|
|
|
| |
| | | | | |
Couste que couste
De historische overlevering kent grote mannen en helden. Grote mannen zijn
zij van wie tijdgenoten en nageslacht uitmuntende prestaties bewonderen en
dankbaar herdenken. Helden zijn zij die door geboorte en maatschappelijk
aanzien, door een uitzonderlijke daad of functie, door het offer van leven
of dood voor een ideaal of door een vereniging van dat alles tot gestalten
van onze collectieve verbeelding zijn geworden, waarbij elk van hun trekken
en verrichtingen aandeel krijgt in hun bovennormale grootheid. De grote man
kan naast zijn verdiensten veel onverdienstelijks hebben, maar de vraag of
Jeanne d'Arc een slecht humeur had of George Washington smakte onder het
eten is niet toelaatbaar. Karel ii. eenmaal held geworden
in de puriteins nationalistische verbeelding van het Engelse volk, blijft
held en bij uitstek nationaal in zijn lichtzinnige minnarijen en
Marie-Antoinette, eenmaal tot martelares gekroond, wordt een voorbeeldig
echtgenote en moeder. Wie daarentegen het er op gezet heeft de held te
ontluisteren, bereikt meer met het registreren van zijn dagelijkse
onvolmaaktheden dan met een aanval op zijn levenswerk: nooit gebeurde dat
meesterlijker dan toen Tolstoij de aandacht vestigde op Napoleons spekrug.
Onze Nederlandse geschiedenis kent meer grote mannen dan helden. Men mag dat
toeschrijven aan het befaamde nationale tekort aan fantasie dan wel aan een
zeer democratisch gebrek aan allure, aan dat imponerende vertoon dat zo
gemakkelijk de legendevorming in de hand werkt, aan de kleinheid der
verhoudingen ook, waardoor zo velen de held in menselijk en al te menselijk
formaat kenden, vóór het bovenmenselijk voor hem werd opgeëist.
Daar komt nog bij, dat er voor een cultuurvolk een ernstig obstakel bestaat
in het onderkennen van zijn helden: de geordende geschiedschrijving. Voor we
die kenden was de schifting feilloos: de held leefde stralend en in alles
bovennatuurlijk volmaakt voort in heldendicht en verhaal, de man van
verdienste werd eenvoudig na een paar generaties vergeten. Wordt echter de
geschiedenis van een volk eenmaal in geschrifte vastgelegd, dan valt het aan
de ene kant de legendaire traditie veel zwaarder zich boven de
geregistreerde feiten uit te ontwikkelen en te vermooien, aan de andere kant
zullen onderwijs en literatuur én de tijdgeest die deze beide beïnvloedt,
telkens andere grote mannen uit de geschreven geschiedenis naar voren
schuiven, die redelijke aanspraken kunnen doen gelden op de heldenverering
van hun volk. Maar die zelfde geschreven geschiedenis, die ook de kleinheid,
de fouten en de misslagen van de grote man heeft vastgelegd, staat de
vervulling van hun aanspraken in de weg. Gaat het dan als in het geval van
Jan Pieterszoon Coen, de grondlegger van het
Nederlands gezag in Indonesië, om een figuur die gemeten naar dat wat als de
historische uitkomst van zijn kortstondige | | | | activiteit
beschouwd wordt, recht zou hebben op een plaats in sage en volkslied, maar
voor wiens onsterfelijkheid geen tijdgenoot zich moeite heeft gegeven en
wiens graf lang vergeefs gezocht werd, - of zocht men er eigenlijk wel naar?
- dan wordt in tijden waarin men behoefte voelt aan uitbreiding van het
nationaal pantheon, het bedenkelijk procédé toegepast, dat min of meer
opzettelijk van een groot man een held poogt te maken. Dat wil zeggen bij
gebrek aan de historische gewetenloosheid van de volksoverlevering die al
het negatieve onbezorgd ter zijde schuift, tracht men een held te
construeren uit een aantal opgevijzelde deugden en talenten en enige
vergoelijkte ondeugden en fouten.
Het resultaat is een schimmige robot van wie ons telkens weer verzekerd moet
worden, dat hij een mens was en wiens mechanische naaktheid bedekt wordt met
kleurloze lappen als ‘kloekmoedigheid’ en ‘rechtschapenheid’.
Wanneer wij vaststellen, dat Coen geen nationale held is, dan houdt dat geen
oordeelvelling over zijn moed, beleid en trouw in, maar slechts de
formulering van het feit, dat de volksverbeelding geen vat heeft gekregen op
deze stroeve gestalte, gelijk op de verhevene van Oranje of op de
rondborstige van Michiel Adriaansz. Wie na drie eeuwen een poging wil doen
in een gefundeerde biografie die gestalte in levende lijve voor de geest te
roepen, zal weinig moeite hebben met het verwijderen van de woekeringen der
legende. Maar hij zal, wil hij slagen, welbewust afstand moeten doen van de
pleittoon, van het: bedenk in welk een ruwe tijd, onder welke uitzonderlijke
omstandigheden Coen leefde en werkte. Want hij zal ons Coen moeten
uitbeelden als een component van die tijd en niet als een ethische
twintigste eeuwer, die goedschiks-kwaadschiks zijn rol in die ruwe eeuw
heeft moeten spelen. Zulk een biografie zou een waardevolle aanwinst van
onze historische literatuur zijn. Het spreekt vanzelf, dat deze korte schets
niet meer pretendeert dan te doen beseffen, dat wij zo'n biografie nog
altijd missen.
Jan Pieterszoon Coen werd op 8 januari 1587 te Hoorn
geboren en de 11de daaraanvolgende in de doopregisters der hervormde kerk
ingeschreven als zoon van Geert Jansd., van wie ons niet meer dan deze naam
bekend bleef en van Pieter Willemsz. Coen van Twisk (een dorp in de buurt
van Hoorn) die tot de kleine koopmansstand moet hebben behoord, maar die,
als zovele kleine kooplieden van die dagen, gegrepen was door de illusie van
het ‘vooruitkomen’. Daarom zond hij door bemiddeling van handelsvrienden,
een uit Oudenaerden naar het noorden uitgeweken
familie Visscher, zijn zoon in de leer bij hun verwanten, die in Rome onder
de naam Pescatore een handelshuis dreven. Hij zou er niet alleen goed thuis
kunnen raken in de Middellandse-Zeevaart, maar ook in het fijnere spel van
de handel, zoals de Italianen dat sinds eeuwen bedreven en in de waardevolle
kunst van het Italiaanse boekhouden.
Het ontbreken van gegevens laat ons de vrijheid een tafereel te schilderen in
de geest van het ‘ferme jongens, stoere knapen’ van de jonge Coen, zwervend
langs de haven en de zeedijk van Hoorn, zijn adelaarsblik turend over het
wijde water, dromend van roem en avontuur. Maar bij de latere Coen, de
verbetene, autoritaire, de man zonder vrienden en zonder glimlach, de | | | |

Jan Pietersz. Coen. Schilderij door een anoniem kunstenaar. Westfries Museum, Hoorn. Foto K. Laan.
| | | | realist die iedere verantwoordelijkheid aandurfde, omdat het
móést, de tactische en toch niets ontziende, bij dat alles past beter dit
beeld: een kind van dertien jaar, opgegroeid in de star calvinistische sfeer
van de kleine burgerij uit het begin van de opstand, na een verre en
gevaarvolle reis overgeplant in het Rome der contra-reformatie, volkomen
verlaten op een post die zelfs aan de listige zelfbeheersing van de
volwassen ketter te hoge eisen zou hebben gesteld en waar zijn taak was van
zijn vijanden te leren. Na zes jaar van deze harde school komt Coen in Hoorn terug... om er met de verworven
kennis de groeiende zaak van zijn vader hoger op te stuwen en als
zelfstandig koopman een man van gezag en aanzien te worden in zijn
vaderstad? Nee, wij weten niet of zijn vader inmiddels gestorven of door
tegenslag getroffen was, maar de jonge Coen begint zijn carrière in
dienstbaarheid: op 22 december 1607 zeilt hij als ondercoopman op de vloot
van admiraal Pieter Willemsz. Verhoeff in dienst der Oost-Indische Compagnie
het Marsdiep uit. Sprak er een gevoel van verwantschap in de voorkeur
waarmee hij als gouverneur-generaal de jonge en energieke ‘bankroetier’
Antonie van Diemen, zijn latere opvolger, de hand boven het hoofd hield?
Admiraal Verhoeff vertrok met belangrijke opdrachten. De oic had met geld en schepen de Staten-vloot gesteund die in de beide
voorafgaande jaren de Spaanse kust geblokkeerd had, onder andere om het
uitzenden van versterkingen naar Indië te beletten. Deze blokkade was
uitgelopen op de slag bij Gibraltar (25 april 1607), waarin Heemskerck de
Spaanse vloot vernietigde - en er zelf het leven bij inschoot. Bovendien
waren de vredesonderhandelingen met Spanje in een ernstig stadium gekomen en
voor het geval de vrede tot stand zou komen op de grondslag-ook voor Indië
-van uti possidetis (houden wat je hebt), dan diende de
Compagnie haar kans te grijpen en te zorgen dat haar bezit voor de fatale
datum zo groot en gevestigd mogelijk was. Vandaar de reeks opdrachten die
Verhoeff - lang niet altijd met succes - achtereenvolgens aanvat: aanslag op
Mozambique - mislukt, op Goa - mislukt, contract tot vestiging in Djohore -
mislukt, stichting van een factorij in Japan met Jacques Specx als
‘opperhoofd’, van een centrum voor de handel in Oost-Azië te Patani
(Malakka). Aangezien Verhoeff bovendien een missive was nagezonden, waarin
de Heren xvii: ‘de eylanden van Banda en de Molukken het
principiaele wit, waernaer wij schieten’ noemden, zeilde de admiraal verder
naar de Bandagroep, waar hij sneuvelde bij een poging tegen het verzet der
Bandanezen in een ‘forteres’ op te werpen naast de bestaande factorij. Zijn
opvolger, de vice-admiraal Hoen, verdreef eerst de Engelsen, die de
Bandanezen in hun verzet gestijfd hadden, en stichtte daarop het fort Nassau
op Banda Neira. Welke rol Coen in al deze bedrijven gespeeld heeft, werd
niet bekend. Zeker is, dat hij moeilijk een leerzamer inwijdingsreis had
kunnen maken, waarin hij kennis maakte met vrijwel alle mogelijkheden die de
Compagnie van de Kaap tot in Japan open stonden - en met vrijwel al haar
vijanden en concurrenten. Zeker is ook, dat hij zijn ogen de kost gaf en
zijn indrukken rendabel wist te maken: hij diende bij zijn terugkeer in het
vaderland in 1610 bij de Heren xvii een ‘discours’ in met
voorstellen omtrent de kolonisatie van Banda. Het stuk is later verloren
gegaan, maar het bezorgde Coen al dadelijk een | | | | aanstelling als
oppercoopman en commandeur over de schepen Geunieerde Provinciën en de Hope
die 12 mei 1612 uitvoeren. Van dat tijdstip af dateert Coens Lot boekdelen
aanzwellende correspondentie met de Heren xvii. Het
eerste bericht bij Madeira aan een thuisvaarder meegegeven, heeft al
dadelijk de toon die het geheel meer en meer zal kenmerken: de militairen
die de Heren hebben meegezonden, zijn ongeoefend, maar we zullen ze aan
boord wel drillen: het is de toon van een man die genoeg zelfbeheersing
heeft om zich steeds weer de dienaar te tonen van zijn lastgevers, maar
genoeg zelfbesef om nooit te vergeten en doorlopend te laten blijken, dat
hij hun de baas is in inzicht, in grondige kennis van toestanden en
verhoudingen in Indië, in zakelijk en persoonlijk organisatievermogen, maar
vooral in grote plannen en ontwerpen en in de verantwoordingsdurf die
daarbij paste. Die toon mag de Heren vaak geprikkeld hebben, wat hun van de
aanvang af iets waard geweest moet zijn, dat is Coens... grandioze stijl.
Niet dat deze kooplui zulke literaire fijnproevers waren, maar voor zakenlui
die vanuit hun kantoren een bedrijf moesten leiden in een hun totaal
onbekend werelddeel, moet het iets betekend hebben daarover te worden
ingelicht in een taal die zo sterk afweek van de gebruikelijke verwarde en
verwarrende correspondentiestijl dier dagen. Coen stond daarin niet alleen;
niet toevallig waren er meer zeevaarders, mannen zonder veel schoolse
vorming, maar die iets wezenlijks te zeggen hadden (Jan
Huyghen van Linschoten, Gerrit de
Veer, Bontekoe), die zich in een eigen,
directe, ‘moderne’ stijl, vrij van de erfenis der middeleeuwse academie en
Franse kanselarij, omtrent hun avonturen en ervaringen uitspraken, maar
naast Coens tegelijk nuchter zakelijke en volks plastische stijl was
Bontekoe toch een praatvaar. Wat Coens geschriften bovendien intellectueel
superieur maakt boven het gewone reisjournaal is zijn doelstelling: dit zijn
niet louter verslagen - ja, als verslag zijn ze lang niet altijd louter! -,
hier wordt voortdurend politiek gevoerd, gepleit, bewezen, bestreden,
betoogd, verweten en misleid ook als het te pas komt.
Op zijn tweede reis bereikt Coen 9 februari 1613 Bantam, het centrum van de
peperhandel en voorlopig het centrale punt van de compagnie in Indië: op de
ree van Bantam kwamen de schepen uit Holland aan, daar kwam de handel op
Voor-Indië, China en de Molukken samen, vandaar vertrokken de retourvloten.
Coen vindt er dank zij het wanbeheer en de uitspattingen van de president
Matteo Coteels en zijn onderhorigen de Nederlandse loge met zijn kostbare
inhoud van koopmansgoederen door de beledigde bevolking verbrand, enige
Hollanders vermoord en een volslagen verwarde boekhouding. Op Jacatra blijkt
het bewind van Abraham Theunemans soortgelijke toestanden te hebben
geschapen. Wel is er een begin gemaakt met de bouw van ‘een schoon groot
huis’ en bijbehorend stenen pakhuis, maar de regent heeft bevolen de bouw te
staken, totdat hij met gouverneur-generaal Both, die in de Molukken
vertoeft, over nieuwe vestigingsvoorwaarden onderhandeld heeft. Op Ambon dat
Coen 19 maart bereikt, blijkt hem de totale mislukking van de eerste poging
tot volksplanting. Pieter Both had namelijk, toen hij in 1609 uitvoer als
eerste gouverneur-generaal met opdracht het monopolie van de oic te handhaven en het ‘begrijpen van een | | | | centraal
rendez-vous’, een groep handwerkslieden, een paar predikanten en zesendertig
vrouwen meegekregen ter ‘peupleering’ van deze eerste kolonie. Maar toen de
onderhandelingen met de pangeran van Jacatra over de vestiging van het
rendez-vous aan de mond van de Tji Liwoeng vastliepen, was Both doorgevaren
naar de Molukken en had zijn kolonisten op Ambon aan land gezet. Twee jaar
later rapporteert Coen naar Holland: ‘Qualick is gereusseert 't gene ue tot een goed eynde hebben begost, als te weeten de
coompste van de getrouwden alhier. Onse eere is daermede grootelijck vercort
ende d'Indianen zijn in haer zeer gheschandalyseert, wandt niet en doen dan
beestelyck leven, croech ende cuff houden. Van alsulcke quade planten is
weynich hoop goede vruchten te cryghen... Godt en heeft de menschen de
kennisse der zeevaert niet alleen gegeven omdat hij van 't eene landt soude
halen dat hem in 't syne ghebreeckt en om syne delitie, maer oock, omdat hij
het aertryck soude vervullen ende Sijn woort over de gheheele werelt
vercondicht ende verbreyt werde... Redelijcke vrijheijt moet hier gegeven
werden, ende dat aen deechelycke lyeden, wandt andere sulckx niet waerdt en
sijn; sij can oock wel gegeven werden sonder groote. schade oft prejuditie
van de Compagnie.’ Verder dient de Compagnie, wil zij ernst maken met de
volksplanting, te zorgen voor het uitzenden van goede ‘leeraeren’
(predikanten), ‘cloeck, verstandich, nederich ende vreedsaemich van geeste’,
en niet wat men tot nu toe kreeg ‘plompe, onbesneden idioten’ of ‘geleerde
lyeden van opgheblasen ende onvreedtsamen quaden gemoet’. Zij zouden
bovendien langer in Indië moeten blijven dan de twee of drie jaar die ze net
nodig hebben om zich tegenover de inlandse bevolking verstaanbaar te leren
maken en in toewijding aan hun taak een voorbeeld moeten nemen aan de
Portugese missionarissen.
Uit deze eerste rapporten van Coen en vooral ook uit het uitvoerig ‘Discoers
aan de E. Heeren Bewinthebberen touscherende den Nederlantsche Indischen
staet’, dat hij met de retourvloot van 1 januari 1614 meegaf, blijkt
duidelijk, dat zijn voorstellingen omtrent de in Indië te volgen koers,
vaste vorm hebben aangenomen en hoe hij zich die dacht. Het doel dat hem
voor ogen staat verschilt niet in wezen, wel in formaat van dat wat alle
conquistadores, merchant adventurers en kolonisten van zijn tijd beleden: de
voor het nageslacht wat al te plomp onverhulde dooreenstrengeling van
persoonlijk en nationaal eigenbelang met christelijke bekeringsijver.
Terwijl de Heren xvii echter niet veel verder denken dat
de ‘rijke retour’ van iedere uitgezonden vloot en de verzekering daarvan
door hun opslagplaatsen in Indië tot sterkten om te bouwen, staat Coen een
veel grootser plan voor ogen. Men zou echter verkeerd doen op grond van dat
verschil en op grond van het feit, dat in de politiek van de oic de inzichten van de Heren getriomfeerd hebben, Coen en zijn
lastgevers tegenover elkaar te stellen als de man van hoge - maar niet te
verwezenlijken -verbeelding tegenover de praktische en uiteraard wat
beperkte realisten. Niemand was beter op de hoogte van de realia dan Coen en
uit zijn rapporten naar Holland krijgt men veeleer de indruk, dat hij de man
is die de Heren telkens weer met hun neus op de onwrikbare feiten duwt.
Beiden wilden ten slotte hetzelfde: een zo | | | |

Eva Ment, Coens echtgenote. Schilderij door een anoniem
kunstenaar. Westfries Museum, Hoorn, Foto K.
Laan.
| | | | groot mogelijk handelsvoordeel voor de Compagnie - zonder
daarbij, wat Coen betreft, het persoonlijk belang
te verwaarlozen - zo mogelijk gecombineerd met het landsbelang (in de eerste
plaats door de Spanjaarden afbreuk te doen) en met het zieleheil van de
Indische bevolking die voor het christendom gewonnen moest worden. Coen zag
ter bereiking van dat alles slechts heil in een grote opzet: veel geld en
schepen naar Indië sturen, met de schepen Spanjaarden en Engelsen verdrijven
of op een afstand houden, zoveel mogelijk de inheemse overzeehandel te
verdringen en de Aziatische handelaars, met name de Chinezen, zoveel respect
inboezemen, dat ze bereid bleken hun waren uitsluitend tegen het goede geld
der Compagnie af te staan om dan op den duur de ‘retouren’ geheel en al te
bekostigen uit de overschotten verdiend op de uitwisseling der Aziatische
produkten onderling: Chinese zij, Japans lakwerk, Voor-Indische katoenen
stoffen (de zogenaamde kleedjes) en de specerijen van de archipel. Heren xvii oordelen het onmogelijk of althans te gewaagd zo'n
groot kapitaal in de onderneming te steken, Coen meent, dat zijn plan te
verwezenlijken is door ten eerste geld, ten tweede Europese kolonisatie op
grote schaal, dat wil zeggen niet uitsluitend Compagniesdienaren naar Indië
te zenden, maar ‘eerwaardige, gestadige’, ‘eerlijcke getroude lieden’ of zo
die zich niet vrijwillig beschikbaar stellen, onverzorgde kinderen en de
jeugdige bevolking van de weeshuizen: ‘dat uut alle de godtshuysen van de
Vereenichde Nederlanden herwarts gesonden worden 4 a 500 meyskens ende meer
van omtrent 10 a 12 jaeren en dat onder opsicht van eerlijcke, bedaechde
lieden ende met schepe, daerop goede overhooffden commanderen.’
Deze jonge en oudere inkomelingen zouden een blijvende Europese bevolking van
‘vrijburgers’ moeten vormen waarop het Compagniesgezag kon steunen. De
zwakke punten in deze redenering zijn zo duidelijk, dat ze slechts ten dele
uit gebrek aan inzicht zijn af te leiden. Coens onderschatting van het
Hemelse rijk dat hij zo gewillig naar het pijpen van een hand vol Hollanders
dacht te doen dansen, laat zich misschien verklaren uit de indrukken die hij
van de Chinezen in Indië kreeg; hij waardeerde ze als nijvere en
ondernemende lieden en rustige onderdanen. ‘Daer is geen volck die ons beter
dan Chinesen dienen en soo licht als Chinesen te bekomen sijn’, maar
strijdvaardig zijn ze allerminst: ‘sulcke vijanden als China is, soude men
met een blaes voll boonen voorjaegen.’
De kolonisatie was een veel verwikkelder en een veel acuter probleem.
Eindeloos zijn Coens klachten: ‘Het verveelt mij bijkans, de stemme verflout
en de penne wort traaech’, wat bezielt de Heren om steeds ‘het schuym van
den lande’, het uitvaagsel, ‘d'alderwilste dochters van Nederlandt’ naar
Indië te zenden. Nu, na vier eeuwen kolonisatie-ervaring over de gehele
aarde, laat zich de vrijburgerpolitiek van de Compagnie herleiden tot een
kip met de gouden eieren-geschiedenis: Wilde de Compagnie een gezeten
Europese bevolking in Indië, dan diende zij het niet te nauw te nemen met
haar monopolie. Men kon niet verwachten, dat fatsoenlijke, bekwame lieden
van goede reputatie die uiteraard ook in Holland niet zonder vooruitzichten
waren, het risico van de reis en het verblijf in Indië voor zich en hun
gezin en het hin- | | | | derlijke gereglementeer van de Compagnie over
de meest particuliere zaken zouden aanvaarden ter wille van de kruimels
handelswinst die er te pikken vielen naast de gemonopoliseerde onderneming
die niet slechts in zijde en specerijen, maar ‘in brandewijn evengoed als in
stofgoud, in muskaatnoten en roggevellen, in duivelsdrek (gomhars) en
rozenwater, in kaas en in scheepsankers’ handelde. Maar de
kolonisatie-ervaring van omstreeks 1620 was beperkt. In Noord-Amerika
ontstonden welvarende Europese kolonies - op de basis van een barbaarse
verdrijving van de Indianen. De Portugezen in Voor-Indië wier geschiedenis
men hier goed kende uit het veelgelezen ‘Itinerarium’ van
Jan Huygen van Linschoten, vrije kolonisten
zowel als dienaren van de monopoliserende kroon, waren van
kooplieden-avonturiers tot Oosterse vorstjes geworden, hadden zich vermengd
met hun gekerstende slavenstoet en waren tot een zodanige staat van
liederlijkheid, weeldezucht en corruptie vervallen, dat de staat ertoe
gekomen was zijn dienaren steeds na drie jaar te ontslaan. In Brazilië
daarentegen waren dezelfde Portugezen bezig met de ook hier door de
jezuïeten gekerstende negerslaven en de resten der Indianenbevolking een
nieuw mengvolk te vormen, Portugees van beschaving, katholiek van geloof,
welvarend door een bloeiend plantagebedrijf.
Deze voorbeelden stonden Coen voor ogen. Hij was naar Indië gegaan om er zich
als fatsoenlijk koopman naar de standaard van zijn tijd een bestaan te
scheppen en andere fatsoenlijke lieden daartoe de gelegenheid te openen. Wat
hij van de Compagniesdienaren in Indië zag: een groep verloren existenties
die hier weinig kieskeurig naar hun laatste kans grepen, gedemoraliseerd
door het ontbreken van het gezag van de kerk en openbare mening, van
Europese vrouwen, van iedere rem in hun gedrag tegenover de verslaafde
bevolking behalve de vrees voor gif of sluipmoord, dat alles moest in de
ingetogen man die Coen was, de diepste weerzin wekken. Deze spontane,
dagelijks geprikkelde weerzin moet de redeloze drijfveer geweest zijn die
Coen zijn leven lang heeft doen vasthouden aan de paradoxale illusie: een
-tot hoe ver? - handhaven van een Compagniesmonopolie met daarnaast een
bloeiende vrijburgerskolonie. Een redelijke motivering vond hij voor zijn
plan in de bloei van vrije burgerkolonies elders en in - het enige wat hij
in de Portugezen kan waarderen - de snelle verbreiding van het, zij het dan
paapse, christendom in hun vestigingen. Maar blijkt deze motivering achteraf
niet onredelijker dan zijn weerzin? Want het verval van Goa kwam niet voort
uit de ‘rassenschennis’ der Portugezen die zich in Brazilië helemaal niet
wreekte, maar uit dezelfde oorzaak, waarom de Compagnie voor alles haar
monopolie wilde handhaven: uit de fabelachtige rijkdom van de Indische
handel die voorlopig alle plantagebouw overbodig maakte. En wat het
christendom betreft, daarin waren de jezuïeten buiten mededinging: zij
beschikten over een deugdelijke organisatie die haar beste pioniers op het
moeizaam missieveld kon uitzenden en pas in tweede instantie door de
koloniale goud- en machtdorst werd aangetast, terwijl de Compagnie bij het
nijpende gebrek aan predikanten in de Republiek zelf gewoonlijk slechts de
beschikking had over wat dronken en ‘plockharende’ ziekentroosters van
verdacht allooi, voor alles op bijverdiensten bedacht, of over een enkele
wereldvreemde geleerde wie de flo- | | | | ra van de archipel meer
interesseerde dan het zieleheil van zijn bewoners. Bovendien liet de roomse
leer, steunend op haar rijk ritueel, zich veel gemakkelijker assimileren aan
heidense voorstellingen dan de abstracte dogmatiek van de Heidelbergse
catechismus, zo goed als de feodaal hiërarchische sfeer der roomse kerk
gemakkelijker heer en slaaf als kinderen van God kon omvatten dan de
presbyteriaanse democratie van de Nederlands hervormde kerk. De zogenaamde
‘Mardijkers’ of ‘swarte christenen’, vrijgelaten slaven, meestal uit
Voor-Indië afkomstig, waar ze door de jezuïeten aanvankelijk tot het roomse
geloof bekeerd waren, liepen in de eerste helft van de 17de eeuw te Batavia
bij hopen van de preek naar de mis, zodra er een roomse pater in de stad
kwam. De ervaring van later eeuwen zou verder uitwijzen, dat alleen
‘heidense’, beter gezegd animistische volken voor het christendom
toegankelijk waren. De islam werd er praktisch niet door aangetast.
Het was een voor hem onbereikbaar doel dat Coen nastreefde. Was het, gelijk
een latere periode erin heeft willen zien, een hoog, zijn tijd ver vooruit
vliegend ideaal, dat langzaam de geesten doordrong en eindelijk zijn
verwezenlijking vond in een vrije Europese en Indo-europese bevolking en in
het plantagebedrijf met vrije arbeid? Stellig niet. Noch aan een volledige
opheffing van het Compagniesmonopolie, noch zeker aan een opheffing van de
slavernij heeft Coen gedacht, veeleer is zijn plan een aanpassing aan de
omstandigheden van de kolonisatie, zoals die al sinds de middeleeuwen vanuit
Holland plaats had bij voorbeeld in ‘het vette land van Pruisen’.
Op één punt vielen alle inzichten omtrent de in Indië te volgen politiek
samen: volksplantingen of handelsnederzettingen, het begin van alles moest
de stichting van het centraal rendez-vous zijn. Tijdens zijn verblijf in de
Molukken in 1613 nam Coen deel aan de inneming van het oude Portugese fort
op Tidore, daarna keerde hij tezamen met de gouverneur-generaal Both die zou
thuisvaren, naar West-Java terug, via een bezoek aan de loges te Grissee en
Japara, de rijstschuren van Oost-Java waar het weinig tactvol gedrag der
Compagniesdienaren herhaaldelijk tot conflicten met de machtige vorst van
Mataram leidde. Both die zich zelf niet langer tegen zijn zware taak
opgewassen voelde, maar in de energieke jonge oppercoopman de kracht zag om
de netelige positie tussen de Javaanse vorsten en andere kapers-op-de-kust,
in de eerste plaats de Engelsen, te beheersen, rapporteerde naar Holland,
dat hij in hem gevonden had: ‘een persoon, seer modest van leven, zedich,
van goeder aert, geen dronckaert, niet hoovaardich, in raedt seer bequaem,
int stuck van coopmanschap ende boeckhouden hem wel verstaende’. Dat Boths
opvolger Gerard Reynst die 6 november 1614 in Indië aankwam, in antwoord op
dit vrij sober getuigenis Coens benoeming tot Raad van Indië en
directeur-generaal van alle kantoren meebracht, bewijst wel vooral hoe laag
het algemene peil van de Compagniesdienaren was. Intussen had Both Coen een
jaar lang bezig gezien met het redderen van de desolate boel door Coteels en
Theunemans achtergelaten, waar hij hem dadelijk na hun gezamenlijke
terugkeer uit de Molukken in oktober 1613 aan gezet had en de weerslag
daarvan vinden we in een brief van 10 november 1614: ‘Deselve Coen is een
persoon seer wel ervaren in den koophandel, alsmede in saken van state, | | | |

Het fort te Batavia. Fragment van een contemporain schilderij
door een anoniem kunstenaar, dat het eigendom van Coen is geweest.
Westfries Museum, Hoorn. Foto K.
Laan
| | | | seer eerlyck, altijd laborieus, sonder eenighen tijd te
verliezen, alsoo dat ik mij versekere, dat hier nooyt iemand en is geweest,
die sijn cloeckheid gepasseert heeft, noch komen en sal.’
Reynst trok kort na zijn aankomst in Indië naar de Molukken om daar het
Nederlands gezag te versterken; Coen zag zich, nu
met de nodige macht bekleed, alleen voor de steeds dwingender taak gesteld
die geen van zijn voorgangers had kunnen volbrengen: ‘het begrijpen van het
rendez-vous.’ Vanouds stond vast, dat een dergelijk vast punt in de buurt
van Straat Soenda moest liggen. Lang had men geaarzeld tussen Bantam en
Jacatra, maar de grote ongezondheid van Bantam, de onzekerheid en
onveiligheid die er heerste door de onderlinge twisten tussen de inlandse
groten, deed de keus naar Jacatra overslaan. Bij zijn bezoek aldaar in
februari 1613 schreef Coen reeds, nadat hij er het nog niet voltooide huis
Nassau had gezien: ‘'t Is meer dan hoochnoodich, dat wij hieromtrent een
sterckte behoorden te procureeren ende couste que couste op te maecken, om
een rende-vous en hooftplaetse te vercrychen, daer dese overtreffelycke
cargasoenen bewaert, ende huysgezinnen geplandt moghen worden, opdat wij
niet langer alla mercy van trouloose Mooren en staen.’ In dat ‘couste que
couste’ steekt de kern van die kwaliteiten in Coen waardoor hij de stichter
van een koloniaal rijk kon worden: hij was bereid te betalen wat het kostte
en in staat de prijs te bepalen. De oic was een
handelsonderneming, dat wil zeggen als iedere koopman streefde ze naar
winst, niet naar macht, en het geweld, dat onafscheidelijk van de macht is,
wees zij in principe af. Bracht de oorlogstoestand in Europa al mee, dat zij
ook in de Archipel onmiddellijk op voet van oorlog met de Spanjaarden kwam
te staan, tegenover de inlandse bevolking prees zij haar dienaren graag
‘soete middelen’ aan die immers de minst kostbare zijn. Coen was geen
machtswellusteling, maar hij had met één oogopslag begrepen, dat een
koloniale handel en zeker een monopoliehandel daar waar een aloude en goed
toegeruste inheemse overzeehandel bestond en de Engelsen op de loer lagen,
zich slechts liet vestigen op macht en list en met de cynische
nadrukkelijkheid van de man die reeds in zijn jeugd geleerd had het
onvermijdelijke te aanvaarden, hield hij de Heren het onvermijdelijk geweld
voor, met even cynische mensenkennis verzweeg hij hun de voor het doel
onvermijdelijke listen. Die listen waren geen uitvinding van Coen. Bij het
contact tussen Europese indringers en inheemse bevolking, beheerst door
wederzijds wantrouwen, misverstand, minachting en vrees voor elkanders
ongekende machtsmiddelen, vormde de list een onmisbare zekering. De pangeran
Aria Ranamanggala, rijksbestierder voor de minderjarige vorst van Bantam en
de regent van Jacatra die in een soort leenverhouding tot Bantam stond,
worden in de Hollandse en Engelse Compagniespapieren dan ook zelden anders
dan als bedriegers en verraders aangeduid. Minder licht valt daarbij op de
eigen knepen die toch zowel in het contract met de regent in 1611 gesloten
als in dat van 1614 te vinden zijn. Ook Coen zou blijken het niet zonder
list te kunnen stellen en er niet voor uit de weg te gaan.
Maar er was nog een onvermijdelijkheid die Coen eerder zag dan anderen. De
vroegere contracten met Jacatra gingen over afdracht van een stuk | | | | grond aan de rivier met het recht daar stenen of houten
kantoren en pakhuizen te bouwen tegen betaling van tol. Coen begreep, dat op
dit rechtens en onder voorwaarden verworven gebied, de Compagnie nooit de
rechtsbevoegdheid zou hebben die zij dringend behoefde om haar gezag te
handhaven tegenover haar eigen bandeloze onderhorigen zo goed als tegenover
vreemdelingen, in de eerste plaats de Engelsen die ook in Jacatra waren
doorgedrongen en op de westelijke rivieroever tegenover de Hollandse loge
‘een cleen stenen huysken, gelyck een duyfhuys’ hadden gezet. Men kon immers
bij onderlinge geschillen geen beroep doen op de rechtsinstellingen der
verachte heidenen en mahumetisten! Het recht liet zich slechts gronden op
het onrecht van een verovering die alle bestaande recht wegvaagde en de
Compagnie niet alleen het bezit van, maar ook het gezag over het gewonnen
gebied zou waarborgen. Vandaar dat Coen meer en meer opzettelijk op een
openlijk conflict met de regent gaat aansturen, wanneer hij met zich zelf
heeft uitgemaakt, dat Jacatra de aangewezen plaats is, dat het conflict
onvermijdelijk is en dat hij gauw moet wezen om de Engelsen voor te zijn.
In 1617 laat hij vlak aan de rivier en haaks op het oude huis Nassau een
tweede Mauritius bouwen dat met zijn drie voet dikke muren feitelijk niet
anders is dan het begin van een fort en dus in tegenspraak met het gesloten
contract, dat versterkingen verbood. In het volgende jaar bouwt hij op
Onrust een werf en een hospitaal onder bescherming van een batterij.
Bij al deze maatregelen had Coen praktisch de vrije hand. Reynst was in
december 1615 gestorven. Reael, door de Raad van Indië als zijn opvolger
aangewezen, vroeg reeds in september 1616 ontslag en wachtte in de Molukken
de benoeming van zijn opvolger af. Hij had daarvoor in de eerste plaats Coen
aanbevolen als ‘een persoon van grooten oordeel, neerstich ende
cloeckmoedich, die terplaetse leyt daer den stant van geheel Indië hem thuys
compt.’ Overeenkomstig die aanbeveling ontvangt Coen in juni 1618 zijn
benoeming tot gouverneur-generaal. Hij had die benoeming niet afgewacht om
de nederzetting die om Nassau en Mauritius begon te groeien, voorlopig
hoofdzakelijk bestaand uit soldaten, kroegbazen, Chinese handwerkers en
kooplui en Voorindische slaven, in staat van verweer te brengen tegen de
gevaren die hij overal zag dreigen of waarvan hij in ieder geval de Heren in
Holland wilde overtuigen: ‘U.E. gelieve te considereren, hoe fijn wij hier
sitten met de vyantschap van alle de werelt op den hals. Evenwel en
gebreeckt ons daeromme de corragie niet.’ Reeds in april 1618 had de Engelse
agent naar huis gerapporteerd dat de Hollanders in hun huis geschut hadden
opgesteld en iedere zondag (!) hun volk lieten exerceren. Een overval op de
loge te Japara door mannen van de vorst van Mataram op 8 augustus, zeer
begrijpelijk bij het wangedrag van de Hollandse resident en de op Coens
eigen last gepleegde zeeroverijen, verklaart hij - ook voor zich zelf? - als
bewijs van een samenspannen van Bantam en Mataram tegen de Compagnie. In die
argwaan paste het ook volkomen, het bezoek, dat pangeran Gabang, een broer
van Ranamanggala, op 20 augustus aan de loge bracht met een gevolg van 500
man, te verklaren als een poging tot overrompeling door een gewapende bende
- het gevolg droeg, zoals gebruikelijk, de kris in de gordel - | | | |
die nog juist voorkomen was door soldaten op te stellen op de galerij van
het huis Mauritius. Ofschoon niets bewees, dat de regent van Jacatra iets
met deze ‘overval’ te maken had, greep Coen gretig de gelegenheid aan, ‘daar
de nood zulks vereist’ gelijk er in zijn instructie stond, zijn ‘huizen’
door het aanbrengen van een bolwerk en palissaderingen geheel en al tot een
fort te maken. De houding van de regent die ook inderdaad geen enkele reden
had om de verhouding te verscherpen, bleef waardig: zijn redelijk verlangen
was de Hollanders die hem en de zijnen veel verdiensten inbrachten, te
vriend te houden zonder door hen in zijn gezag beknot te worden. Hij nodigde
Coen tot een onderhoud uit en toen deze dat als een valstrik weigerde, kwam
hij zelf onderhandelen. Toen ook dat niets opleverde, zocht hij steun bij de
Engelsen en hier kwam een factor in het spel, waar Coen niet op bedacht was
geweest. Wel rekende hij er voortdurend mee, dat hij met de Engelsen zo
spoedig mogelijk tot een afrekening moest komen, maar hij verwachtte die,
waar ze voortdurend elkaar in het vaarwater hadden gezeten: in de Molukken
en daarheen had hij dan ook het grootste deel van zijn vloot gedirigeerd. In
december verscheen echter Sir Thomas Dale onverwacht met een vloot van
vijftien schepen voor Bantam en nam het schip De Zwarte Leeuw in beslag.
Slechts gesteund door een bijeengeraapte raad van toevallig aanwezige
schippers en kooplui die blijkens de notulen van de raadsvergaderingen
weifelend en onzeker in hun houding waren, stond Coen opeens voor een reeks
in elkaar grijpende problemen: als onderhorige van de Staten-Generaal had
hij tot het uiterste de vlag te verdedigen, als dienaar der Compagnie voor
alles de zeven kostelijk beladen schepen te behouden en het half miljoen aan
geld en koopwaar die in de loge geborgen lagen. Moest hij daartoe al zijn
krachten in het fort werpen en het tot de laatste man tegen blanke en bruine
aanvallers verdedigen - met de kans alles te verliezen? Of de Engelsen slag
leveren: zeven geladen schepen tegen elf in ballast? Of de bezittingen van
de Compagnie op de schepen veilig naar de Molukken brengen en een bezetting
ter verdediging van het fort achterlaten? Maar zijn soldaten vormden geen
nationaal leger, het waren koopmanssoldaten, dat wil zeggen zij vochten met
de koopmansgoederen als onderpand voor hun soldij; voor een leeg fort zouden
zij geen druppel bloed laten. Coen koos ten slotte een weg - of mogelijk
werd hij door zijn weifelende raad een weg opgedreven - die achteraf een
gelukkige tussenweg bleek, maar toch moeilijk als staal van zijn doorzicht
kan gelden, want de goede afloop berustte in de eerste plaats op twee
factoren die hij nooit had kunnen voorzien: de gematigdheid van de regent en
het gebrek aan doortastendheid van de Engelsen.
Een uitval met zijn schepen tegen de Engelse vloot die naar Jacatra kwam
opzetten, moest onbeslist worden afgebroken, omdat Coen niet meer van zijn
beperkte voorraad munitie durfde verschieten. Daarop verzamelde Coen zijn
schepen en vertrok zo spoedig mogelijk naar de Molukken om hulp te halen,
het fort achterlatende onder bevel van Van den Broecke die order had het
desnoods aan de Engelsen, maar niet aan de Javanen over te geven. Blijkbaar
hield Coen, als alle mensen die ooit iets van belang bereikt hebben, ook | | | | in deze onzekerheid hardnekkig aan één gedachte vast: de
kolonie moest op veroverd terrein gesticht. Nu hij feitelijk een stuk
veroverd had, kon hij dat beter - tijdelijk! - aan de Engelsen afstaan dan
weer aan de rechtmatige eigenaar. Het beleg van Batavia, gelijk de bezetting
het fort op 12 maart 1619 in opdracht van Heren xvii
doopt, is een uiterst verwarde geschiedenis waarbij meer onderhandeld,
geïntimideerd, geïntrigeerd - en gedronken, dan hevig gevochten werd.
Reeds een paar weken na Coens vertrek sluit Van den Broecke een contract met
de regent waarbij hij waarschijnlijk nog weer eens het trucje van een
verzwegen tussenzinnetje in de voor de Javanen onleesbare tekst toepaste. De
regent toch stemde daarbij toe in dat, waartegen zich altijd zijn verzet
gekeerd had: het aanleggen van versterkingen, maar toen een paar dagen later
Van den Broecke hem bezocht, hadden blijkbaar de Engelsen hem intussen het
stuk eens voorvertaald en hij hield de Hollander als gijzelaar vast. In het
fort liet men zich daarop zo intimideren door de ‘praetjens’ der Engelsen,
dat Pieter van Raey eind januari zich liet vinden voor een capitulatie
waarbij hij het fort aan de Engelsen, de koopmansgoederen aan de regent
afstond en vrije aftocht voor de bezetting met hun particulier bezit bedong.
Deze laatste bepaling was oorzaak, dat de toch al weinig gedisciplineerde
bezetting van het fort op kisten en koffers aanviel - ook die van Coen
werden niet gespaard - en plunderde wat zij dachten te kunnen meeslepen.
Maar op de dag van de aftocht kwam plotseling Bantam tussenbeide:
zevenduizend krijgslieden vertoonden zich op de westelijke oever van de Tji
Liwoeng, deden de Engelsen terugdeinzen, namen de regent gevangen en dreven
hem smadelijk het binnenland in.
Het uiteindelijk doel van Ranamanggala's tactiek is wel duidelijk: hij wilde
met uitsluiting van Jacatra de hele Europese handel naar Bantam trekken en
daar Hollanders en Engelsen tegen elkaar, de vreemdelingen gezamenlijk tegen
de vorst van Mataram uitspelen. Maar waarom hij dan na zijn gemakkelijk
succes niet doortastte en de Hollanders uit het fort verdreef? Hebben
misschien geschenken en beloften van de Hollanders in de loge te Bantam hem
daarvan af gehouden? Men bleef onderhandelen en in de vesting handhaafde
zich een ordeloze toestand, die ‘eer een boerenkermis gelyck dan een
belegert fort was’. Coen had intussen in de
Molukken een zo groot mogelijke vloot samengebracht, op 21 maart het
gouverneurschap van Reael overgenomen en was 28 mei voor Jacatra terug,
nadat hij op de doorreis als wraakoefening en waarschuwing aan de vorst van
Mataram Japara had platgebrand. Het was duidelijk, dat hij van plan was een
grote slag te slaan, maar... tegen wie? De Engelsen waren op het bericht van
zijn komst naar Straat Soenda teruggeweken, de regent was geheel van het
toneel en in Jacatra wachtten hem alleen de Bantammers die deze beide
vijanden voor hem in bedwang hadden gehouden. Maar Coen dacht er niet over
nieuwe doperse aanmaningen tot geweldloosheid en weifelingen omtrent de
keuze van het rendez-vous van de Heren in Holland af te wachten: zwarten
waren zwarten en dit was zijn kans om ‘vrije jurisdictie ende possessie op
de gegeven actie te becomen’, dat wil zeggen op grond van de gegeven casus belli (de zogenaam- | | | | de poging tot
overrompeling van pangeran Gabang) de gelegenheid aangrijpen om zich door
verovering het absolute gezag op een stuk Javaans domein te verzekeren. Nog
op de dag van zijn aankomst ter rede besluit hij ‘in rade’ met Reael en vier
anderen tot de ‘bestorming’ van Jacatra en zette meteen duizend man troepen
aan land. Toen de stad de volgende dag genomen was, waren er
negenhonderdnegenennegentig over. Wel een bewijs hoe weinig de Bantammers op
deze overval bedacht waren en hoe gering het wapenfeit waarop het imperium
werd gegrondvest.
Wanneer Coen juichend naar Holland schrijft: ‘In deser vougen hebben wij...
voet ende dominie in 't landt van Java becomen... Siet ende considereert
doch, wat een goede couragie vermach’, dan heeft hij daarbij wel meer
gedacht aan de hardnekkige ‘couragie’ waarmee hij tegen de Heren optornde,
dan aan heldhaftige wapenfeiten en uit het vervolg: ‘en hoe d'Almogende voor
ons gestreden ende UEd. gesegent heeft’, klinkt ook wel minder zijn vroom
gemoed dan een retorische nagalm der geuzenliederen waarmee hij was
opgevoed. Met die zelfde couragie buit hij de situatie verder uit: acht
dagen later ligt hij met zijn vloot voor Bantam, dwingt daar de uitlevering
van Van den Broecke en zijn lotgenoten af en als de pangeran zijn
voorwaarden voor de peperhandel niet aanvaardt, gaat hij over tot een
blokkade van Bantam, die, omdat de middelen ontbraken om hem effectief te
doen zijn, tot 1659 slepende werd gehouden.
Nu Coen de - zij het dan vrij drassige - ondergrond voor zijn ‘collonie’ in
zijn macht had, wierp hij zich met al zijn werkkracht en eerzucht op de
uitbouw en versterking van het fort tot een stad, zijn stad die hij dan ook
aanvankelijk Nieuw-Hoorn noemde, maar toen de Heren xvii
vasthielden aan Batavia, sprak hij van ‘het fort Jacatra’. Niet alleen over
de naam beslisten de Heren: ‘Bij naerder conferentie met sijne princelijcke
Excellentie,’ schreven zij, ‘soo is voor best gevonden, datter maer één
quarrée gelijck als hetgene van het kasteel van Gulick soude gemaeckt
werden, soo groot als uwelieden ende de raden zullen noodich achten omme
daerinne, behalve de nodige packhuysen ende magasijnen 6 ofte 800 man te
mogen logeeren volgens het project van den ingenieur van sijn Excellentie
Simon Stevijn gestelt.’ Midden in die arbeid treft hem als een donderslag
het bericht, dat de oic vrede gesloten heeft met de
Engelse Compagnie op de grondslag van vrije handel voor beide in de Archipel
en onderlinge samenwerking. Zijn eerste reactie is: een spoedmissive naar de
Molukken om zoveel mogelijk specerijen te doen opkopen voor het officiële
bericht van het contract bekend wordt, dan schrijft hij honend en hooghartig
zijn antwoord aan de Heren met die ingetoomde aanhef: ‘Hoe pryselyck,
eerlyck ende goddelyck een goed vrede en eenicheyt sy, is alle redelycke
verstanden kennelyck. Gelooft zy Godt, die alles ten goeden schickt ende
daertoe nimmermeer middelen laet gebreecken.’ En dan barst hij los:
kennelijk heeft het de Heren aan vertrouwen in die goddelijke middelen
ontbroken, dat ze zich zulke bondgenoten kozen en op voet van gelijkheid
erkenden, waar ze ‘niet een sandeken van 't strandt in de Molukkos, Amboyna
noch Banda hadden te pretenderen’. ‘Grooten danck syn [de Engelsen] ue schuldich, want hadden haerselven met recht uut Indien
geholpen, ende | | | |

Gezicht op Batavia. Anonieme tekening. Rijksprentenkabinet, Amsterdam.
| | | | de heeren hebben hun daer weder middenin geseth.’ Aan het slot
van zijn brief laat hij weten, niet gezind te zijn ‘langer dan toecomende
jaer 1621 te continueren ende vastelycken voorgenomen hebben alsdan met
Godes hulpe nae 't vaderlandt te keeren’.
Niets had intussen zozeer Coen kunnen overtuigen
van het nut van zijn gewelddaad dan juist deze vrede met de Engelsen. Hij
moet met bloedend hart hun toestaan een nieuwe loge aan de Tji Liwoeng te
bouwen en het hun geaccordeerde aandeel in de peper- en muskaathandel, maar
hij duldt hen als gasten op zijn grond en onder zijn jurisdictie. In de
instructie voor de nieuw benoemde baljuw van Batavia, gedateerd één dag na
de ontvangst van het vredesbericht, bepaalt hij met de willekeur van de
veroveraar de grenzen van zijn rechtsgebied, naar hij meende: de grenzen van
het ‘koninkrijk Jacatra’: in 't westen Bantam, in 't oosten Cheribon, in 't
noorden de eilanden en in 't zuiden de zee! En hij begreep ook, dat hij voor
het te laat was, zijn consequenties uit deze ervaring moest trekken ten
opzichte van de machtsverhoudingen in de Molukken, met name op de
Banda-groep, waar tot nu toe de Compagnie de hoofdeilanden Lontor en Neira
met de pretentie van het monopolie op de specerijenhandel bezet hield,
terwijl de Engelsen vanaf de kleinere eilanden Poeloe Roen en Poeloe Ai dat
monopolie ontdoken, zodat de compagnie alleen op een feitelijke voet van
oorlog zich althans van het leeuwedeel van de handel kon verzekeren.
Nu Coen gedoemd werd met de Engelsen in vrede te leven, bleef slechts één
middel over: de Bandanezen zo klein te krijgen, dat ze het wel uit hun hart
zouden laten aan de Engelsen te leveren. Die gedachte was niet nieuw. Reeds
in de adviezen van de commandeur Hendrik Brouwer,
later bewindhebber der Compagnie die in 1611 en '12 onder Both in de
Molukken diende, heet het: ‘Nu men weet de Bandanesen geen andere welvaert
hebben als haere overvloedighe menichte van nooteboomen ... is mijn advies
... dat men hun beoorloge met ... de nooteboomen te vernielen ... dat
lichtelycker ende met minder peryckel sall connen geschieden dan hun vaste
nesten te overweldighen.’ En ook: ‘De Bandanesen, die men in de furie conde
becomen, dootslaen sonder eenich aensien, wanneer ontwijfelycken de saacken
wel anders sullen gaen. Men behoeft niet te meenen, dat hier soo veele aen
te doene sal weesen, dewijl het maer swarten ende bloodt volck is...’
Ook Both had al de instructie meegekregen om met alle middelen het monopolie
in de Molukken te handhaven, maar hij noch zijn opvolgers hadden het enige
middel durven aanvaarden, dat daartoe voeren kon. Dat deed Coen. Januari
1621 verliet hij met twaalf schepen de rede van Batavia, helemaal niet
teleurgesteld, dat de Engelsen die hij daartoe pro forma
had moeten uitnodigen, geen schepen beschikbaar hadden om aan de expeditie
deel te nemen. Op de ree van Banda aangekomen, wees hij alle
onderhandelingen waartoe de Engelse vertegenwoordiger op Poeloe Lontor zijn
bemiddeling aanbood, af, zette zijn troepen aan land en onderwierp het
eiland na een hardnekkig verzet. Maar Coen begreep, dat voor zijn doel ook
na deze onderwerping een nieuw vredescontract niet afdoend was: de
‘haentiens van de Oost’ zouden op den duur toch weer in verzet komen en de
Engelsen zouden | | | | dat verzet blijven aanstoken, dus gaf hij de
gouverneur van Banda, Sonck, last de gehele bevolking naar elders te
verplaatsen. Coen was geen bloedhond, maar een beheerst man die zijn
dienaren wist te kiezen. Sonck volvoerde zijn opdracht zo goed, dat van de
vijftienduizend zielen die de bevolking van Lontor geteld had, er ten slotte
nog slechts een kleine achthonderd voor transport in aanmerking kwamen. Van
de rest waren vijfenveertig orangkayas (hoofden) op een twijfelachtige
beschuldiging van verraad ter dood veroordeeld, honderden door de soldaten
in paniekstemming neergesabeld, duizenden van honger omgekomen in de bergen,
waarheen ze gevlucht waren en hun de toevoer was afgesneden, een handjevol
over zee naar Ceram ontsnapt. Van het als haringen verzonden transport
kwamen er slechts zeshonderd te Batavia aan, in januari 1622 werden er
daarvan opnieuw op beschuldiging van een samenzwering acht terechtgesteld,
de overige mannen levenslang in boeien geklonken, de vrouwen en kinderen als
slaven verkocht. Coen wist zijn mensen te kiezen voor het handwerk waar hij
hen voor nodig had: Sonck was een goede beul gebleken, als gouverneur was
hij minder geschikt: hij bracht eenendertigduizend gulden voor zijn tafel in
rekening en verknoeide negentig vaten buskruit aan saluutschoten... voor de
Engelsen, nota bene! Nog in 1622 riep Coen hem terug naar Batavia. Zijn
opvolger Van Speult was beter organisator, zuiniger en niet minder
doortastend: hij was de man die in Coens geest op Ambon de verhouding tot de
Engelsen toespitste tot die twijfelachtige rechtspleging wegens verraad die
bijna twee eeuwen lang bij alle Nederlands-Engelse onderhandelingen als de
‘Ambonse moord’ te berde kwam en waarvoor de Engelsen, niet geheel ten
onrechte, al had het proces na zijn vertrek naar Holland plaats, Coen
aansprakelijk stelden.
Met de vloot die 20 januari 1623 te Batavia aankwam, ontving Coen een brief
van de xvii waarin zij zich zo vierkant en op alle punten
tegenover de door Coen gevoerde politiek stelden, dat hij begreep zijn zaak
niet langer van Indië uit te kunnen verdedigen. Na door de Raad van Indië
Pieter de Carpentier als zijn opvolger te hebben laten aanwijzen, vertrok
hij begin februari als admiraal van de retourvloot naar Holland. Voor zijn
vertrek gaf hij nog drie verordeningen uit die getuigen zowel van zijn vaste
wil om de Heren te braveren, als van zijn realistisch begrip van de
situatie: ten eerste een verlof-brief tot particuliere handel aan een aantal
vrijburgers van Batavia: ten tweede de benoeming van Antonie van Diemen tot
oppercoopman; ten derde een instructie aan De Carpentier, neerkomende op een
uiteenzetting van zijn Indische handelspolitiek, waarbij echter niet langer
op kapitaalsinvoer uit. Holland wordt gerekend, maar waarin Indië zich zelf
bedruipt - dus zelfstandiger wordt - door zijn basis te vinden in de Chinese
handel.
Op 19 september was Coen in Amsterdam en reeds drie dagen later werd hij in
een vergadering van de Staten-Generaal ontvangen en gehuldigd, nadat hij
daar rapport had uitgebracht over de ‘staet van saecken ... ende de
resolutiën ... genomen om de Oost-Indische Compagnie voortaen te mogen
houden buyten soo groote costen als die dus lange gedaen ende gedragen
hebben’. Coen had van de Kaap een snelzeilend jacht vooruitgezonden met | | | | een uitvoerige memorie waarin hij met argumentatie en
becijfering het plan uit de instructie van De Carpentier herhaalde. In
oktober kreeg hij in de vergadering der xvii, na ook daar
een eervolle ontvangst, gelegenheid om die memorie voor te lezen en toe te
lichten. Hier is hel openlijk begin van de hardnekkige strijd die Coen
gedurende zijn ruim driejarig verblijf in Holland voert met zijn
tegenstanders onder de bewindhebbers, een fractie waarvan Reael zo niet de
leider, dan toch de enig deskundige raadgever is. De twee hoofdpunten in die
strijd die wij hier niet in al zijn etappes kunnen volgen, waren de in Indië
te volgen handelspolitiek en de beloning van Coens verdiensten en hij heeft
voor beide al zijn hardnekkigheid, welsprekendheid en kennis van de
Compagnieszaken in het vuur gebracht. Wie met verloochening van de
psychologie en de feiten Coen coûte que coûte als ver vooruitziend idealist
wil redden, moet hier weer met een haastige zucht een zwarte bladzijde
omslaan, maar de openhartigheid alleen al waarmee hij zelf de gouden
ketenen, vergulde sijdgeweren, medailles met ‘eerlycke ende loffelijcke
inscriptie’ en harde Carolusguldens nastreeft, kan ons anders leren. Als
persoonlijke beloning aanvaardt hij ten slotte met laatdunkend gebaar een
bedrag aan geld en geschenken van omstreeks een ton gouds. Voor zijn plan:
de Compagnie beperkt zich tot de grote vaart, de handel op de kusten van
Afrika en Azië komt onder voorwaarden en tegen betaling van patent aan
particulieren, weet hij door zijn uiterst zakelijke en deskundige
argumentatie een meerderheid te winnen en hij krijgt opdracht een reglement
voor de handel in Indië uit te werken. September 1624 dient hij dat in en
als de aangewezen man tot uitvoering ervan, verzoeken de bewindhebbers hem
opnieuw het gouverneur-generaalschap te aanvaarden. Coen toonde zich niet al
te graag, hij zou gaan ‘indien sijn E. alvooren soude connen geraecken tot
een bequaem ende goed partur tot eene huysvrouw om met hem naer Indien te
gaen’.
Toen hij die ‘partur’ gevonden had in de negentienjarige Eva Ment, een
Amsterdamse koopmansdochter, dwong een langdurige ziekte hem zijn huwelijk
en uitreis te verschuiven. Zijn vijanden zaten intussen niet stil en vonden
een ongevraagd bondgenoot in Jacobus i van Engeland,
wiens haat tegen de dwarsdrijver Coen, nadat de berichten van de ‘Ambonse
moord’ in Europa waren doorgedrongen, geen grenzen meer kende: de Engelse
gezant protesteerde officieel bij de Staten-Generaal tegen Coens terugkeer.
Een aantal ‘dolerende participanten’ van de Compagnie stuurden rekest op
rekest aan de Staten die zelf ook wel enige grieven hadden over het
eigenmachtige optreden van de Compagnie, waarin er onder andere op gewezen
werd, hoe Coens uitzending de goede verstandhouding met Engeland ernstig in
gevaar zou brengen; er verscheen een heftig pamflet: ‘Een waer
verhael van de onlanksche ongerechte, wreede en onmenschlijcke procedure
teghen de Engelschen tot Amboyna in Oost-Indien’ (waarschijnlijk
met Engels geld). Het kwam ten slotte zover, dat de Staten Coen lieten weten
‘dat hij zich niet had te onderstaen van te vertrekken’.
Coen kwam langzamerhand in een onmogelijke positie. Drie jaar had hij als
ambteloos burger in het vaderland verdaan om daar een solide basis te | | | |

De terechtstelling van een inheemse opstandeling op Ceram door
Nederlandse soldaten, in het midden van de 17de eeuw. Ets door A.
Zeeman. Koninklijk instituut voor land-, taal- en
volkenkunde, Leiden.
| | | | leggen voor zijn politiek. Maar de xvii
bleven uiteraard door hun ondeskundigheid en hun overtuigingloze begeerte
slechts winst te maken liefst ‘met soete middelen’ twijfelachtig. Tegenover
al die zo logisch klinkende bezwaren van Reael en de zijnen: de vrij burger
zou nooit tegen de inlandse handel kunnen concurreren, had Coen niet zelf gezegd, dat zich alleen rapaille
voor het vrijburgerdom aanmeldde, over welke werkkrachten beschikte men in
Indië, als de bevolking uitgeroeid moest worden om het land te bezetten,
tegen dat alles had Coen één doorslaand argument: zijn daden, hij, niet
Reael, had gezorgd, dat de Hollanders ‘voet ende dominie in 't land van
Java’ én elders kregen. Maar dat is een argument dat snel veroudert. Nieuwe
daden waren nodig. Niet alleen Coens eerzucht en activitieit, ook zijn
prestige dreef hem naar Indië terug en dat alles was voor hem reden genoeg
om, ondanks het verbod dat wellicht ook niet zo ernstig gemeend was, te
vertrekken. Maart 1627 scheept hij zich in stilte met zijn vrouw en haar
familie op de vertrekkende vloot in, hij verwerpt de voorzichtige order der
xvii rondom Engeland te varen, komt ongehinderd door
het Kanaal en laat bij de Kaap Verdische eilanden de commandeursvlag hijsen.
Maar Coen wist wat hij achtergelaten had en hij kon weten wat hem wachtte.
Reeds een jaar voor zijn vertrek had de oppositie doorgedreven, dat ‘het
punt van de vrije handel in Indië voortaan tot beter gelegenheid uit de
beschrijvingsbrief zal worden weggelaten’ en hij kon ook weten, dat geen
zaak meer dan deze verloren was, wanneer er niet over werd gesproken, want
wat was er te verwachten van de ‘peuplatie’ van Batavia en de Molukken met
‘eerlijcke ende verstandige luyden met hare familien’ wanneer daar niet veel
over gesproken en reclame voor gemaakt werd om de bestaande vooroordelen te
overwinnen? Coen zelf had door zijn geheimzinnige vertrek geen enkele
instructie meegekregen. Gezien zijn vasthoudendheid en de onzekerheid van de
Heren, was het hun mogelijk ook wel zo aangenaam. Maar toen hij die na
verloop van tijd in Indië nagestuurd kreeg, zal het hem niet al te zeer
verbaasd hebben daarin te lezen ‘... soo is 't, dat wij, alsnoch daerbij
persisteerende, ue op 't serieuste verbieden eenige
openingen van den vrijen handel in Indien te gedoogen oft toe te staen, op
den voeth van voorgemelde concepten ofte andere dierghelycke in
eenigherhande manieren, waerop wij ons sullen verlaten’. De felle repliek
die de Coen van 1623 zeker niet lang in de pen gebleven zou zijn, blijft dan
ook uit. De hele toon van de correspondentie uit zijn tweede ambtstermijn is
anders, meer een zakelijk verslag en waar het nog eens tot verwijten komt,
daar gaat het in een klagende toon en in woorden als deze: ‘Siet eens e heeren, tot wat een extremiteyt ende desolatie ue colome alhier, welcke alreede in soo wenschelijcke
termen van progres was staende, door ue deffectueusheyt
van reqisijt secours van volk tot maintenue van dien te seynden, geschapen
staet te vervallen.’ Het is duidelijk, dat dit niet meer een van de stukjes
strategie is die Coen tijdens zijn eerste term in het zweet zijns aanschijns
eigenhandig opbouwde, maar dat hier een Spaanse Brabander onder zijn
‘pennisten’ aan het werk geweest is. Een andere Coen - een gebroken Coen? De
ver vooruitziende bouwer van het imperium die nu gekortwiekt door de benepen
kruideniersgeest van zijn lastgevers | | | | gelijk een Simson in de
tredmolen der koopmansbelangen werd gespannen? Nee, dat zeker niet. De Coen
die met zijn jonge vrouw en haar halve op fortuin maken beluste familie naar
Indië terugkeerde, die op zo uitdagende wijze de verbolgen Engelsen langs de
neus glipte, die autoritair de beduusde Pieter de Carpentier het roer uit
handen nam, hoewel hij hem instructie noch aanstelling kon overleggen, was
zeker geen gebroken man, geen man die zijn doel en idealen had opgegeven,
wel een mens die met de realistische zin die de grondslag van zijn wezen
was, zich nieuwe middelen had gekozen, nu de oude onherroepelijk hadden
gefaald. Dat doel was geen ander dan dat van alle kolonisten van zijn tijd
en van verreweg de meeste uit later eeuwen, afgezien van de groepen die om
des geloofs wille uitweken, namelijk fortuin en eer te behalen. Wie daartoe
in de Compagniestijd de reis naar Indië ondernam, wist dat hij een zwaar
risico nam, vandaar dat, in het groot gezien, onder die roem en rijkdom
zoekende kolonisten twee groepen te onderscheiden vallen: de desperado's,
het verpauperde en verliederlijkte uitschot der maatschappij, onverschillig
om nog eens een dobbelspel te wagen met het leven als inzet en de
teleurgestelden, de bekwame eerzuchtigen, die zich door een oorzaak van
buitenaf in het vaderland de weg versperd zagen naar de loopbaan die hun
volgens hun rechts- en zelfgevoel toekwam. Uit de eerste groep kwamen de
soldaten... uit de tweede de Coens, de Van Die-mens, de Clive's, en latere
imperiumbouwers. Wij weten te weinig van Coens jeugd om de grote
teleurstelling die hem naar Indië dreef, met honderd procent zekerheid aan
te wijzen, maar wat de feiten reeds waarschijnlijk maken, blijkt volkomen
duidelijk uit zijn correspondentie met de bewindhebbers, waar bij alle
tactische onderhorigheid uit iedere zin zijn besef van kwalitatieve
meerderheid en recht op sociale gelijkheid spreekt. Het blijkt ook uit de
nadrukkelijkheid waarmee hij zich zelf, niet als persoon, daarvoor was zijn
formaat te groot, maar zich zelf en zijns gelijken als groep tegenover de
verloren existenties van de gelukzoekers stelt. Het ideaal van de
fatsoenlijke vrijburger die eerzaam en spaarzaam levend in Indië aanzien en
fortuin verwerft, is zijn persoonlijk ideaal. Men heeft hem een ernstig en
oprecht christen geprezen. Hij was dat in de zin van een door en door
burgerlijk persoonlijk godsvertrouwen in zijn ondernemingen, dat alle
expansiviteit mist. Welk ideaal hem ook mag hebben voorgestaan, niet dat van
een, in de christengemeenschap opgenomen, bruine broeder! De zending moet óf
om tactische redenen liever op de achtergrond worden gehouden (dit in het
bijzonder ten opzichte van de onbekeerbare mohammedanen), óf dienen ‘om de
herten behendichlijck te winnen’. Waartoe te winnen toont het vervolg:
‘Waerdoor zijn de Portugesen dus verde gekomen? Is 't niet een paep die alle
't volck van Solor werderomme van d'onsen veralieneert heeft?’ Zijn
christendom is voor alles de koopmansethiek van soberheid en soliditeit. Hij
was geen goudzoeker gelijk de meeste Oost-Indiëvaarders, maar een reëel
zakenman die van zijn talenten en zijn werkkracht het volle pond en meer
gaf- niet aan een of ander ver ideaal, maar om ze beloond te zien en die,
bezeten door zijn rehabilitatieverlangen, bereid was tot de zeldzame en
onontbeerlijke dienst van het verantwoording nemen. Hij rekende de Heren
niet alleen met zijn | | | | correcte dubbele boekhouding ‘op z'n
Italiaens’ voor wat de prijs in klinkende munt en ‘kleedjes’ voor de peper
en de nageltjes was, hij berekende ook zuiver en zakelijk de naaste prijs
aan onrecht en onmenselijkheid waarmee alle winstbejag betaald moet worden.
In 1615 al schreef hij: ‘In Indien connen wy na mijn opinie nyet bestaen
sonder authoriteyt ende macht ... Wy moeten 't met de wapenen en dwang
hebben, oft sullen op den duym fluyten.’ Hij bedreef dat onrecht niet zelf,
wrede machtswellust was hem vreemd, en onder het waardeloos uitschot dat men
hem als Compagniesdienaren toezond, waren beulsknechten genoeg voor het
noodzakelijk handwerk dat het terrein moest schoonbranden voor zijn
schepping: een koloniale maatschappij, waar de fatsoenlijke, bekwame,
energieke kleinburger (als hij) zijn kans kreeg in de schatkamer van het
Oosten. Coen ontwierp zijn plan met de schatten van Ophir aan zijn voeten
die in een rationele en motorische geest als de zijne de gedachte moesten
wekken, dat het ‘zonde’ was als dit alles niet uitgebaat werd, niet alleen
door de Compagnie, maar ook door alle voortvarende vaderlanders die recht
hadden op een eerlijk loon voor hun ijver en risico. Hij bouwde zijn plan
uit tijdens zijn tien grote Indische jaren, steeds meer overtuigd van de
onuitputtelijke rijkdom van het Oosten en in zijn pennestrijd met de xvii hun bezwaren steeds weer afschuivend op hun
kleinmoedigheid en gebrek aan Indische ervaring. Maar één ding hadden de
Heren op Coen voor: zij hadden meer begrip van de verhoudingen in Nederland
dan dertien jaar, doorgebracht met meester Bartjes' rekenboek en krabbetjes
vissen op de Hoornse zeedijk konden opleveren.
Bijna vier jaar van rondreizen en onderhandelen in Holland waren voldoende om
die achterstand in te halen. Als zijn plan inderdaad onmogelijk is - welnu,
Jan Coen is de laatste man om achter een hersenschim aan te lopen, hij heeft
zich verrekend, hij slaat een schoon blad om; als er niet genoeg lieden in
het vaderland zijn om de weg naar roem en rijkdom die hij gebaand heeft te
betreden, moet hij daarom aan de kant van de weg gaan zitten? Indië bergt
meer mogelijkheden om iets groots te doen: hij gaat zijn stad opbouwen.
Bantam bedwingen. Mataram ... Nee, de Coen die uitdagend tegen de rotsen van
Dover opkeek, was geen gebroken man, wél was er in zijn hart een felle haat
tegen de aanmatigende, schijnheilige Engelsen met hun geteem over de Ambonse
moord, wel greep hem een cynische hoon aan, zo vaak hij dacht aan de Reaels
en consorten, de irrealisten, die wel de rijke retouren wilden, maar zich
ook de weelde wilden permitteren van te gruwen voor het geweld waarmee ze
alleen verkregen konden worden. En die zelfde hoon treft nog altijd over de
eeuwen heen zijn vereerders die zijn meest wezenlijke daden voor de -
onvermijdelijke gewelddadige - vestiging van het Nederlands gezag in
Indonesië fijngevoelig op de donkere bladzijden van zijn ‘ruwe tijd’
wegmoffelen, alsof niet juist zijn uitzonderlijkheid daarin bestond, dat hij
de verantwoordelijkheid had aangedurfd de voor een veroveraar onduldbare,
maar ook in zijn tijd geldende ethiek te doorbreken.
Nog één gevoelen, dagelijks geprikkeld sinds zijn aankomst te Batavia,
beheerste zijn laatste jaren: een diepe minachting voor de lammelingen,
dronkaards en vrouwenjagers waarmee hij werken moet, te lui om zich de
vruch- | | | |

Een Nederlandse krijgsexpeditie naar de Molukken in de 17de
eeuw. Ets door G. Schoute. Koninklijk instituut voor
land-, taal- en volkenkunde, Leiden.
| | | | ten in de mond te laten vallen en die in domme weerloosheid
tegenover hun dierlijke begeerten de kans van hun leven die hij hun bood,
verspeelden, de kans op een leven van geëerd en welgesteld burger. Het
tegenstuk van die minachting is zijn voorkeur voor het nijver Chinezenvolk
en zijn vriendschap voor de ondernemende woekeraar en kapitein-Chinees Souw
Bing Kong, gezegd Bencon, de enige van zijn Bataviaanse onderzaten bij wie
hij graag 's avonds aanliep voor een babbeltje en een kopje thee, omstuwd
door twaalf hellebaardiers en tien musketiers. Het laatste waarschijnlijk
zowel voor de veiligheid als ter wille van ‘de Indiaenen, die naer 't
schijnt met een uyterlyck semblant gedient sijn’. De bijna symbolische
woeste uiting van die minachting is het door Coen
gedicteerde dood- en geselingvonnis tegen de vaandrig Cortenhoeff en Saartje
Specx, beiden natuurlijke kinderen van Compagniesdienaren en het meisje,
amper twaalf jaar oud, ‘staetdochterken’ bij Eva Ment die zich nota bene
onder Coens eigen dak met elkaar vergeten hadden. Antonie van Diemen was de
enige die tegen de verbolgen Coen in dorst weigeren het onrechtmatig vonnis
te tekenen.
Coens laatste ambtstermijn wordt bijna geheel in beslag genomen door de
verdediging van zijn stad tegen de Javaanse vorsten die de indringers weer
in zee trachten te drijven. In december 1627 verijdelde Coens waakzaamheid
een overrompeling van de stad door Bantamse prauwen, in april 1628 verscheen
er te Batavia een Matarams gezant die een jaarlijks gezantschap naar zijn
vorst, dat wil zeggen leenhulde verlangde. Coen weigerde botweg. Mataram
zette de rijstaanvoer naar de stad stop tot in augustus plotseling een vloot
van zestig prauwen met rijst en slachtvee verscheen. De list was al te plomp
en de aanslag mislukte, maar dadelijk daarop werd de stad van de landzijde
door een leger van Matarammers ingesloten. De veertigjarige Coen ontwikkelde
een nieuwe kwaliteit: hij betoonde zich een bekwaam veldheer die in korte
tijd de paniek in de stad baas was en door een paar krachtige uitvallen,
gesteund door het voedselgebrek, dat weldra onder de belegeraars heerste,
twee massalegers, die vlak achter elkaar tegen de stad oprukten, tot een
ontredderde aftocht wist te dwingen.
Nu knoopte Coen dadelijk onderhandelingen met Bantam aan en beveiligde zich
aan die zijde door een vrede tegen de nieuwe aanval die hij uit het oosten
vreesde. Kort daarop, in april 1629, verscheen te Batavia een Matarams
gezant die in zo nederige termen ‘vergiffenis’ voor de soesoehoenan en vrede
vroeg, dat Coen opnieuw lont rook, te meer omdat hem bericht was, dat deze
zelfde gezant in de havens op de noordkust rijstvoorraden had opgekocht. Met
pijniging bedreigd bekende de gezant, dat de voorraden voor een nieuw
aanvalsleger bestemd waren en hoewel Coen dadelijk schepen uitzond die erin
slaagden ze grotendeels te vernietigen, verscheen toch een leger van
misschien tienduizend man voor de stad, waarvan het gerucht er echter wel
honderdduizend had gemaakt. Maar door de verstoring van de voedseltoevoer
was het spel al van te voren verloren: na een beleg van zes weken waarbij
geen enkel voordeel werd behaald en de gelederen wegsmolten door ziekte,
gebrek en desertie van de uit pas veroverd gebied gepreste soldaten, volgde
een aftocht, nog jammerlijker dan de eerste.
| | | |
Coen heeft zijn triomf niet meer beleefd. In de belegerde stad, naar
toenmalige Europese eisen gebouwd, en waar zonder enig begrip van tropische
hygiëne geleefd werd, heerste een kwaadaardige epidemie, blijkbaar cholera,
die ‘uijt een geinfecteerde lucht schijnt voort te comen’, schreef de
predikant Heurnius, zonder enige verdenking tegen het door afval en lijken
der belegeraars besmette rivierwater. Aangetast door de ‘rode loop’ houdt
Coen tot 20 september in zijn veelomvattende functie van krijgsoverste,
stadsbestuurder en koopman stand.
In de nacht van 20 op 21 sterft hij zo onverwachts, dat hij nauwelijks nog
tijd en krachten vond voor enkele uiterste beschikkingen: zijn vrouw en vier
dagen tevoren geboren dochtertje vertrouwt hij aan zijn zwager, Pieter Vlack
toe; zelf niet meer tot schrijven in staat, vervult hij de opdracht uit zijn
instructie om zelf in geval van nood schriftelijk zijn opvolger aan te
wijzen, door Heurnius een naam in te fluisteren, men zegt die van Van
Diemen, maar de Raad, onbekend met die opdracht, meende zich daar niet aan
te moeten houden en wees Jacques Specx aan.
Op 22 september werd het stoffelijk overschot van de generaal ‘met
behoorlijcke solempniteyt ende eere’ binnen het stadhuis op Compagnieskosten
begraven. De Heren in Holland maakten overigens achteraf wel bezwaar die
kosten, zegge ƒ6300 voor hun rekening te nemen, gelijk zij zich ook verder
onthouden hebben van iedere poging om zijn nagedachtenis te eren of te
bestendigen.
Het witgepleisterd graf van Bencon wordt door zijn landgenoten te Batavia in
ere gehouden. Toen in de jaren voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog een
vage vrees voor een nieuwe verovering van Indonesië en een vasthoudend
verzet tegenover de opduikende twijfel aan het recht van iedere verovering
de kreet om een nieuwe Coen deed opgaan, heeft men te Batavia op niet boven
alle twijfel verheven aanwijzingen de eerste bedevaartplaats van het
imperium ‘ontdekt’: het graf van Coen bleek door de bloei van zijn stad
overwoekerd.
Deze herleefde waardering waarvan de oorzaken zo tastbaar zijn, richtte zich,
wat niet van iedere waardering door het nageslacht gezegd kan worden, op
Coens meest dominerende eigenschap: op de knopendoorhakker, de man die de
verantwoording durfde nemen. En waar van weinig mensen de daden zo
vérstrekkende gevolgen hebben gehad, wordt Coen het lichtend voorbeeld van
de sterke man: alle zegenrijke en voordelige gevolgen van het contact van
Nederland en Indonesië vinden zo bij hem hun oorsprong - de minder
zegenrijke worden in het duister gelaten - en de herdenkende feestredenaar
komt gemakkelijk tot een voorstelling waarbij de verwoester van Jacatra en
Banda die immers voor vrije kolonisatie gepleit had, reeds van verre had
aangestuurd op de beschaafde kolonistenmaatschappij der twintigste eeuw - al
zou hij de ethische richting verfoeid hebben.
De Coen-legende die in zijn eigen tijd door het schrale contact van Nederland
en Indonesië, door het naijverige zelfbewustzijn der Heren xvii, door de stugheid van zijn eigen persoon niet het minst,
nooit op gang kwam, wordt door onze koloniale geschiedenisschrijvers met
zorg opgekweekt, sinds het | | | | einde van de Tweede Wereldoorlog
niet alleen de bevrijding van een aantal Europese landen, maar ook die van
Indonesië bracht. Ten onrechte, wil het ons voorkomen. Want voor de
objectieve beschouwer valt het niet te ontkennen, dat iedere idealistische
bezetenheid aan Coens dadendrang vreemd is. Reeds zijn herhaalde
doelverschuiving bewijst dat. Geen verder en scherper inzicht dan dat van
zijn tijdgenoten leidde zijn daadkracht, wel een grotere feitenkennis, een
sterke, maar weinig gelouterde geldingsdrang en de mogelijk uit eigen
bittere ervaring verworven cynische moed om openlijk te erkennen, dat ook
het betrekkelijk kleine onrechtmatige gewin, dat de Hollandse kooplui
nastreefden, zich alleen door grof geweld liet veroveren en bevestigen.
Hij legde de grondvesten van een koloniaal rijk, dat de gehele verdere
politieke, maatschappelijke en culturele geschiedenis van Nederland mede
bepaald heeft en hij werd ervoor beloond - afgezien van de omstreden ton
gouds - met de vloek van duizenden ongelukkigen. Wie het eerste als zijn
doelbewuste daad geëerd wil zien, aanvaarde ook de last van de laatste.
|
|
|