer bewijzen van aantreffen. Maar vat
men dit begrip dieper op, mag levenskunst heten, dat men ook zijn
tekortkomingen en mislukkingen, ja zelfs zijn neurosen van iets negatiefs
tot iets positiefs herschept door ze aan de vorming van zijn leven deel te
geven, dan is De Groot een levenskunstenaar geweest als weinigen. Want van
zijn ziekelijke zucht tot zelfovertreffing heeft hij de ene, en van zijn
zachtzinnigheid-uit-argeloosheid die hem als politicus al hád en hem als
diplomaat nog zou doen mislukken, heeft hij de andere zinker gemaakt, waarop
het monumentale werk rust, dat zijn blijvende roem is geworden. En beide
zinkers liggen op de bodem van zijn wonderkindschap: de in die mate hem
alleen eigen ‘ziekte’.
Het jaar 1623 werd het jaar van zijn grote revanche - meer op zich zelf dan
op zijn vijanden. Toen in dat jaar in Parijs de pest uitbrak, vond hij op
het goed van een zijner beschermers te Balagny bij Creil, op de beboste
oevers van de Thérain, de grote stilte die nodig is voor het grote boek dat
stil de censuur van alle mogelijke en onmogelijke beknibbelaars en
betuttelaars verdraagt, dat geduld en de tijd heeft, omdat het niet sterven
kán. De Groot is zich dit bewust geweest. ‘Ik leef hier,’ schreef hij, ‘in
onwetendheid van alles wat er gebeurt en mijn vakantie buiten bevindt zich
er wel bij.’ Het was de stemming die zo wonderwel bij zijn opzet paste. ‘De
argumentatie moet objectief zijn, zoals de mathematica,’ schreef hij later,
en men vindt in de
De Iure belli ac pacis
die toch, volgens een brief van 1631, wilde reageren ‘tegen die
onwaardige verachting van alle banden bij het beginnen en voeren van
oorlogen, die smaad voor de christenheid, welke heel Europa tot de ondergang
bracht’, merkwaardiger- maar bewusterwijze nauwelijks een enkele toespeling
op de Nederlandse, op de Dertigjarige of op welke andere oorlog uit zijn
eigen tijd ook.
Het is abstract, onpersoonlijk, onoorspronkelijk ook. Talrijk zijn zijn
voorgangers in engere zin, de Spanjaarden de Vitoria, Soto, Vazques,
Covarruvias, Suarez, Ayala en de Italiaan Gentilis en nog veel talrijker de
autoriteiten waarop hij zich voor bepaalde uitspraken beroept. Hij verstopt
ze niet. Integendeel. Ontelbaar zijn zijn citaten uit de ouden, uit de
Schrift, uit de kerkvaders, uit juristen en theologen van later tijd. Dat
dit mateloos citeren steeds tot verheldering van zijn gedachten heeft
bijgedragen, hebben zelfs zijn vurigste bewonderaars niet durven volhouden.
Veeleer geven ook zij toe of | | | | men merkt het toch aan hun
geschriften, dat ook hier de overdaad schaadt, de gang van het betoog stremt
en de bedoeling verduistert. Bovendien, al moge het dan door de latere
ontdekking van het manuscript over het buit-recht en de jarenlange
preoccupatie van de schrijver met zijn onderwerp niet meer een puur wonder
schijnen, dat hij zóveel geleerdheid in zó korte tijd bijeengegaard heeft,
het boek vertoont desondanks toch nog altijd de sporen van een zekere haast.
Ook in de rust van ballingschap en buitenverblijf bleef het ruit hora hem in de oren klinken. De mislukte politicus moest zich
met één slag als geleerde rehabiliteren, de vrucht van die geleerdheid hem
tegelijk roem en als het kon een betrekking bezorgen, die roem waardig. Zijn
boek moest daarom, schoon voor de hele mensheid en de eeuwigheid bedoeld,
liever vandaag dan morgen verschijnen.
Maar laat ons, vóór we ons afvragen hoe een boek waarop zóveel te zeggen
valt, toch zóveel opgang heeft kunnen maken, eerst zien, welke gedachte
eraan ten grondslag ligt en hoe deze is uitgewerkt.
Het hoofdbegrip is dit: de oorlog - beter: alle wapengeweld, want De Groot verstaat onder oorlog ook de in zijn tijd
nog talrijke met de wapens uitgevochten lokale en particuliere veten,
consequenterwijze dus zelfs het duel - is een rechtsvordering, in te
stellen, waar geen rechtbank bestaat om in het geding te wijzen. Daarom
bestaan er even veel en juist dezelfde ‘oorlogsbronnen’ als er
‘procesbronnen’ bestaan. Zij zijn tot een drietal terug te brengen: ten
eerste de verdediging van wat ons behoort; ten tweede het bemachtigen van
wat ons verschuldigd is en ten derde de bestraffing van misdrijven. Al de
oorlogen, voor een van deze drie doeleinden gevoerd, zijn rechtvaardige
oorlogen, maar dan ook geen enkele andere. Onrechtvaardig is dus niet alleen
de roofoorlog, maar ook die ter verkrijging van beter land, dat iemand van
rechtswege niet toekomt, alsook de preventieve oorlog, en zelfs die, gevoerd
om 's vijands bestwil, de inmengingsoorlog, zoals we tegenwoordig zeggen
zouden. En zelfs de rechtvaardige oorlogen, ofschoon als het ware objectief
rechtvaardig, kunnen toch nog subjectief onrechtvaardig worden, wanneer of
het oorlogsdoel of de wijze van oorlogvoering in wanverhouding geraakt met
de ‘bron’ waaruit hij ontstond. De laatste reden waarom die verhouding in
acht genomen behoort te worden, is weer dezelfde, als die ook voor de
processen geldt. Want, zegt De Groot, zoals een burger, die voor zijn
ogenblikkelijk voordeel door eigengerechtigheid het burgerlijk recht van
zijn land schendt, daardoor het fundament van zijn blijvend belang
ondermijnt, omdat hij daardoor de geordende verhoudingen ondermijnt waarop
zijn eigen bestaan en dat van zijn nakomelingen berust, zo werpt ook een
volk dat zich aan de wetten van het natuur- en volkenrecht onttrekt, de
basis zelf ondersteboven waarop zijn toekomst rust.
Theoretisch kan dus een oorlog feitelijk niet van beide zijden rechtvaardig
zijn, zoals er ook bij een proces niet twee beledigde of benadeelde partijen
kunnen zijn. Naar de oorzakelijkheid beoordeeld, meent De Groot, kan dat ook
inderdaad niet, maar zo vreemd van de werkelijkheid is hij ook weer niet,
dat hij in de praktijk toch niet het bestaan van dergelijke oorlogen zou
toegeven. Wanneer dat geval zich dus niettemin voordoet, betoogt hij, dan
| | | |

De boekenkist waarmee De Groot ontsnapt heet te zijn... Ets
door Caspar Philips Jacobsz. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | | komt dat, omdat alleen hij onrechtvaardig handelt die weet,
dat hij zulks doet, waarmee dan intussen voor de praktijk de
‘rechtvaardigheid’ van heel wat oorlogen is toegegeven, die theoretisch tot
de onrechtvaardige behoren!
Grotius is dus zeker niet de antimilitarist, laat
staan de pacifist die men wel van hem heeft willen maken. Strijd tussen
vorsten onderling, tussen vorsten en onderdanen en zelfs tussen onderdanen
onderling, waarbij beide partijen althans te goeder trouw kunnen zijn en die
derhalve van beide zijden als rechtvaardig is te beschouwen, is hem nog even
natuurlijk als die tussen droogte en vocht, hitte en kou. De grondstemming
waaruit zijn gedachten over oorlog en vrede zijn opgeweld, kan men nog het
best irenisch noemen. Hij nam ten opzichte van het oorlogsvraagstuk in het
algemeen - want hij was in zijn denken een man uit één stuk - dezelfde
positie in die hij ook in de godsdienstige geschillen van zijn dagen innam
en die hem bij zijn vijanden zelfs onder verdenking van katholicisme hebben
gebracht. In feite kwam deze eerder overeen met die der anglicaanse
staatskerk die de dogmatische en rituele verschilpunten tussen katholicisme
en protestantisme ook min of meer verdoezelde ter wille van de eenheid welke
beter slechts uiterlijk dan niet kon zijn. Het rekkelijke standpunt, zowel
in politieke als godsdienstige zaken hem van nature eigen, zal hem in '13,
in Engeland, nog bewuster geworden zijn, waar hij in Andrewes en Dean
Overall latitudinaire geesten aantrof die hem, zoals wel gezegd is ‘tot
orakels’ werden. Het is misschien wat sterk; immers als deze geestverwanten
orakels voor De Groot te noemen zijn, dan toch slechts omdat hij in hun stem
die van zijn eigen diepste overtuiging beluisterde: het primaat van de
continuïteit - de ‘verticale’ eenheid in de geschiedenis, om zo te zeggen,
als basis voor de ‘horizontale’ tussen de partijschappen. Het proceskarakter
dat de oorlog voor De Groot had, verklaart ook zijn hechten aan de juiste
vorm. Pas door de oorlogsverklaring - en die in de juiste vorm - kregen de
daden van de belligerenten rechtskracht. Wordt die vorm, hetzij in de
oorlogsverklaring, hetzij in de oorlogsvoering, hetzij in beide, niet in
acht genomen, dan komt de oorlog zelf, hoe rechtvaardig de ‘bron’ ook zij,
automatisch in de rubriek van de onrechtvaardige oorlogen terecht. Hij wordt
zonde. De zondigverklaring van bepaalde, in oorsprong al of niet
rechtvaardige oorlogen, klonk weliswaar zeer indrukwekkend in een tijd
waarin het zondebesef in de voorstelling der mensen nog zo'n centrale plaats
innam, maar als praktisch instrument tot het voorkomen van oorlogen had zij
toch ook toen al geen betekenis.
Sommige schrijvers hebben het belang van Grotius' werk daarom ook niet in
zijn ethische veroordeling van althans bepaalde oorlogen gezocht, maar juist
omgekeerd in zijn poging om het oorlogsprobleem van zedelijk-godsdienstige
terrein naar het redelijk-juridische over te brengen. Er valt ongetwijfeld
voor deze opvatting veel te zeggen, mits men haar niet al te rigoureus neemt
en mits men erkent, dat, ook zó beschouwd, hij op de kwestie der sancties
gestrand is, want de zondigverklaring was, zoals gezegd, slechts een puur
theoretische, dat wil zeggen feitelijk geen sanctie en andere kent hij niet.
Wij twintigste-eeuwers die hetzelfde nog dag-aan-dag beleven, zullen daar de
zeventiende-eeuwer echter geen verwijt van maken, veeleer hem prijzen, | | | | dat hij blijk geeft, het sanctie-probleem reeds beseft en op
zijn manier naar een oplossing ervan gestreefd te hebben. Aan een
internationale statenorganisatie, aan iets als een volkenbond, heeft De
Groot niet gedacht. De middelen die hij ter voorkoming van oorlogen geeft,
zijn veel primitiever en men kan er bij de weinige nadruk die hij erop legt,
stellig ook niet de kern van zijn werk in zien zonder het geheel uit zijn
verband te rukken. Hij kent drie middelen: een conferentie, arbitrage en de
beslissing van het lot, laatste rest van het middeleeuwse ‘godsoordeel’.
Over één en drie geeft hij geen details, in twee kan men, als men wil, de
kern van het Haagse Internationaal Gerechtshof zien, maar men moet dan
tevens erkennen, dat dit middel ook na driehonderd jaar nog steeds niet
probaat is gebleken. Alles welbeschouwd, heeft De Groot, ondanks zijn poging
tot secularisatie in het stellen van het probleem der
internationale anarchie van zijn dagen, als oplossing toch
geen andere remedie dan de prediking van de voorschriften van godsdienst en
moraal, en het inscherpen van het klaarblijkelijke nut dat het voor de
staten moet hebben, hun woord te houden en hun beloften gestand te doen, het
voorschrift ten slotte, dat men verwachten kan van de zoon van een
koopmansrepubliek, waar immers ook de kredietwaardigheid en dus het
koopmanschap uiteindelijk berust op fatsoen en goede trouw.
En toch! En toch kan men de betekenis van dit abstracte, onpersoonlijke,
onoorspronkelijke, onder zijn overstelpende geleerdheid zuchtende en toch
haastig gecomponeerde, tegelijk scherp onderscheidende en
begrippen-verwarrende boek, waarvan de titel de inhoud nauwelijks dekt,
omdat het ‘recht van de vrede’ er zo goed als niet in voorkomt, toch kan men
de betekenis van dit, door dat alles ongenietbare boek moeilijk
overschatten; toch sprak Vondel een profetisch
dichterwoord, toen hij De Groot het ‘Delfts Orakel’
noemde. Waarom? Omdat de Pythia van dit orakel niet een half-bezwijmde
profetes, maar de nuchtere rede was. Het gebouw moge, om al de redenen die
wij opgesomd hebben, als geheel mislukt zijn, de redelijke grondslagen ervan
zijn blijven staan. Als het ooit waar geweest is, dat de wil te prijzen
valt, ook al ontbreken de krachten, dan geldt dat voor Grotius' grootse
poging. Wilde de mens tot ordening van de verhoudingen tussen de mensen
onderling komen, dan diende hij allereerst de maatschappijwetenschap te
grondvesten en om dat te doen, moest hij weer allereerst de verborgen
wetten, het inwendige mechanisme zich bewust maken, zou er ooit sprake zijn
van een theoretische, op inzicht en niet op het louter praktische nut
gerichte behandeling van vraagstukken op het gebied van die wetenschap. Naar
die verborgen wetten, naar dat inwendige mechanisme heeft De Groot gezocht
en door dat zoeken, meer misschien dan door wat hij vond, heeft hij zich een
der weinige zéér groten getoond. Hij zocht die verborgen wetten en dat
inwendige mechanisme, zoals in zijn tijd niet anders mogelijk was, in het
natuurrecht dat voor hem een zo volstrekte geldigheid had, dat het, naar
zijn eigen woord, ook zou gelden ‘indien wij aannamen (hetgeen overigens
zonder de grootste zonde niet geschieden kan) dat God niet bestond’. Een zo
volstrekte en ook een zo algemene geldigheid, dat hij er een tweede
vooroordeel van zijn tijd en beschaving onbewust mee doorbrak: immers het
recht dat de beschamende wil- | | | | lekeur in het oorlogvoeren moet
uitbannen, althans beperken, gelde, schrijft hij in de aanhef al, niet
slechts voor de oorlogen binnen de christenheid, maar ook voor die welke zij
met ‘onbeschaafde volken’ voert.
Voor deze systematische toepassing van het natuurrecht op zijn onderwerp was
De Groot, traditionalist van nature, de aangewezen man. Zijn
verzoeningsgedachte maakte hem, ofschoon protestant, niet afkering van de
katholieke wereld vóór hem, terwijl zijn humanistische scholing hem met de
oudheid verbond, zodat hij als het ware alles wat aan denken aan hem vooraf
was gegaan, in zich vergaarde en in dit boek optekende. Het kreeg daardoor
tot op zekere hoogte voor de 17de en 18de eeuw dezelfde waarde die een
Isidorus van Sevilla voor de 7de eeuw gehad had, de waarde van een
compendium, waardoor men al het voorgaande om zo te zeggen zonder schade
vergeten kon.
Uit het bovenstaande volgt, dat toen wij Grotius' werk abstract,
onpersoonlijk en onoorspronkelijk noemden, wij dit oordeel niet als absoluut
wilden zien opgevat. In het negatieve oordeel ‘abstract’ ligt het positieve
‘systematisch’, in het negatieve ‘onpersoonlijk’ het positieve
‘alles-samenvattend’ opgesloten en zo is ook zijn onoorspronkelijkheid
slechts betrekkelijk op te vatten. Hij accumuleert ongetwijfeld meer citaten
ten bewijze van zijn stellingen dan dat hij hun juistheid zelfstandig
betoogt, maar het is toch ook weer geen loutere kwantitatieve opeenhoping.
Voor De Groots bewustzijn sloeg de kwantiteit van zijn citaten in een
kwalitatief bewijs van hun waarheid om. Of, zoals hij zelf het in de
inleiding tot het
Recht van oorlog en vrede
heeft uitgedrukt: ‘ten bewijze van het (natuur) recht heb ik ook de
uitspraken van filosofen, geschiedschrijvers, dichters, ja zelfs van
redenaars gebruikt, niet omdat deze onvoorwaardelijk te vertrouwen zijn,
want de partijen plegen met hun bewijzen slechts hun zaak te dienen; maar
omdat, wanneer velen uit verschillende tijden en plaatsen hetzelfde voor
zeker houden, dit op een algemeen-geldige grond wijst.’ Het is dezelfde
gedachte, met andere woorden ook reeds in het
Buitrecht
uitgesproken: waar hij gezegd had, dat al zijn citaten nooit tot
bewijs, alleen tot bevestiging dienden van hetgeen de rede uit de natuur
heeft afgeleid.
Zo laat zich het op het eerste gezicht bevreemdende verschijnsel, dat dit
abstracte, onpersoonlijke en onoorspronkelijke boek in de 17de en 18de eeuw
de bijbel van het internationale recht geworden is en in de onze zelfs weer
een renaissance beleefd heeft, zeer wel verklaren. Ten eerste omdat rede en
redelijkheid er de grondslag van waren; ten tweede omdat het in verband
hiermee het natuurrecht in hoge mate seculariseerde; ten derde omdat het
systematischer was dan één van zijn voorgangers en ten vierde omdat het
daardoor al die voorgangers verving; ten vijfde omdat dit alles bij elkaar
betekende, dat De Groots natuurrechtelijke grondconceptie als het ware schuilplaats werd tegen alle religieuze, politieke en
economische ellende van zijn tijd. Evenwel, omdat zijn tijd er ten slotte
niet een van neergang, maar van opgang was, betekende dit weliswaar een
vlucht uit de werkelijkheid, doch niet een naar het gedroomde ideaal van een
voorbije, maar naar het nu pas geschouwde ideaal van een komende eeuw. Het
is de richting van De Groots | | | |

Titelpagina van de Inleiding tot de Hollandsche
Rechts-geleertheyt. Haarlem, 1647. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | denken die, ondanks zijn traditionalisme dat hem met het
verleden verbond, hem tegelijk verbindt met Rousseau en daarmee met de
Franse Revolutie, dat is met heel de geschiedenis tot op onze tijd toe. Door
zijn
De Iure belli ac pacis
is De Groot een onmisbare schakel
geworden in de opwindende geschiedenis van de menselijke geest in zijn
onafgebroken strijd voor de menselijke waardigheid. Dit werk is Grotius'
onverwelkbare roem, en het is even pijnlijk als onvermijdelijk, om van
hieruit over te gaan tot de beschrijving van zijn verder leven, dat slechts
een triest relaas vormen kan, zoals ook zijn vroeger leven na de zonnige, al
te zonnige jeugd van het verwende kind slechts een triest relaas opleverde.
Het triest relaas, zoals wij het in het treffende beeld mogen samenvatten
waarin de schrijfster van Hugo's en Maria's levensroman zijn tragiek op een
der laatste bladzijden van haar boek voor eens en altijd heeft uitgedrukt,
het triest relaas van de drie vaderlanden in de verte: het beminde aardse,
waar hij geboren was; het gedroomde van de vrede in staat en kerk dat hij
nagestreefd en uiteindelijk het hemelse waarnaar hij verlangd heeft.
Hij heeft gehoopt, ja verwacht, dat de roem, door zijn hoofdwerk verworven,
hem opnieuw een warme plaats in zijn verloren vaderland bezorgen zou; hij
heeft zich vergist. Na oktober 1631 te Rotterdam te
zijn aangekomen, heeft hij nog wel enkele maanden te Amsterdam de advocatenpraktijk opnieuw uitgeoefend, maar reeds
in april van het volgend jaar heeft hij voor een nieuw bevel tot arrestatie
moeten vluchten. Al waren de tegenstellingen dan ook niet zó scherp meer als
tien jaar geleden, toen iedere bezitter van zijn
Verantwoordinghe
met de doodstraf bedreigd was, de prijs van ƒ2000, 10 maart 1632
uitgeloofd voor ieder die hem aan de justitie overleveren zou, was toch een
te aanlokkelijke mogelijkheid om haar niet te vrezen. Zijn enige troost was,
dat Hooft en Vossius
het voor hem hadden opgenomen, Miereveld zijn portret geschilderd en Vondel hem als ten afscheid toegezongen had:
Hoe zou de duisternis dit Hollands licht gedogen
Dat al te hemels scheen in aller blinde ogen
Het ging een wijle schuil om klaarder op te gaan
Wij haten 't grote Licht, een ander bidt het aan.
Hij begaf zich 17 april naar Hamburg, waar zijn vrouw zich een jaar later bij
hem voegde. Alle aanbiedingen sloeg hij af, omdat hij niets wilde ondernemen
wat tegen het vaderland gericht was, maar ook omdat geen aanbod, of het nu
van Holstein of Denemarken, of zelfs van Spanje kwam, hem, de schrijver van
zijn werk, waardig scheen.
Pas na lange onderhandelingen ging hij op het hem door Sylvius overgebrachte
voorstel van de Zweedse kanselier Oxenstierna in die daarmee een oude
gedachte van zijn meester Gustaaf Adolf ten uitvoer bracht, In mei 1634 op
een samenkomst te Frankfort aan de Main werd de zaak beklonken: De Groot zou
in Parijs Zwedens gezant worden tegen een jaarlijkse vergoeding van
achtduizend Zweedse rijksdaalders. Op 8 januari van het volgend | | | | jaar vertrok hij van Frankfort, de 25ste die maand was hij in Metz, de
6de maart had zijn officiële ontvangst aan het Parijse hof plaats. Maar wat
ieder die hem kende, had kunnen voorzien, en hij die zich zelf zo weinig
kende, toch had kunnen voorvoelen - had hij niet eens geschreven, dat hij
allerminst voor hoveling deugde? - gebeurde. Hij werd als diplomaat een even
grote mislukking als hij als politicus geweest was. Maar men moet toegeven,
dat zijn eigenlijke taak verre van gemakkelijk was, want hij zat te Parijs
om Richelieu, die men in Stockholm niet recht vertrouwde, op de vingers te
zien, waarin minder fatsoenlijke en handiger mensen dan hij gefaald hebben.
Hij toonde, o zeker, als oud-advocaat enige bekwaamheid in het vinden van
argumenten om de toen gebruikelijke en gewichtige vóórrangskwesties op te
lossen. Zo betoogde hij tegenover de Engelse gezant die meende dat zijn land
vóór Zweden behoorde te gaan, omdat de Engelsen eerder gekerstend waren dan
de Zweden, dat, indien men dit ‘beginsel’ zou aanvaarden, de mohammedanen en
heidenen zich dan tegen hun bekering zouden verzetten, omdat zij dan steeds
achteraan zouden komen. Doch met dit soort vernuftigheden kon men misschien
wel een Engelse gezant tijdelijk in verlegenheid brengen, maar geen
Richelieu uit het veld slaan. Deze vond hem van een onwetendheid en kwade
trouw, waar geen verontschuldiging voor te vinden was en Père Joseph, diens
rechterhand, dacht er al niet anders over. En De Groot van zijn kant schreef
later: ‘Hij (Richelieu) haatte mij, alleen omdat ik de vrede liefhad.’
Onder die omstandigheden kon De Groot voor Zweden niets bereiken. En het
gevolg daarvan was weer, dat men ook in Zweden weinig met de geleerde gezant
op had. Dat Oxenstierna die ervoor naar Parijs overkwam, niet veel meer
bereikte, rekende deze niet zich zelf, maar De Groot aan. De uitbetaling van
het jaargeld begon te stokken. Eind 1638 was De Groot al zes kwartalen ten
achter, eind '39 twee volle jaren of 40 000 francs. De oude geldzorgen,
nijpender nu nog door de grote staat die hij had te voeren en op zich zelf
ook wel graag voerde, kwamen in verhoogde mate terug. Zelfs Maria van
Reigersbergh was er niet meer tegen opgewassen.
Zijn troost tegen de tijd, die weer, als vroeger, maar trager nu, van hem
wegvloeide, zocht hij als voorheen in ingespannen intellectuele arbeid: zijn
hoofdwerk bleef hij aanvullen en verbeteren; de filologie liet hem ook nu
niet los; de geschiedenis behield evenzeer zijn aandacht. Hij werkte aan een
Historia Gothorum, Vandalorum et Longobardorum
, in 1655, na zijn dood verschenen, evenals de belangrijkere
Annales et Historiae de rebus Belgicis
(1657 verschenen), het taciteïsch-klassieke werk over de Opstand -
de oude Staten-opdracht van 1602 nu op eigen gezag uitvoerende. En zelfs
voerde hij een heftige polemiek met De Laet, een
der directeuren van de wic, over een schijnbaar zo
afgelegen onderwerp als de
Oorsprong der Amerikaanse volken
, hetgeen verklaarbaar wordt, wanneer men bedenkt, dat bij alle
etnologische discussies destijds de bijbel te pas kwam.
Deze was het. die meer dan vroeger in zijn betrekkelijke ouderdom - hij zou
in 1643 zestig worden -beslag legde op zijn vermoeide maar nog altijd
rusteloze geest. In de zeven jaar tussen 1638 en 1645 zag niet minder dan
een | | | | dozijn theologische geschriften van zijn hand het licht:
onder andere een verhandeling over de bediening van het Avondmaal, wanneer
er geen predikanten tegenwoordig zijn; een over de antikrist; een over de
weg tot de kerkelijke vrede en een bede daarvoor; twee polemieken tegen
Rivet en ten slotte drie delen aantekeningen op de evangeliën en het Nieuwe
Testament.
Het was alsof hij zich zelf achter de stapel van zijn eigen boeken verstoppen
wilde tegen de mislukking van ook weer dit nieuwe ambt. Die mislukking
dreigde sinds 1642 ongeveer. De dood van Richelieu in december van dat jaar
verbeterde zijn positie niet. Met diens opvolger als almachtig minister, met
Mazarin, kon hij nog minder overweg. Zes maanden later ontviel hem bovendien
door de dood de steun van Lodewijk xiii, die een zeker
zwak voor het wonder van geleerdheid schijnt gehad te hebben. Tot overmaat
van ramp stuurde Zweden hem in Cerisante een dwarskijker op zijn dak,
hetgeen De Groot in zijn gekrenkte trots en
trouwens wel niet ten onrechte als een beleefde wenk tot heengaan opvatte.
Terneergeslagen besloot hij ontslag te vragen. Hij begon zijn laatste reis.
Over Dieppe trok hij naar Holland, dat hij voor het laatst zou zien. De eer
waarmee hij er dit keer ontvangen werd, moet als balsem geweest zijn op de
altijd open wonde van zijn door het leven steeds weer gekwetst en daardoor
verziekt zelfbesef. Via Amsterdam vertrok hij naar
Hamburg en vandaar naar Stockholm, waar hij, in juli 1644 aangekomen, zijn
ontslag indiende. Met tact werd hij - opzij geschoven. Overladen met
geschenken en beloften, doch zonder enige concrete toezegging, aanvaardde
hij de terugtocht. Waarheen? Met welk doel? De Groot heeft het aan niemand
verteld en niemand weet het. Opnieuw een balling, zoals hij, na zijn jeugd,
eigenlijk steeds geweest was op deze wereld.
Op de terugreis raakte het schip door een storm uit de koers. Hij landde een
paar mijlen van Dantzig, nam vandaar, 17 augustus 1645, de landweg naar
Lübeck waar hij niet meer zou aankomen. Ziek geworden, legde hij zich 26
augustus, een zaterdag, te Rostock te bed ten huize van zekere juffrouw
Balemans. In de nacht van 28 op 29 augustus, omtrent twaalf uur werd het ruit hora: hora est. Het was zijn tijd. De lutherse
predikant Quistorpius die hem in zijn laatste uren bijstond, ving zijn
laatste woorden op: ‘Veel heb ik ondernomen, niets volbracht.’ Verbitterd
ten laatste, omdat het verwende kind in de volwassen geleerde nooit de oude
volkswijsheid heeft kunnen begrijpen, dat ondank 's werelds loon is. Of
anders en preciezer, dat alles in deze wereld op de een of andere wijze
betaald moet worden, zodat ook niemand verwachten mag én gelukkig te zijn
tijdens zijn leven én beroemd na zijn dood, maar óf het een óf het ander -
of zelfs geen van beide, terwijl De Groot beide heeft gewild. Hij heeft te
veel gewild, en nochtans veel gekregen. De balling heeft zijn graf bij zijn
voorouders in de Nieuwe Kerk te Delft. De balling
heeft zijn standbeeld op de Grote Markt in zijn geboortestad. Maar bovenal
heeft hij het in het grote hart van de mensheid, daar waar haar onsterfelijk
geloof in een betere wereld huist.
|
|
|