|
|
|
| |
| | | | | |
Virtuoos der wetenschap
De gouden regen van de roem die op de geniale uitvoerende kunstenaar pleegt
neer te dalen, wekt wel eens de verontwaardiging der rechtvaardigen. Waarom
wordt de virtuoos met vijfmaal zo grote letters aangekondigd als de
oorspronkelijke kunstenaar wiens werk hij slechts vertolkt? Waarom is geen
scheppend kunstenaar ooit vergoddelijkt en toegejuicht als Sarah Bernhardt
of Greta Garbo? De rechtvaardigen kunnen zich troosten met het hoger beroep
der vergetelheid dat noodzakelijk het verklinkend werk der virtuozen treft:
wat bleef er van de grootheid van ‘la divine’ dan wat anekdotes en een
handvol doffe medailles en verflenste laurier? Maar voor moeilijker
problemen zien de rechtvaardigen zich geplaatst op het terrein van de
wetenschap. Ook hier laten zich scheppende geesten en reproducerende
virtuozen onderscheiden - maar veel minder gemakkelijk scheiden in hun werk
en het resultaat daarvan. Wie dan ook een karakteristiek wil geven van een
van de grootste van die ‘virtuozen’ in de persoon van Herman Boerhaave, doet goed van tevoren van alle aanspraken op
‘rechtvaardigheid’ af te zien en slechts voortdurend peilende aan te houden
tussen de beide klippen: die van een overschatting van zijn betekenis
afgaande op zijn faam en die van een onderschatting daarvan op grond van
kritische lectuur van zijn vele nagelaten geschriften.
Herman Boerhaave was een domineeszoon. Op oudejaarsavond 1668 werd hij te
Voorhout (bij Leiden)
geboren als zoon van ds. Jacob Herman Boerhaave en diens tweede vrouw, de
Amsterdamse koopmansdochter, Hagar Daalder.
In het land waar het voorkomt, dat het predikantsambt zich drie eeuwen lang
van vader op zoon voortzet, behoeft het niet te verwonderen, dat ook deze
zoon voor de theologische studie bestemd werd, vóór hij daartoe nog
bijzondere aanleg of neiging getoond had. Geen andere aanleg althans dan die
van een goed leerhoofd.
Vijf jaar oud verloor Herman zijn moeder en het volgend jaar hertrouwde ds.
Boerhaave met Eva Dubois die een zorgzame en liefdevolle moeder en
stiefmoeder voor het grote pastoriegezin moet geweest zijn: dankbaar
verzorgde Herman haar in haar ouderdom en roemde haar vele goede
eigenschappen in de korte autobiografische aantekeningen die hij als
Commentariolus
naliet. Zo groeide hij op onder omstandigheden die hem wel de
grootste kans schenen te bieden om een evenwichtig mens te worden: in een
groot, harmonisch en sober levend gezin. Zijn vader die een algemeen
ontwikkeld en toegewijd huisvader geweest moet zijn, leerde hem de klassieke
talen en wat hij verder als voorbereiding voor het hoger onderwijs diende te
weten, maar droeg zorg, dat hij de studie afwisselde met veldarbeid.
Veertien jaar | | | | oud verhuisde hij naar Leiden, minder omdat het vaderlijk onderricht door dat aan het
gymnasium vervangen diende te worden, dan om zich onder behandeling te
stellen van de Leidse doktoren voor een kwaadaardige zweer in het dijbeen
waarvoor hij thuis geen genezing had kunnen vinden. Volgens zijn latere
academische lijkredenaar Schultens, keerden de
nutteloze mishandelingen waaraan men hem ter genezing van zijn kwaal
onderwierp, voor het eerst zijn gedachten naar de medische wetenschap. Toen
iedere behandeling zonder resultaat bleef, aarzelde hij niet zijn
we-weten-niet-waar verworven inzicht op zich zelf toe te passen en braveerde
de geneesheren, ‘door hemzelf met zijn eigen water en zout te cureren’.
Voorlopig bracht dat echter geen verandering in zijn studieplannen: wanneer
hij in 1684, een jaar verlaat door zijn kwaal en door de dood van zijn
vader, naar de Academie trekt, laat hij zich in de theologische faculteit
inschrijven. Daar beoefende hij ijverig de voor zijn studierichting
voorgeschreven vakken, maar ook de wiskunde, ‘een wetenschap,’ zoals een van
zijn biografen opmerkt, ‘die misschien voor alle mensen nuttig, maar voor
godgeleerden die aan bepaalde stelsels gebonden zijn, wat gevaarlijk is’.
Voorlopig overwoog het nut voor hem het gevaar, in zoverre zijn kennis der
exacte wetenschappen hem aan een broodwinning als privaatdocent hielp. Als
arm student - zijn stiefmoeder moest van haar karig weduwgoed behalve hem
nog acht kinderen groot brengen - had hij aanvankelijk van een beurs
gestudeerd, die hij bij hoge gunst inwonend in het ouderlijk huis en niet in
een der befaamde theologen-colleges mocht verteren. Bewijzen van zijn ijver
en zijn vlugge geest gaf hij al in 1689, toen een academische voordracht van
hem met een gouden medaille werd beloond; zijn evenwichtige beminnelijkheid
bewees hij niet minder door het gemak waarmee hij zich in deze moeilijke
aanvangsjaren beschermers verwierf en hun gunsten wist te aanvaarden, als
door zijn latere bereidwilligheid anderen te beschermen en verder te helpen.
Die bescherming - met name van de Leidse burgemeester mr. Daniël van Alphen
en van de secretaris van curatoren mr. Joh. van den Berg - stelde hem in
staat zijn studie ook na zijn promotie in 1690 tot ‘magister philosophiae’
op een
Disputatio de distinctione mentis a corpore
(disputatie over het verschil tussen geest en lichaam) voort te
zetten. Naast de opbrengst van zijn wiskundelessen bezorgden zij hem
namelijk een inkomentje door hem te belasten met het toezicht op de
‘vertimmering’ der universiteitsbibliotheek, noodzakelijk geworden door de
aankoop van de nalatenschap van de boekenverzamelaar Isaäc Vossius. Het was een taak waarbij hij voor het eerst
gelegenheid kreeg een proef af te leggen van dat ordenend en organiserend
vermogen, dat hem later in staat zou stellen zo onbegrijpelijke hoeveelheden
werk te verzetten. Wanneer hij zich in deze jaren ook op de studie der
geneeskunde gaat toeleggen, dan is dat nog geenszins met de bedoeling zich
een andere loopbaan te kiezen: de omvang van de medische wetenschap dier
dagen liet nog een liefhebberende zelfstudie toe. Enkele colleges van de
oude professor Drelincourt en de anatomische demonstraties van Antonius Nuck
konden als grondslag daartoe volstaan. Verder koos hij zijn eigen weg en het
is opmerkelijk, hoe hij daarbij dezelfde lijn volgde die hem in theologicis
zelfs | | | |

Herman Boerhaave. Schilderij door Cornelis Troost. Rijksmuseum, Amsterdam.
| | | | van de lessen van ‘de grote Trigland’ had doen afdwalen: zoals
hij daar op eigen hand terug was gegaan tot de oudste kerkvaders om tot het
oorspronkelijk christendom, bevrijd van de woekering van latere wijsgerige
stelsels, door te dringen, zo keerde hij via de studie van de Engelse arts
Sydenham en de moderne anatomen tot de klassieke heelmeesters en met name
tot hun aller vader Hippocrates terug, wiens gezond simpele, uit de praktijk
afgelezen beginselen hij overpleisterd vond door de geleerde, maar zijns
inziens waardeloze speculaties der latere theoretici.
De wijze waarop hij in beide gevallen zijn voorkeur voor de ouden
rechtvaardigde, is karakteristiek voor zijn praktisch en evenwichtig
inzicht. Vóór de medische de herderlijke roeping bij hem verdrong, had hij
zich voorgenomen zijn loopbaan te beginnen met een rede over de vraag, ‘hoe
er oudtijds door de ongeletterden zo tallozen, nu door de allergeleerdsten
zo weinigen tot het christendom bekeerd werden’. En toen hij in 1701 zijn
functie als ‘Openbaar Voorleezer in de Geneeskonst’ aanvaardde met een rede
De Commandando studio Hippocratico
(over het aanbevelenswaardige van de studie van Hippocrates),
tekende hij zijn grote voorganger in woorden die veel van een medische
geloofsbelijdenis hebben: ‘omdat hij ten slotte eerder een navolger en
helper dan door overhaast ingrijpen een verstoorder der natuur was, redde
hij werkelijk allen die genazen, zonder de voltrekker van het doodvonnis te
zijn van allen met wie het onder zijn behandeling misliep.’
Noch Boerhaaves autobiografische aantekeningen noch de geschriften, die kort
na zijn dood over ‘de Bataafse Hippocrates’ verschenen, geven een
aannemelijke verklaring van het feit dat de veelbelovende en veelzijdige
jonge theoloog in 1693 plotseling naar de tweederangs hogeschool van Harderwijk trekt om er in de medicijnen te promoveren
en, in Leiden teruggekeerd, zich daar als arts vestigt. Want de anekdote die
vele van zijn biografen als verklaring van deze overgang zijn lofredenaar
Schultens navertellen, kan hoogstens het uitgangspunt zijn van een
verklarende hypothese. Boerhaave keerde van wat waarschijnlijk levenslang
zijn verste reis is geweest: het uitstapje naar Harderwijk, met de
trekschuit terug. In de roef gezeten zou hij zich geërgerd hebben aan een
medereiziger die in de grofste termen tegen de leer en de persoon van Spinoza te keer ging, en deze ten slotte gevraagd
hebben of hij soms wel eens iets van het werk van die verderfelijke
godloochenaar gelezen had. Een andere medereiziger die zwijgend had
toegeluisterd, had daarop naar Boerhaaves naam en herkomst gevraagd en in
Leiden het lasterlijk gerucht verspreid dat de jonge theoloog spinozist zou
zijn geworden, wat hem als predikant onmogelijk maakte. In het beknopte
Commentariolus
waarin hij over zich zelf in de derde persoon spreekt, vinden we
slechts deze toespeling: ‘Uit de Gelderse academie te Leiden weergekeerd,
werd hij onverwacht en onschuldig betrokken in een geval waaruit hij voorzag
dat grote hinderpalen zouden rijzen om ooit een kerkelijk ambt te bekleden.’
Dit kan op de trekschuitgeschiedenis doelen, al was dit nu niet precies een
geval waarin hij ‘betrokken werd’. Maar, zonder aan het gezag van de laster
afbreuk te doen, blijft het dan niet vreemd, dat de kerkelijke ongenade van
een zo braaf, vroom, ijverig, bescheiden, geleerd en veelbelovend jonkman
als Schultens' | | | |

Titelpagina van het zeldzame Disputatio pneumatica
de mente humana, Leiden 1687. Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | portret van de jonge Boerhaave
weergeeft, louter op dat éne fabeltje gegrond zou zijn?
Niet meer dan gissenderwijs kan men de veronderstelling opwerpen, dat de
jonge Boerhaave, meer geneigd toch tot de medische dan tot de theologische
wetenschap, half of heel bewust deze gelegenheid heeft aangegrepen om zich
vrij te maken uit de dienst van een zo hoge meesteresse waaraan zijn vader
hem bovendien gewijd had. Maar men zou dan toch hoogstens van een voorkeur
voor de medicijnen, niet van een afkeer van de theologie kunnen spreken. We
zullen nog zien, dat in Boerhaaves brieven en ook in zijn medische
geschriften en redevoeringen, herhaaldelijk de theoloog aan het woord is.
Zijn lofredenaars hebben het dan ook niet moeilijk gehad om aan te tonen,
dat hij nooit anders dan een vroom en oprecht christen heeft willen zijn,
maar wat te denken geeft is de breedvoerigheid en de nadrukkelijkheid
waarmee ze dat hebben gedaan, van Schultens af
tot ds. J.W. Gunst toe, die onder de titel:
Herman Boerhaave, zijn Kunde en zijn Godsvrucht
een aantal opstellen uit de almanak van het Nationaal
Geuzengesticht Wilhelmus van Nassauen liet herdrukken. Het geeft te denken
én ten aanzien van Boerhaaves reputatie van rechtzinnigheid bij zijn leven
én van de betekenis van zijn werk na zijn dood. Wie geen vreemdeling is in
het Jeruzalem der kerkelijke geschillen, weet dat een aantijging van
ongeloof de gewone vorm is waaronder men de heterodoxie te lijf gaat.
Boerhaave die in zijn dissertatie over het onderscheid van lichaam en ziel
zich uitdrukkelijk tegen het pantheïsme had gekeerd, was zeker geen
spinozist en alleen het rechtgelovig onverstand dat in iedere afwijking van
de leer ongeloof speurde, kon hem ervan beschuldigen een aanhanger te zijn
van ‘dien arglistigen en doornaayden vinder eener alleringewikkeldste
ongodistery’ naar het woord van Schultens. Maar het was ook zonder
trekschuitpraatjes te verwachten, dat een jeugdig theoloog, die met zijn
zoeken van het zuivere christendom in de oudste kerkvaders de weg van zo
menige ketter opging, en die zich, meer dan veelal voor de rechtzinnigheid
vruchtbaar was gebleken, met de exacte wetenschappen en de medicijnen
bezighield, de argwaan der schriftgeleerden moest wekken: ‘Tres medici, duo
athei’ (drie medici, twee atheïsten) was een gangbaar gezegde.
Dat Schultens' al te nadrukkelijke verdediging tegen deze verdenking bij
bijna alle latere sprekers en schrijvers over Boerhaave nawerkt, wijst op
wat dr. Ernst Cohen met de stukken in de hand ten
opzichte van zijn chemische geschriften aantoonde: de beperkte blijvende
waarde van zijn werk. Tegenover werkelijk geniale figuren als Rembrandt,
Spinoza of Huygens
bepaalt iedeze generatie opnieuw zijn vaak sterk afwijkende houding en
waardering; de roem van een ‘virtuoos’ als Boerhaave zet zich als een door
de tijdgenoot vastgelegde, langzaam verblekende legende voort zonder dat men
zich tot een opnieuw doorvorsen en een nieuwe waardebepaling van zijn werk
geroepen voelt. Maar er dient misschien bij gezegd, dat die napraters van
Boerhaaves christenlof enige rechtvaardiging vonden in het beroep dat de
latere materialisten, als bij voorbeeld Lamettrie, op zijn empirisme deden.
In 1693 vestigde Boerhaave zich als arts te Leiden
en we zullen wel moe- | | | | ten berusten in onze onwetendheid omtrent
het procent voorkeur en noodzaak die dat besluit bepaalden. Voorlopig vlotte
het niet bijster met de praktijk, dus hield hij zijn wiskundelessen aan en
gebruikte verder zijn overvloed van vrije tijd voor studie van de
scheikunde, van de oude artsen en van de bijbel. Dat het er daarbij voor hem
niet om ging van de nood een deugd te maken, bewijst een aantekening uit de
Commentariolus
: ‘Op schitterende voorwaarden en nog schitterender beloften werd
hij door een aanzienlijk man die hoog in de gunst stond bij koning Willem
iii, meer dan eens aangezocht om de zetel van zijn
geluk in Den Haag te vestigen, maar hij weigerde
standvastig. Want hij was tevreden met een vrij leven, ver buiten het gewoel
en slechts aan de studie gewijd, waarbij hij niet gedwongen zou worden zijn
ware gevoelens te verzwijgen en te ontveinzen.’ Boerhaave is zijn angst en
afkeer voor hoflucht zijn leven lang trouw gebleven: in zijn brieven aan de
keizerlijke hofarts Bassand vindt men er telkens de bewijzen van.
Bleef er in de academische kringen een zekere argwaan bestaan tegen de
eigengereide jonge geleerde? Men zou het kunnen afleiden uit het feit dat,
toen professor Drelincourt stierf, zijn plaats onbezet bleef, tot in 1701
niet op voorstel van de faculteit, maar van de heren Van den Berg en Van
Alphen, burgemeesteren en curatoren Herman Boerhaave uitnodigden om... als
lector de lessen van zijn oude leermeester voort te zetten. Boerhaave die de
vierhonderd gulden aan het ambt verbonden, best kon gebruiken, aanvaardde
zijn nieuwe werkking op 18 mei 1701 met de reeds genoemde rede waarin hij de
medische studenten voor alles de studie van Hippocrates aanbeval. Op
aandringen van zijn buitenlandse toehoorders verzocht hij een paar maanden
later aan curatoren om op zijn private colleges ook demonstraties over
anatomie en chemie te mogen geven en wanneer hij in 1703 een Gronings
professoraat afslaat, is het weer mr. Van den Berg, inmiddels eerste
burgemeester geworden, die curatoren beweegt zijn salaris met tweehonderd
gulden te verhogen en hem het eerste openvallende professoraat te beloven.
Blijkbaar zagen de heren in het baantje meer een prebende dan de gelegenheid
tot beoefening van een bepaalde tak van wetenschap. Zo geviel het, dat de
medicus-chemicus-theoloog Boerhaave in 1709 benoemd werd tot professor... in
de botanie, want, zegt zijn leerling, de beroemde Zwitserse medicus Albrecht
von Haller in de Tagebücher seiner Reisen nach Deutschland,
Holland und England, ‘de toenmalige chemicus Le Mort was veel te
afgunstig op deze veelbelovende jonge geleerde om hem met zijn dood van
dienst te zijn. De eerste die stierf was de goede Hotton en hij liet
Boerhaave zijn plaats en de tuin na.’
Met onbezweken ijver wierp deze zich op zijn nieuwe studie, terwijl zijn
praktisch organisatievermogen een dankbaar objekt vond in de tuin, de
kruidentuin of ‘Hortus Botanicus’. 's Morgens om zeven uur kon de groeiende
drom der studenten hem daar aantreffen, op klompen rondstappend tussen zijn
kweekbedden. Twee jaar na zijn ambtsaanvaarding publiceert hij een
voorlopige index van de kruidenschat der Academie niet alleen ten bate der
studenten, maar vooral ook als een soort verkoopcatalogus voor de beheerders
van kruidentuinen in het buitenland waarmee hij in de volgende jaren een
levendige briefwisseling en ruilhandel onderneemt en een ruilhandel die | | | | hij zelf als commercium aanduidt en waarvoor het
universiteitsbestuur hem een afzonderlijke toelage gaf. Een indruk van
Boerhaaves briefwisseling die behalve gegevens over het ‘commercium’ ook
talrijke medische adviezen aan oud-studenten en -patiënten omvat, kunnen wij
krijgen uit de Latijns-Engelse publikatie van een belangrijk deel daarvan
door G.A. Lindeboom, waarin ook is opgenomen een
bundeltje van vierennegentig brieven, al eerder, in 1778 uitgegeven, aan
zijn oudleerling Bassand die van zijn vele reizen in keizerlijke dienst en
later als hoogleraar en beheerder van de botanische tuin in Wenen geregeld
planten en mineralen aan Boerhaave toezond.
Halier noteerde in zijn dagboek: ‘Boerhaave hat Briefwechsel in Ostindien,
China, Zeylon, Cap de bona spe, Carolina und allen Theilen von Europa,
woraus er immer Saamen kriegt, ist auch mit ausstheilen sehr freigebig’. Uit
Boerhaaves eigen aantekeningen weten we, dat er zo'n vijftig buitenlandse
botanici bij zijn ‘commercium’ betrokken waren en dat hij in 1725 welgeteld
1416 pakjes zaad ontving. Door deze ruilhandel wist hij zijn collectie zo
uit te breiden, dat het hortus-terrein meer dan verdubbeld moest worden. In
overeenstemming daarmee had de nieuwe index die hij in 1720 liet
verschijnen, ook meer dan twee maal de omvang van zijn voorganger. Om zijn
systematiek kan hij bovendien gelden als een belangrijk stuk voorbereiding
van het levenswerk van Linnaeus, de grote ordenaar der plantenwereld die een
diepe bewondering had voor Boerhaaves duidelijke en kenmerkende
beschrijvingen.
Toen in 1713 Govert Bidloo stierf, sprak het vanzelf dat zijn taak als
klinisch docent aan de Leidse academie, een taak die hij overigens als
lijfarts van Willem iii slechts te hooi en te gras
vervuld had, op Boerhaave overging, en toen vijf jaar later Le Mort hem
volgde, zagen curatoren ‘wetende dat dr. Hermanus Boerhaave, professor
Medicinae et Botanices, eenige jaren herwaerts collegia chemica onder een
zeer grote confluentie van studenten gehouden heeft’, blijkbaar alweer geen
betere uitweg dan de alzijdige ook met dit onderwijs te belasten.
‘Qui trop embrasse...’ overdreven eerbied voor het specialistendom, in het
bijzonder in de medische wetenschap, maar ook rechtmatige twijfel aan de
onbegrensdheid van de menselijke energie en kennis hebben in later tijd de
vraag doen rijzen of deze opeenhoping van functies werkelijk verantwoord
was, de vraag ook, de weifelende vraag naar Boerhaaves blijvende
verdiensten. Wie die vraag stelde, greep, terecht, naar zijn nagelaten
geschriften en speurde erin naar de nieuwe gedachten, de oorspronkelijke
vondsten, die althans één van al de vakken van zijn studie een paar stappen
verder hadden gebracht. Hij speurde - en vond niet veel. Boerhaaves
schriftelijke nalatenschap bestaat behalve uit de twee genoemde botanische
indices in hoofdzaak uit de vijftien maal herdrukte en in vele talen
vertaalde
Institutiones Medicae
van 1708 en de
Aphorismi
van 1709, de beide handboeken die hij als grondteksten voor zijn
medische colleges gebruikte, verder het leerboek der chemie:
Elementa Chemiae
; ook dit een vele malen en in vele talen herdrukte samenvatting van
collegestof, blijkens het voorbericht hem ‘afgedwongen’ door een van die
uitgevers-speculanten, ook in het buitenland die herhaaldelijk pogingen
deden tot exploitatie van zijn roem door de slordige college- | | | |

Boerhaave, zijn echtgenote en zijn dochter. Schilderij door
Aert de Gelder. Rijksmuseum, Amsterdam.
| | | | aantekeningen van onscrupuleuze studenten of citaten
en uittreksels uit zijn brieven in verschillende talen als werken van
Boerhaave aan de man te brengen. Tegen deze reputatiediefstal waartegen
blijkbaar geen wettelijk ingrijpen mogelijk was, heeft Boerhaave zich onder
andere verweerd door een advertentie in de ‘Leydse Courant’, waarin hij de
‘baatsugtige Boekdrukkers’ te lijf gaat die ‘my ten uyterste beleedigen en
het gemeen schandelijk bedriegen’. Van belang zijn verder zijn Latijnse
academische oraties over verschillende medische en natuurwetenschappelijke
onderwerpen, zoals de reeds genoemde:
Ter aanbeveling van de studie van Hippocrates
(1701) of die over Het nut der mechanische
methode in de geneeskunde, over
Het verkrijgen van zekerheid op het gebied der
natuurkunde
en over
De wijze waarop de chemie haar eigen dwalingen
verbetert
. Ten slotte heeft hij zich nog verdienstelijk gemaakt door uitgaven
en levensberichten van grote voorgangers zoals Vesalius en Jan Swammerdam en een begin
gemaakt met een standaarduitgave van de grote Griekse artsen.
De moderne lezer van Boerhaaves geschriften wordt allereerst getroffen door
twee dingen: de eenvoud en verstaanbaarheid van zijn betoog en zijn
voorschriften en de nog sterk historisch-filosofische instelling van deze
exacte wetenschap. Wat het eerste betreft is misschien een toevoeging: in
vergelijk met zijn tijdgenoten niet overbodig: de recepten die hij bij
voorbeeld aan Bassand stuurt doen ons nog rijkelijk hocus-pocus-achtig aan.
Wat het laatste betreft, dit is geen persoonlijk stempel van Boerhaave; wel had, zoals we nog zullen zien, voor
zijn wetenschappelijk standpunt dat historisme zijn bijzondere betekenis,
maar het was toentertijd toch niet ongewoon, dat een wetenschappelijk
handboek als de
Elementa Chemiae
begon met een overzicht van wat er sinds de oudheid op dit terrein
gezocht en gevonden was.
Men zou bij vergelijking van de 17de-eeuwse wetenschap met de onze kunnen
opmerken, dat toén de exacte wetenschappen en met name de medische even
sterke historische tendenties hadden als nu de geschied-beoefening
exact-wetenschappelijke. Geheel onverklaarbaar is dat niet. Toen de
humanistische wetenschap haar nieuwe methode van onderzoek en experiment
tegenover de deductieve methode der scholastiek stelde, deed zij daarmee
geenszins afstand van het beroep op de autoriteit der klassieken. En dat wel
niet alleen, omdat zij bij sommige van die klassieken aanknopingspunten voor
de nieuwe gedachte vond, maar ook, omdat de eeuwenoude en als het ware
ingeschapen traditie van beroep-op-een-autoriteit zich zeer moeilijk liet
uitschakelen. Met name in de medische wetenschap, die zich immers voor de
eis van een voortdurende en riskante toepassing van haar kennis gesteld zag,
voltrok de ommekeer zich moeizaam. Het ‘Galenus dixit’ (Galenus heeft het
gezegd) mocht dan zijn toverkracht verloren hebben, maar de aard van het
medisch beroep dat in zijn praktijk geen afstand kon doen van het gezag van
een echte en haast magische traditie, liet zulke ingrijpende revoluties,
zulk een afwisseling van afbraak en opbouw als we bij voorbeeld uit de
natuurkunde kennen, niet toe. En, kan men er dadelijk aan toevoegen, maakte
die ook minder noodzakelijk, in zoverre de medische wetenschap juist door
die gebondenheid aan de praktijk, altijd voor een belangrijk deel
ervaringsweten- | | | | schap gebleven was. Maar dit eigen karakter
van de medische wetenschap had ertoe geleid, dat een belangrijk deel van de
medische opleiding buiten de oude speculatieve universiteit was komen te
staan en in de 17de eeuw nog stond. Niet alleen vormden de chirurgijns een
onacademisch, in de praktijk geschoold, gilde, maar de doctoren in de
medicijnen die aan de academie naast oefeningen in de anatomie en in de
dialectiek (!) alleen theoretische lessen hadden gehad, begonnen hun
loopbaan als kwekeling bij een oudere collega die hun de eigenlijke praktijk
van het vak onderwees. Bij alle verering voor de wetenschap van onderzoek en
ervaring won toch slechts langzaam de gedachte veld, dat in een
ervaringswetenschap bij uitstek als de medische, het praktische klinische
onderwijs een centrale plaats in de academische opleiding moest vormen. Aan
de universiteit van Padua, waar men omstreeks het midden der 16de eeuw er
een begin mee had gemaakt, was het aan het begin van de 17de eeuw weer
verdrongen door de theorie. In de Republiek maakte in 1636 de Utrechtse
professor Stratenus er een begin mee, in Leiden
volgden reeds een jaar later Otho Heurnius en Ewald Screvelius zijn
voorbeeld: in het Caecilia-gasthuis werden er twaalf bedden en de bijstand
van twee stadsdoctoren en een stadsheelmeester voor beschikbaar gesteld. Een
van hun opvolgers, Frans de le Boe Sylvius, breidde het klinisch onderwijs
sterk uit en genoot een grote roem door de pedagogische kwaliteiten van zijn
methode, die echter snel verbleekte, doordat hij met verwaarlozing alweer
van de ervaring, zijn praktisch onderwijs benutte tot demonstratie van de al
te eenzijdige medische theorieën die hij aanhing. Want het beschouwelijk
karakter van de academische wetenschapsbeoefening leidde ertoe, dat het
medisch onderzoek steeds weer in theoretische sloppen dreigde dood te lopen.
Het is overigens geen kwaal van de medische wetenschap alleen, dat theorie
en praktijk, onvoorwaardelijk op eikaars steun aangewezen, elkaar
voortdurend in de haren zitten. Immers het onbevangen, volkomen
onbevooroordeeld wetenschappelijk onderzoek is... louter theorie, niet
slechts een door de menselijke onvolmaaktheid onbereikbaar, maar ook een
verwerpelijk ideaal, want een onderzoek, zonder het kompas van een -
theoretische - hypothese begonnen, kan slechts tot toevallige resultaten
leiden, terwijl een hypothese, ook wanneer die achteraf moet worden
opgegeven, een nieuwe ordening der feitelijke gegevens en daarmee nieuw
inzicht kan brengen. Daarom zal in de geschiedenis van de wetenschap de
vruchtbare dwaling altijd zijn betekenis houden naast het verhelderend
inzicht en het nauwgezet onderzoek. En zelfs in een wetenschap als de
medische, die, gelijk gezegd, niet ongestraft de traditie loslaat, zijn wild
geniale fantasten als Paracelsus naast evenwichtige voortbouwers als
Boerhaave onmisbaar.
Het gaat dan ook niet aan te zeggen, dat Boerhaave zijn roem en betekenis
louter dankt aan de vasthoudendheid waarmee hij de ervaringswetenschap boven
de theorieën heeft gesteld. Was dat zo, dan zou die roem terecht
genivelleerd zijn door de twijfel aan zijn betekenis bij die vakgenoten
onder het nageslacht die naar zijn vernieuwende en baanbrekende gedachten
hebben gevraagd. Het gaat om de wijze waarop en de tijd waarin hij die eis
stelde, om de onmiddellijke invloed en het persoonlijk gezag, dat daarbij
van hem | | | | uitging.
‘Een onaanzienlijke, potige man met katteogen, een kleine neus, een donker
gezicht en verwarde haren, een versleten hoed, een armzalig grijs pak, grove
schoenen en zonder degen.’ Zo tekende hem Von
Haller in zijn reisdagboeken en hij plaatste hem daarmee in de reeks
der grote geneesmeesters die zich veelal plachten en plegen te onderscheiden
door hun onverzorgd of bizar voorkomen, door een ongegeneerde gelijkstelling
van de lichamelijke functies en menselijke waarde van vorsten en bedelaars
en door hun minachting voor alles wat tegen de natuur ingaat. Deze geboren
genees-kunstenaar krijgt een scholing waarbij hij eerst leert zien, dat op
het terrein van de godsdienst de oorspronkelijke gedachte van het
christendom overwoekerd is door theologische haarkloverijen en sektegeest om
daarna te ervaren, dat in de medische wetenschap de sekten - hij zelf
gebruikt dit woord - zich evenzeer breed maken ten koste van het eenvoudig
mensenverstand en - de patiënten. Want wel had de grote wetenschappelijke
omwenteling van de 16de en 17de eeuw de geneeskunde niet onberoerd gelaten,
wel was men overtuigd geraakt van de samenhang met de natuurwetenschappen,
de fysica en de chemie in het bijzonder, maar aangezien deze geen van beide
ver genoeg gevorderd waren om algemeen aanvaardbare verklaringen van de
levens- en ziekteprocessen te geven, was de veelbelovende impuls van het
nieuwe weten in de medische wetenschap verlopen in de disputen van
iatro-chemici en iatro-fysici of -me-chanici, die óf bij een chemische óf
bij een mechanische verklaring van de levensverrichtingen zwoeren en wie het
hooggeprezen wetenschappelijk onderzoek alleen diende om anderen te
bewijzen, wat voor hen reeds van tevoren vast stond. In zijn spontaan verzet
tegen deze sektegeest deed Boerhaave naar goede
traditie beroep op een autoriteit en vond die in Hippocrates wiens werken
hij zijn leerlingen als een medische bijbel voorhield, zonder wiens lof,
gevolgd door een overzicht van de ontwikkeling en de dwalingen der medische
wetenschap ná hem hij geen college opende. Mogelijk was zijn aanbeveling van
de grote Griek wel eens wat al te nadrukkelijk voor de zwakke broeders onder
zijn studenten die niet als hun filologisch geschoolde leermeester met het
Grieks terecht konden en met een minder onfeilbaar intuïtie moesten raden
welke woorden van de profeet na meer dan twintig eeuwen nog niets van hun
waarde hadden ingeboet.
Maar Boerhaaves faam, de vijftien herdrukken van zijn
Institutiones
en hun vertaling tot in het Arabisch toe, de internationale
bestorming van zijn colleges, waar de studenten die zich dat konden
veroorloven, hun plaats uren tevoren door een bediende lieten bezetten,
wordt niet voldoende verklaard door hem te zien als een schakel in de keten
van acties en reacties die als een doorlopende draad in de ontwikkeling van
iedere menselijke instelling is aan te wijzen zonder daarvan de wezenlijke
impulsen te raken die zich altijd alleen in een veel groter verband laten
begrijpen. Daarvoor was meer nodig.
Allereerst zou zijn leus: terug naar Hippocrates, of welke leus óók zeker
minder gehoor hebben gevonden, wanneer hij als arts geen opmerkelijke
resultaten had bereikt. Zelf schreef hij die voor alles toe aan zijn
opvolgen der Hippocratische voorschriften, maar daarmee is weinig gezegd,
want die | | | |

Oud-Poelgeest, het bij Leiden gelegen buiten van Boerhaave. Ets
door J. Lamsvelt. Gemeentelijke Archiefdienst,
Leiden.
| | | | voorschriften hebben zich door alle eeuwen heen alleen kunnen
handhaven, omdat zij feitelijk niet anders deden dan de kwaliteiten van de
geboren arts omschrijven die niet naar een schema, hoe ingenieus ook,
ziekten en ziekteverschijnselen heeft leren classificeren, maar die telkens
heel zijn ervaring en intuïtie, zijn medische en mensenkennis richt op het
éne persoonlijke geval met al zijn individuele omstandigheden.
In de tweede plaats is er zijn waarlijk encyclopedische kennis: ‘Ist wegen
Medicis, Chemicis, Botanicis, Latinität, Theologie, Physic, Mathematic, so
ein gelehrter Mann als man ihn sehn wil’, gelijk Von Haller zegt en hij zou
er nog bij hebben kunnen voegen dat hij bovendien de meest gangbare moderne
talen beheerste. Maar niet in het imposante van die kennis lag zijn grote
betekenis, al is misschien juist voor een arts een zo reëel middel om zijn
publiek te imponeren niet geheel en al te versmaden. Voor de wetenschap is
Boerhaaves tijd na de geniale scheppingskoorts der 17de eeuw een tijd van
recapitulatie van en bezinning op het verworvene. Een zo veel omvattende
geest als de zijne kan daarin als bemiddelaar en verzamelaar een
verdienstelijke rol spelen en ten opzichte van Sydenham als medicus, van
Boyle als chemicus heeft hij dat ook zeker gedaan. Eclatant werd die rol
echter pas, doordat die kennis hier met een ongewone energie, organisatiezin
en synthetisch vermogen samenging. Daardoor kon Boerhaave die het hele veld
van de medische studie van zijn tijd als veelzijdig specialist overzag, aan
het Europese medische onderwijs de grote dienst bewijzen van de opbouw van
een medische faculteit naar toen moderne eisen, waarin een
chemisch-fysische, botanische, medisch-theoretische en -klinische scholing
elk hun eigen plaats kregen. Hier en in zijn grote gaven als pedagoog lagen
vooral de oorzaken van de grote toeloop naar zijn colleges en hier heeft
zijn invloed ook het langst nagewerkt: onder leiding van zijn leerlingen Van
Swieten, De Haen, Rutherford en Von Haller en hún volgelingen, voltrok zich
de hervorming van het medische onderwijs in Wenen, Edinburgh en de Duitse
universiteiten.
Zijn grote kennis alweer, maar ook de onbevangenheid die hem van het
goedmoedig gezicht straalt, bepaalde zijn houding in het fel dispuut van de
medische ‘sekten’ of in het conflict met de heethoofdige Franeker cartesiaan
professor Andala, die naar aanleiding van
Boerhaaves rede
Over het verkrijgen van zekerheid in de natuurkunde
opnieuw de beschuldiging van spinozisme en ongeloof naar hem
toeslingerde en dat in zó felle taal, dat zijn eigen curatoren hem tot een
herroeping moesten dwingen. Boerhaave liet slechts weten, dat hij geheel
voldaan zou zijn, wanneer een zo uitnemend theoloog als Andala niet langer
om zijnentwil zou worden lastig gevallen. In zijn studie:
Herman Boerhaave en zijn betekenis voor de Chemie
heeft dr. Ernst Cohen duidelijk
aangetoond, dat die betekenis noch in nieuwe vondsten noch in de afrekening
met de alchemie die men hem vaak toedicht, heeft gelegen en dat hij zich in
zijn leerboek der scheikunde alleen van zijn voorgangers onderscheidt door
groter systematiek, helderheid en scherpte van definitie en door zijn opzet
de scheikunde niet als een afgesloten geheel, maar in samenwerking met de
natuurkunde te zien. Niemand heeft het ook zelfs maar nodig geoordeeld een
soortgelijk bewijs te leveren ten aanzien van zijn betekenis | | | |

Het door Boerhaave eigenhandig bijgehouden kasboek voor zijn
buiten Oud-Poelgeest. Bibliotheek der
Rijksuniversiteit, Leiden.
| | | | voor de fysica. Maar voor de medische wetenschap van zijn
dagen - en die is voor Boerhaave centraal - was het van het grootste belang,
los te komen van de onvruchtbare tegenstelling der ‘sekten’ en ook de wijze
waarop hij daarnaar streefde is kenmerkend voor zijn gematigde en
synthetische denkwijze. Onbevangen bereid om uit iedere wetenschap te
aanvaarden wat hem als geneeskunstenaar dienen kon, liet hij zijn rede van
1701, waarin hij de studie van Hippocrates aanbeval volgen door een
Over het nut der mechanistische methode in de
geneeskunst
in 1703,
Over de gemakkelijke eenvoudigheid der geneeskunde
in 1709 op het thema van zijn lijfspreuk: Simplex sigillum veri
(Eenvoud het zegel der waarheid) en
Over de wijze, waarop de chemie haar eigen dwalingen
verbetert
in 1718. De gedachte van de eenvoud van het ware inzicht is even
eigen aan de arts die steeds een beroep deed op de natuur als aan de man die
in zijn bekwaamheid terecht de aangeboren gave boven de verworven kennis
stelde.
Hoe natuurlijk en eenvoudig intussen Boerhaave zelf zijn standpunt in de
strijd der richtingen mag hebben gevonden, voor de medische leek die er zich
nu een voorstelling van tracht te maken, is het, juist om zijn verzoenend en
bemiddelend karakter, niet zo gemakkelijk te omschrijven. Om te beginnen is
hij - zie zijn eerste rede - geneigd tot de conservatieve oplossing: terug
te keren tot de oude wijsheid van Hippocrates liever dan de kans te lopen
grove fouten te maken bij een in wezen vooruitstrevende poging om de
medische wetenschap te grondvesten op de - nog al te gebrekkige - kennis van
de natuurwetenschappen (zowel fysica als chemie). Hij doet dat op het
voetspoor van Sydenham die, niet toevallig, als hij een medicijnman bij de
gratie Gods was. Die opvatting kon natuurlijk niet zo ver gaan, dat de
fysiologie, die hij in zijn werken doceert er zo uit zou zien, alsof de
medische wetenschap tweeduizend jaar had stil gestaan. In wezen is zijn
fysiologie die der iatromechanici, maar overtuigd van de onvolmaaktheid ook
van dit stelsel, is hij bereid voor enige daarin onverklaarbare processen de
hulp van de chemici in te roepen, van die althans welke de oude fantastische
dwalingen der chemie hebben afgezworen en die, zeer langzaam in het trekken
van conclusies ‘omzichtig op alles achtgevend, behoedzaam geworden door
anderer gevaar, de roem van hun arbeid niet minder stellen in het verbeteren
van dwalingen dan in het staven hunner opvattingen.’ Aan het verbeteren van
dwalingen droeg hij het zijne bij door nauwkeurig onderzoek van onbewezen
beweringen. Zo weerlegde hij Boyles these, dat vuur een eigen gewicht zou
hebben. We zouden echter de zaak nog weer te eenvoudig stellen, wanneer we
meenden, dat Boerhaave de dwalingen van de chemie waartegen hij zich keert,
vooral op hun tekort aan wetenschappelijke verantwoording had getoetst. Want
waar hij zich tegen de chemici keert is veeleer de theoloog dan de man van
de exacte wetenschap aan het woord. De chemici van zijn tijd immers vormden
nog één ongescheiden groep met de alchemisten, de zoekers naar de steen der
wijzen en de ‘transmutatie’, de overgang van waardeloze stof in goud. En nu
is het merkwaardige, dat Boerhaave Paracelsus, Van Helmont en de broeders
van het Rozenkruis niet op het punt van deze weinig wetenschappelijke
toverkunsten bestreed, waarvan hij de mogelijkheid geenszins af- | | | | wees, maar omdat zij de goddelijke openbaring in hun bedrijf betrokken, de
boeken van Mozes, de geschriften van Salomo, de openbaring van Johannes voor
een beschrijving der goudmakerskunst verklaarden, ja, zich waagden aan
‘schandelijke en verfoeilijke uitleggingen van de Heilige Drieëenheid en van
andere zeer diepzinnige godsdienstige verborgenheden’.
Als theoloog keerde hij zich tegen de chemici en als medicus. En in zoverre
hij toch meer medicus dan theoloog was, kwam hier zijn meest spontane en
menselijke verzet los. Zijn verzet tegen de ‘nietige, ijdele, met valse hoop
vervullende nutteloosheden’, wij zouden zeggen de humbug van de door de
alchemie aangetrokken artsen, tegen hun snoeverijen over het ‘stibium’ of
alge-neesmiddel en over hun preparaten uit een onsterfelijke ceder van de
Libanon bereid die alle mensen tot Methusalems zouden maken. Intuïtief
voelde hij hier de grondslagen van zijn beroep aangetast: het persoonlijk
vertrouwen en gezag van de arts, dat de alchemisten blameerden door het zich
met valse middelen te willen verzekeren. Hij, die zelf dat vertrouwen in zo
hoge mate bezat, wist dat het op den duur door geen bedrog en valse schijn
kon stand houden, maar hij wist waarschijnlijk niet in hoe hoge mate het
bepaald werd door de onbevangenheid die van zijn gezicht straalde.
In het Rijksmusuem hangt een portret van Boerhaave, een van de beste
werkstukken van de 18de-eeuwse portret- en zedenschilder Cornelis Troost.
Zelden had Troost een dankbaarder object van zijn aan de tijd gebonden kunst
dan in deze tijdgenoot. Zijn regentenstukken zijn dank zij zijn zachtzinnige
spot-die-nooit-doorbijt nog net geen karikaturen; waagde hij zich echter aan
een serieus classicistisch onderwerp, dan ontspoorde hij. Een portret van
een van de grote 17de-eeuwers, van Jan de Witt of
van Spinoza door hem laat zich niet denken. Maar
zijn lichte, even-ironische toon doet wonderen tegenover de gerechtvaardigde
zelfverzekerdheid, de ondiepzinnige intelligentie, het guitig begrip van
deze heldere ogen; dit blozend gezicht onder de nonchalante grijze krullen
past geheel bij Von Hallers karakteristiek:
‘Verder was deze man oprecht, zonder geheimzinnigheid, zonder inbeelding,
dienstvaardig, goedhartig, vriendelijk en wist niemand iets op hem aan te
merken dan zijn sjofele kleding en de daaruit afgeleide spaarzaamheid, die
men een Hollander echter niet moet aanrekenen. Zo schijnt ook zijn hele
burgermansleefwijze meer uit verachting van de ijdelheden der overdaad dan
uit liefde voor het geld te zijn voortgekomen.’ Als er al niet het
getuigenis van nog vele andere van zijn studenten was, dan zou dit portret
ons kunnen overtuigen van de oprechte belangstelling voor het werk van
anderen en de aanstekelijke werkijver die deze man op zijn hele omgeving
overdroeg; als er al niet het getuigenis van vele van zijn patiënten was,
dan is hier het geheim van zijn ongeëvenaarde ‘bedside-manners’ vastgelegd.
In woorden laat dat geheim zich het best in tegenstellingen vatten: de
tegenstelling van ernst en blijmoedigheid, een blijmoedigheid waarvan hij
vooral in zijn kwellende laatste ziekte bewees, dat ze meer was dan een
beroepsattribuut. De tegenstelling van de drastische daadwerkelijkheid van
de plattelandsheelmeester en de modeprofessor die een internationaal publiek
boeide met zijn gemakkelijk vloeiende Latijnse volzinnen. Zijn Franse
biograaf liet met het oog op de tere oren van | | | | zijn lezers de
titel van zijn medische dissertatie:
Over het nut van het onderzoek van de uitwerpselen der
zieken als aanwijzingen
in het Latijn staan. Men vertelt, dat hij een epidemie van
zenuwtoevallen in het Katwijker weeshuis bedwong
door de verzamelde kinderschaar een gloeiend ijzer voor te houden met de
belofte, de eerste de beste, die weer een toeval kreeg, te zullen
brandmerken. Maar wanneer hij een geletterd Spanjaard op bezoek kreeg,
vermaakte en verblufte hij die met lange citaten uit Spaanse dichters en een
Lotharings edelman ontdekte tijdens een consult, dat Boerhaave meer van de geschiedenis van zijn land wist dan hij
zelf. De tegenstelling tussen zijn bereidheid de armen te helpen - en ook de
groten der aarde, mits ze hun beurt wilden afwachten: Peter de Grote lag een
nacht met zijn staatsiejacht voor Boerhaaves huis op het Rapenburg om hem 's
morgens vroeg vóór hij zijn colleges begon te kunnen raadplegen en de Franse
gezant liet hij rustig een paar uur antichambreren. Maar de belangrijkste
van al deze tegenstellingen: tussen de zekerheids-suggestie van zijn
optreden en zijn deemoedige bereidheid zijn onkunde te erkennen. En dat
laatste moet hem niet altijd gemakkelijk zijn gevallen. Uiteraard drukte
zijn wassende roem de statistiek van zijn succes: het waren vaak opgegeven
gevallen die ten einde raad een toverwoord van Boerhaave kwamen vragen. Men
zegt dat hij deze mensen ronduit verklaarde, machteloos tegenover hun kwalen
te staan en weigerde kuren voor te schrijven waar hij zelf niets van
verwachtte. En wie al deze grote-mannen-legenden wat apocrief mocht
oordelen, vindt overtuigende bewijzen in zijn schriftelijke nalatenschap:
niet de glansnummers van zijn praktijk vindt men daar op schrift gesteld,
maar twee ... mislukkingen die hem medisch belangwekkend en leerzaam voor
anderen leken. En toen men tijdens zijn laatste ziekte over zijn
onmisbaarheid klaagde, antwoordde hij: ‘Men heeft een te hoge dunk van me.
Aangetast door een ziekte, die me noodlottig zal worden, ken ik er zelf de
oorzaak niet van.’
Een zo grote evenwichtigheid bij een zo zwaar en inspannend beroep was alleen
te handhaven door een zeer systematische werkverdeling en levenswijze. Ook
hierover bericht ons Von Haller en we halen zijn pretentieloze aantekeningen
liever aan dan de holle lof- en lijkredefrases, die hun held alle
menselijkheid ontnemen.’Met de zon stond hij op, werkte 's zomers in de tuin
en 's winters in zijn laboratorium. Zeven uur was de tijd waarop hij ons in
de Hortus de kruiden wees, waarbij hij dan alle ochtenden meestal een
honderd planten met hun vele bijnamen zonder enige aantekening opsomde. Van
tien tot twaalf bezochten hem allen die zijn raad behoefden, want zijn
bezigheden lieten niet toe, dat hij zelf op ziekenbezoek ging. Deze hielden
hem zo lang op, dat vaak het uur van onze komst al was aangebroken vóór hij
tijd had gehad aan tafel te gaan. Om drie uur kwamen de zieken weer, de
overige tijd moest hij verdelen tussen zijn wijdlopige correspondentie en
zijn voortdurende arbeid aan de uitgave der Griekse artsen, als niet een
aanzienlijk patiënt ook op deze tijd beslag legde. Kon hij ontsnappen, dan
bracht hij vaak vele uren door op zijn uitgestrekt buiten, waar hij de
planten die de openbare tuin niet bergen kon, met grote kosten opkweekte.
Dit buiten was het landgoed Oud-Poelgeest aan de trekvaart naar Haar- | | | |

Titelpagina van de Index Plantarum Horti Lugduno
Batavo, Leiden 1710 Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | | lem, dat Boerhaave in 1724 had aangekocht, stellig niet alleen
om er een tweede hortus van te maken, maar ook om zich en zijn gezin een
aangename woonplaats te verschaffen. Naar degelijk vaderlands gebruik was
hij ongetrouwd gebleven, zolang hij geen vaste positie had. Pas in 1710, een
jaar na zijn benoeming tot professor in de botanie, trad hij, toen
tweeënveertig jaar oud, in het huwelijk met Maria Drolenvaux, de
vierentwintigjarige dochter van een welgesteld Leids magistraat. Haar
bruidsschat of erfdeel moet de grondslag gevormd hebben van het respectabel
vermogen dat Boerhaave in de loop der jaren bijeenbracht en dat bij zijn
dood ongeveer twee miljoen bedroeg. Het is opmerkelijk, dat Boerhaaves
lofredenaars het steeds weer nodig hebben gevonden hem op dit stuk vrij te
pleiten en te verdedigen tegen aantijgingen van schraapzucht en gierigheid,
die we overigens nergens in feiten vastgelegd hebben gevonden. Zijn die
aantijgingen er inderdaad geweest en waren ze gerechtvaardigd of het werk
van afgunst en laster? Dan wel: werkte in de lofredenaars tot schade van hun
slachtoffer dat collectief minderwaardigheidsgevoel der geestelijke werkers
- men kan het ook vaktrots noemen - dat de prestaties van de geest voor
onbetaalbaar houdt en ze daarom het recht op de winst van de eerzame koopman
ontzegt of althans meent, dat het nemen daarvan moet worden rechtgepraat?
Het is mogelijk, dat de publikatie van Boerhaaves in een archief te
Leningrad opgedoken correspondentie meer licht zal werpen op de vorming van
zijn vermogen, zoals op tal van andere feiten uit zijn leven, maar dat
daardoor een geheel nieuw licht over de mens Boerhaave zal opgaan is niet
waarschijnlijk, gezien het ongecompliceerd en evenwichtig, vriendelijk
verstandig, maar weinig diepe wezen, dat uit de zesentwintig jaar van zijn
leven omspannende briefwisseling met Bassand spreekt. Hoewel de antwoorden
van Bassand ontbreken, blijkt uit Boerhaaves uitvoerige beschouwingen
omtrent een reeks ziektegevallen in de keizerlijke familie en Bassands gezin
en uit zijn herhaald afwijzen van lof-betuigingen, hoe hoog de keizerlijke
lijfarts de adviezen van zijn leermeester aanslaat. Boerhaaves hebzucht laat
zich hier alleen in de meest vergefelijke vorm aantonen: zoveel zaden,
planten, gesteenten en fossielen kan Bassand hem niet sturen, of hij vraagt
vriendelijk dankend en met bezwaard gemoed om nieuwe en hij is kennelijk
verheugd, als hij door het geven van adviezen en door zijn bemiddeling bij
aankoop van instrumenten en medicijnen een wederdienst kan bewijzen. Een
zeker begrip voor de waarde van het geld blijkt uit de nauwkeurigheid van
zijn afrekeningen, misschien ook uit de kennelijk groter ontsteltenis,
waarmee hij Bassands bericht over het verlies van ƒ18000 dan over dat van
diens jonge vrouw kort na de geboorte van haar dochtertje verneemt. Maar we
zullen ermee moeten rekenen, dat een arts toentertijd vaker een
kraamvrouwenkoorts met dodelijke afloop dan achttienduizend guldens te zien
kreeg.
Wat wij intussen nog uit een aantal verstrooide persoonlijke uitlatingen
zouden kunnen en willen opmaken, ook het terugvinden van Boerhaaves complete
bedrijfsboekhouding, zou niets kunnen veranderen aan een paar algemene
economische en psychologische waarheden als dat geld zich zelf vermeerdert
én dat er zelden of nooit iemand een vermogen bij elkaar verdiend | | | | heeft zonder de zeer uitdrukkelijke wil daartoe. Het zou
daarom een psychologische naïveteit zijn met of zonder die boekhouding
waaruit eventueel zou kunnen blijken hoe hij zijn rijke patiënten ‘gevild’
had, te willen bewijzen, dat bij Boerhaave die wil ontbroken had, maar het
zou ook een onnozelheid zijn te ontkennen, dat die wil in het tegenstrijdig
wezen dat mens heet kan samengaan met vriendelijkheid, mildheid en
hulpvaardigheid, en zeker met wetenschappelijke begaafdheid. Overigens komt
Boerhaaves reputatie op dit punt ten dele voor rekening van het wanbegrip
bij zijn buitenlandse studenten voor zijn vaderlandse afkeer van vertoon,
zoals reeds uit de boven aangehaalde zinsnede van Von
Haller bleek. Behalve uit zijn praktijk moeten Boerhaave
belangrijke baten zijn toegevloeid uit zijn colleges waarvan hij er drie per
dag gaf, door meer dan honderd studenten bezocht en naar het gebruik dier
dagen per hoofd gehonoreerd en wel, volgens Haller alweer, met dertig gulden
per cursus. Maar in de miljoenen kan dit toch niet gelopen hebben, alleen al
omdat de periode van zijn grote activiteit vrij kort is geweest. Zijn
medische colleges beslaan het tijdperk van 1701 -toen hij tot ‘Openbaar
voorlezer in de geneeskonst’ benoemd werd - tot enige maanden vóór zijn
dood. Het botanisch college dat hij in 1709 aanving en het chemisch van 1718
moest hij in 1728 ter wille van zijn gezondheid opgeven.
In 1722 was hij, naar hij zelf zegt, door al te vroeg op te staan en zó uit
bed zijn lichaam aan de kilte van de dauw bloot te stellen, door een zo
hevige aanval van jicht aangetast, dat hij een half jaar verlamd te bed lag
en men voor zijn herstel, ja voor zijn leven vreesde. Boerhaave heeft zelf niet de beste resultaten van zijn kunst
geoogst - dat egoïsme kan men hem zeker niet verwijten: van zijn vier
kinderen heeft hij er drie op jeugdige leeftijd aan de dood moeten afstaan
en tegen zijn eigen kwalen stond hij vrijwel hulpeloos. Zijn uiteindelijke
genezing van 1723 werd aanleiding tot een sprekende demonstratie van zijn
populariteit; heel Leiden vierde feest en hing de vetpotjes buiten. In 1727
volgde een tweede ernstige ziekte die zijn gestel zo aantastte, dat hij
besloot zijn openbare werkzaamheden te beperken tot zijn medische colleges.
Als alle nijvere lieden maakte hij zich illusies de gewonnen vrije tijd met
nieuw werk te vullen, wat hem slechts zeer ten dele gelukte: het resultaat
daarvan is neergelegd in het verslag over zijn proeven met kwik dat hij op
18 februari 1734 aanbood aan de ‘Royal Society’, waarvan hij sinds 1730
corresponderend lid was, evenals van de Parijse ‘Académie des Sciences’
sinds 1731. Maar in zijn correspondentie met Bassand klaagt hij, dat het
niets dan een verschuiving van werk is geworden en over de vele brieven
waarmee hij wordt lastig gevallen. Bovendien deden zich in de zomer van 1737
reeds de eerste symptomen, ademhalingsbelemmeringen, gevoelen van de ziekte
waarvoor ook in zijn tuin geen kruid gewassen was. Zelf volgt hij, blijkens
zijn brieven aan Bassand en een andere oudleerling Mortimer, toen secretaris
van de Royal Society, zonder veel illusies het verloop van zijn kwaal, een
kwaadaardig gezwel in de long.
Als een treffend bewijs van Boerhaaves moreel en intellectueel gezag geldt
het besluit van Curatoren en Burgemeesteren van 22 april 1738 om, ondanks
het pijnlijke van een dergelijk ondernemen, de secretaris mr. David van | | | | Royen op te dragen de grote man zelf te raadplegen ‘over de
capaciteiten van diegeenen, dewelke hem zouden kunnen succedeeren’. Van
Royen begon, blijkens zijn verslag aan zijn lastgevers, zijn delicate taak
met te ‘proponeeren’: ‘Dat onnut was de Heer Boerhaven bij introductie van
de agting van de hh Curatoren en Burgem.ren te willen
verzekeren:
‘Dat die Commissie uyt hooge agting van zijne merites voortquam: ende dat de
gevoeligheyt van Curateuren en Burgemeesteren over syne zeer ongemakkelijke
toestandt, niet minder was als de veneratie voor sijne gedistin-gueerde
diensten.
Dat de gemeene beschrijvingh van zijn ongemak medebrengt een bekommerlijkheyt
of het Godt behagen zoude hem bij 't leven te behouden, off anders van hem
te disponeeren.
Dat men wel niet gewoon was zulx aan een Patient voor te houden: maar dat men
geconsidereert hadt, dat de speculatien over de nietigheyt van 's menschen
leven, welke hem duizend malen waren voorgekomen, ende de Christelijke
Philosophie, welke hij in zijn leven daarop geoeffend hadt, zyne ziel genoeg
gesterkt had, om in dit voorstel niets ongevoegelijx te vinden.’
Hij ontwikkelde dan verder het verzoek om advies met de verzekering:
‘Ende voor zo verre zodanigh een Declaratoir niet gedaan kan werden, off het
zoude moeten occasie geven omme van deese off geenen anders te spreken, als
zijn gewoonte altijdt geweest was, te weten met zo veel mogelijk van alle
het goede te gedenken: Dat in gevalle hij zulx requireerde, men syn
openhartigh advis met secretesse zoude bedekken.’
Boerhaave geeft dan als zijn wens te kennen, ‘dat voortgegaan wierdt op die
voet, als waar op hy syn Collegeboeken, begrijpende het zekere der oude
Medici, had ingesteld.’ Hij legt er de nadruk op dat ‘de Italiaensche
[iatromechanische] methode vervallen was’, dat de ‘Phantastique chemische
studie niets geestimeeert wierdt’ en ‘dat de Carthesiaense tegenwoordigh
geen ingressie hadt’ en raadt op grond van die overwegingen aan zijn
functies te verdelen over drie van zijn leerlingen, die reeds zijn collega's
waren geworden: de professoren Albin, Van Royen en Gaubius en professor
Oosterdijk.
Bij het doorlezen van dit advies vallen ons twee dingen op. Ten eerste, dat
in dit medisch testament iedere pretentie op de verdienste de medische
wetenschap een eigen systeem na te laten ontbreekt: niets dan een verwijzing
naar zijn geliefde Grieken en een afwijzen van al wat zijn eigen tijd aan
systemen had opgeleverd. Maar in de tweede plaats rijst de vraag, waarom dit
door beide partijen met zo grote tact en waardigheid gevoerde pijnlijke
gesprek eigenlijk gehouden werd. Boerhaave was een zeer groot organisator,
als practicus én als vroom man zal hij zich zeker na de herhaalde
waarschuwingen van zijn ernstige ziekten op zijn sterfelijkheid bezonnen
hebben. De benoeming van drie van zijn leerlingen tot zijn naaste collega's
moet dan ook zijn werk geweest zijn en deze hele delicate onderhandelingen
kunnen curatoren niet veel meer opgeleverd hebben dan de bevestiging van een
wens van Boerhaave - die hij zelf al had verwezenlijkt. Maar er was nog een
andere kant aan deze zaak. Er was nog een vijfde medische docent, zij het
geen pro- | | | | fessorale, aan de Leidse
universiteit, die naar zijn eigen uitspraak sinds 1727 ‘zonder eenige titel
of belooning, maar onder zoo groote toeloop, dat de professoren er eenige
afgunst tegen opvatten’, colleges gaf: Gerard van Swieten. Van Swieten was
een van Boerhaaves meest belovende en geliefde leerlingen, die zich onder
andere ten aanzien van Boerhaaves nagedachtenis verdienstelijk heeft gemaakt
door een zeer zorgvuldige uitgave van diens stenografisch opgenomen colleges
over de
Aforismi
(tussen 1766 en 1772 in vier delen verschenen) . Maar Van Swieten
was katholiek en dat gold toentertijd in de Republiek als een ernstige
belemmering voor het vervullen van een academische functie. Waar we nu zien,
dat Van Swieten in het jaar van Boerhaaves dood zijn colleges te Leiden
staakt, lijkt het ons geen al te gewaagde gissing, dat de autoriteit van de
‘grand old man’ hier voor nog iets anders gebruikt is dan voor de benoeming
van een paar professoren die al benoemd waren en dat Van Royens verslag van
hun gesprek misschien door soberheid en tact, maar niet door volledigheid
uitmunt. In ieder geval, of de naam van Van Swieten erin genoemd is of niet,
het had tot gevolg, dat zijn verdiensten zijn vaderland verder niet ten
goede kwamen: in 1745 werd hij lijfarts van Maria Theresia, in 1749
directeur en praeses van de medische faculteit der Weense hogeschool, in
welke functie hij, waardig leerling van Boerhaave ook daarin, het
geneeskundig onderwijs op moderne voet organiseerde en aan het gezag der
jezuïeten onttrok.
Een paar weken na zijn gesprek met Van Royen maakte Boerhaave zijn testament.
Gedurende de zomermaanden kwam er nog een korte opleving waarin hij zich in
staat voelde, de laatste voorzieningen te treffen voor de uitgave van Jan Swammerdams werken. Van 11 september is zijn
laatste brief aan Bassand, niet in het gebruikelijk Latijn, maar in het
Frans door zijn dochter geschreven en met bevende hand ondertekend: een kort
bericht over zijn ziekte, een betuiging van deemoed en berusting, van
vreugde ook over Bassands genezing en over de uiteindelijke voltooiing van
zijn Swammerdam-uitgave. De 24ste september kwam er een einde aan het leven,
dat hem nog slechts een moedig gedragen last was geworden.
Nu barstte de vloed der loftuitingen eerst recht los, alsof bij zijn leven 's
mans bescheidenheid die nog had ingedamd. Dr. E.
Cohen geeft er een overzicht van in zijn meergenoemd boekje,
beginnend bij de academische rouwrede van Schultens ‘vermoeiend door zijn krampachtig en hijgend
enthousiasme’, over Bilderdijk die in retorische
verzen de Boerhaave-retoriek van Loots te lijf
ging, naar Lodewijk 1 van Beieren die een borstbeeld van Boerhaave in zijn
aan de ‘Deutsche Geisteshelden’ gewijd lof-pantheon ‘Walhalla’ opnam, welke
onderscheiding hij in een eigenhandig geschreven handleiding bij dit
marmeren beeldenspel rechtvaardigde met de woorden: ‘Teutscher Zunge zu
seyn, wird erfordert, um Walhalla's Genosse werden zu können, wie aber der
Hellene ein solcher blieb, gleichviel ob er aus Ionien oder aus Sikelien,
aus Kyrene oder Marsiglia, so der Teutsche, sey er aus Liefland, dem Elsass,
der Schweiz oder den Niederlanden (ward ja holländischer Adel sogar in den
teutschen Orden aufgenommen), und flämmisch und holländisch sind Mundarten
des Platt-Teutschen.’
| | | |
Twee eeuwen zijn er nodig geweest om de vergoddelijking van het genie en de
overschatting van de mens Boerhaave terug te
brengen tot een redelijke waardering voor een begaafd virtuoos in het
wetenschappelijke; organisator, pedagoog en een goed, ijverig, eenvoudig man
die zich die vergoddelijking nooit naar het hoofd heeft laten stijgen. De
Boerhaave-herdenking van 1938 heeft van die verredelijking van het
historisch oordeel getuigd. Laten we, nu het recht zo ver zijn loop gehad
heeft, er dan maar in berusten, dat de populaire hulde van het nageslacht
voor de wetenschappelijke verworvenheden van heel de Hollandse zeventiende
eeuw nog altijd geadresseerd wordt: Boerhaave. Europa.
|
|
|