|
|
|
| |
| | | | | |
De prins der poëten
In 1523 waren de augustijner monniken Voes en Van Esschen uit Antwerpen ‘die zwey edle Kleinod Christi’ zoals
Luther hen eerde, te Brussel als ketters verbrand.
Twee jaar later was het Jan de Bakker, pastoor uit Woerden, in Den Haag. Weer twee jaar later
in dezelfde stad Weyntjen Claes uit Monnikendam:
De beul tradt aan om worgen
Doen sloot sy haer oogen fijn
Hebbende in 't hert verborgen
Een trooster, niet om sorghen
Verlangende thuys te sijn.
In 1539 was het Anneke Jans, de Davidjoriste uit Rotterdam die op 24 januari in de winterse Schie verdronken werd,
naar de overlevering wil in een zak genaaid.
Het aantal martelaren der hervorming in de Nederlanden werd groter en groter.
De tijdgenoten kwam het ontelbaar voor, al weten we nu, dat het er ‘maar’
een tweeduizend geweest zijn. Het getal schrikte af, maar de geest trok aan,
onweerstaanbaar. Vooral die van de wederdopers. Was in 1567, toen het
verwoestende vuur van de grote wederdoperij uit de jaren '30 der eeuw allang
scheen uitgetrapt, in Den Haag niet weer een dier ergste ketters verbrand
met bij hem, op een laag bankje gezeten, zijn zoontje van zeven die van zijn
vader niet scheiden wilde en met deze gewillig de vuurdood onderging? Er
valt niet aan te twijfelen. Dusseldorp, een vijand der hervorming, vertelt
het in zijn ‘Annalen’. En in Antwerpen leefde nog steeds die zelfde geest.
Een van de liedjes uit het ‘Offer des Heren’ waarin tal van nagedachtenissen
verzameld zijn over hen en haar die God meer gehoorzaamden dan de mensen,
getuigt ervan:
Margriet Jeroens huysvrouwe
Claerken was ook getrouwe
Op den Steen verdroncken, niet openbaar
Int Schelt geworpen daernaer
Daer heeft men se sien drijven
Opt water, met schoone witte lijven
Dat bleek wel alsoo claer.
Zo stierf ook in juni 1569 te Antwerpen ‘Joost de hoedemaker’ de martel- | | | | dood op de mutsaart tot straf voor zijn doperse ketterijen.
Alweer een, maar dit keer één, die ons bijzonder interesseert, want ‘Joost’
en ‘Hoedemaker’ het zijn naam en beroep, gangbaar in Vondels geslacht. 's
Dichters grootvader van moederszijde, Peter Cranen, was ook lid van een
doopsgezinde gemeente, maar wist te ontkomen. Zijn vrouw Clementia,
achtergebleven om haar bevalling af te wachten, werd, ofschoon zelf
katholiek, als gijzelaar op het Steen gesloten, gelijk zovelen vóór en na
haar.
Dit is de werkelijkheid waarvoor Vondels vader, hoedenmaker als zijn
bovengenoemde verwant toch wel en even als deze doopsgezind, in 1582 uit
Antwerpen naar Keulen vluchtte. Drie jaar later
trouwde hij er een lotgenote, Sara, de dochter van Peter en Clementia
Cranen. Uit dit huwelijk werd 17 november 1587 de dichter geboren.
Dit zijn de verhalen waarnaar de kleine Joost in het huis ‘De Vioolbloem’ in
de Witschgasse met zijn grote vraagogen luisterde. Deze werkelijkheid en
deze verhalen: het diepe, het onuitwisbare indruksel in de ziel van een
gevoelig kind. En uit die werkelijkheid en die verhalen bloeiden in die ziel
de zucht naar vrijheid op en een afkeer van gewetensdrang, zó
onweerstandelijk, dat zij er vijfenzeventig jaar en langer niet meer van zou
kunnen zwijgen.
De zucht naar vrijheid, de afkeer van gewetensdwang en het doperse, waaruit
zij zowel voortkwamen als dat zij aanvankelijk versterkten, mogen wij als de
voornaamste componenten van Vondels wordingsgeschiedenis beschouwen. Ten
eerste toch is niet alleen voor de moderne psychologie de diepte van
jeugdindrukken axioma, ook de volkswijsheid kent die regel én Vondel zelf: ‘'t vat hout nae 't
eerste sap doch altyd zijnen reuck’. Bovendien is Vondel tot over
zijn vijftigste dan toch menist gebleven en ten derde zijn er ook na zijn
zogenaamde bekering in de katholieke Vondel nog duidelijk doperse trekken
aanwijsbaar, naar wij menen en dat niet alleen op eigen gezag. Koopmans, W.A.P. Smit -
en Brom zelf zijn ons daarin voorgegaan. Wij zien
ze onder andere in zijn grote leerdichten, niet in leerstellige zin,
daarover willen wij ons geen oordeel aanmatigen, maar in het feit zelf dat
hij ze schreef, zien wij een voortleven van de gedachte van het
lekepriesterdom dat even stellig antikatholiek althans niet
contra-reformatorisch is als dat het Vondel, de doperse Vondel, van jongsaf
vertrouwd was.
En even dopers als deze kern van zijn latere katholiek propagandistische
werkzaamheid is zijn houding in het kernmoment uit zijn latere particuliere
leven: het zich uitkleden tot economische afhankelijkheid toe ter wille van
de schulden van zijn zoon. Er bestaat in de wereldletterkunde, voor zover
ons bekend, één dergelijk voorbeeld: bij de puriteinse Scott. Even dopers is
ook zijn individualistische vrijheidsgedachte die hem nimmermeer verlaat.
Zijn haat tegen elke gewetensdwang culmineert in zijn hekeldichten tegen de
gereformeerde predikanten, maar niets minder fel, eer feller fulmineert hij
in zijn
Verovering van Grol
tegen de inquisitie - en hij heeft daarvan nooit één woord
teruggenomen.
Wij spraken zoëven van zijn zogenaamde bekering. Voor zover
het gebruik van dat woord: zogenaamd hier niet reeds ten dele zijn
rechtvaardigheid vindt in wat wij zo juist gezegd hebben omtrent het
doorwerken der doperse | | | |

Joost van den Vondel. Schilderij door Govert Flinck. Rijksmuseum, Amsterdam.
| | | | levenshouding in de katholieke Vondel, zien wij die
rechtvaardiging evenzeer in de katholieke anticipaties van de nog doperse
Vondel, waarop Brom op misschien wat eenzijdige maar nochtans volkomen
verantwoorde wijze de nadruk gelegd heeft. Voor Brom is de menist Vondel
slechts een prefiguratie van Vondel, de katholiek; zoals voor de theologie
het Oude Verbond slechts de prefiguratie van het Nieuwe is. Maar hoe meer
waar dit zou zijn, des te minder zin heeft hier het woord ‘bekering’, dat we
toch niet geheel los mogen maken van het plotselinge, het cataclysmische
karakter dat dit woord suggereert. Brom heeft
dit, meen ik, zelf gevoeld, toen hij zijn
Vondels Bekering
, een dertig jaar later herschreef tot zijn
Vondels Geloof
. Hij, dieper dan wie ook naar onze overtuiging doorgedrongen in het
werk van de dichter, heeft beseft dat niets on-Vondeliaanser zou zijn dan
het plotselinge gegrepen-zijn door één ding waaraan al het vorige en andere
met bijna vernietigingsdrift wordt opgeofferd, ook al was dat éne het heil.
Bij Vondel daarentegen is de overgang zo geleidelijk, dat de meningen nog
altijd verdeeld zijn tussen '39 of '41 als ‘bekeringsjaar’. Geen wonder,
want niet alleen ontbreekt elk officieel gegeven, maar psychologisch
beschouwd kan er, zoals wij zagen, zelfs van bekering nauwelijks of geen
sprake zijn, laat staan van een bekeringsdatum.
Niets anti-Vondeliaanser dan het plotselinge - ‘dees langzaamheid past groote
zaken’, zei hij zelf ergens - niets ook meer anti-Nederlands en hiermee
komen wij op de betekenis van het doperse dat in de ruime zin waarin wij het
hier bedoelen nog altijd in onze cultuurgeschiedenis is verwaarloosd, maar
waarin nochtans het Nederlands eigene misschien het scherpst tot uiting is
gekomen. In de beweging der moderne devotie, hoezeer ze uiterlijk goed
katholiek gebleven moge zijn, zien wij - wij behoeven niet te zeggen: in
navolging van, maar mogen zeggen: mét Kühler - de voorloopster dier geheel
eigen Nederlandse reformatie die enerzijds een Erasmus voortbracht, die anderzijds zodra zij in het begin van de
16de eeuw de sociale laag der kleine burgerij bereikt, een revolutionair
dopers stempel krijgen. De nadruk valle hierbij evenzeer op het adjectief
als op het substantief, totdat de heftige vervolging waaraan de dopers
blootstaan, eerst van de zijde der katholieke, dan van die der protestantse
overheid, het revolutionaire weer verdringt en het doopsgezinde overblijft
dat dan dóór die vervolging van een wereldhervormende beweging tot een
wereldmijdende sekte denatureert. Lindeboom heeft de dopersen onder de
‘stiefkinderen’ van het christendom gerangschikt. Wij zien het doperse
veeleer als zijn stiefmoederlijk behandelde echte kind. En het is niet
alleen Vondels afkomst die hem hier geplaatst heeft, het is ook zijn grote
dichterhart dat hem zo lang bij die stiefmoederlijk bedeelden doet toeven,
nog over zijn ‘bekering’ heen zelfs, want men kan naar onze overtuiging
betwijfelen of Vondel wel ooit in optima forma tot de kerk
zou zijn gekomen, indien de contra-reformatie te onzent had gezegevierd op
de wijze waarop zij dat in Oostenrijk, Polen of Spanje heeft gedaan, indien
hij met andere woorden de kerk had leren kennen in de gedaante der
zegevierende en niet in die der lijdende kerk, indien hij, kortom, in haar
niet herkend had zijn dopers ‘Offer des Heren’.
| | | |
Van dit doperse waarbij Vondel zijn negentigjarig
leven is gebleven voor zover het redelijk individualistisch humanistisch
was, moest hij zich verwijderen, voorzover het door de vervolging
sektarisch, eigengereid, en wereldmijdend was geworden. Als deze eerste
wending in zijn leven plaatsgrijpt, is hij allang niet meer in Keulen. Toen
hij acht jaar was, werd zijn vader er als doper beboet en slechts door
onvermogen voor te wenden, was hij er met een lichte straf afgekomen. Maar
sindsdien was hem ook in Keulen de grond onder zijn voeten te warm geworden.
Na een lange zwerftocht binnen de veilige grenzen der Republiek aangeland,
had de familie zich metterwoon eerst korte tijd in Utrecht en nog vóór het eind van 1596 in Amsterdam gevestigd, te midden van de grote kolonie ietwat
afzonderlijk levende, maar hier toch vrije lotgenoten uit Brabant. De
eindelijk gewonnen rust en de voordelen van het verworven burgerschap deden
zijn nieuwe zaak in zijden artikelen in de toen voorname Warmoesstraat
gedijen. Voor de jongen ging in de haven- en handelsstad die bezig was zich
tot de eerste van Europa te ontwikkelen, maar die intiem genoeg nog was om
er niet door overweldigd en gedrukt te worden, de wereld open. Zwervend
langs het IJ kreeg hij de indrukken die hem later zijn op bestelling bij een
plaat gedichte
Hymnus ofte Lofgesang over de Wijd-beroemde Scheeps-vaart
der Verenigde Nederlanden
(1613) en nog later het
Lof der Zeevaart
(1623) zouden doen zingen. Voor hem zelf gold al, wat hij in dit
gedicht van de zeekastelen zeggen zou:
Het schijnt schier of ze bouwen
Kerktorenen in zee, vanwaar men mag bijkans
Een wereld overzien, als uit een hoge trans.
Ook hij begon de wereld uit een hoge trans te overzien. De sfeer van de
Waterlandse gemeente werd, evenals die van de Brabantse rederijkerskamer
‘Witte Lavendel’, maar ook weer langzaam aan
naar zijn aard, voor zijn grote adem te eng. In een langdurige crisis
veroverde hij zich een nieuwe ‘dimensie’ dit begrip hier genomen, in de zin
waarin wij het bij Louis de Geer hebben uiteen
gezet. Vondels tweede dimensie is de renaissance, door de aanvaarding
waarvan of beter de opslorping hij zich pas de beschaving van zijn tijd
eigen maakt en toegang krijgt tot Europa. Hij leert Latijn. Hoever hij het
in die kunst gebracht heeft - het is een strijdpunt waarover men niet
uitgetwist raakt. Ons dunkt, gezien de enkele Latijnse regels die we van hem
hebben, niet heel ver. De proeve gaat die van een gymnasiast uit de 2de
klasse niet te boven. Maar dat is het wezenlijke niet en voor zover het van
belang is, is het gelukkig. Door Latijn te leren lézen heeft hij deel
gekregen aan de Europese beschaving van zijn tijd, door het niet te
beheersen is hij vrij gebleven van die druk der klassieken waarvan de
geschooldere geesten dan hij de slaaf geworden zijn. Het is of hij dit zelf
beseft heeft, toen hij schreef: ‘wat zijn vele Nederlanders in hun
letterwijsheid anders dan een veder uit de wiek van een grijs Romein of
Griek uit de oude tijd getogen?’ Kennis van het Latijn was even
onontbeerlijk als het beheersen ontbeerlijk was in een cultuursfeer die
ervan doordrenkt was. En op die cultuur werpt hij zich met al | | | |
de kennisdorst die niet alleen voor hem, maar voor heel zijn tijd als voor
alle tijden van opgang typerend is en die Vondel zelf het naïefst, maar ook
het duidelijkst heeft uitgedrukt in de woorden, ‘dat hij wel schreien kon,
wanneer hij aan de wetenschap van zijn broer Willem dacht’. Door het Latijn
ging hem de wereld van Erasmus open en daarachter
die der ouden. Door het Latijn baande hij zich een weg tot Roemer Visscher en Reael, tot Grotius en Hooft, tot Vossius en Barlaeus, tot zijn vriendschappen voor het leven.
Doch welke was de kern van die beschaving waaraan Vondel zich zo volledig
overgaf? Ondanks alle verschillen daaromtrent geldt de renaissance, op haar
kortste formule gebracht, nog altijd als een gang van gebondenheid naar
vrijheid. Hoe heeft men zolang door die ene helft der waarheid bevangen,
zich voor de andere helft ervan gesloten, terwijl toch Bacon het al wist en
uitsprak dat: ‘de betovering der oudheid de kracht der mensen zo gebonden hield, dat zij, als behekst, met de dingen zelf
niet vertrouwd hebben kunnen worden’? De 19de eeuw die woord en begrip
renaissance schiep, zag haar als een bevrijding uit de banden van de kerk en
die banden als te knellend omdat zij, ontwend aan een totalitair instituut,
niet begreep hoe de middeleeuwse kerk, juist dóór haar totaliteit de geest
betrekkelijk vrij kon laten, als de vorm maar ontzien werd. En hierdoor
eenmaal op het valse spoor, zag zij evenmin dat het keurs der renaissance
strengere gebondenheid betekende dan de vrije veelvormigheid van het
middeleeuwse.
En niet alleen dat de renaissance strengere gebondenheid betekende, in het
wereldse aan de klassieken, in het religieuze aan de bijbel, zij betekende
zelfs gebondenheid naar haar wezen, want zij betekende: ordening, rationele
ordening, zoals de moderne boekhouding, moeder-en-kind tegelijk van het
jonge kapitalisme, ordening, rationele ordening betekende ten opzichte van
het traditionele bedrijfsleven der middeleeuwen, zoals de moderne staat
ordening, rationele ordening betekende tegenover de feodale
persoonsverplichtingen van de middeleeuwse staat. Ordening is heel de
immense bezigheid der intelligentsia die nu pas een eigen levenssfeer
krijgt, die van de humanisten, Erasmus voorop met zijn filologische ordening
van de overlevering der kerk ten dienste van haar hervorming. Ordening is
ook wat de hervormers zelf bezielt, de strenge logica van Calvijn waarin het
wiskundige ideaal even onmiskenbaar is als in de grondslagen van het denken
bij Descartes en Spinoza, bij deze laatste zelfs
in de vorm. Wiskunde - en een wiskunde die nog zeker was van zich zelf - is
het tijdsidool.
Vondel zelf die - letterlijk - van de grote Bartjens geleerd heeft, ziet het voor de kunst niet anders. Schrijft
hij niet aan de bentgenoten van St.-Lucas: ‘Elke kunst heeft haar eigen
karakter, maar sommige kunsten zijn nauwer met elkaar verbonden en zulke
zijn: Poëzie, schilderkunst en beeldhouwkunst, die, alle op
maat en getal gegrond de wiskunst niet mogen ontberen.’ Alle
menselijke bedrijvigheid van alle tijden is in zekere zin ordening maar in
het bijzonder van die tijd, wanneer men afziet van de onze. In haar hoogste
vormen noemen we die ordening, wetenschap en kunst en de dichtkunst, als de
hoogste ordening, is daarom tegelijk de grootste gebondenheid. Zelf
opgelegde gebondenheid. Die gebondenheid aan de zelf verworven overtuiging
| | | |

Het gedicht ‘Op Sinte Agnes Feest’ in Vondels
eigen handschrift. Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | | die men (als men deze verbanden maar eenmaal doorzien heeft),
overigens weer mag definiëren, zo men wil, als vrijheid.
Ziet men de renaissance zó, als het ordenend beginsel dat de wereld boven
zich zelf uittilde, waardoor zij inderdaad als nieuw verscheen, dan wordt
niet alleen het ongeëvenaarde enthousiasme en optimisme begrijpelijk dat
héél het intellect dier dagen bezielde en waarlijk niet alleen Hutten toen
hij, ondanks zijn ellende, uitriep dat het een ‘lust was om te leven’. Maar
dan begrijpen we ook, dat bovenal de dichter niet anders kon dan zich
storten in die regelende stroom. En dan is ten slotte meteen het verschil
tussen het rederijkersvers en dat van Vondel, dat
Verwey ons in al zijn volheid heeft getoond,
naar zijn meest wezenlijk criterium begrepen. In feite mogen het Daniël Heinsius, Du Bartas, Garnier en Ronsard
geweest zijn die het hem geleerd hebben, zonder dezen echter zouden het
anderen zijn geweest. De vroeg-17de-eeuwse dichter moest renaissance dichter
zijn of geen dichter. En Vondel was het. Naast zijn bijbel werd de Aeneïs zijn tweede bijbel en Vergilius strekte hem, als
een andere Dante, tot gids, echter niet op een tocht door de onderwereld
waar Vondel hem ook niet gevolgd zou hebben - want Vondel zonder zon is geen
Vondel meer - maar op zijn reis over onze eigen bloeiende aarde.
Door de renaissance onttogen aan de engheid van zijn doperse milieu en de
rederijkerskamers, ontdekt de dichter de wereld en verovert weer een nieuwe
dimensie. Zijn geloofsgenoten noemt hij met een duldende minachting die
tegelijk op afstand en saamhorigheid wijst, ‘wormkens Christi’, terwijl hij
zelf een plaats bestijgt van waaruit nu niet meer alleen hij een wereld
overziet, maar deze ook hem in zijn hoge trans ervaart. De politieke
belangstelling die hij blijkens zijn gedichten op het
Twaalfjarig Bestand
, op
Hendrik
iv
en blijkens het Pascha ook, al van jongsaf gehad had, maar nog
slechts als een ijlte van spanningen, activeert zich en krijgt inhoud. Hij
krijgt in de
Hekeldichten
een eigen politieke stem en één die het land moet horen of het wil
of niet. Zijn politieke partijkeus is klaar. Zij wordt door dezelfde
ordebehoefte gedragen die hem in Vergilius zijn gids had doen ontdekken en
hij wordt, als deze, de spreektrompet van de heersende klasse die in Holland
en zeker in Amsterdam de regentenstand was én bleef
ondanks alle religieuze en politieke tribulatiën.
Gorter heeft in zijn Vondelportret, of misschien
moeten we zeggen in zijn Vondel-negatief, dit de dichter verweten, het op
zijn minst in hem betreurd. Ten onrechte menen wij. In zijn
Groote Dichters
stelt hij het voor, alsof Vondel de keus gehad heeft tussen zwak en
hol idealisme ener-, realisme en naturalisme anderzijds óf - wat bij Gorter
hetzelfde was - tussen de grote burgerij, waarbij hij zich aansloot en de
middenklasse, waartoe hij van afkomst behoorde. En hij neemt aan, dat hij
pas waarlijk groot geweest zou zijn als dichter, indien hij, als Milton,
ánders, indien hij, als deze, de kleine en niet de grote burgerij gekozen
had. Wij willen daarlaten, dat Gorter, voor die tijd de
afstand tussen de grotere en kleinere burgerij te groot schatte. Wij willen
daarlaten, dat Vondel als diaken der Waterlanders zeker niet tot de sociaal
geringsten onder de broederen gerekend mag worden. Wij willen de zaak | | | | scherper stellen. Hier bestond geen keuze, of indien al, dan
niet een tussen idealisme en realisme, maar een tussen beschaving en geen
beschaving. En hoe kan men de dichter verwijten dat hij koos: de beschaving,
dat is de renaissance, dat is, en in zóverre heeft Gorter gelijk, de
regenten. Maar het harde woord ‘slaaf der regentenklasse’ is onrechtvaardig
zoals, van al het andere afgezien, juist zijn roomswording bewijst, nog lang
daarna, maar toen toch zeker eer een gebaar van opstandigheid dan van
onderdanigheid. Hier koos hij wel. Dat deze, als alle keuze, beperking in
zich sloot, het zij Gorter grif toegegeven, al was het alleen, omdat wij
niet de indruk wekken willen, de karaktereer van onze grootste dichter te
redden door kleinering van die in rang onmiddellijk op hem volgt.
Op die beperking hebben trouwens ook anderen gewezen. Als Vondel het
Lof der Zeevaart
zingt, draagt hij ze aan één reder op die er op zijn best zijn
geld, niet aan de duizenden matrozen die er zeker hun leven bij waagden, en
de dichter is zijn twijfel of de zeevaart wel geluk of veeleer oorlog en
rampen wekt, wel heel gauw te boven. In zijn Amsterdam ziet hij het pralende stadhuis, zijn schouwburg, zijn
zeemagazijn, en zijn schildering van de patriciërshuizen aan de grachten is
in wonderlijke harmonie met die huizen zelf, maar de vochtige éénkamer- en
kelderwoningen ziet hij niet. En een enkele maal wordt zelfs deze dichter
hard: als 't tegen muiters gaat dicht hij verzen, waarin men zijn stem niet
meer herkent: bewijs hoe hoog hem de ‘orde’ zat, zoals hij haar verstond en
moest verstaan: déze verzen uit zijn Staatwekker:
daar staatsrecht voortgang eist en spoed.
‘Vondel eerbiedigde het gezag’ - heeft men gezegd - ‘als het goddelijk
beginsel’. Men zegt het anders, maar men zegt hetzelfde, wanneer men dit als
absolutisme definieert. Zijn staatsrechtopvatting is evenals die der
regenten, hoe republikeins van vorm ook, in wezen absolutistisch. Lucifers
zonde, ethisch gezien, is de hoogmoed, politiek gezien is zijn fout de
feodale opvatting van zijn verhouding tot God. Zo kon Vondel in de
Inwijding van het Stadhuis
de stadsregenten zonder vleierij aanspreken als ‘Gods stoel- en
stedehouders’. Maar deze beperking neemt anderzijds niet weg, dat in de 17de
eeuw, hoe reëel de verschillen en geschillen tussen het volk en de regenten
ook waren, deze laatsten toch, toen, een vooruitstrevende klasse waren. Pas
na Vondel begint de kentering. Het is gemakkelijk schelden op de winzucht
der regenten, maar het is onhistorisch om het daarbij te laten, want
daarnaast en daarin zelfs vertegenwoordigen zij de vooruitgang, met name in
hun verdraagzaamheid. Want deze moge bij de klasse als zodanig nog zozeer
steunen op handelsbelang en bij de enkelingen op gemakzucht, het was toch
tegelijk de hoogste gedachte, waartoe de tijd in staat was, een gedachte die
| | | | elders pas in de 18de eeuw gelding zou krijgen. En het
blijft met name die gedachte van waaruit Vondel
de regenten zijn adhesie betuigd heeft en waarin hij tegelijk, ook als
katholiek dichter nog, zijn doopsgezind ideaal kon redden.
Zo verwijdt zich deze. noemen wij het, wereldse dimensie bij de dichter al
meer als de golven van een telkens versterkt ontvang- en zendstation:
Amsterdam, Holland, Europa, zonder dat hij er zich in verliest, wel het
verst uitgrijpend in
Zungchin
, het drama dat de ondergang der Ming-dynastie in 1644 tot thema
heeft, al is het hem dan vooral om de uitbeelding der Chinese missie te doen
en al is er even weinig echt-Chinees in als in de gedrochten, die op de
prachtige atlasbladen van zijn vriend Blaeu de
Chinese Zee versieren.
De basis van deze wereldbelangstelling is een gevoel van gemeenschap met het
leven en het levende, dat men niet verklaren kan met 's dichters ‘grote
hart’. Immers ook de dichters der romantiek en van nog later tijd hebben dat
gehad en toch in hun innerlijke eenzaamheid dit gemeenschapsgevoel
smartelijk moeten missen. Veeleer berust dit, menen wij, bij Vondel op de
toen en ook voor zijn eigen bewustzijn nog ongeschonden eenheid van kunst en
handwerk. Pas de opkomst der mechanische produktie van verbruiksartikelen,
als gevolg van de Engelse industriële revolutie in de 18de eeuw, heeft beide
gescheiden en de kunstenaar buiten de maatschappij gezet, hetgeen hem óf tot
de voorstelling van zich zelf als een hoger wezen óf tot vertwijfeling vaak
ook tot beide tegelijk heeft gebracht. Als wij nu een scheiding aanbrengen
tussen Vondels drama's die we kunst en zijn bruiloftsliederen die we
handwerk noemen, dan doen we dat op grond van die latere ontwikkeling en
historisch beschouwd dus ten onrechte. Nochtans - voor ons bestaat die
scheiding nu eenmaal en daarom is het evenzeer fout haar achteraf weer te
willen opheffen door ons te forceren al die tienduizenden bestelde verzen
van de handwerksman even mooi te vinden als de verzen die hem als kunstenaar
‘naar de keel geweld zijn’. Men zie ze slechts als wat ze zijn en dan valt
de erkenning toch zeker niet moeilijk dat ze bijna alle, in hun soort, met
hun telkens andere opzet, eigen vondsten, hun barokke en toch in de grond zo
nuchtere afwerking, de vergelijking met de kanten plooikragen en lubben,
kussenkasten en klerenkisten, met het Delftse porselein en het gebeeldhouwde
bed niet te vergeten, zeer wel kunnen doorstaan.
Tot dit zelfde handwerk behoren de talloze randschriften bij portretten en de
lofgedichten op schilderijen. Ook deze zijn historisch gezien niet, achteraf
gezien wel te onderscheiden van zijn hoogste en diepste werk. Ook hier
bewondert hij de uitingen van de zelfde tijdgeest waarin en waaruit hij
schiep: de wiskundige wetmatigheid, of met zijn eigen woorden uit de Inwijding van het Stadhuis ‘geen woeste wildernis, maar
alles gemaniert’. Of in een diepere formule uit de
Heerlijkheid der Kercke
, waar de dichter tegelijk de vermeende bron van zijn maatgevoel
aangeeft: ‘hij overschrij’ geen maat wie God ontziet te tergen’. Of - maar
waarom verdere bewijzen? Het is hier weer hetzelfde als met Du Bartas en
Ronsard. Of Sandrart hem zijn kunstsmaak bijgebracht heeft, zoals Van de Velde wilde of dat we, en dat schijnt
inderdaad het juiste, Geerts Sandrarts invloed door die van Franciscus Junius' De
| | | |

Het toneel van de Amsterdamse schouwburg in Vondels tijd.
Anonieme gravure. Toneelmuseum,
Amsterdam.
| | | |
Pictura Veterum
en van Vossius'
De quattuor artibus popularibus
willen vervangen, Vondel, zoals hij door
de renaissance eenmaal gevormd was, kon geen andere schilders en
beeldhouwers bewonderen dan die van de laatste eenheidsstijl die Europa
gekend heeft, die van het barok, Rubens en Titiaan bovenaan. Dat zijn van de
Hollandse schilders Bol, Flinck, Van der Helst, De Koninck, Lastman en
Lievens om van de vergeten Pinas die hem tot zijn
Josef in Dothan
inspireerde, te zwijgen.
En deze bekijkt hij dan nog literair. Zij moeten hem iets leren, zoals ook
aan zijn eigen stukken gedegen studie voorafging en ook deze de mensen
veeleer iets leren wilden dan ze ontroeren. Historieschilderingen waar wij
nu huiverig tegenover staan, zijn hém het ware. Het zijn schilders, o zeker,
die wij op Pinas na nog wel kennen en zelfs voor een deel bewonderen kunnen,
maar die voor ons toch niet de groten zijn: geen
Rembrandt, geen Hals, geen Vermeer, geen Steen, geen Ruysdael of Hobbema
zelfs. En deze toch en met name wel Rembrandt - Huet heeft hier goed gezien - bedoelde de dichter, toen hij schreef:
Dus baart de schilderkunst ook zoons van duisternissen
Die gaarne in schaduwen verkeren als een uil
Wie 't leven navolgt, kan verzierde schaduw missen
En als een kind van het licht gaat in geen scheemring
schuil.
Dit is ook een van die beperkingen die het onvermijdelijk gevolg waren van de
keuze die Vondel eens en voor altijd gedaan had toen hij na zijn eerste
crisis op het licht van de beschaving was afgegaan. Vondel heeft de latere
Rembrandt niet kunnen waarderen. Daar verhelpen de twee in onze tijd
ontdekte regels over ‘Rembrandt eêl en zijn braef penseel’ niets aan; daar
zijn ze te onbeduidend voor. Betekenen ze in Vondels terminologie wel veel
meer dan ons ‘hoogachtend’ onder een brief? Hij heeft Rembrandt niet kunnen
waarderen, zo min als hij het Spinoza kon. De
eerste is hij voorbijgegaan, de tweede heeft hij bestreden. Of, zo niet
Spinoza zelf, dan toch wat diens leer zou worden. De discussie over de
verhouding Vondel-Spinoza kan evenmin een grein sympathie van de eerste voor
de laatste tot uitgangspunt als tot resultaat hebben. Betreuren wij het
niet, gloriën we veeleer in die roemrijkste eeuw van Holland die zo ruim is
en waarin het leven zo fel tot de spon uitbarst, dat de drie grootsten zich
ieder een eigen wereld hebben kunnen bouwen, onbegrepen ja, maar ook
onbelemmerd de een door d'ander.
Of men de term barok op Vondel toe mag passen - ziedaar weer een der vele
strijdvragen uit de Vondelstudie die wel altijd onbeslecht zal blijven op
grond van de vaagheid die in die term zelf besloten ligt. Voor ons besef kan
men Holland en barok niet in één adem noemen. De schilders hier en juist de
grootsten hadden haar niet nodig. Zij zijn langs andere wegen uit de al te
fel stralende zon der klassieke wetmatigheid in de schaduw der romantiek
gevlucht. Als Vondel daarentegen wel de brede heirbaan der barok is
opgegaan, dan ligt dat, menen wij, aan twee dingen die voor hem één waren:
aan het verschil tussen schilder- en dichtkunst in het algemeen én aan de
nieuwe | | | | laatste dimensie die de breedlevende zich op zijn
vijftigste nog veroverde, aan zijn overgang naar de katholieke kerk. Een
schilder kan een onovertroffen meesterwerk maken van een vogel in een
kooitje. Het zwart van de spijltjes, het geel der kanarie, het bruin van het
hout en het blauw-grijs van de verweerde muur waartegen het kooitje hangt,
is hem genoeg. De dichter en zeker een als Vondel, kan zich pas waarlijk
uitleven in een onderwerp zijner waardig. Hij heeft een held nodig, zij het
als Dante zich zelf. Vondel heeft er altijd naar gezocht, zodra hij door de
lectuur van Tasso wist wat een groot dichter was, en later wordt Vergilius
zijn ideaal. ‘Moght ick zijn schachten leenen’ luidt zijn verzuchting. Het
grote epos in twaalf boeken, alleropperste ordening immers, blijft zijn
levensdroom.
Maar zoals hem in zijn jeugd zijn
Constantijn
mislukte, zo blijft in zijn ouderdom zijn
Bato
in de pen. En toch heeft de wilskrachtige zijn ideaal bereikt, zij
het anders dan hij het zich gedacht had en niet als navolging, maar als
eigen schepping of beter als een reeks op zich zelf staande scheppingen.
Chronologisch verspreid, vormen ze toch één ontzagwekkend patroon op
katholiek-traditioneel, bijbels-kerkhistorisch stramien, en men zou ze het
epos der mensheid kunnen betitelen. Het zijn zijn zes grootste werken, de
twee trilogieën die we hier noemen in de volgorde die zij in dat epos zouden
hebben:
Adam in Ballingschap
of de val van de eerste mens, de felonie van
Lucifer
, in Vondels voorstelling uit naijver op de mens, en de
Noach
, of de Ondergang der Eerste Wereld, de tweede grote crisis van het
menselijk geslacht. En daarnaast de tweede trilogie, over de redding der
mensheid, waarvan Moller indertijd reeds de saamhorigheid heeft aangetoond:
Johannes de Boetgezant
, de
Bespiegelingen van God en Godsdienst
en de
Heerlijkheid der Kercke
, in haar ingang, opgang en voortgang tot aan de contra-reformatie
en de strijd van Habsburg tegen Turkije.
Deze drang naar het universele epos bij Vondel heeft meer dan enkel literaire
betekenis. Zij hangt, als wij goed zien, samen met zijn overgang van
omstreeks 1640 naar de moederkerk wier universalisme alleen hem de
onderwerpen bood, groot genoeg voor zijn ontstoken dichterverbeelding. Van
de kerk uit immers en van haar uit alleen omspande zijn geest ook de
middeleeuwen die nooit helemaal in de renaissancedichter gestorven waren.
Keulen keert telkens in zijn werk terug en dan blijken de jeugdindrukken
verschoven: zij toeven niet meer bij de vervolgde familie, maar in de oude
bisschopsstad. Zo met name in de
Maagden
(1639). In de kerk hervond hij de lijn van Erasmus die met zijn ‘doperse’ ethiek van innerlijke religie
toch ook katholiek gebleven was. Hij wilde niet anders zijn dan Erasmus'
‘miles christianus’. Middeleeuwse reminiscenties klinken reeds lang voor
zijn overgang door in de
Rommelpot van 't hanekot
(1627): een nieuw liedje van Reintje de Vos, middeleeuws was reeds
het thema van de
Gijsbrecht van Aemstel
(1637) en zijn leerdichten zijn niet anders dan de middeleeuwse
‘Specula’, getransponeerd in de toonaard der contra-reformatie, dat is van
de kerk die het ordenend beginsel der renaissance in zich opgenomen had.
Hoe diep juist dit universalisme hem gegrepen heeft, heeft hij zelf in een
van zijn onnavolgbare beelden uitgedrukt, niet in verzen dit keer, maar in
| | | | proza, toen hij in de
Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste
(1650) schreef: ‘Een rechtschapen Dichter slachte de stroomen, die
niet af maar altijd toenemen, en met eenen vollen boezem endelijck in de
rijcke zee uitbruizen.’ Ja, zo sterk is deze drang naar het universalisme in
hem, dat die hem zelfs zijn leven lang belet heeft zijn eigen verleden te
verloochenen. Want wanneer hij in de
Toets-steen
, het versje dat hij aan zijn verzamelde gedichten van 1650 deed
voorafgaan, zich, ter verontschuldiging van het feit dat hier ‘rooms en
onrooms dicht’ bijéénstaat, op Paulus en Augustinus beroept waarvan de
eerste ‘der Vadren zeên’ en de tweede ‘de Manicheên’ volgde ‘eer hun het
heldere licht verschijnt’, dan vergeet hij, dat beiden, anders dan hij, van
die eerdere levensperioden na hun bekering niets meer hebben willen weten.
Dan, hoe centraal de drang naar het universalisme der kerk bij zijn overgang
ook moge geweest zijn, het enige dat hem hiertoe dreef was dat toch ook weer
niet. Zijn overgang hangt tevens samen met zijn omgang. Wat er aan
katholicisme in het Noorden gebleven was, is veel meer geweest dan de
protestantse traditie wel heeft willen weten. Reeds in 1613 vertelde hij van
een zwager, die 's pausen zegen ontvangen heeft en wenste hij er zijn muze
haar deel van toe. In 1622 zong hij de lof van St.-Agnes en droeg het lied
aan een priester op. In 1625 reeds sprak hij in de vertaling van een Latijns
gedicht van zijn broer Willem met waardering over ‘de grote Sleutelvoogd /
Van 's Hemels poorte’. Zijn dochter Anna heeft nog vóór hem het kerkportaal
betreden. Maria Tesselschade zou kort daarna hem
volgen in het nieuwe of wil men, in het oude geloof.
De Groots oecumeens ideaal heeft evenveel invloed
op zijn bekering gehad als de overredingskracht van pater Leonardus Marius, parochiepriester aan de Oude
Zijde. Hem moest ook de praal der kerkelijke ceremoniën, hoe bescheiden hier
dan ook, trekken. Zij streelde zijn kleurenlust en negatief ten slotte, maar
daarom nog niet minder belangrijk is zijn oude oprechte afkeer van het
calvinisme en met name van het Decretum horribile, voor
hem een soort goddelijke inquisitie, erger dan die van de paus. Hij haatte
de hoogmoedige Triglanden en Smouten - al ligt hij dan begraven in de kerk waar deze preekten
- terwijl hij juist in de verdrukte katholieken uit zijn omgeving zijn
doperse ootmoed hervond.
Ziet men Vondels overgang in dit wijdere verband, met zijn onweerstaanbare
drang naar het universele epos als kern, dan blijft er weinig meer over van
de verbazing en niets meer van de vijandigheid waarmee zijn protestantse
tijdgenoten, zelfs aanvankelijk een vereerder als Gerard
Brandt, die stap hebben be- en veroordeeld. Zijn overgang naar
het roomse geloof wordt zó: de verovering van zijn vierde vóórlaatste
dimensie.
Vijfentwintig jaar ruim, van 1641-'67, heeft deze geduurd, want het leven van
deze dichter was even breed als zijn vers of, wil men, zijn vers even breed
als zijn leven. Het is de kwarteeuw van zijn rijpste werken, zowel van zijn
drama's, van zijn leerdichten als van zijn epische poëzie: van
Maria Stuart
(1646), de
Leeuwendalers
(1647) en
Jephta
(1659), met als hoogtepunten:
Lucifer
(1654) en
Adam in Ballingschap
(1664) en als laatste
Noach
(1667); | | | |

Joost van den Vondel, als herder afgebeeld. Schilderij door
Hendrick Gzn. Pot. Rijksmuseum,
Amsterdam.
| | | | van de
Altaargeheimenissen
(1645),
Bespiegelingen van God en Godsdienst
(1662) en
Heerlijkheid der Kercke
(1663); van
Inwijding van het Stadhuis
(1655) en
Zeemagazijn
(1658).
Maar tegelijk begon, uiterlijk, doch niet louter uiterlijk, binnen de vierde
de voorbereiding van de vijfde en laatste dimensie. Dat de predikanten erin
geslaagd waren zijn Lucifer na één vertoning van het
toneel te weren, zal hem gegriefd hebben, maar hij had van die zijde dit
kunnen verwachten. Wat hij niet verwacht zal hebben en hem daarom dieper zal
hebben gegriefd was dat in de jaren na Lucifer al zijn
spelen uit de mode begonnen te raken om vervangen te worden door de ‘kunst-
en vliegwerkstukken’ van de nu zo goed als vergeten Rodenburg en Jan Vos. Toen hij reeds
in het
Berecht
voor Jephta zich tegen de tijdstroom richtte en
schreef dat eigenlijk ‘de toestel des treurhandels zodanig behoorde te
wesen, dat die, zonder enige kunstenarij... machtig ware alleen door het
aanhoren en leren der treurrolle ... medogen en schrik uit te werken’,
schreef hij wel een waarheid, waar één waarnaar men voorlopig niet meer
luisteren zou.
Het grievendst echter en wat hem sneller naar zijn laatste staat zou voeren,
was niet de miskenning van zijn geschreven drama's, maar het drama dat hij
in diezelfde jaren beleefde aan de morele en fysieke ondergang van zijn zoon
Joost, zijn enige. Deze die in 1652, naar het schijnt, alleen
verantwoordelijk geworden was voor de firma, heeft daarmee een taak
opgenomen die voor zijn zwakke schouders te zwaar is gebleken. Of hij van de
vader alleen de hartstocht en niet het talent geërfd heeft en daarom
onevenwichtig was, dan wel of hij, alleen maar zwak, te veel heeft
toegegeven aan zijn tweede vrouw Baertje Hooft, een verre nicht van de
Muider Drost die dus deftig was en tegelijk een spilpenning, doet minder ter
zake dan het feit, dat alles wat hij ondernam mislukte en hij in 1659
geëindigd is, met gedwongen naar Indië te gaan - en dat nog op verzoek van
de vader zelf, ongetwijfeld uit vrees voor dieper schande nog, voor vonnis
en gevang.
Met Joosts wangedrag hing ook de verhuizing van de dichter met zijn dochter
Anna in 1653 uit de Warmoesstraat naar de Prinsengracht samen en de
aanvaarding vijf jaar later, van een aanstelling als suppoost aan de
stedelijke Bank van Lening tegen een bezoldiging van 650 gulden 's jaars.
Men vindt dit vaak aangevoerd als een der bewijzen hoe weinig de regenten
het belang der geestesbeschaving beseften. Wij willen niet beweren, dat zij
dit wel deden. Maar het voorbeeld van Vondel is
van dit culturele wanbeleid toch het gelukkigste niet. Hun eerste dienaar in
de Republiek, de raadpensionaris, werd in diezelfde tijd, ook door hem zelf,
metƒ3000 goed betaald geacht, een som waarbij het genoemde bedrag voor hun
eerste dichter toch ook weer zó scherp niet afsteekt. Trouwens, als het zo
weinig was geweest als men het wel heeft willen voorstellen, hoe zou hij dan
later, in '68, toen hij niet méér verdiende, er alleen niet meer voor
behoefde te werken, van het niet al te ruime huis op de Prinsengracht naar
zijn laatste woning, voorheen Singel 201, met haar driemaal drie ramen zijn
kunnen verhuizen al is het óók waar, dat de eigenaar hem naar het schijnt,
niet de volle huur heeft laten betalen.
| | | |
Hoe dit zij, hij was op zijn tachtigste jaar dan toch weer vrij man en uit de
zorgen. Met de dood van zijn dochter Anna in 1675 kwam de eenzaamheid die
van de ouderdom onafscheidelijk is. Hij gaat ernaar verlangen de kringloop
te sluiten. De reis die hij toen nog naar zijn geboortestad Keulen gemaakt
moet hebben, getuigt ervan. Zondag 5 februari 1679 is hij in de vroege
ochtend gestorven. Sijbrand de Flines, als Vondel
zelf aan een geslacht van Antwerpse dopers
ontsproten, noodde de 8ste ter uitvaart. ‘Veertien poëten of liefhebbers der
poëzie’ droegen de lijkbaar naar de Nieuwe Kerk, waar hij, naar Brandts woord ‘zonder enig grafschrift of het
minste gedenkteken van ere’ begraven werd. Het was ook onnodig. In zijn werk
had Joost er een voor zich opgericht, onvergankelijker dan marmer.
Is dit erkend? Het is in zekere zin ja en nee, het is in elk geval een
probleem gebleven. Geen Vondelstudie kan op die naam aanspraak maken die het
zich niet althans stelt. Toen de dichter in 1657 voor de tweede maal naar
Denemarken reisde om er schulden te innen die Joost jr. er nog had uitstaan,
heeft hij er weliswaar niet noemenswaard geld gebeurd, maar wel eerbewijzen
zoals hem er in zijn eigen vaderland zelden te beurt gevallen zijn. Mag men
hierin het bewijs zien, dat de dichter de wereldroem bereikt had, waarop
zijn weergaloze gaven hem recht verschaften? Wij geloven het niet.
Hier ligt, als wij wel zien, het moeilijkste probleem der Vondelstudie. Zeer
zeker, behalve de Deense eerbewijzen is er meer dat erop wijst, dat hij
reeds in zijn eigen tijd en later in het buitenland hier en daar de aandacht
getrokken heeft. Opitz, Gryphius en andere tijdgenoten hebben veel voor de verbreiding
van zijn roem in Duitsland gedaan, waar zijn invloed tot en met Gottsched
blijkt te reiken. Er bestaan vertalingen van werk van hem in tal van talen,
tot zelfs in het Hindoes en Japans. Sommige beroemde buitenlanders hebben in
de loop der eeuwen van hem gewaagd. Maar wat betekenen ten slotte een
twintigtal vertalingen, bijna uitsluitend dan nog van Lucifer, wat een ongeveer even groot aantal uitspraken van
buitenlanders, wanneer die bijna evenveel misvattingen blijken?
Het was Vondels gerechtvaardigde eerzucht gehoord te worden ‘zoo wijt men
ooren vint, die Duitschen klanck verstaen’. De volle klank en statige zwier
van zijn vers is, wij zagen het, zelfs verder doorgedrongen. En toch! ‘Het
geslacht der Hollanderen heeft, met de proeve zijner wapenen 's werelds
mogendste monarchy verbaasd, maar de proeve zijner wijsheid binnen en voor
zichzelve gehouden.’ Zo kenschetste Hooft door
een enkele, wij menen: meesterlijke trek, aard, verdiensten - en het tekort
van zijn land- en tijdgenoten en het wil ons ter wille van de waarheid
dienstiger schijnen dit probleem te belichten dan het door het opsieren van
Vondels invloed te verduisteren, want alle Vondeluitspraken van buitenlandse
beroemdheden leveren bij elkaar toch niets op, dat al was het ook slechts in
de verte, te vergelijken ware - we laten de ouden nu ter zijde - met Dantes,
Shakespeares of Tolstoijs invloed op de wereldletterkunde in de ware en
zware zin van dat woord.
Tegenover de twintig Vondelvertalingen in tweederde eeuw, staan er van
laatstgenoemde, alléén in Frankrijk, in één kwart van die tijd - evenveel
overzettingen als er dagen in het jaar zijn. En van Dante kennen we alléén
al | | | | in Nederland elf vertalingen! En zelfs wanneer we de kring
enger nemen, wanneer we Vondels invloed niet naast die van de coryfeeën der
wereldliteratuur, maar bij voorbeeld naast die van zijn boven allen vereerde
gids en vriend Huig de Groot leggen, dan is deze
toch (hoezeer slechts door een lijntje, ijl als de illusie, waarvan het
getuigt) met de volkenbond, dat is met gans de wereld, verbonden, terwijl
Vondels invloed in het buitenland, hoe ook doorpluisd, toch altijd blijft en
zal blijven -literatuurstatistiek, ook al noemt men het
honderdmaal literatuur- of zelfs vergelijkende literatuurgeschiedenis.
Neen, ondanks zijn door geen Nederlands dichter geëvenaarde, laat staan
overtroffen aanleg is Vondel niet die werelddichter geworden, die een Dante,
een Shakespeare en een Goethe geworden zijn, van die werelddichters die
leiding geven aan anderen van eender of groter formaat dan zij, van die
werelddichters die zijn als een ploeg waarvan de vore in de geschiedenis des
geestes zichtbaar blijft, al wordt zij telkens weer volgestort door de
afbraak van de tijd. De taal, voorzeker, is hier een remmende factor. Maar
is zij beslissend? Ibsen, heel wat kleiner dichter dan Vondel, is er met
dezelfde rem toch een geworden, en van Poesjkin voelt men, dat hij, indien
die taalfactor er niet geweest ware, er een geworden zou zijn van minstens
de rang van Byron of eerder groter nog. Bij Vondel voelt men dat niet. Zo
oordeelde ook Huizinga die van die stelling uitging als een feit, zodat hem
slechts te verklaren overbleef, waarom hij niettemin ons
aller liefde en voor ons een onvervangbare betekenis
gekregen heeft. En hierin geven wij dan ook Gorter gelijk, maar de redenen ervoor zien wij anders dan hij.
De ‘perk en maat’ aan Vondel gesteld, dat wat gemaakt heeft, dat hij wel tot
de erflaters van de Nederlandse, maar niet tot die van de Europese
beschaving gerekend kan worden, school meer dan in de taal, waarvan hij zich
bediende, in zijn eigen wezen, in zijn gebrek aan wat wij, in het volle
besef, dat men het zou kunnen misverstaan en dan ook alleen bij ontstentenis
van een beter woord, zijn erotiek willen noemen. Zijn
gebrek aan erotiek. Dichterroem wordt gedragen door de troebele geestdrift
van de jeugd, niet door de klare commentaren van wijze professoren en die
troebele bron, welke, gelouterd, tot het allerhoogste in staat stelt, welt
bij Vondel maar zwak. Men heeft geschreven over
Dante en zijn Beatrice, over de vrouwen bij Shakespeare en Goethe, verbeelde
of werkelijke, dat is hier hetzelfde. Over Vondel en zijn vrouwen echter
bestaat maar één boekje, de ‘voorlezing’ van de Dantevertaler A.S. Kok uit 1864 en ook deze bewondert Vondels
vrouwenfiguren lang niet zonder voorbehoud. De vrouw voor Vondel is de
huisvrouw, de hoogste deugd in de liefde is voor hem de trouw. ‘Waer werd
oprechter trou’ is ongetwijfeld een van de schoonste poëmen, maar dat neemt
niet weg, dat de grote erotiek het vaker van de ontrouw dan van de trouw
moet hebben.
Men zou hier als tegenwerping op de vrije toon van Vondels bruiloftsdichten
kunnen wijzen. Maar deze bewijst niets in dit verband. Hij onderscheidt zich
in niets van de vrijheid waarmee men destijds overal gewend was over het nut
en vermaak van het huwelijksspel te spreken, voordat in de 19de eeuw de
preutsheid uit Engeland naar het vasteland overwoei. Bovendien: seksualiteit
en erotiek zijn geen homoniemen. Erotiek is zó weinig homoniem | | | |

Een spotprent op de Contra-Remonstranten met een gedicht van
Vondel, omstreeks 1617. Anonieme gravure. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | van seksualiteit, dat wat wij de erotiek noemen, juist bij
exclusief mannelijke auteurs als Vondel er een was, ontbreekt. Men moet iets
van het andere in zich hebben om het andere in de volste zin te kunnen
liefhebben. Dat de enkele werkelijk grote vrouwenschrijfsters iets
mannelijks hebben, heeft onze nog altijd in hoofdzaak masculine cultuur
allang en niet zonder verholen trots erkend; maar voor de andere kant
dierzelfde waarheid, dat mannen iets vrouwelijks moeten hebben, willen we ze
waarlijk grote dichters noemen, hebben wij tot nog toe onze ogen gesloten.
En toch is deze kant misschien nog méér waar. Want erotiek is meer iets als
de vrouwelijke seksualiteit, geen apart gebied als bij de man, maar iets wat
heel haar gevoel én denken én doen doordrenkt. Erotiek is de gave der
overgave van het ik en de bloesem daarvan is dat innerlijk begrip van het
niet-ik waarvan zowel de grote kunst als de grote wetenschap de vruchten
zijn.
Men kan alweer de tegenwerping maken - en zij is gemaakt - dat Vondel onder andere in Appolions beschrijving van
Eva in
Lucifer
en met name in de beroemde regels, daar die beginnen met ‘Nu blinkt
geen Serafijn in 't hemels heiligdom’ toch wel een ideaal van vrouwelijk
schoon bezongen heeft. Ook de rei van joffers in de
Noach
, het lied van de zwaan, ‘zou het al zinken en vergaan, waar bleef
de zwaan, waar bleef de zwaan’ is een onsterflijke belijdenis van het
onsterflijke der liefdessentimenten. Het is waar, maar het raakt de roos
niet, want die schildering en dat lied blijven abstract en betreffen
derhalve het seksuele dat algemeen, niet het erotische dat individueel is.
Dieper graaft de eveneens geuite twijfel die zich afvraagt of Vondels
wereldbeschouwing niet meebracht, dat hij zijn erotiek juist bedwongen of
liever verdrongen heeft, waarvan dan de klacht der Jeruzalemmers over
Simsons ondergang in
Salomon
, het ‘O wellust, o bekoorlyck aes, helaes, helaes’ zou getuigen. We
zouden meer van Vondels intieme leven moeten weten om uit te maken of deze
opvatting juist was. Het beluisteren van de toon zijner verzen is een te
subjectieve methode om tot een objectief resultaat te komen. Maar ook indien
déze tegenwerping juist zou zijn, dan blijft toch, menen wij, het feit, en
dat feit blijft dan beslissend, dat Vondel zijn erotiek niet of op zijn best
onvolledig aan zijn werk dienstbaar heeft weten te maken.
Dat gemis aan erotiek bij Vondel is van de grootste betekenis. Muziek is de
meest erotische kunst. Vondel is, naar het schijnt, voor geen andere muziek
gevoeliger dan die van zijn eigen verzen. Onder zijn duizenden lofverzen is
er maar één, voorzover wij weten, van vier regels, op Neerlands grootste
musicus en maar één regel uit een ander vers waarin hij in mr. Diedrik
Sweelinck diens grote vader prijst die hij nochtans ook persoonlijk gekend
moet hebben. De regels: ‘Gij die mijn ziel hebt opgeheven uit dit moeras in
het eeuwig leven’ zeggen in dit gewijd verband veel over de stichting,
weinig of niets over de muziek als zodanig. En hetzelfde geldt, mutatis
mutandis, voor zijn
Klokmuziek
. Ook hier is het niet het gebeier als zodanig, maar het
samenstemmen van de nieuwe klokken met de nieuwe uitleg van zijn stad dat de
dichter treft als een herinnering aan een sage der ouden. Want wanneer hij
voor de bentgenoten van St.-Lucas de kunsten opsomt die ‘tegelijk op maat en
getal gegrond zijn en de wiskunst niet mogen ontberen’ vergeet hij de
muziek, be- | | | | halve de meest erotische ook de wiskunstige kunst
bij uitnemendheid.
Doch dit gebrek aan erotiek reikt nog veel dieper. Hier ligt de oorsprong,
zien wij wel, van de vaak opgemerkte, maar nooit verklaarde bloedeloosheid
zijner psychologie, van de abstractie waartoe hij de concrete spanningseisen
van het klassieke drama zijns ondanks verbuigt. Geen Beatrice bij hem, geen
Ophelia, geen Gretchen, maar een Badeloch, o zeker verdienstelijk als
literatuur, maar literatuur slechts: steriele kruising van Mayke de Wolff en
Creüsa. Niet eens een Dido heeft hij geschapen. Sempsâr, Potifars vrouw, de
gevaarlijke vrouw bij uitstek, is zó geschilderd, dat men minder geneigd is
Jozefs deugd te prijzen dan hem zijn gebrek aan meelij te verwijten met die
zielige stakker, die jammert, waar zij lokken en scheldt waar zij verleiden
moest. De tweede verleidster, Dalila, krijgen we in de Samson zelfs helemaal
niet te zien, terwijl hij in dit stuk toch, blijkens de voorrede, voor
onkuisheid waarschuwen wil.
Vondel kende de zonde niet en omdat hij de zonde niet kende, kende hij ook de
diepste smart niet, die van de zelfvertwijfeling. En omdat hij de
zelfvertwijfeling niet kende, kende hij ook niet, als een Dostojewskij, het
grote meelij met de ‘vernederden en gehoonden’. De smartschreeuw van de
gewonde mensheid stoort het stille licht waarin al zijn werk én wezen ligt
gebaad. Daarom is Rembrandt voor hem een zoon der duisternis. Daarom is heel
die nachtkant van het leven die toch óók het leven is, voor hem afgesloten.
Die nachtkant, waarvan Freud ons, of men hem nu geheel of gedeeltelijk
aanvaardt, de theorie gegeven heeft, maar waarvan alle grote dichters
onbewust geweten hebben. En daarom miste hij ten slotte ook de humor die de
onafscheidelijke keerzijde van 's levens nachtkant is, - wat intussen niet
belet heeft, dat er een artikel over humor bij Vondel bestaat. Zijn
beheerstheid is zijn kracht en bekoring, zij is tegelijk zijn zwakte en zijn
tekort. Hij viert in zijn vers zijn vaart wel uit, maar ergens is er altijd,
als in de polder waar hij woonde, aan het einde - de dijk. Zijn Pegasus -
vergeef ons de versleten metafoor, maar hier is ze van pas - bijt wel vurig
op zijn bit, doch het bit is er altijd en hij staat, zo niet gezadeld en
getoomd, dan toch gehalsterd. De doperse zuiverheid en ernst, die eerste
eigen-Nederlandse cultuuruiting - mogen we het zo samenvatten? - heeft hem
gemaakt tot wat hij wezen kon en tegelijk niet gemaakt tot wat hij niet kon
wezen.
Welke is dan Vondels plaats in de cultuur? Het verleden is onvoltooid.
Waardering wisselt. We mogen dat hier aan één voorbeeld verduidelijken.
Bijna anderhalve eeuw geleden heeft de goede Lulofs, letterkunde-professor in Groningen,
een rede over Vondel gehouden en daarin een poging gedaan om Vondels toen
geringe bekendheid niet alleen in het buitenland, maar ook hier te lande, te
verklaren en als eerste punt noemde hij: Vondels wijdlopigheid, zult gij
denken? neen, omgekeerd: het korte en ineengedrongene van Vondels stijl. En
hij vergelijkt hem zelfs, mogen mijn roomse lezers niet schrikken, met -
Voltaire! Hij had hem namelijk vooral beschouwd als voorstander van recht,
vrijheid en wijsgerige verlichting en dat had hem tot de opvatting geleid
van Vondel als een ‘christelijke Voltaire van
zijn tijd’. Al zit er meer waarheid in die vergelijking dan het oppervlakkig
schijnt, zoals voor- | | | | al die lezer mij zal toestemmen die het
hardnekkige vooroordeel omtrent Voltaire als enkel-maar-spotter te boven is,
wij zouden haar toch niet meer willen overnemen. We willen er hier echter de
les uit trekken, dat we, gezien het ‘ritme der Vondelwaardering’ op dit punt
voorzichtig moeten zijn.
In het Pantheon der Mensheid zijn geen besproken plaatsen. Maar dat wil toch
weer niet zeggen dat er over die plaats volstrekt niets met zekerheid zou te
zeggen zijn. Want dit toch mogen wij wel zeggen: Vondels diepste wezen is
‘maat’. Maat is geen matigheid, nog minder middelmatigheid. Maat is het op
de Chaos veroverde, is de zege van de vorm. Maat is Rede. Vondels diepste
geloof, Vondels hoogste waarde is, menen wij, het geloof in de waarden: rede
en redelijkheid of in één woord: humanisme. En Vondels grootste, zijn enige
vijand, is daarom: hoogmoed en staatszucht, verpersoonlijkt in
Lucifer
, als vijand van het menselijk geslacht. Deze, Vondeliaanse
traditie, mits zij niet op slaafse bewondering berust, maar in eigen oordeel
herschapen wordt, is ons een innige troost, ook, ja juist in de tijd, waarin
wij gedwongen zijn te leven. En dit dan zouden wij zijn plaats in de
Europese cultuur willen noemen, dat hij mede het ons mogelijk maakt te
blijven geloven aan die uiteindelijke overwinning van de rede, waaraan wij,
in de wereld om ons ziende, wel twijfelen, maar nimmer wanhopen kunnen.
|
|
|