|
|
|
| |
| | | | | |
De klokkenist der kleine luyden
‘Ik wist hoe de kuiper zijn vaten kuipt. De kunst is de losse duigen naar één
kant te doen buigen. Hij verkrijgt dat door ze in een kring te plaatsen en
dan van binnen een vuurtje aan te leggen. De hitte moet het hout naar binnen
trekken, en als zoo de duigen alle naar binnen zijn gebogen, is het
gemakkelijk ze binnen den hoepel te brengen en zoo tot één vat te
vereenigen.’ De treffende naamszinnegift is van de man zelf. Het vuur was de
geest van Abraham Kuyper, de duigen waren de
orthodoxe kleine luyden, de hoepel was het calvinisme en het vat werd de
anti-revolutionaire partij. Behalve als niet te overtreffen karakteristiek
van zijn betekenis als ‘erflater van onze beschaving’, moge het tevens
dienen als staal van zijn zelden geëvenaard literair vermogen, zo
indringend, dat het overal symbolen - dat is het onderling verband der
dingen - speurde, waar anderen slechts de afzonderlijke dingen zagen.
Maar even tekenend als het beeld zelf, en als het ‘zien’ waarvan het getuigt,
waren tijd en plaats waarop hij het uitte. In wezen de rijpe vrucht van een
aanhoudend en ingespannen nadenken over zich zelf en zijn functie in het
nationale leven, gaf hij het, onbewust misschien, de schijn van een losse
inval door dit zinnebeeld uit te spreken tijdens een feestmaaltijd ter ere
van zijn zeventigste verjaardag. Dit moet, zij het ongewild, het geniale
ervan en daarmee de indruk van dat geniale op de toehoorders ten zeerste
verdiept hebben. Voor het kritisch inzicht daarentegen openbaart deze zelfde
omstandigheid iets van het ‘theatrale’ en dus ‘onechte’ in deze man, dat
zijn bewonderaars niet opmerkten, zijn medestanders hem vergaven, maar dat
zijn tegenstanders velen, en velen hunner zijn vijanden maakte.
Van dit ‘stijlbesef’ telt zijn leven meer voorbeelden. Aan een zeer bekend
zij hier enkel herinnerd. Terwijl Troelstra na de zogenaamde revolutiepoging
van 1918 zei ‘zich in de machtsverhoudingen vergist te hebben’, bekende
Kuyper, in een veel onschuldiger situatie, ‘het boetekleed ontsiert den man
niet’: het eerste werkte, ondanks zijn eenvoud lachwekkend, het tweede
imponeerde, ondanks de ‘opmaak’. Door dit stijlbesef (dat uit het
in-symbolen-zien voortkwam) - werd ieder kwestietje waarin hij betrokken
was, tot een brochure; de titel van elke dezer brochures tot een vondst en
iedere brochure zelf tot een magistrale - of toch als zodanig bedoelde -
aanklacht. Zijn beeldspraak, vooral in die kleinere polemische geschriften,
is even onuitputtelijk als meesterlijk. Gelezen telkens bij het verschijnen
moet de indruk van de volgende die van de vorige versterkt hebben. Maar
wanneer men ze achter elkaar leest, werkt die taalrijkdom niet alleen
vermoeiend, maar geforceerd. Het eeuwige ‘heilige erf’ en al die ‘tempels’
en ‘tentes’, al die stomme e's en andere archaïsmen, heel die tale Kanaäns,
hoe voortreffelijk ook ge- | | | | hanteerd, lijkt dan zozeer
klatergoud, dat men gevaar loopt het echte goud erin te miskennen. De stijl
werkt als hypertrofie en beïnvloedt ook de inhoud. Elke misvatting werd
laster, elke laster snood verraad aan de aardigheid zelve gepleegd.
Maar tegelijkertijd kon hij uiteraard niet afzien van de nu eenmaal in
kerkelijke en politieke strijd gebruikelijke en nooit te versmaden meer
ordinaire middelen, waar die van overreding faalden, want zijn woord had wel
toverkracht, maar slechts voor zijn aanhangers. Is het dan wonder, dat zijn
vijanden bij het horen van zijn naam aan een heel andere betekenis van het
werkwoord ‘kuipen’ herinnerd werden? Dit kuipen vooronderstelt huichelen;
men moet immers, wil men zijn doel langs die weg bereiken, zaken en personen
en vooral ook zich zelf anders voorstellen dan men weet dat ze zijn. Evenwel
de erkenning, dat Kuyper bij meer dan één kruispunt op zijn moeilijke en
gevaarlijke levensweg ook dit kuipen niet versmaad heeft, houdt voor de
psychograaf die slechts begrijpen wil, geen beoordeling, laat staan een
veroordeling in. Over hypocrisie heeft de ons te vroeg ontvallen E. du Perron in zijn laatste geschrift naar
aanleiding van Multatuli behartigenswaardige
dingen gezegd. Is men oneerlijk, heeft hij zich afgevraagd, wanneer men
poseert voor iemand die men niet of toch slechts ten dele is? En zijn
antwoord luidde: de behoefte zich zelf in veredelde vorm te zien, zich de
man in die vorm te geloven, is iets anders dan oneerlijkheid of hypocrisie.
Onbevangen waarneming doet Du Perron toestemmen: ‘zonder de behoefte om de
rol van het ideaal-ik te spelen zou een zodanige natuur ook niet het
karakter tonen, dat haar pleegt te kenmerken. Het poseren voor het ideaal-ik
verheft tegelijk het werkelijke-ik, zodat beide op die enkele beslissende
momenten van het leven zelfs kunnen samenvallen.’ Dit geldt ook voor Kuyper
bij wie de afstand tussen de ‘man Gods’, als hoedanig hij zich zelf wilde
zien, en de mens die hij in werkelijkheid was, in wezen even groot was als
tussen Douwes Dekker en Max Havelaar. Het is bij beiden de grootheid van het
ik-ideaal die de schijn van huichelarij verwekt heeft. Ja de overeenkomst
gaat, hoe vreemd het op het eerste gezicht ook moge schijnen, nog verder en
dieper. Is niet beider ik-ideaal het Christus-willen-zijn? Met dit verschil
dan weer, dat het bij Multatuli de lijdende Zoon des Mensen, bij Kuyper de
triomferende Zoon Gods is die hij ‘verbeeldt’.
Wat zich aan de psycholoog voordoet als de ‘projectie’ van het ‘ik’ op het
ik-ideaal, zag er voor de drager uit als een strijd van de ‘minister’ voor
de soevereine rechten van Christus-Koning. En omgekeerd: wat Kuyper en
strijdersnaturen als hij de misschien onder pijn aanvaarde noodzaak van de
strijd leek: onvoorwaardelijkheid van zijn eisen, hardheid jegens
tegenstanders en nog meer jegens halve meelopers, rusteloosheid, zolang de
overwinning niet volkomen was; in één woord wat hem noodrecht leek: zij zijn
voor de psycholoog de aanwijzingen van het imperialistisch en massaal
streven van deze zeldzame machtspersoonlijkheden. In de omgangstaal duidt
men dit hele complex van verschijnselen met het teken: overtuiging aan, dat
men, zó opgevat, wel dient te onderscheiden van mening, begrip of inzicht.
Kuyper en de weinigen die zijn als hij, hébben geen overtuiging: de
overtuiging heeft | | | |

Abraham Kuyper, omstreeks 1870. Abraham
Kuyperstichting, Den Haag.
| | | | hén. Kuyper was een bezetene
‘ziende op het gebod, blind voor de uitkomst’.
De overtuiging verengt het bewustzijn, omdat zij dit op één punt, namelijk de
inhoud der overtuiging, concentreert. Zij verwijdt het tegelijk, doordat zij
al het andere van uit dit éne punt bezien, aan haar wet onderwerpen wil.
Toen Kuyper in 1872 op de conferentie van Zeist ter
herdenking van de stichting der hervormde kerk driehonderd jaar tevoren, van
het beginsel uitging: ‘Wat bijeenhoort moet zich vereenigen, wat niet
bijeenhoort, moet uit elkaar gaan’ beleed hij slechts de klassieke formule
van alle ‘overtuiging’ die de wereld kneden wil, zoals zij het eigen
bewustzijn kneedt: tegelijk verengend en verwijdend. Verengend door de
aanhang te zuiveren en de zuiveren saam te ballen tot een Gideonsbende,
waardoor alleen voldoende strijd-energie kan worden opgewekt, en tegelijk
verwijdend door die Gideonsbende de taak op te leggen om de wereld te
veroveren in het teken der overtuiging.
De overtuiging, welke ook haar inhoud zij, heeft steeds iets demonisch. Er
school meer waars dan hij dacht in de opmerking van een der leden op die
conferentie te Zeist, die, toen Kuyper zijn zuiveringseis stelde,
interrumpeerde: ‘dat is des duivels’! Honderdmaal is deze methode geslaagd
en honderdmaal ook heeft zij tegelijk gefaald. Het is inderdaad het enige
middel om de strijd te beginnen; het is nooit het middel om de gedroomde
overwinning te behalen. Immers naarmate de ‘overtuiging’ veld wint, verdunt
zij en het einde is noodzakelijk anders dan de leider het zich in den
beginne had voorgesteld. Het is de kwadratuur van de cirkel in de politiek.
Maar de psychologie van de strijdersnatuur - en een strijder was Kuyper vóór
alles: zijn beeldspraak wemelt van militaire vergelijkingen - stoort zich nu
eenmaal niet aan het wiskunstig bewijs van een onmogelijkheid. En terecht.
Men zegt wel, dat de politiek de kunst van het mogelijke is, maar dat geldt
slechts voor de kleine; de grote is veeleer de kunst van het onmogelijke.
Wie een grote politieke figuur - en ook dat was Kuyper - begrijpen wil, moet
van het ‘onbegrijpelijke’ uitgaan: hiervan, dat hij, met al zijn
‘berekening’ in wezen toch juist het onmogelijke wil. En dat ook weer
terecht: want alleen wie het onmogelijke wil, bereikt het mogelijke en wie
alleen het mogelijke wil, bereikt niets.
Het onmogelijke dat Kuyper wilde en dat hem de weg wees naar het bereiken van
het mogelijke, was wat alle kerkelijke-politieke hervormers heeft
voorgezweefd: de theocratie. Het was het ideaal zowel van de grote pausen
als van de grote reformatoren, zowel van een Gregorius vii, Innocentius iii, Bonifatius viii als van een Calvijn, een John Knox, een Cromwell. In de vorm
waarin Kuyper het stelde en stellen moest krachtens zijn historisch milieu,
was het een wederopneming van dat van Calvijn: de absolute soevereiniteit
Gods, de bijbel Gods woord (niet Gods woord in de bijbel, zoals de concessie
der ook-orthodoxen aan het modernisme wilde) en derhalve de bijbel als
absolute autoriteit en met volstrekte geldigheid. Maar dit - krachtens het
imperialisme, aan elke overtuiging inherent - niet alleen soteriologisch,
niet alleen als individuele heilsleer opgevat, maar evenzeer sociologisch
gericht, bestemd om én kerk en staat én wetenschap én kunst, ja de hele
maatschappij te doordringen.
Het mogelijke dat hij, door deze overtuiging gestuwd, wist te bereiken, was
| | | | weliswaar niet de verwerkelijking van dit ideaal, maar
nochtans zó veel, dat het anderen, ook onder zijn volgelingen, nog
onmogelijk genoeg toescheen, want al hebben wij hierboven tussen het
‘onmogelijke’ van het ideaal en het ‘mogelijke’ van het bereikbare ook
scherp onderscheiden, we dienen ons niettemin tegelijkertijd de
verschuifbaarheid van de grenzen tussen het mogelijke en het onmogelijke
even scherp bewust te blijven. Wat voor ‘gewone mensen’ onmogelijk zou
geweest zijn, was voor een man als Kuyper juist krachtens zijn ‘onmogelijke’
overtuiging, wél mogelijk.
Drieërlei moed heeft de man van overtuiging: moed om tot de kern door te
dringen, moed om te beginnen en moed om te volharden. Kuyper had ze alle
drie. Alle drie hebben zij zijn kracht bevleugeld. En die kracht heeft hij
stelselmatig op het ene doel gericht. Daardoor en daardoor alleen is het
mogelijk geweest, dat de geschiedenis hem kent als de man die nog vóór zijn
vijftigste levensjaar verstreken was, een dagblad opgericht, een partij
gesticht, een universiteit geschapen en een Kerk gebouwd had; als de man
wiens kracht daarna, ondanks het doorstaan van twee zenuwcrisissen, nog zó
ongebroken was, dat toen pas zijn nationaal-politieke loopbaan als
partijleider en kamerlid begon, die van zijn vierenzestigste tot zijn
achtenzestigste nog eerste minister kon zijn en die daarenboven nog een
tweehonderdtal geschriften heeft nagelaten, waaronder één -
Ons Program
- van 1300 en een ander -
Antirevolutionaire Staatkunde
- van zelfs 1400 bladzijden; als de man die behalve als theoloog en
polititcus ook nog als journalist geschitterd heeft, waarvan men zich
gemakkelijk kan overtuigen door de lectuur van zelfs maar enkele der, naar
schatting, 20 000 artikelen in de
Heraut
en De Standaard, die uit zijn
altijd schrijvensrede pen gevloeid zijn.
Even massaal als de man zelf, is de weerklank die zijn arbeid zowel bij vóór-
als tegenstanders vond. De literatuur óver Kuyper is even onoverzichtelijk
als die ván hem. Zelfs de ijverige nasporingen van dr. J.C. Rullmann, zijn vereerder en biograaf, neergelegd in zijn
tweedelige Kuyper-bibliografie, hebben niet tot een afdoend resultaat geleid
en evenmin compleet is de ‘lijst van geschriften betreffende leven en arbeid
van dr. A. Kuyper’, samengesteld door D.
Grosheide naar aanleiding van de Kuyper-tentoonstelling in 1937.
Die weerklank alleen al bewijst, zo er nog een bewijs nodig was, dat Kuyper
meer dan genoeg gedaan heeft om een plaats in de rij der erflaters van onze
beschaving te verdienen. Want zij bewijst, dat hij er, inderdaad, het
onmogelijke willend, in geslaagd is, het mogelijke te bereiken. Dat wil
zeggen het opnemen van het tot dusver afzijdig gebleven en nog meer achteraf
gehouden calvinistische volksdeel in de natie. Colijn wie, ofschoon alles behalve een profeet, Kuypers
profetenmantel later op de schouders is gevallen, heeft dít toch zeer juist
gezegd: alles bij Kuyper was ‘slechts middel ter bereiking van één centraal
doel: het tot samenhangend wetenschappelijk, religieus en politiek
bewustzijn brengen van een verscholen en als achterlijk verachte groep van
het Nederlandsche Volk’.
Verwondering is het beginsel der wijsheid, of minder klassiek gezegd:
vraagstelling is het begin van inzicht. Vragen wij ons af, hóe dit mogelijk
was, dan blijkt dat het antwoord niet bevredigend uitvalt, wanneer we
uitsluitend re- | | | | kening houden met de ongetwijfeld geniale
eigenschappen van de man onder wiens leiding zich dit proces voltrok.
Immers dan blijkt ter eenre dit: dat hij niet de eerste en ook niet de eerste
van formaat was, die gepoogd heeft de calvinisten tot de cultuur en de
cultuur tot de calvinisten te brengen. Maar al die voorafgaande pogingen
hadden gefaald. Hoe nauw ook de oorsprong van de Republiek der Verenigde
Nederlanden met het calvinisme verbonden was geweest, overwégen doen in haar
cultuur factoren van humanistische aard en wel zózeer, dat iemand, die
cultuur op zich zelf bestuderend en onkundig van de rest onzer geschiedenis,
waarschijnlijk niet eens op de gedachte zou komen, dat die cultuur gebloeid
heeft in een staat die zijn ontstaan en bestaan aan het calvinisme dankte.
Vandaar, dat er in de reeks der zeventiende-eeuwse erflaters aan een Gomaer,
een Bogerman, een Trigland, een Voet of welke der Dordtse vaderen of hun
naneven ook, geen plaats mocht worden ingeruimd. In de achttiende eeuw kent
het calvinisme te onzent zelfs geen figuren van meer dan gewoon formaat meer
met uitzondering van Bilderdijk die dan ook de
grote Eenzame was en niet anders wilde zijn. Bilderdijk slaagde evenmin als
zijn leerlingen Da Costa en De Clercq, en zelfs een Groen van
Prinsterer (1801-1876) kon alleen enkele fundamenten leggen, waarop
Kuyper heeft kunnen voortbouwen.
Ter andere blijkt dit: dat een man van ongetwijfeld kleiner formaat dan
Kuyper, dat Schaepman er wel in kon slagen voor
het katholieke volksdeel te doen hetgeen Kuyper voor het calvinistische
gedaan heeft. Maar ook Schaepmans succes geeft op zich zelf nog geen
voldoende verklaring voor dat van Kuyper. Schaepman, zullen wij zien, werd
vooral geschraagd door het internationale verband waarin hij werkte en
Kuyper miste dat.
Zo blijft, wanneer het dan niet uitsluitend de macht van zijn genie geweest
kan zijn, voor de verklaring van Kuypers slagen niets anders over dan dit:
dat sedert Groen de kentering der tijden gekomen was. Het protest van Da
Costa tegen de ‘Geest der Eeuw’ was zonder echo verstomd. Groens
gelijkstelling van ‘ongeloof’ met ‘revolutie’ en zijn leus van ‘tegen de
revolutie het evangelie’ had de vijand amper uit zijn tent gelokt. In
Kuypers tijd daarentegen vond diens protest tegen de
Eenvormigheid, de Vloek van het moderne Leven
gehoor. De liberale era met haar atomisering en individualisering
waarvan Thorbecke de markante verpersoonlijking
was geweest, was omstreeks '70 over haar hoogtepunt heen. De nieuwe tijd,
welks diepste tendensen van organisering en massaliteit pas een halve eeuw
later onweerstaanbaar duidelijk zouden blijken, kondigde zich vagelijk aan.
Maar zó vaag, dat er de scherpte van blik van een Kuyper nodig was, om het
te beseffen. Kuyper die achterom zag naar Calvijn en niets anders wilde dan
dat, een vooruitziende geest? In het licht van de latere geschiedenis moeten
we, zij het met voorbehoud, zeggen: ja, hoe paradoxaal het ook klinkt. Want
het is, wel geproefd, toch nieuwe wijn, die hij in deze oude zakken doet. En
wel beschouwd is dit ook zo paradoxaal niet als het klinkt. Immers
wérkelijke reactie in de zin van wérkelijke terugkeer tot het oude is
onbestaanbaar, omdat het streven ernaar altijd maar een gedeelte van het
geheel betreft. In een | | | | nieuwe omgeving wordt het
schijnbaar-oude, ook ongewild en ongeweten, tot iets nieuws.
Maar juist omdat dit naar de toekomst gekeerde zo centraal in Kuyper is, zijn de bewijzen ervoor moeilijk te
geven. Het blijft niettemin waar wat professor Eerdmans reeds in 1909 schreef: ‘Bij liberalen geldt dr. Kuyper
veelzins als den man der reactie, die terug wil naar een overwonnen
standpunt. Men kan zulk een oordeel alleen vellen, wanneer men over hem
spreekt zonder te lezen wat hij schrijft.’
Nieuw is Kuyper zowel in zijn zíjn als in zijn dénken. In zijn zijn, want hij
werd de eerste volksman te onzent, toen hij op het einde van de jaren '60
zijn kerkelijke strijd begon - Domela
Nieuwenhuis, in 1846, dus negen jaar later geboren, trad pas tien
jaar later dan hij op het groot toneel. Kuyper werd de eerste ‘leider’ in de
tegelijk zeer oude en zeer moderne, in de charismatische betekenis van dat
woord, de ‘leider’, waarvan zijn oude mede- en latere tegenstander De Savornin Lohman terecht kon zeggen: ‘Zijn
volgelingen houden hem voor een profeet, zij vereeren hem en laten hem niet
los, al doet hij nog zoo gek.’ Kuyper was profeet, ja. Maar hij kende daarom
ook het woord van Paulus die zei, dat de geest des profeten aan de profeet
onderworpen moet blijven. Ook dit zakelijk-berekenende, kenmerk van dit
modern-mystieke leiderschap, was nieuw. Hij had dít zelfs in veel hoger mate
dan Domela Nieuwenhuis. Zó nieuw was dit alles, dat men in die dagen een
leider nog op z'n Engels ‘leader’ noemde.
Nieuw is ook zijn denken. En dat hij zich zelf allerminst op zijn
oorspronkelijkheid liet voorstaan is daarmee slechts schijnbaar in
tegenspraak. Hij heeft wel gezegd ‘wat ik op theologisch, kerkrechtelijk en
staatkundig gebied betoog, is niets dan zuivere kopie leveren van wat
Calvijn en zijn school beoogde.’ Maar dat is op zijn best dezelfde
beminnelijk eenvoudige vergissing, die er Lenin toe bracht om te zeggen, dat
hij niets anders deed dan Marx interpreteren. Doch evenals deze daarmee Marx
wilde toepassen op de verhoudingen van zíjn tijd, en hem daarmee veranderde,
zo veranderde Kuyper ook Calvijn, toen hij zei, dat hij de sinds het midden
der 18de eeuw slapende gereformeerde theologie ‘weer wakker wilde schudden
en in rapport brengen met het menselijk bewustzijn, gelijk het zich aan het
einde der 19de eeuw ontwikkeld heeft’. Wat Kuyper op theologisch gebied
veranderde, heeft dr. Hylkema in zijn
Oud en Nieuw Calvinisme
breedvoerig en de zoëven genoemde Eerdmans in zijn brochure
De theologie van dr. A. Kuyper
zo beknopt als de moeilijke stof het toeliet, uiteengezet. ‘De
Theologie van dr. Kuyper,’ zo lezen wij daar, ‘wil het Gereformeerde Volk
een eind verder brengen. Zij wil het halen uit zijn afgetrokkenheid in het
volle licht des levens. Daarover kan men zich slechts verheugen. De tijd zal
wel komen, dat ook dit Gereformeerde Volk, dat door den leider geleid werd,
aan den golfslag zal merken, dat zijn scheepje in andere wateren vaart.’ Het
ventiel waardoor Kuyper verse lucht in zijn volk pompte, heet bij hem de
Gemene Gratie. Alleen de naam daaraan is vreemd. In een boek, dat die titel
draagt, heeft hij dit begrip zeer klaar uiteengezet. Het komt hierop neer,
dat de Gemene Gratie - in tegenstelling tot de particuliere genade voor de
uitverkore- | | | | nen-alléén - voor alle mensen geldt: zij is als
het ware de sordino op de paradijsvloek, die gemaakt heeft, dat na de
zondeval niet de hele aarde in één chaos van afzichtelijkheid verzonken is.
‘De vloek is allerwegen merkbaar, maar is in zijn werking gestuit’ en het is
dankzij die bewarende werking van de Gemene Gratie, dat ons verstand niet
geheel verduisterd is en deze wereld ons nog zo veel schoons vertonen kan.
Hiermee is weliswaar Kuypers kritiek tegenover de wereld, de wetenschap en de
kunst zijner dagen niet het zwijgen opgelegd, maar zij zijn er in beginsel
toch mee aanvaard. Zijn imperialistische geest dreef hem tot die
aanvaarding. Dit, zijn leerstuk, was de vorm waarin hij zich die aanvaarding
mogelijk maakte, schijnbaar zonder verloochening van zijn beginsel ‘dat God
alles en alle mensch niets te achten is’. Door dit leerstuk kon hij het
leven van zijn tijd meeleven en zelfs, waar hij wilde, bevorderen, ook tegen
de meningen der broeders in. De Gemene Gratie was de olie op de golven van
strijd in zijn kring tegen de vaccinatie en het verzekeringswezen. Wij
spotten niet, doch delen feiten mee. Uitvoerige uiteenzettingen omtrent deze
gewichtige levensvragen zijn uit zijn pen gevloeid, waarin beide
instellingen met een beroep op de Gemene Gratie verdedigd worden.
Maar de werking van deze geniale greep was met deze pleidooien lang niet
uitgeput. Het Nederlandse in dit leerstuk (Nederlands omdat zij het starre,
dat het oorspronkelijk calvinisme aankleefde, verzachtte tot nu mogelijke
verdraagzaamheid) opende harten en oren in Nederlandse kringen, die anders
voor hem gesloten zouden zijn gebleven. Door het leerstuk der Gemene Gratie,
maar ook daardoor alleen, werd de basis van zijn stelsel breed genoeg om het
calvinisme uit te bouwen van eenzijdig kerkelijk dogma tot een alzijdige
levens- en wereldbeschouwing, hetgeen hij onder andere gedaan heeft in de
beroemde zes in 1898 in Amerika gehouden Stone-lezingen. Door de Gemene
Gratie maakte hij niet alleen zijn eigen groep aannemelijker voor het
‘denkend deel der natie’ (zoals de in het culturele leven toen nog leidende
liberale kringen zich zelf bij uitsluiting achtten), maar stootte hij tevens
de wereld van wetenschap en kunst voor zijn geloofsgenoten open. Dat zij er
aanvankelijk slechts bedremmeld en oogknipperend binnengingen, was
onvermijdelijk. Niet alle Kuyperianen konden nu eenmaal Kuypers zijn.
Nieuw was ook zijn sociale denken. Men is geneigd hem in deze al te zeer te
beoordelen naar zijn ministerschap, en dan nog naar zijn stakingswetten van
1903. Maar we hebben ook bij Thorbecke gezien,
hoe diep de kloof tussen denken en daad kan gapen. Maar evenmin als wij op
die grond de liberale staatsman van ‘valsheid in geschrifte’ beschuldigd
hebben, zullen wij het de antirevolutionaire doen. Geen enkel politicus is
nu eenmaal in zijn handelen vrij en hoe hoger hij stijgt des te minder. De
onvermijdelijkheid daarvan ziet men gemakkelijk in, wanneer men de macht als
een bol voorstelt: hoe groter de bol, des te groter ook de wrijving met wat
buiten de bol bleef.
Aan de echtheid van Kuypers democratische gezindheid, onder andere tegenover
Troelstra beleed hij - ‘ik ben altijd democraat geweest en als
christen-democraat hoop ik te sterven’ - behoeft men daarom dus nog niet te
twijfelen. En zelfs al wil men dit, dan blijft nog, dat hij gezien heeft,
dat de | | | |

De eerste pagina van Kuypers preek, gehouden te Beesd op 13
september 1863. Abraham Kuyperstichting, Den
Haag.
| | | | sociale kwestie op het einde der 19de eeuw dé levenskwestie
geworden was. Hij heeft het gezien, want anders had hij het niet kunnen
zeggen. Hij heeft haar in zijn Maranatha,
de inleidingsrede op de deputatenvergadering der Anti-Revolutionaire Partij
van 1891 de ‘beweegoorzaak van onzen vormdriftigen tijd’ genoemd. ‘De
oligarchie der financieel en intellectueel bevoorrechte klasse heeft uit. De
massa is in gisting geraakt. Het sociaal belang is op de voorgrond getreden.
En met dreigende taal en nog dreigender gebaren vraagt het gedrukte volk den
liberalisten rekenschap af, waarom, indien dan het volk soeverein is, dat
soevereine volk in zijn massale afmetingen nog langer door deze oligarchie
moet worden vertreden.’
Kan het korter, krachtiger, juister? Rechtstreeks heeft hij niets gedaan om
het ‘vertreden van het volk door die oligarchie’ te stuiten, het zij grif
toegegeven. Had hij dat wel gedaan, dan zou de Kroon hem tien en ook twintig
jaar later nog niet tot minister van Binnenlandse Zaken hebben benoemd. Maar
vraagt men of niet mede door Kuypers arbeid de massa van het Nederlandse
volk los gekomen is van de trage berusting waarin het in zijn tijd
voortvegeteerde, vraagt men of hij niet mede het weer heeft leren leven dan
moet het antwoord luiden: ja. Want het was waar, dat op de eerste
vergadering der Vrije Universiteitsvereniging Friese boerenkappen en Marker
broeken, ja, Marker gestreepte rokken te zien waren. En deze typische
vertegenwoordigers van ‘Gods volk’ ontbraken ook niet op de zoveelste
vergadering van 1969, zij het niet zonder ontsteltenis over wat de gemene
gratie in de verlopen jaren op het gebied der gereformeerde wetenschap had
leren omvanen der gereformeerde wetenschap gegroeid was. Het was waar, wat
Kuyper zelf zei, al klinkt het, als altijd,
iets gezwollen ‘dat de minst geachten uit het “niet denkend deel der natie”,
van den ploeg en van den meeltrog kwamen loopen om de penningen saâm te
brengen voor een te stichten Universiteit’. En het was ook waar wat Allard
Pierson, zijn besliste tegenstander toch, naar aanleiding van de stichting
der universiteit heeft opgemerkt ‘dat dit opkomen voor een stichting juist
uit de lagere standen der maatschappij moed gaf voor de toekomst van ons
volk en vaderland’.
Veelal nieuw ook is in verband met zijn sociale denkbeelden zijn politieke
visie, het woord is niet te sterk. In zijn Odeon-rede van 1869 Eenvormigheid, de vloek van het moderne leven,
stelde hij tegenover de eenvórmigheid die hij om zich heen zag groeien en
die hij de vrucht van de Franse revolutie achtte, de éénheid die hij als het
einddoel volgens de Openbaring beschouwde. De eerste zag hij als een
roekeloos nivelleren en wegschaving van alle verscheidenheid, als een
eenheid des doods, terwijl de tweede de levende eenheid zou brengen door
inwendige kracht groeiend juist uit de verscheidenheid der volkeren en
geslachten. En hij vond, ook hier weer, het treffende beeld. Er was
gelijkheid tussen beide, ja, maar als bij het echte en valse muntstuk,
slechts in schijn.
Toch wil het ons voorkomen, dat hij in de praktijk vals en echt niet altijd
heeft onderscheiden. Daarvan getuigt zijn levenslange bewondering voor het
Duitse wezen, waarin hem blijkbaar het moderne eenheidsstreven trok, meer
een vrucht toch - naar zijn eigen onderscheiding - van de Revolutie dan van
| | | | de Openbaring. Zozeer aantrok zelfs, dat het in 1870 een
van de geschilpunten werd tussen hem die, instinctief pro-Duits, in
Frankrijks nederlaag de straf voor het revolutionair verleden zag, en Groen die in alles nog Frans georiënteerd was,
hoezeer Frankrijk dan ook het land van de revoluties was. Zozeer ook aantrok
dat volgens mr. A. de Leeuw deze gezindheid hem
tijdens zijn ministerschap tot een pro-Duitse politiek op eigen houtje
verleid heeft, en deze de oorzaak zou geweest zijn, dat zijn politieke rol
sindsdien was uitgespeeld. Doch hoe dit zij, zeker is dat zijn eigen kracht
hem meer dan wie van zijn tijdgenoten ook, gevoelig gemaakt heeft voor die
van het herrijzend Duitsland.
Maar zijn politiek instinct peilde nog dieper in de toekomst, hetgeen
tegenwoordig niet moeilijk meer is aan te tonen. Behoeft men daartoe meer te
doen dan op één titel van een paragraaf uit
Ons Program
te wijzen? Die titel luidt Corporatieve Staten en één zin daaruit:
‘Goede Staten-Generaal zouden dus gekozen behooren te worden door de
Staten-provinciaal; deze door de Gemeenteraden en die Gemeenteraden door de
gemeentelijke corporatiën; bijaldien de natie weer naar
behooren in organisch verband haar zin en neiging zou
kunnen openbaren.’ En hij stelde die corporatieve staat elders uitdrukkelijk
tegenover de atomistische staat die uit de Franse revolutie was
voortgekomen. En dat is niet in 1938, maar in 1878 geschreven. Laat deze
voorkeur een terugkeer hebben willen zijn, maar dan was het toch een
terugkeer, naar uit de latere historie bleek, die, zij het op een bepaalde
manier, tegelijk naar voren wees.
En nieuw, merkwaardig nieuw zelfs was destijds zijn kijk op de wetenschap. En
zij kon het, evenals bij zijn politieke visie, alleen zijn vanuit het
‘ouderwetse’ zijner overtuiging. Kuyper onderscheidt ergens tussen
‘momenten’ en ‘relaties’ (tussen zaken en hun verbindingen). ‘Het moment
wordt zintuigelijk waargenomen, de relatie door het denken. Beide hangen
zeer nauw samen, ja zoo overweldigend wordt bij de eenvoudigste
tegenstelling dezer beide (kracht en stof) de indruk der relatie, dat men
geneigd zou zijn de realiteit van de stof te loochenen en enkel de relatie
voor werkelijk bestaand aan te zien.’ En even oorspronkelijk voor zijn tijd
als zijn protest tegen de materialisering der wetenschap, is dat tegen het
toepassen der exacte methode op de geesteswetenschappen. ‘Te dien einde moet
weerstand worden geboden aan de neiging om de geestelijke wetenschappen aan
de methode der natuurkundige te onderwerpen en de beteekenis van het
onderzoekend en denkend subject tegenover het te onderzoeken en in te denken
object tot haar recht komen.’ Ja, hij ging nog verder. Hij erkende het
subjectieve element in alle wetenschap. Het is waar: hij had dit nodig ter
rechtvaardiging van de stichting der Vrije Universiteit die alleen
bestaansrecht had, wanneer niet alleen calvinistische theologen, juristen of
historici, maar ook calvinistische fysici of medici anders tegenover hun
objecten stonden dan de ‘gewone’ geleerden. Maar het is even waar, dat hij
voor die subjectiviteit een meesterlijk pleidooi leverde. En het is ook even
waar - hetgeen van nog meer belang is - dat Kuypers opvatting dichter bij de
tegenwoordige staat dan die van de gemiddelde geleerde uit zijn tijd. Wie in
de 19de eeuw zó schreef, heeft misschien | | | | voor zijn eigen
bewustzijn achteromgekeken, maar in werkelijkheid zag hij, op een bepaalde
wijze uiteraard alweer, vóóruit de 20ste in.
Dat iemand die intuïtief zó ver zag, niet ook tegelijk nog oog had voor de
consequenties van dit nieuwe inzicht, dat hij tegelijk in het 19de-eeuwse
wetenschappelijke optimisme bleef hangen, zodat hij schrijven kon ‘dat zich
toch nu reeds gissen laat hoe heel het gebouw (der wetenschap) eens voltooid
zal worden’, dan dient men hem dat, dunkt ons, evenzeer te vergeven als zijn
talloze fouten en vergissingen in details, die zelfs zijn vrienden uit vrees
om niet voor vol te worden aangezien in hem betutteld hebben, maar waarvoor
deze geest nu eenmaal geen oog had. Vanuit een vliegtuig kan men wel de
geleding van het landschap, maar met de beste wil geen graspollen of
kikkerdril zien.
Overdreef dus Eerdmans wel zo héél erg, toen hij
tot besluit van de genoemde brochure schreef: ‘Dr. Kuyper is een man van den
“vooruitgang”, die door zijn optreden niet minder bevorderd wordt, dan door
de meest radicale theorieën van de uiterste linkerzijde?’
Laten we het bekennen. Het avontuur van deze geest heeft ons verleid tot een
onbezonnenheid die, wij weten het, niet des geschiedschrijvers is. In plaats
van stap voor stap de fasen van zijn leven na te gaan en de groei zijner
denkbeelden in samenhang daarmee te demonstreren, hebben we als het ware met
één pennestreek dit karakter willen tekenen, dat van bewonderende
spotterszijde de naam van ‘Abraham de Geweldige’, gekregen heeft. Wij
troosten ons met de gedachte, dat wij althans van Kuypers schim dáárover
geen verwijt hebben te vrezen. In zijn bewogen leven is fataler
onbezonnenheid geweest. Het verzuimde laat zich bovendien nog inhalen. Maar
het is ook nodig dit te doen, want terwijl de voorgaande bladzijden de
indruk moeten wekken, dat Kuyper, als Athene uit het hoofd van Zeus, in
volle wapenrustig uit zijn eigen hoofd geboren is, is in werkelijkheid bij
hem het verband tussen zijn ervaring en zijn ‘erfenis’ even innig als bij
welke andere ‘erflater’ ook.
Ds. Jan Frederik Kuyper stond te Maassluis, toen op
zondag 29 oktober 1837 zijn oudste zoon geboren werd die hij naar zijn
vader: Abraham noemde. Wanneer we meer van de wetten der psychische
erfelijkheid wisten, zouden we misschien met groter zekerheid Abrahams
aanleg aan het kosmopolitisch karakter van zijn afkomst kunnen toeschrijven.
Zijn grootmoeder van vaderszijde toch droeg de Slavische naam Bodirin, die
van moederszijde was uit het Luikse, terwijl Henriëtte Huber, zijn moeder,
van Duits-Zwitserse origine was. Maar wat met deze gegevens aan te vangen?
Zij zijn immers potentieel dezelfde voor Kuypers zusters die zich door niets
onderscheiden hebben?
Hoe dit zij, Abraham zelf was wél en al heel vroeg een bijzonder ventje. Zijn
grote hoofd wekte verbazing en zelfs ongerustheid. Zijn prille
bekeringsijver te Middelburg, waarheen het gezin in
'41 verhuisde, is typerend, niet alleen voor het negenjarig kind, maar ook
voor de latere man. Hij zou destijds namelijk een poging hebben gedaan om de
matrozen van een daar gemeerd schip het vloeken af te leren. Hij nam daartoe
uit zijn vaders kamer een traktaatje, dat hij hun voorlas maar tegelijk een
kist sigaren die hij onder zijn | | | | aandachtig gehoor verdeelde.
Zijn weifeling, wat later, tussen zeeman of dominee worden is intussen
misschien minder vreemd dan het de velen toeschijnt, die vergeten zijn dat
élk beroep voor het kind een avontuur lijkt. De beslissing viel ook normaal
op het ambt van de vader, toen deze in '49 een beroep naar Leiden aannam. Ook zijn gymnasiale en universitaire loopbaan
biedt geen andere bijzonderheid dan gretige krantenlectuur tegen vaders
verbod in en dit natuurlijk, dat de jonge Kuyper
knap was en al zijn examens met de hoogste of bijna hoogste lof aflegde.
Menigeen echter heeft dat gedaan en doet het nog zonder zich in het latere
leven door iets te onderscheiden. Ook zijn richting vertoonde nog niets
eigens. Zijn vreugde over Thorbeckes val in '53
was erfenis van thuis; het modernisme waarmee hij van thuis losraakte,
leerde de machtige en welsprekende ‘vir doctissimus’ Scholten hem aan de universiteit, waar hij in '55 ingeschreven
werd. Hij ging zelfs heel ver in die richting. Hij applaudisseerde mee op
het college waar Rauwenhoff de verrijzenis van Christus loochende.
Toch ligt in die Leidse jaren de eerste ervaring van spanning, onbedrieglijk
kenmerk van de grote geest, of het moest dan zijn, dat men die polariteit al
aanwezig acht in het traktaatje en de sigaren: immers een door de jongen
zelf gelegd contact tussen twee objectief gescheiden en tegengestelde
‘werelden’. Ook professor Scholten namelijk was een groot man. Ook hier dus
een spanningscontact tussen overigens gescheiden en tegengestelde
‘werelden’: tussen het modernisme en de leer der Dordtse vaderen. Scholten
legde het in zijn hoofdwerk
De leer der Hervormde Kerk in hare grondbeginselen uit de
bronnen voorgesteld en beoordeeld
(1848-'62). Hij interpreteerde hierin de leer op zijn moderne
wijze, maar Kuyper leerde er niettemin de Dordtse teksten grondiger door
kennen dan wanneer hij ze opgetekend zou hebben uit de mond van een
middelmatig orthodox exegeet. In de beantwoording van de Groningse
prijsvraag, waarin een ‘oordeelkundige vergelijking van de gevoelens van
Calvijn en a Lasco over de Kerk’ gevraagd werd, waartoe, in '60, professor
Matthijs de Vries de veelbelovende student
aanzette, is intussen eerder sprake van voorkeur voor de Poolse dan voor de
Geneefse hervormer. De ‘vinger Gods’ die Kuyper later ontwaarde in het
toeval, dat de vader van De Vries een aantal van de zeer zeldzame werkjes
van a Lasco bezat zonder het zelf nog te weten, wees hier nog tamelijk
onbestemd.
Aan het tweede ‘wonder’ uit die jaren, waarop Kuyper in zijn
Confidentie
en zijn biografen na hem zeer de nadruk gelegd hebben, is althans
iets wonderlijks. In zoverre dan, dat het vreemd is, dat een middelmatig
boek als de Heir of Redclyffe van Miss Yonge waarin het
ware geloof de gewone triomfen over verderf en ondergang viert, zó'n indruk
op Kuyper maakte, dat hij het begin van zijn ‘bekering’ daarnaar dateert.
Het boek gaf hem het ‘heimwee naar een Kerk, die als een moeder van de jeugd
af onze schreden leidt’. Maar zo heel wonderlijk is het ook weer niet,
wanneer men bedenkt, dat hij overspannen was, toen hij het las, en die
overspanning de doorbraak was van een reeds aanwezige crisis in zijn
geloofsleven. In deze crisis openbaarde zich een verzet tegen de Leidse
geest van omstreeks 1860, dat op zich zelf begrijpe- | | | | lijk genoeg
was. Het modernisme, hoezeer het zijn verstand aantrok, kon een gemoed als
dat van Kuyper bezwaarlijk bevredigen. Het kende de zonde immers niet en een
gretige dús zondige natuur als de zijne, zocht een werkzamer tegengif dan de
moderne ethiek met de veronderstelde menselijke goedheid als grondslag.
Na de eerste crisis viel op 20 september 1862 zijn promotie tot doctor in de
godgeleerdheid op zijn prijsvraag-antwoord. Hij was toen al verloofd en het
jaar daarop volgde zijn huwelijk met Johanna Hendrika Schaay, in de ogen van
zijn gereformeerde biografen toen nog maar een werelds en ongelovig ding.
Met haar samen betrok hij in '63 de pastorie te Beesd, zijn eerste standplaats.
Hier in de Betuwse afzondering woonden gemeenteleden die zo niet de letter
dan toch de geest van Calvijn de eeuwen door hadden bewaard. De
‘doorbekeerde en beproefde ziel’ die in het onaanzienlijk lichaam van Pietje
Baltus huisde bij voorbeeld weigerde hem bij zijn eerste bezoek de hand ten
afscheid. En toen hij aandrong - het verzet tegen hem, de gevierde
man-en-herder, prikkelde hem tot verwonderde belangstelling - kreeg de mens
er een, niet de leraar. Uit de belangstelling groeide zich-inleven in deze
geest, uit dit zich-inleven gelijkgezindheid. Haar ‘steile afhankelijkheid’
werd de zijne. Zijn machtsinstinct voelde hier een kracht, groter dan die
van alle heren der synode bij elkaar.
Maar Beesd bleef toch maar Beesd, zelfs al hadden alle gemeentenaren er
Pietje Baltus geheten. Het Betuws Macedonië was te klein voor deze
Alexander. De tijd die hij er nog doorbracht, besteedde hij aan de uitgaaf
van de complete werken van zijn oude vriend a Lasco, die hij in '65
voltooide. Toen twee jaar later door toedoen van Beets die het nieuwe licht
uit de Betuwe ontdekt had, een beroep naar Utrecht
kwam, nam hij aan. Een protest van Pietje legde hij terzijde, maar haar
portret nam hij mee. Het stond zijn verder leven op de schoorsteenmantel van
zijn studeerkamer en het hangt thans, vergroot, in het Kuyperhuis in Den Haag. Een bijzondere plaats heeft deze vrouw
stellig ook in zijn hart bekleed. En terecht: zij was voor hem in de eerste
plaats het symbool van zijn bekering; tegelijk is zij het symbool van de
aanraking tussen deze intellectueel en het volk, voor de bevrijding waarvan
hij, op zijn wijs, de strijd zou aanbinden. Een strijd die dit afgewende
volk der natie toe zou wenden en die tegelijk hem de gelegenheid bieden zou,
zijn volle gaven te ontplooien. Had hij ze zelf al gevoeld of had de
profetie van het schoolhoofd ze hem geopenbaard? ‘Hij is in de wieg gelegd
om minister van Binnenlandsche Zaken te worden’ moet deze van de jonge
dominee gezegd hebben.
Het ministerschap zou nog een derde van een eeuw op zich laten wachten, maar
zijn nieuwe gemeente hoorde toch reeds bij zijn intree de strijder in haar
nieuwe predikant. ‘Of we tot kerkherstel of tot stichting eener nieuwe kerk
ons moeten opmaken, tot bouwen zijn we in elk geval geroepen’ is er een
citaat uit. En met deze woorden waren zijn daden in overeenstemming. Toen
hij het volgend jaar de veldtocht opende door de kerkeraad voor te stellen
de tabellen der synode met betrekking tot de visitatie oningevuld te- | | | |

Dr. A. Kuyper, minister, 1905. Abraham
Kuyperstichting, Den Haag.
| | | | rug te zenden ‘omdat er tusschen hem en de
tegenwoordige waardigheidsbekleeders der synode geen gemeenschap des geloofs
en der belijdenis bestond’ en hij dit besluit in zijn
Kerkvisitatie te Utrecht in 1868
verdedigd had, vielen de meeste Utrechtse óók orthodoxen, zowel die
uit kerkelijk als uit academische kringen, voorzichtig, de toch zo
hooggeschatte broeder Kuyper af.
Wat Kuyper wilde was een synode vrij van staatsbemoeienis, die bij haar
visitaties niet slechts het leven, maar ook de leer der geestelijke
gezagsdragers onderzoeken zou. Mannen als Doedes
en Van Oosterzee hadden tegen de koninklijke
kerkreglementen van 1816 en 1852 waartegen de strijd feitelijk ging, al
waren die in de loop der tijden wel verzacht, dezelfde bezwaren, maar zij
bepaalden zich tot de verdediging hunner orthodoxe inzichten en vreesden,
apologetisch-irenisch als zij waren, de aanval. Terwijl de strijd nog
nauwelijks begonnen was, leerde Kuyper de vereenzaming kennen die bij elke
grote strijd voor de leider althans tijdelijk onafwendbaar is. De leidende
orthodoxen begonnen in hem de radicaal en demagoog te vermoeden, katholieken
schuwden hem als heftig anti-papist, voor de modernen was het mooie jonge
eendje van weleer tot een lelijke zwaan geworden, terwijl de liberalen als
bij instinct bevroedden, dat in hem dé vijand, zowel van hun
wereldbeschouwing als van hun heerschappij was opgestaan. Alleen Groen van Prinsterer, de ook eenzame maar tevens
toch ook de politicus die reeds de toekomstige leider der
antirevolutionairen in hem zag, hield zijn zijde.
De vereenzaming leerde hem, dat het zonder steun van onderop niet zou gaan,
nu die van boven gefaald had. Maar voor het werven van aanhang onder het
volk was Utrecht de plaats niet. Kuyper stond
echter minder alleen dan hij dacht. In Amsterdam
had men op hem gewacht. Een van de verzachtingen op 1816 was de instelling
van kiescolleges voor kerkeraad en leraren. In de hoofdstad had dit novum
tot een gereformeerde kerkeraad geleid en de eerste predikant die het nieuwe
kiescollege in 1870 koos, werd - Abraham Kuyper. In zijn intree daar
hetzelfde geluid van 1867, maar met de megafoon. ‘We moeten verbouwen of
verhuizen. De valsche band van het ongereformeerde kerkbestuur zal eindelijk
springen, zoo wij de leus maar moedig opnemen die in de autonomie, dat wil
zeggen het zelfbeheer en zelfbestuur der gemeente ligt.’ Hier bereikte
Kuyper de volksklasse waarvan de grote meerderheid destijds nog kerkelijk
was. En hij pakte ze. De latere strijd der sociaal-democratie tegen de
minister Kuyper heeft dat feit verduisterd. Maar zijn mensen kwamen om vier
uur al, wanneer om zes uur de dienst begon en vóór negenen waren zij niet
weer thuis; gesticht en strijdvaardig.
Onder die impuls verdubbelde Kuypers arbeidskracht. Bij zijn kerkelijke kwam
zijn politieke werkzaamheid. Op 1 april 1872 - met opzet op de
herdenkingsdag van 1572 - verscheen het eerste nummer van het dagblad dat
Kuyper, typerend, ‘De Geus’ had willen noemen, maar dat
De Standaard
ging heten met hem als hoofdredacteur. De strijd werd fel. ‘De tijd
kan komen,’ had hij in '71 gezegd, ‘dat niet slechts glimlach of spotprent u
vervolgen, maar dat uw bloed en uw dood wordt geëischt.’ Het woord is
slechts de afspiegeling van waartoe zijn eigen overtuiging hem onder
omstandigheden zou hebben kunnen leiden en tekent derhalve meer de spreker
dan zijn vijan- | | | | den. De liberale staat en kerk waartegen Kuyper
streed, zouden nooit verder gaan dan de uitspraak van de radicale Van der
Kappeyne ‘dat dan de minderheid maar onderdrukt moest worden’. Uitspraak
bovendien nog, die, in haar verband gelezen, veel minder cru blijkt dan zij
lijkt. Maar het is nu eenmaal zo, dat wie in de politiek iets van belang wil
bereiken, behoefte heeft aan een vijand om zich tegen af te zetten, en dat,
hoe afschrikwekkender deze wordt afgeschilderd, des te hoger de moed der
volgelingen kan worden opgezweept.
Januari 1874 werd hij, onontkoombare consequentie van zijn streven, door het
district Gouda met 1504 stemmen tegen 1252 op zijn
liberale tegenkandidaat tot lid van de Tweede Kamer gekozen. De bezwaren van
zijn vrome vriend H.J. Dibbets van de ‘Vrienden der Waarheid’, die niet
helemaal ten onrechte in die verkiezing iets van een verzoeking voelde,
werden met dezelfde zachte drang opzij geschoven als eens die van juffrouw
Baltus. Kuyper aanvaardde zijn zetel. Hij stond in het toen nog deftige
milieu echter niet veel anders dan Domela
veertien jaar later: alleen en onwennig en hij bereikte er evenmin iets in
deze periode die trouwens maar kort duurde: nog geen twee jaar.
Want een tweede, veel ernstiger zenuwoverspanning dan die van '60 overviel
hem in het begin van '76. Hij nam zijn ontslag als kamerlid: hij kon geen
briefkaart meer schrijven en geen twee bladzijden achter elkaar meer lezen.
Wat was de oorzaak? Hij had, zeker, te veel van zijn krachten gevergd, maar
de gevallen van een zenuwcrisis die uitsluitend dááraan moet worden
toegeschreven, zijn uiterst zeldzaam. Veeleer kondigt zich in de overmatige
arbeid de crisis reeds aan als een vlucht uit haar. Een dergelijke crisis
bij mannen van omstreeks veertig jaar is bovendien een veel voorkomend
verschijnsel. En al zal later, misschien, pas het volle licht over deze
periode van zijn leven opgaan, de veronderstelling, dat zijn teleurstelling
in het Parlement ondervonden, als de eenzame opvolger van de eenzame Groen,
er het hare toe bijgedragen heeft, is wel niet te gewaagd.
Hij zocht genezing in gebed en avontuur. Voor een geest als de zijne, gewend
aan spanningen, lagen die werelden zover niet uiteen. Hij maakte bergtochten
in Zwitserland - en liet zich kleinburgerlijk trots op zijn sportiviteit en
bereisdheid fotograferen in kostuum tegen een achtergrond van namaakrotsen.
Hij wandelde langs Frankrijks zuidkust en deed daar de liefde op die hem na
de tweede en definitieve politieke mislukking in 1905 tot een reis
Om de Oude Wereldzee
bewegen en tegelijk tot het boek met die titel (een van zijn beste)
inspireren zou.
In mei van het volgend jaar '77 keerde hij terug. Groen was inmiddels op zijn
vooruitgeschoven post gestorven. In november trad het jong-liberale
ministerie Kappeyne op. Het had een nieuwe schoolwet op zijn program, die
enerzijds door de hogere eisen, aan het gehele lager onderwijs gesteld, en
door het niet verlenen van subsidie aan het bijzonder onderwijs anderzijds,
de schoolstrijd opnieuw deed ontbranden.
Die nieuwe strijd voltooide Kuypers herstel: nerveuze spanningen plegen voor
reële te wijken. Kuypers politieke instinct zag hier bovendien de kans | | | | schoon voor de vorming van het leger dat de leider nog
ontbrak. De petition-nementsbeweging van katholieken en ‘gereformeerden’
tegen de ‘scherpe resolutie’, zoals Kuyper met een herinnering aan 1618 de
nieuwe lo-wet noemde, werd weliswaar een mislukking wat
de uitslag betrof - de koning tekende het ontwerp wél - maar wat de omvang
betreft slaagde zij boven verwachting. In haar vond Kuyper de grondslag voor
een organisatie en als een goed veldheer buitte hij de overwinning volledig
uit. Uit de petitionnements-beweging groeide in '79, de unie ‘School met den
Bijbel’ en de antirevolutionaire kiesverenigingen overkoepelde hij door een
centraal comité. Zíjn partij werd daarmee de eerste organisatie te onzent
die de naam van politieke partij ten volle verdient. In
Ons Program
gaf hij haar bovendien een breder theoretische grondslag dan welke
andere van de toenmalige politieke groeperingen ook bezat.
Het tweede ‘avontuur’, gewaagder nog dan het eerste was de stichting der
Vrije Universiteit die in 1880 haar beslag kreeg. Te gewaagder, omdat de
aanvankelijke opzet van een algemene ‘christelijke’ instelling voor hoger
onderwijs, versmald moest worden tot een op eng-gereformeerde basis. Het
verwijt, dat eerzucht hem dreef en hij zich zelf met de toga en baret wilde
sieren die de rijksuniversiteiten hem onthielden, was misschien niet geheel
ongegrond. Al moet men zijn repliek beamen, dat iemand van zijn
capaciteiten, indien hij tot verzaking van zijn beginselen bereid geweest
was, zich licht een plaats onder de vele middelmatigheden op een der
bestaande vaderlandse katheders van die dagen zou hebben kunnen veroveren.
Moeilijker te weerleggen was althans in die tijd van gewaande objectieve
wetenschap het verwijt, dat propaganda en niet kennis het doel van zijn
stichting was. Voor de tegenstanders was het de ‘nachtschool’ in optima
forma. Van Kuypers visie uit gezien, trof echter ook dit verwijt geen doel.
De nieuwe ho-wet van '76 had de faculteiten der
godgeleerdheid in faculteiten voor godsdienstwetenschap omgezet; kerkelijke
hoogleraren vulden sindsdien het gemis aan vakopleiding aan, maar die werden
uit de gematigde Groninger richting gekozen en zo was er inderdaad voor de
strenge gereformeerde richting aan de rijksuniversiteiten destijds geen
plaats.
De opening der Vrije Universiteit, bescheiden wel, en ‘met den
Universiteitsnaam zelve tot blozens toe verlegen’, maar toch met de ‘stijl’,
die haar stichter en eerste rector kenmerkte, had plaats op 20 oktober 1880.
Kuypers inwijdingsrede
Souvereiniteit in eigen kring
wás een meesterstuk; die dag het hoogtepunt van zijn leven. Hij had
niet helemaal ongelijk, toen hij zei: ‘want ik overdrijf niet, het is tegen
al wat groot heet, het is tegen een wereld van geleerden, het is tegen heel
een eeuw, een eeuw van zoo ontzaglijke bekooring’ [hier weer de spanning]
‘ingaan en oproeien, wat we met de stichting dezer school bestaan.’ Ruim een
vijfde eeuw doceerde Kuyper er Hebreeuws, homiletiek, esthetiek, Nederlandse
letterkunde, linguïstiek en, vooral dogmatiek. De spanwijdte van zijn geest
en de povere bezetting der katheders dwong gelijkelijk tot die op zich zelf,
vakwetenschappelijk gesproken, zeker niet onbedenkelijke veelzijdigheid.
De professorale arbeid nam hem de eerste jaren wel in beslag, maar maak- | | | |

Kuyper met zijn zoons H.H. Kuyper en A. Kuyper jr. tijdens een
verblijf in Tirol. Abraham Kuyperstichting, Den
Haag.
| | | | te toch geen kamergeleerde van hem. Het ‘avontuur’
bleef zijn leven beheersen. En het grootste kwam in '86: de lang verwachte
en terdege voorbereide breuk met de hervormde kerk. De orthodoxe kerkeraad
van Amsterdam hield zich afzijdig bij het aannemen
van lidmaten door moderne predikanten en weigerde dezen ook het nodige
getuigschrift. Toen deswege schorsing van de aanstichters tot deze
ongehoorzaamheid volgde, forceerden de rebellen op instigatie en met
medewerking van Kuyper met licht geweld (de
beruchte paneelzagerij) de toegang tot de consistoriekamer van de Nieuwe
Kerk die door de tegenstanders ‘bezet’ en verzegeld was. Het ging immers
niet alleen om zelfbestuur, maar ook om zelfbeheer en de kerkelijke goederen
zouden hem behoren die zich het langst op dit ‘slagveld’ zou handhaven. Na
een jaar moesten de Kuyperianen krachtens rechterlijke uitspraak het veld
ruimen: een nederlaag, die tegelijk de overwinning betekende, want sindsdien
bestonden de gereformeerde kerken, waarvan er vijftig jaar later en
inmiddels verenigd met de Afgescheidenen van '34, ruim zevenhonderdvijftig
waren met ruim achthonderd predikanten en bijna
zeshonderdnegenenvijftigduizend lidmaten. De ‘paneelzagerij’ maakte in de
rustige sfeer van het 19de-eeuwse Nederland een wel wat overdreven indruk.
Het
Handelsblad
meende zelfs dat ex-dominee Kuyper onze maatschappij met oneindig
groter gevaren bedreigde dan de andere ex-dominee Domela
Nieuwenhuis die in datzelfde jaar wegens majesteitsschennis
terecht stond.
Kort op de kerkelijke volgde de politieke zegepraal. De grondwetsherziening
van '87 kreeg haar beslag en de verkiezingen van het volgend jaar bezorgden
door de uitbreiding van het stemrecht, maar niet minder door Kuypers
organisatietalent - geen district was hem té onzeker en geen samenwerking té
ongewoon - een zetelwinst aan de anti's waarvan zelfs de leider wel niet
gedroomd had. De fractie verdriedubbelde van 9 op 27 en Mackay formeerde het
eerste christelijke coalitie-kabinet.
Maar déze overwinning was te voorbarig om reëel te zijn. Het kabinet-Mackay,
al deed het iets ter verzachting van de schoolstrijd, viel tegen. Reeds in
'91 werd het vervangen door een liberaal ministerie, het eerste van drie
opeenvolgende van dezelfde kleur, die tezamen tien jaar lang regeerden: de
laatste glorierijke era der liberale heerschappij ten onzent.
De antirevolutionaire partij daarentegen beleefde in hetzelfde decennium
moeilijke dagen. Kuyper leidde in 1891 het eerste christelijk sociaal
congres, waar hij in veler oren zulke vervaarlijk radicale taal liet horen,
dat een scheiding van de partij in een rechter- en linkervleugel niet
onmogelijk meer moest lijken. Dezelfde sociale kwestie bracht drie jaar
later in de vorm van de strijd om uitbreiding van het kiesrecht metterdaad
de scheiding en waarlijk niet alleen in de antirevolutionaire partij. De
politieke verwarring in 1894 tart elke beschrijving. De ‘mannen van hooge
komaf’, en de ‘millionairs’ mochten, wat Kuyper betreft, in de belétage der
partij blijven wonen, maar de huisorde stelde híj vast. De genoemden gaven
de voorkeur aan verhuizing. Maar het was niet alleen de dubbele naam van
De Savornin Lohman, die hem uit Kuypers huis
verdreef en hem tot leider der latere christelijk-historische partij maakte:
het was ook zijn afkeer van het steile calvinis- | | | | me, hem als
echt zoon van het reveil aangeboren; het was ten slotte ook zijn
oprechtheid, die hem afkerig maakte van de methoden, bij massa-agitatie nu
eenmaal onvermijdelijk en door Kuyper dan ook nooit versmaad. Lohman,
aristocraat van naam én van geest, en naar de geest eerder de opvolger van
Groen dan de wat plebejisch-ruige Kuyper, was
niet, als deze, de man voor de massa-politiek-in-opkomst.
De tegenslagen verdubbelden intussen slechts Kuypers strijdlust en de
verkiezingen in 1901 brachten de uiteindelijke triomf, die tegelijk zijn
ondergang zijn zou. Kuyper werd kabinetsformateur en eerste minister. De
droom was werkelijkheid geworden.
Het bleek echter al spoedig, dat het gemakkelijker was, de liberale
regeermethoden in krant en meeting te kritiseren dan ze te imiteren. De
heerservaring die de Nederlandse bourgeoisie zich in drie eeuwen had eigen
gemaakt, konden Kuyper en de zijnen niet in drie jaar overnemen. Vele
beschouwingen van die zijde over de vier jaar waarin het ministerie
aanbleef, pleiten verzachtende omstandigheden, waarmee de mislukking
impliciet is toegegeven. De povere resultaten worden toegeschreven aan de
tegenwerkende omstandigheden, die het ministerie van wetgevende arbeid
zouden hebben afgehouden: de Transvaalse kwestie en vooral de
spoorwegstaking van 1903. Zelfs de ziekte van de koningin in die tijd wordt
erbij te pas gebracht.
Het is waar: hoger dan in 1903 was de vloedgolf van de sociale strijd in
Nederland nog niet gegaan. Kuyper op grond van de ‘worgwetten’ veroordelen
is onbillijk. Immers: niet alleen een liberaal, maar ook een katholiek en
zelfs een sociaal-democratisch minister zou, ja misschien anders gesproken,
maar wel nauwelijks anders gehandeld hebben. Dat heeft de latere
geschiedenis toch wel voldoende bewezen. Maar er blijft niettemin een niet
te dempen kloof tussen deze wetten en de verwachtingen bij zijn
ambtsaanvaarding op Kuyper juist als sociaal politicus gesteld. De brochure
van Domela Nieuwenhuis
De revolutionaire dr. A. Kuyper contra den reaktionairen
minister Kuyper
was waarlijk meer dan demagogie van die kant.
Positieve wetgeving van het ministerie was er geen andere dan een
onbelangrijke hervorming van de positie van de premier zelf in de raad van
ministers, de instelling van bijzondere leerstoelen aan de universiteiten,
de omzetting van de polytechnische school in Delft
in een technische hogeschool, het stichten van enkele rijksbeurzen, en,
vooral, het binnenhalen van de oogst in '80 gezaaid: de effectus civilis en
het promotierecht voor Kuypers eigen universiteit Maar zelfs dit succes kon
Kuyper niet boeken dan door een fors ingrijpen in de gang van zaken, dat
vloekte met de gladder methoden hier te lande gebruikelijk. Toen de Eerste
Kamer, nog liberaal, zijn ho-wet verwierp, adviseerde hij
de Kroon tot haar ontbinding.
Het is dit vooral dat bij de verkiezingen van 1905 de coalitie de nederlaag
bezorgde. Het was zijn ietwat duistere bemoeiing met Buitenlandse Zaken, -
zijn Duitse reizen tijdens zijn ministerschap - die hem in 1908, toen de
coalitie na het zwakke liberale ministerie De Meester opnieuw de meerderheid
behaald had, bij de leidende kringen onmogelijk gemaakt heeft, meer dan de
befaamde ‘lintjeskwestie’, welke bewust is aangegrepen om hem te
diskredi- | | | | teren in de ogen van het publiek. Het feit toch
dat hij iemand aan een decoratie had geholpen onder het sous-entendu van een
storting in zijn partijkas, was allerminst correct te noemen, maar toch ook
niet zonder enige schijnheiligheid als corruptie te brandmerken. Er zijn
helaas, in onze latere politieke geschiedenis ergerlijker en gevaarlijker,
maar minder grijpbare gevallen van incorrectheid aan te wijzen.
Hoe het zij, zijn rol op het grote staatstoneel was sinds 1905 uitgespeeld.
Als een machine zonder drijfriem bleef de ijzeren tijdbeheersing die hem
zijn titanenarbeid mogelijk gemaakt had, doordraaien. Zijn oudste dochter
heeft er bij zijn tachtigste verjaardag van verteld. Ochtendwandeling,
gewijd aan de overdenking van wat straks tot één uur geschreven zou worden,
koffiemaaltijd, rust, besprekingen en correspondentie. Half vijf de
middagwandeling. Middagmaal. 's Avonds correctie. Alles op de klok, tot
zelfs de avondthee. Kwam het tweede kopje vier minuten vóór de daarvoor
vastgestelde tijd, dan ging het onverbiddelijk weer terug tot over vier
minuten. Dat regelmaat het resultaat van de arbeid verdubbelt is bekend.
Maar voorbeelden van een zó strenge dagindeling zijn toch zeldzaam. En zo
bleef die ritmische gewoonte, ook toen zij haar zin verloren had. We weten
het van zijn uitgever J.H. Kok uit Kampen. Toen deze in het voorjaar van
1915 de zevenenzeventigjarige grijsaard bezocht om hem zijn plan voor de
Antirevolutionaire Staatkunde
voor te leggen, nam Kuyper potlood en papier en becijferde:
maandags zóveel, dinsdags zóveel uur, zóveel per week, het hele werk zóveel
bladzijden, per uur zóveel bladzijden - dus zonder verhindering december '16
klaar. En januari '17 werd inderdaad de laatste aflevering van het bijna
anderhalfduizend bladzijden tellende boekwerk aan de intekenaren
rondgezonden. Men heeft van het wonder van zijn werkkracht gerept. Het was
als altijd ‘slechts’ regelmaat én de op het doel gerichte wil die dit
‘wonder’ bewerkten.
Dan, de breuk van 1905 is niet meer genezen. Hij was toen achtenzestig jaar.
De vijftien jaar die hem nog restten, zijn jaren van een eerst langzame, na
1915 van een snelle aftakeling geweest. Wapen na wapen heeft hij, de weleer
onvermoeide strijder, moeten strekken. In 1908 viel zijn aan zijn leeftijd
gebonden ontslag als hoogleraar, in '12 trok hij zich uit de Tweede Kamer
terug, waarvan hij sinds 1894 weer lid was geweest, eerst voor Sliedrecht en sinds 1908 voor Ommen. In 1918 hield hij zijn laatste deputatenrede
Wat nu?
In 1919 schreef hij zijn laatste artikel voor
De Standaard
. Maart '20 nam hij ontslag als voorzitter van het centraal comité
der antirevolutionaire partij, in september van dat jaar als lid der Eerste
Kamer waartoe hij in '13 gekozen was. Het laatste ontslag was dicht voor het
einde: 8 november 1920 is hij gestorven, de 12de op Oud Eik en Duinen
begraven.
Uiterlijke eer is hem juist na zijn heengaan in 1905 niet onthouden: in 1898
al het ere-doctoraat van Princeton-University, in 1907 dat van Delft, in '09 dat van Leuven. In '08 was hij minister van Staat geworden. Of dit
gedeeltelijk bedoeld geweest is als zalf op de wonde moeten wij in het
midden laten; gewerkt als zodanig zal het maar betrekkelijk hebben. Hij was
toch te zeer een groot man om in deze eerbewijzen, hoezeer hij ze op prijs
stelde, vol- | | | |

Abraham de Triomfantelijke. Tekening door Albert Hahn in De ware Jacob.
| | | | ledige vergoeding te vinden voor wat hij die zelfde
jaren stuk voor stuk verloor. Zijn laatste echte voldoening is misschien
geweest de demonstratie voor zijn huis - Kanaalstraat 5, nu dr. Kuyperstraat
- der tegen de zogenaamde revolutie naar Den Haag
ontboden Friese troepen op die gedenkwaardige 18de november 1918. Zij zongen
hem het Friese volkslied, het Wilhelmus, en uit de 89ste psalm de woorden toe: ‘Hoe zalig is het volk,
dat naar uw klanken hoort’. Toen moet hij één ogenblik - en misschien niet
zonder hetzelfde moment toch óók te beseffen, dat Nederland geen Engeland en
de 19de eeuw de 17de niet was, - in deze soldaten de ‘Ironsides’ en in zich
zelf de Cromwell hervonden hebben die hij altijd had willen zijn en, in
zekere zin, ook geweest was.
|
|
|