|
|
|
| |
| | | |
Ferdinand Domela Nieuwenhuis
| |
De apostel der arbeiders
Zijn overgrootvader was een Deen die, na op onze kust schipbreuk geleden te
hebben, zich metterwoon te Alkmaar vestigde als
kaashandelaar. De aanpassing aan zijn tweede vaderland had moeilijk
vollediger kunnen zijn; zijn nieuw beroep was er een niet minder voldongen
bewijs van dan zijn naamsvertaling: Nyegaard werd Nieuwenhuis. Als reden
voor die overzetting vindt men opgegeven, dat de Deense naam, op z'n
Hollands uitgesproken, de klank kreeg van ‘nijdigaard’: volgens
tegenstanders van de achterkleinzoon de onwillekeurige aanduiding van een
karakter waaraan ook deze nog niet helemaal ontgroeid was. ‘In de verte
beschouwd’ - schreef een hunner ‘geleek Domela Nieuwenhuis een reuzeneik,
die majestueus zijn takken uitstrekte; van nabij beschouwd was hij een
struik brandnetels, waaraan ieder die voorbij wilde, zich noodwendig moest
steken.’ En ‘nijdig’ moge voor billijker beoordelaars diens aard dan niet
geweest zijn, minzaam en meegaand was hij toch ook volgens zijn eigen
getuigenis niet. ‘Ik behoor nu eenmaal niet tot die menschen die zich
spoedig geven, ik heb iets hoekigs, iets onplooibaars in mijn karakter,’
schreef hij in zijn Van Christen tot
Anarchist: woorden die te opmerkelijker zijn, omdat zij de
enige - en dan nog maar halve - zelfafkeuring van de zestigjarige in die
zeshonderd bladzijden behelzen. En zelfs deze nog kan hij niet neerschrijven
zonder verzachtende omstandigheden te pleiten, want onmiddellijk erop laat
hij volgen: ‘maar men moet niet vergeten dat de ervaringen des levens er
veel toe bijdroegen om mij gesloten te doen zijn.’
Wil men van die overgrootvader in de achterkleinzoon iets reëlers ontwaren
dan die legendarische woordspeling, dan zou het moeten zijn, dat beiden het
beroep hunner vaderen vaarwel zegden: de overgrootvader om naar zee te gaan,
de achterkleinzoon om zich op de woelige wateren der politiek te wagen.
Immers zowel het Deense voorgeslacht van de een als het Hollandse van de
ander waren van vader op zoon predikant geweest. De zoon van de
zeevaarder-kaashandelaar namelijk was alweer in het rechte spoor:
Nieuwenhuis' grootvader was predikant en daarna hoogleraar, eerst te Deventer en toen te Leiden.
Door zijn huwelijk maakte hij de familie nog meer internationaal. Zijn
vrouw, een Domela, moet van Friese komaf geweest zijn, maar zij kwam uit
Brunswijk. En hun zoon, Nieuwenhuis' vader dus,
volgde getrouw zijn vaders baan: ook hij werd predikant en later professor
en ook hij trouwde met een buitenlandse: Henriette Frances Berry uit
Engeland. Om de naam van zijn moeder voor uitsterven te behoeden, voegde hij
hem aan de zijne toe, zodat hij de eerste Domela
Nieuwenhuis werd.
Van die vader vinden wij in onze Ferdinand niet zo heel veel terug. Wanneer
de zoon, als zo vaak gebeurt, onder de vader geleden heeft, dan was het niet
omdat deze niet, doch veeleer omdat hij al te goed stond aangeschreven. | | | | Als jongen zag Ferdinand zeer hoog tegen zijn vader op. ‘Mijn
hoogste begeerte was van mijn vroegste jeugd af om als mijn vader te
worden,’ lezen wij in de reeds aangehaalde gedenkschriften en die neiging
werd niet weinig aangewakkerd door zijn stiefmoeder die een dweepzieke
bewondering voor haar man bezat. Liggen hier de wortels van het schuldgevoel
waaruit, psychologisch gezien, zijn hele loopbaan logisch lijkt voort te
vloeien? Schuldgevoel bij iemand die zich, wij zagen het zoëven al, nog op
het einde van zijn leven van geen schuld, ternauwernood zelfs van een fout
bewust is? Ons dunkens: ja juist. Niemand komt tot zulk een - volkomen
onbewuste - zelfverheerlijking als waarvan Domela's gedenkschriften
getuigen, tenzij dan iemand, die zijn voortdurend schuldbesef verdrongen
heeft, juist omdat het hem voortdurend pijnigde. Schuldbesef, dat zich voor
zijn bewustzijn omzet in verantwoordelijksbesef voor het leed van anderen.
Directer dan de invloed van de vader in de zoon herkent men eigenschappen van
diens twee broers in de neef. De ene was als student weerbarstig tegen Thorbecke, hetgeen nogal wat zeggen wil, de andere
was de eerste die in 1856 weigerde de eed als advocaat af te leggen, omdat
hij ongodsdienstig was, ofschoon dit, en ofschoon hij wist dat dit zijn
loopbaan breken zou. In sociaal verantwoordelijkheidsbesef omgezet
schuldgevoel, weerbarstigheid tegen de gestelde machten en beginselruiterij:
zo heel veel lijnen zijn er niet meer nodig om de martelaarskop van
Ferdinand Domela Nieuwenhuis vóór zich te zien.
Of het internationale bloed in zijn familie hem ook tot zijn
internationalisme voorbeschikt heeft? Het kan zijn, maar het is niet nodig
om het aan te nemen. De moeders van Thorbecke, Kuyper en Schaepman waren ook van
vreemden bloede. De eerste twee zijn niettemin in hun werk bijna uitsluitend
Nederlands georiënteerd geweest, de derde was het internationale om zo te
zeggen tegelijk met zijn geloof ingelepeld. En ook bij Domela Nieuwenhuis
werd de wijze waarop zich dit karakter uitwerken zou, bepaald, niet door dat
karakter, maar door de tijd en de omgeving. De Nederlandse predikant die
omstreeks 1870 zijn ethisch of orthodox geloof verloor, moest wel modern
worden en de moderne predikant van die dagen die consequent van aard was,
moest de kerk wel vaarwel zeggen - Busken Huet en
Allard Pierson en zoveel anderen hebben het
ook gedaan - en degeen die zó sterk als Domela Nieuwenhuis doortrokken was
van de idee der sociale gerechtigheid moest destijds wel bij het socialisme
terechtkomen en de consequenten daaronder werden dan vanzelf aanhangers
eerst van de Eerste en wat later van de Tweede Internationale.
Doch we zijn hiermee de tijd vooruit geijld. De fout lijkt intussen groter
dan zij is, wanneer het althans de geschiedschrijver terecht als verdienste
aangemerkt wordt, dat hij met zijn onderwerp meeleeft. En wij hebben bij het
schrijven van deze portretten de toenemende geneigdheid van onze pen
ervaren, om zich te buigen naar de aard van de beschrevene. Is het dan niet
begrijpelijk, dat zij zich hier niet dwingen laat tot een rustig exposé van
feit na feit en fase na fase ter kenschetsing van dit rusteloze leven? Is
het niet begrijpelijk, als wij de levensgang van deze gejaagde naleven, dat
wij zelf als | | | |

Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Ferdinand Domela
Nieuwenhuis Museum, Amsterdam.
| | | | het ware onrustig worden, want is het niet alsof hij zelf
steeds weer de gebeurtenissen vooruitsnelde, omdat telkens een nieuwe
gedaante nodig was, waar de vorige de alles beheersende ‘schuld’ ongedelgd
had gelaten? Voortgestuwd door deze furie, haast hij zich naar het
martelaarschap, dat alleen in staat zou geweest zijn om dat schuldgevoel van
hem af te nemen, het martelaarschap dat - hij leefde in Nederland en niet in
Palestina of in Rusland - maar niet kwam.
Voor de betrokkene zelf ziet zijn ontwikkelingsgang er heel anders uit. Of
beter: niet die gang zelf (want omtrent de opeenvolgende stadia zijner
overtuiging kan bij deze in dit opzicht eerlijke en openlijke getuiger geen
twijfel bestaan), maar de motieven, die hem bepaalden. ‘Als ik mijn
ontwikkeling naga’ - schreef hij in de ‘Inleiding’ tot Een veldtocht tegen het kapitalisme, een
verzameling artikelen uit
Recht voor Allen
en
De vrije Socialist
van 1879-1904 - ‘als ik mijn ontwikkeling naga, dan vind ik op
godsdienstig gebied, dat ik was orthodox, (dan) modern om mij te ontwikkelen
tot vrijdenker, tot atheïst en op maatschappelijk en politiek gebied was ik
vooruitstrevend liberaal, radikaal, sociaaldemokraat, antiparlementair
socialist, anarchist.’ ‘En nu zet ik iedereen’ - roept hij dan
triomfantelijk uit (alsof we deel hadden aan een politieke vergadering met
debat) - ‘nu zet ik iedereen om aan te toonen, dat dit geen organische
ontwikkeling van beginselen is.’ En ook hier aanstonds weer de verdediging
tegen mogelijk verwijt van wispelturigheid bij wie zich alleen door het
woord ‘organisch’ nog niet gewonnen geeft. ‘Men zou allicht denken dat ik
zekere zucht en neiging had om snel te veranderen.’ Welnu: dat is dan
volgens hem niet waar. Elke verandering heeft ‘heel wat strijd en moeite
gekost’. Aan elke ging ‘een veertigdaagsche afzondering in de woestijn’
vooraf. (Zijn nieuw-testamentische vergelijkingen zijn legio en niet zozeer
op rekening van zijn vaderlijke omgeving, zijn theologische studie en zijn
oorspronkelijk ambt te schrijven, als wel op die van het Jezus-ideaal, dat
hem altijd is blijven trekken als de pool de kompasnaald.) En op geen dier
veranderingen is spijt gevolgd, zelfs geen twijfel bleef over. Was hij
eenmaal weer overtuigd, dan wist hij weer van geen wankelen. Al die fasen
hebben in het godsdienstige niet langer geduurd dan tien jaar en in het
sociale en politieke niet langer dan het dubbele daarvan; van 1869 toen hij
eenentwintig jaar oud, zijn proponentsexamen deed tot 1879, toen hij zonder
enig geloof aan iets bovennatuurlijks meer zijn afscheid preekte, en van
1879, toen nog vaag de sociale kwestie dé kwestie voor hem werd tot 1899,
wanneer men hem niet anders dan anarchist kan noemen. Aan die laatste
overtuiging bleef hij dan de twintig levensjaren die hem nog restten,
weliswaar trouw, maar daar staat tegenover, dat de anarchistische
overtuiging principieel zo ruim is, dat alle ontrouw daarbinnen tegelijk een
belijdenis van trouw aan haar is.
Hoe menigvuldig zijn veranderingen echter ook geweest zijn en hoe snel zich
het gehele proces ook voltrokken heeft, één ding staat nochtans
onomstotelijk vast: hij zocht zó weinig zich zelf, dat men veeleer zeggen
moet, dat hij daarbij zich zelf ontliep. Hierin en in niets anders schuilt
in de grond het geheim van zijn wonderbaarlijke invloed op de massa tot
welke hij zich richt- | | | | te, omdat zij instinctief begreep, als zij
hem hoorde, dat hier een der zeldzame leiders aan het woord was die zich
zelf niet zocht. Maar hierin schuilt uiteindelijk evenzeer het geheim van
zijn ondergang als leider, omdat die zelfde massa even instinctief ging
begrijpen, dat hier iemand sprak die zich zelf ontliep. Wie beide aspecten
van zijn wezen scheiden wil, wie zelfs maar meer accent op het ene dan op
het andere wil leggen, mistekent zijn portret.
Zó als hij was en zó alleen, kon Domela
Nieuwenhuis, open als hij stond voor het nieuwe, omdat verandering
zijn levenswet was, de eerste woordvoerder uit de Nederlandse bourgeoisie
voor de Nederlandse arbeidersklasse worden. Juist toen de tijd rijp voor
zijn wekroep was, in de jaren '80, waarvan wij de betekenis bij de
antirevolutionaire en katholieke leider reeds ervaren hebben, was hij het
ook.
Domela Nieuwenhuis is van dezelfde generatie als deze beiden, negen jaar
jonger dan Kuyper en twee jonger dan Schaepman, want hij was op
oudejaarsavond van het jaar 1846 te Amsterdam
geboren. Zijn jeugd onderscheidde hem niet van zijn jaar- en lotgenoten. Na
in zijn geboortestad de Franse school en het gymnasium doorlopen en in 1864
eindexamen gedaan te hebben, werd hij er theologisch student aan het
Luthersch Seminarium waaraan zijn vader sinds '42 hoogleraar was. Dat hij
onder invloed van Huets
Brieven over den Bijbel, de geschriften van
Allard Pierson, die in '65 de kerk vrijwillig
verliet, Strauss' Leben Jesu en Ludwig Feuerbachs radicale
filosofie tot het modernisme overging, stempelt hem evenmin nog tot iets
bijzonders.
Het opmerkelijkst is misschien nog, dat deze zoon, kleinzoon en broer van een
professor zo weinig roeping voor de wetenschap toonde, dat hij zijn studiën
niet eens met een promotie bekroonde, ook al was dan en is nog het behalen
van de doctorstitel in de theologische faculteit minder gebruikelijk dan in
die der letteren. Heeft dan de dood van zijn jonge vrouw, Johanna Lulofs,
hem soms uit de gewone baan geslingerd? Samen met deze vrouw had hij het
jaar 1870-'71 in Harlingen doorgebracht. In Beverwijk, waar hij 25 juni '71 zijn intree hield,
was zij hem in '72 ontvallen. Hij zelf heeft in dit sterfgeval de oorzaak
van zijn breuk met het geloof gezien. Voor de eer van een God die dit
toeliet, was het nog het beste niet te bestaan. De slag moet hard zijn
aangekomen. Het sinds de vader-verering nooit zwijgende schuldgevoel moet
toen zeer luid gesproken hebben, omdat zijn vrouw in het tweede kraambed
stierf. Wás dat niet zijn schuld, in de vreeslijkste betekenis van het
woord? En moest het nieuwe huwelijk, in '74 al gesloten, eigenlijk niet
dienen om als het ging aan de tweede vrouw goed te maken, wat hij aan de
eerste misdreven had? Hij werkte ook hard. Hij gaf een weekblad
Kennemerland
uit en vatte zelfs het plan op voor een vertaling van het nieuwe
testament, die bleef steken door een beroep naar Den
Haag. Er was iets ‘echts’ in de preken van deze jonge dominee dat de
aandacht trok, hoe weinig gelovig zij in de gewone zin des woords dan ook
waren.
In Den Haag nieuwe slagen. Tegenwerking van zijn ambtgenoten, toen hij op
Hemelvaartsdag niet preken wilde, omdat dit feest zijn zin voor hem verloren
had en, in '76, de dood van zijn tweede vrouw. De ‘schuld’ vermeerderde in
plaats van te verminderen. Met twee jongens en twee meisjes bleef hij | | | | achter. Alle vorm van geloof begon hem nu te ontzinken. Een
tijdlang voelde hij zich aangetrokken tot de Duitse vrij-religieuze beweging
van Uhlich, wiens
Godsdienst der Rede
hij in '77 vertaalde. Maar het was slechts een halte. Hij ontdekte
met Schopenhauer, dat dit en alle pantheïsme slechts het ‘atheïsme van de
fatsoenlijke lui’ was. Voortgejaagd door zijn schuldgevoel, moest hij
verder. Waarheen? Zijn leerrede uit '77
Nog godsdienst? Reeds godsdienst?
geeft in zijn titel al weer, dat hij op drijfzand stond, waar hij
niet kon blijven staan. De door Hugenholtz in '78 in Amsterdam gestichte ‘Vrije Gemeente’ was hem nog te
positief-godsdienstig, al heeft hij er in dat eerste jaar wel gepreekt.
Rom. xiii: 8: Weest niemand
iets schuldig dan wederkerige liefde, want ‘wie den ander liefheeft, heeft
de wet vervuld’ was zijn enig houvast.
Er was geen andere weg: ziende, dat hij in de kerk alleen kon wegzinken in
het moeras van het compromis, trad hij uit: van '79 dateert de brief en de
twee voordrachten over
Mijn afscheid van de kerk
. Maar daarmee stond hij voor twee onzekerheden: omvang en richting
van zijn nieuwe taak en de vraag hoe in het onderhoud van zich en zijn gezin
te voorzien. In
Van Christen tot Anarchist
loopt hij luchtig over dat probleem heen: het onverwacht toeval,
dat zijn stiefmoeder haar vermogen aan de kinderen van haar man naliet, zou
het hebben opgelost. Maar... die stiefmoeder is pas in 1886 overleden en
kennelijk kon Domela in '79 niet op dat toeval rekenen. Het is ook
duidelijk, gezien zijn hele verdere leven, dat armoe hem niet weerhouden zou
hebben zijn beroep met alle maatschappelijke status en veiligheid daaraan
verbonden, voor zijn roeping op te geven. Maar geen profeet leeft bij brood
alleen en zeker niet helemaal zonder. We zullen daarom nog een ander toeval
dankbaar moeten zijn. Er is, naar zijn aard, in Domela's brieven en
geschriften weinig sprake van de materiële ondergrond van zijn bestaan, maar
het bescheiden erfdeel dat zijn vader hem al eerder liet moet hem mede de
moed verleend hebben tot de sprong in het duister die hem tot de alles
opofferende apostel der arbeiders zou maken.
Een begin van de nieuwe taak was er.
Banden met de sociale beweging, als dat woord niet te groot is voor de
minimale roerselen van destijds, waren al eerder aangeknoopt. Reeds in
Harlingen had hij veel gesproken met een kleermaker-gemeentelid die met de
Internationale sympathiseerde. Bij een werkstaking daar was hij als arbiter
opgetreden. De Frans-Duitse oorlog was de aanleiding voor hem geweest, een
Vredebond te stichten. Op 6 juli '78 is de eerste van zijn
Sociale Brieven
gedateerd die, tweeënveertig in getal, een tijdlang in de
Werkmansbode
verschenen, het orgaan van het in '71 opgerichte Algemeen
Nederlandsch Werkliedenverbond van B.H. Heldt. Maar na zijn bedanken als
dominee werd dit contact veel inniger. Hij kwam in kennis met de oude
Gerhard (gestorven 1886), de leider van de Hollandse sectie der Eerste
Internationale die toen echter al niet meer bestond. Hij richtte in het
week-, later dagblad Recht voor Allen,
waarvan het eerste nummer 1 maart '79 verscheen, de eerste socialistische
periodiek in Nederland op. Hij vatte het plan op naar het Amsterdamse
voorbeeld van Gerhard ook in Den Haag een coöperatieve | | | |

Een briefje van Domela Nieuwenhuis aan zijn vrouw naar
aanleiding van de terechtstelling van de ‘martelaren van Chicago’ in
1887. Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum,
Amsterdam.
| | | | bakkerij te stichten. Hij studeerde, begrijpend wat hij aan
theoretische scholing te kort kwam, in Fourier en Owen, in Marx, Engels en
Lassalle. En tegelijk schreef hij al zijn eerste socialistische boekje
Grond en bodem in gemeenschappelijk bezit
en zijn eerste politieke brochure:
Algemeen Kiesrecht
. Maar vooral: hij begon zijn propaganda- en agitatietochten, waarin
niemand hem hier te lande overtreffen zou.
Zijn eerste contact met de sinds 1878 in Amsterdam
bestaande ‘Sociaal-Democratische Vereeniging’ dateert van 7 september '79,
toen hij er sprak over
Wat willen de socialisten?
Het uitgestrooide zaad schoot op de nog onverbruikte akker al
spoedig weliger op dan ooit nadien. Het ging met de prediking van het
socialisme door Domela als in het Duitse versje
staat: ‘Erst verachtet man es, darm belacht man es, dann betrachtet man es,
endlich macht man es.’ Een tocht door Groningen mislukte nog in de winter
van '80, in die van '81 ging het al beter, die van '82 trok volle zalen. In
die eerste successen die zo kennelijk zijn successen waren, ligt de kiem van
een zekere zelfoverschatting en een gevoel van eigen onmisbaarheid, die hem
feitelijk van het begin af aan voor een democratisch partijwezen ongeschikt
gemaakt hebben.
Elk beeld van Domela dat geen indruk vermag te geven van de bezieling, die
zijn woord in de massa wist te wekken, is bleker dan de werkelijkheid. Ook
dit derhalve, want de historicus staat hier machteloos. Geen meesterhand
heeft ooit die indruk vastgelegd, laat staan dat een band het mechanisch
deed. Hij zelf kon ons dat allerminst overleveren, want hij was, schrijvend,
even ver beneden de middelmaat als sprekende erboven. Dit gemis kan alleen
de gebonden verbeelding van de romanschrijver enigszins vergoeden. Theun de Vries deed het in Stiefmoeder Aarde, waar hij van Domela's
propaganda onder de Friese veenarbeiders vertelt. Vanwaar die indruk? Vliegen heeft in zijn Dageraad
der Volksbevrijding, waarin hij als oud-partijgenoot en
latere tegenstander een karakteristiek geeft die op kritische kennis van
zijn persoon berust, een viertal eigenschappen van Domela opgesomd die zijn
succes als agitator moeten verklaren: zijn uiterlijk, zijn
uithoudingsvermogen, zijn zelfbeheersing en zijn welsprekendheid. Zijn
uiterlijk met de Christuskop die mensen trekken moest die of nog niet of nog
maar sinds kort van de kerk vervreemd waren. En dat trouwens steeds trekken
blijft, hoe vaag of hoe verwereldlijkt het religieuze instinct ook moge
zijn. Zijn uithoudingsvermogen, dat geen andere toelichting behoeft voor wie
zich in kan denken hoeveel daarvan nodig was om, tegen alle misverstand van
de zijde der arbeiders zelf en tegen alle vervolging van de zijde der
bourgeoisie in, door te zetten en nooit, maar dan ook letterlijk nooit te
versagen. Zijn zelfbeheersing, waaronder Vliegen zijn schijnbare
ongevoeligheid verstaat zowel tegenover kinderlijke hulde als doortrapte
verguizing.
Maar de vierde eigenschap, zijn welsprekendheid, is slechts een woord,
wanneer men er niet bij zegt, waaruit zij bestond, en waarop zij berustte.
Zij bestond in de volstrektheid van zijn overgave, die men intuïtief voelde,
en zij berustte hier op, zoals hij zelf gezegd heeft, dat de onmondige
arbeiders bij intuïtie gevoelden, dat hij het woord sprak waaraan zij
behoefte hadden, dat hij uiting gaf aan de gevoelens die in hen woonden,
maar die zij niet konden | | | | weergeven in woorden. En niet aan een
theorie, niet aan een program, nauwelijks aan een beginsel hadden zij
behoefte, maar aan een licht dat een uitweg wees uit het onbegrepen donker
waarin zij vertoefden. Dat licht zagen zij in die ogen, die uitweg wees hun
de opgeheven vuist daar vóór hen. Om te weten, waarom hij maar ƒ4,20
weekloon beurde, om te weten, waarom hij geen geld had, niet alleen niet
voor klare of bier, maar evenmin voor suiker, zeep of zout, zodat hij staart
en vinnen van zoutevis meekookte om zijn aardappels te zouten, had hij er
genoeg aan om het woord ‘kapitaal’ te leren spellen, desnoods met twee p's
of twee t's. En één gewonnen staking was voldoende om hem het begrip
‘organisatie’ en de macht daarvan bij te brengen, die hij veel groter dacht,
dan zij in werkelijkheid zou blijken. Voeg daarbij een agitatie voor het
algemeen kiesrecht - een bond daarvoor stichtte Domela in '82; het liep naar
de kiesrechtuitbreiding die in '87 gekomen is - en ge begrijpt, bij
benadering tenminste, dat een Friese arbeider toen hij hoorde, dat Domela in
aantocht was, uitriep ‘ûs verlosser komt’.
Ja, voor hen was deze ex-predikant de heiland, die de wereld der zatheid
verlaten had om voortaan met hen, voor hen en uit hen te leven. De vlam van
zijn overtuiging wekte de geesten en verwarmde de harten van duizenden die
het wonder hunner komende bevrijding als een geschenk uit zijn handen
verwachtten. En het licht van die stem misleidde niet, zoals dat van de
kansel, want het brandde binnen een nuchtere redelijkheid die zij
verstonden, omdat het de hunne was. Tweeëenheid van geestdrift en
redelijkheid: dat is, wil het ons voorkomen, het geheim van Domela's
welsprekendheid en misschien van alle Nederlandse welsprekendheid. Want
Domela was, met al zijn geestdrift, de redelijkheid zelf. Redelijkheid was
de basis van zijn overtuiging, redelijkheid bestuurde zijn gedrag. Uit
redelijkheid was hij kuis vóór zijn huwelijk - de vrouw had dezelfde rechten
als de man. Uit redelijkheid verliet hij de kerk en werd hij ten slotte
atheïst. Uit redelijkheid werd hij eerst sociaaldemocraat, ten slotte
anarchist. Uit redelijkheid dronk hij niet; uit redelijkheid at hij geen
vlees en rookte hij niet.
Uit redelijkheid ook ging hij in '86 de gevangenis in, uit redelijkheid én
uit zucht naar het martelaarschap, wat slechts schijnbaar een tegenstelling
is, want het streven in ons om gelukkig, dat is met ons zelf in harmonie te
zijn, is zó sterk, dat ons bewustzijn steeds eindigt met te betogen en uit
te voeren hetgeen ons onbewuste wil. Reeds in '84 waren de vervolgingen
begonnen. De overheid, bang voor het onbekende gevaar van een georganiseerde
volksbeweging, begon steeds onrustiger te worden. De
Temps
had ten overvloede nog eens op Domela gewezen als ‘een der
invloedrijkste personen’ in het toenmalige Nederland. Huet hamerde in een van zijn laatste artikelen op hetzelfde
aambeeld ‘Leest Recht voor Allen, leest
De Opstand
,’ schreef hij, ‘en gij zult erkennen dat die bladen, zoo zij niet
rechtstreeks nonsens of wartaal behelzen, louter gemeenplaatsen opdisschen,
stellingen die sedert een halve eeuw de ronde van Europa gedaan hebben.
Niettemin heeft Domela Nieuwenhuis in 1885 bewerkt hetgeen in 1861 Multatuli bewerkte. Ook Domela Nieuwenhuis heeft
eene rilling door het land doen gaan. Trots zijn onzin maakte hij de
verwaande en zelfzuchtige liberalen voelbaar, dat zij sedert | | | |
1848 alles ter harte hebben genomen, behalve de eigenlijke nooden van het
volk, en zij voor alle kwestiën een open oog gehad hebben, behalve voor de
democratische en sociale kwestie der eeuw.’
En '86 leek die bedreiging waar te zullen maken. In meeting op meeting
agiteerde Domela tegen de vijf k's, tegen het Kapitaal
welks druk op de wetgeving door het algemeen kiesrecht zou kunnen worden
opgeheven, tegen de Kazerne die slechts diende om het volk te knevelen,
tegen de Kerk die het dom hield, tegen de Kroeg die het verdierf, en hij
hoonde - in de ogen van de vijand - de Koning wiens lichtzinnig leven hij
tegenover het lot van de martelaren van Chicago stelde, wier proces juist in
dat jaar gevoerd werd. Het was bovendien het jaar van het Palingoproer en de
Doleantie die de algemene onrust verhoogden.
In dat jaar dan ook barstte de bom. Een op zich zelf vrij onschuldig artikel
‘De Koning komt’, dat eer een persiflage op de vleierige persmuskieten dan
een bespotting van het koningschap was, werd voor de ‘verwaande en
zelfzuchtige liberalen’ de aanleiding tot een heftige perscampagne, en voor
de liberale justitie tot de arrestatie van Domela en het indienen van een
aanklacht tegen hem ‘wegens boosaardiglijk en openbaar smaden, hoonen en
lasteren van de persoon des Konings’. De eis voor de Haagse rechtbank was twee jaar, het vonnis luidde één jaar
wegens majesteitsschennis. Hoe hij daarvoor ook in tweede instantie
veroordeeld is kunnen worden, is nog steeds niet duidelijk. Want niet
Domela, maar zekere Boelens was er de schrijver
van. In eerste instantie wisten de rechters dit niet; want Domela die het
wel wist - de man was het hem komen zeggen - nam het martelaarschap op zich
en beredeneerde het redelijk. Maar in tweede instantie was dit novum het hof
bekend: de schuldige, begaan met Domela's lot, had het zelf verteld. Twee
veronderstellingen lijken mogelijk: óf het hof heeft aan het auteurschap van
deze te elfder ure opgedoken Boelens geen geloof gehecht, óf het heeft,
waarom dan ook, de ‘oproerkraaier’ zelf niet willen of durven vrijspreken,
ondanks de overtuiging van zijn onschuld. De eerste van beide
veronderstellingen zetten wij als de meest waarschijnlijke voorop, alleen
een nader onderzoek zal kunnen uitmaken, of deze volgorde juist is, dan wel
of de waarheid nog elders ligt, waar wij haar niet vermoedden.
Op 10 januari '87 verwierp de Hoge Raad het beroep in cassatie en 18 januari
werd het vonnis ten uitvoer gelegd. Vóór hij op transport gesteld werd naar
Utrecht, waar hij zijn straf moest uitzitten,
openbaarde hij bij het afscheid zijner kameraden dat hem werd toegestaan (we
zijn in de 19de eeuw en in Nederland) zijn diepste drang: hij reciteerde
Multatuli's
Kruissprook
en zijn laatste blik thuis zal de Jezus van Thorwaldsen gegolden
hebben die op zijn cilinderbureau stond en er (in het kleine Domela
Nieuwenhuis-Museum) nog altijd staat.
Uitgezeten heeft hij zijn straf niet. Zijn volgelingen waren de enigen niet
die ertegen protesteerden. Keuchenius nam het in de Kamer, Allard Pierson in het publiek voor hem op. Frank van der Goes schreef er de brochure over die
de aanleiding werd dat zijn ploerterige collega's hem van de Beurs drongen.
Op 31 augustus, op de verjaardag van het prinsesje Wilhelmina, dat | | | |

Het nummer van Recht voor allen, waarin het
artikel ‘De Koning komt’ is opgenomen. Ferdinand Domela
Nieuwenhuis Museum, Amsterdam.
| | | | toen zeven werd, werd hij begenadigd.
Wanneer men Domela voor altijd aan de zijnen en de
zijnen aan hem had willen binden, had men geen beter middel kunnen bedenken
dan deze onverdiende straf. Zijn terugkeer werd een ware triomftocht. Zowel
in Den Haag, zijn woonplaats nog steeds, als in
Amsterdam, het centrum der beweging. In Rotterdam was de massa tegen hem opgezweept, met de
wel niet liberale, maar toch beproefde middelen van jenever en oranjelol.
Hij werd er bijna gelyncht, maar zijn toen betoonde fysieke moed die altijd
imponeert, versterkte slechts de aanhankelijkheid van zijn getrouwen en
verhoogde het ontzag, dat ook zijn vijanden reeds, zij het verzwegen, voor
hem koesterden. Om zich aan verdere hulde en vooral aan de tegenkant daarvan
te onttrekken, ging hij voor een korte vakantie naar zijn vriend Roorda van
Ensingen in Zwitserland.
Maar alles in het leven heeft zijn consequenties. Domela's eigen agitatie
voor het algemeen kiesrecht, de bekendheid die hij in het hele land
verworven had door zijn proces en zijn gevangenschap, leidden noodzakelijk
tot een eerherstel in het openbaar. Van de cel kwam hij het volgend jaar in
de Kamer (de eerste die volgens het in '87 uitgebreide kiesrecht gekozen
werd) en wel door toedoen van de kiezers van Schoterland. Had het geval als
zodanig al iets pikants, de bijzonderheden maken het nog pikanter. Zijn
tegenkandidaat was Heldt, de voorzitter van het Werkliedenverbond die
tegenover hem gesteund werd door - de liberalen. En wanneer Domela het bij
de herstemming gehaald heeft, dan komt dat door het advies van - Abraham Kuyper die liever hem gekozen zag dan een
slippedrager van de liberalen. Domela daarentegen had zich in de
schoolstrijd uit rechtvaardigheid en redelijkheid steeds aan de zijde der
antirevolutionairen en katholieken gesteld, al vertrouwde hij Kuypers
radicalisme nooit recht en al kon hij Schaepman,
radicaal of niet, nooit zetten.
Zijn Tweede-Kamerzetel is echter wellicht nog groter marteling voor hem
geweest dan zijn opsluiting. Hij was er even eenzaam; Keuchenius, de
antirevolutionair, was de enige, die hem de hand kwam reiken en vooral: wat
de ‘schande’ van '86 vermocht had - zijn schuldgevoel doven - kon de ‘eer’
van '88 niet. Integendeel, het besef hier als eenling nog wel voor de
arbeiders niets te kunnen doen, rakelde het vlammender op dan ooit tevoren.
Zijn wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering werd een volledig fiasco.
Het lokte alleen een concurrerend voorstel van regeringszijde uit, waarmee
het tezamen na het aftreden van het ministerie begraven werd.
Ondanks die ontgoocheling die hem voorgoed van het parlementarisme afkerig
maakte, liet hij zich in '91 toch weer kandidaat stellen. Toen echter werd
niet hij, maar Treub gekozen. En toen deze uit de overweging van althans één
sociaal-democraat een kans te geven, bedankte, liet Domela zijn instinct
boven de tactiek prevaleren. Maar alweer niet zonder redelijk argument: hij
paste voor een zetel bij de genade van een radicaal. Volksvertegenwoordiger
is de volksman nooit meer geweest.
Rust werd hem daarom ook nu nog niet gegund en zou hij zich trouwens ook zelf
nog lang niet en zelfs nooit gunnen. Omgekeerd: de nu volgende ja- | | | | ren werden misschien de drukste en zeker de moeilijkste van
zijn druk en moeilijk leven. Zijn toenemende afkeer van het parlementarisme
en zijn ijveren voor de algemene werkstaking, waarvan hij reeds op het
internationale socialistencongres in Parijs in '89, waar de Tweede
Internationale gesticht werd, had blijk gegeven, wekte een toenemende
oppositie, zowel internationaal als nationaal. Bebel en Liebknecht, de
leiders van de Duitse sectie, overtuigde parlementariërs als zij waren die
de gedachte der algemene werkstaking onzin vonden, wantrouwden hem voortaan
en in het eigen land begon een oppositie van weerszijden, zoals elke
partijleider die gekend heeft en kent. Croll, zijn oude medewerker, ging
reeds toen de anarchistische kant op. Van der
Goes en Troelstra, de laatste eerst
buiten, sinds '92 binnen de partij, werden daartegenover, gesteund door de
Duitse partij, de woordvoerders van het integrale parlementarisme.
Cornelissen, de latere anarchist, was de enige man van formaat in de
centrale raad die hem steunde in zijn streven om de naald in het huisje te
houden. Nog op het congres van Groningen in 1893,
waar de motie Hoogezand-Sappemeer ‘het Congres besluite onder geen
voorwaarde hoegenaamd, ook niet als agitatiemiddel mee te doen aan
verkiezingen’ met een kleine meerderheid (47 tegen 40 bij 14 onthoudingen)
aangenomen werd, trachtte Domela ter wille van de eenheid te remmen en door
zijn voorstel om over de motie bij referendum te laten beslissen, maar het
mocht niet baten. De stroom was tegen.
De meerderheid der gewone partijleden immers zag in het parlementarisme zoal
een weg dan toch een omweg, omdat zij steeds radicaler gestemd werd,
waartegenover de minderheid juist nu, nu een nieuwe kiesrechtuitbreiding
aanstaande was - zij is in '96 ook gekomen - in het parlementarisme meer en
meer de uitweg uit een impasse zag. In '94 hield zij daarom in Zwolle de sdap ten doop. De
Soc.-Dem. Bond, herdoopt in Socialistenbond, heeft nog een tijdlang de
strijd tegen de dochterorganisatie volgehouden. Tevergeefs. De uiterlijke
eenheid mocht hersteld zijn, van binnen bleef de verdeeldheid voortwoekeren.
Het internationale congres van Londen in '96 erkende alleen de sdap en het kwam op de vergadering in Amsterdam, waar de sdap-delegatie rekenschap en
verantwoording aflegde, zelfs zó ver, dat Domela Nieuwenhuis er werd
uitgefloten! Op elk congres kwam de tactiekkwestie opnieuw aan de orde en in
alle afdelingen werd er verbitterd om gevochten. De Bond, officieel
antiparlementair, liet op het Rotterdamse congres van '97 toch zijn leden
individueel vrij om aan de verkiezingen mee te doen niet alleen, maar zelfs
zich kandidaat te laten stellen. Van der Zwaag bijvoorbeeld deed dat en hij
werd gekozen ook. Een onhoudbaar tussenstand-punt, dat in 1900 eindigde toen
de rest van de Socialistenbond met de sdap versmolt en de
pionier van het socialisme slechts een aantal vereniginkjes van zogenaamde
‘vrije socialisten’ overhield die, men zou bijna zeggen krachtens hun
beginsel, hun onderling geharrewar met onverdroten ijver voortzetten.
De nederlaag van Domela was klaarblijkelijk en onherstelbaar. Hoe kwam dat?
Wij menen, omdat de kwestie in wezen dieper ging dan het vraagstuk der
tactiek. Niet om parlementarisme of antiparlementarisme ging het in we- | | | | zen, zelfs niet om socialisme of anarchisme, maar het verschil
eerst, het geschil later en ten slotte de scheiding had sociologische
wortels. Het ging om sekte of partij. Domela, zijn hele loopbaan bewijst
het, was een individualist en sektariër. Vrijheid was zijn hoogste goed. In
zijn omgang met de Duitse sociaal-democratie had hij een heel andere geest
ontmoet: die van het partijwezen met zijn discipline, dat is met zijn dwang
en zijn onderschikking van het individu aan de belangen van het geheel. Maar
van het geheel der partij. Het ‘extra ecclesiam nulla salus’ had hij gehoord
- en hij was ervan geschrokken. Hij had in de partij geest die van de kerk
herkend, waar hij juist om die geest was uitgelopen.
Toen hij een tiental jaren later zijn gedenkschriften te boek stelde en aan
de zwarte laatste jaren der 19de eeuw terugdacht, kwam hem een artikel van
Annie Besant in de herinnering, waarin zij betoogd had, dat de reïncarnatie
een periode van 15 eeuwen kende. De atheïst glimlachte om de theosofe en
toch?: 1500 jaar terug bracht hem in de tijd van de dogmatische twisten
tussen de christenen onderling. ‘Sluit de oogen,’ schreef hij, ‘verandert
het woord koncilie in kongres, zet in plaats van het woord christelijk dat
van socialist en “de te fabula narratur”, dat wil zeggen de geschiedenis der
oecumenische koncilies met al hun armzalige en bekrompen twisten over
letters en woorden en zinnen herhaalt zich voor onze ogen. Toen sloeg men
elkander dood om de eene letter i, nu loopt het over de
politieke en parlementaire aktie of auktie. En om die ééne letter u sluit men nu elkander uit.’ Had hij ongelijk?
Integendeel: meer gelijk dan hij zelf wist, want het doodslaan tussen de
verschillende socialistische fracties zou ook nog komen.
Hoezeer ook zijn socialist-worden de consequentie was van zijn
rechtvaardigheidsgevoel, heel zijn rationalistische denkwijze kwam in
opstand tegen deze herleving van het irrationele in de politiek, wat zijn
afkeer al veel scherper aanvoelde, dan het toen nog was. ‘Al de elementen
die overhelden naar den kant der vrijheid,’ schreef hij, ‘bezaten mijn
sympathie en daar men dezulken zelden of nooit ontdekt in de bekrompen
sociaaldemokratische kringen, waarin de menschen evenals in de atmosfeer van
het klooster en het seminarie zoolang geschud en gekneed worden, dat zij
voor niets meer oog en oor en hart hebben dan voor datgene, wat in het enige
partijverband wordt voortgebracht, schoof ik steeds meer naar hen op.’ Deze
19de-eeuwer voelde, eerder dan anderen, dat het 19de-eeuwse rationalisme
omstreeks 1900 al gestorven was, ook in de kringen die het met de mond nog
beleden en deze Nederlander zag met afschuw de ondergang der vrijheid ook in
de partij die voor haar heette te strijden. Ook in zijn eigen partij, of wat
daarvan nog restte. Op haar Rotterdams congres in '97 aanvaardde hij zijn
herbenoeming als redacteur van
Recht voor Allen
niet. Het was zijn eigenlijk afscheid. Hij trok zich vrijwillig
terug. Niet omdat zijn uithoudingsvermogen of zijn zelfbeheersing in de
onderlinge strijd te kort geschoten zouden zijn. Ze deden het zomin als in
de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand. Iets anders faalde. De diepste
reden van zijn nederlaag was het feit, dat hij niet meer wilde winnen. ‘Ik
gevoelde mij nu vrij en dus gelukkig; want alleen in de vrijheid kan men
zich werkelijk gelukkig voelen.’
| | | |
Domela Nieuwenhuis, tweede van links, kaalgeschoren, tijdens een
vergadering te Den Haag op 2 september 1887, twee dagen na zijn
vrijlating uit de gevangenis. Ferdinand Domela Nieuwenhuis
Museum, Amsterdam.
| | | |
Hij gebruikte die vrijheid voor het schrijven van zijn twee beste boeken. Het
ene, het Vergeten Hoofdstuk, is een
ongevraagd supplement op het gedenkboek Een halve
Eeuw (1848-1898), samengesteld naar aanleiding van de
troonsbestijging van koningin Wilhelmina. Hierin brachten de burgerlijke
schrijvers met blij gefiedel de reidans van de vooruitgang in de laatste
vijftig jaar ten tonele. Nieuwenhuis, in zijn
anoniem verschenen en daarom veel gelezen aanvulling, zette daar een sordino
op door aan te tonen, dat de leefwijs en de arbeidsvoorwaarden der massa van
het Nederlandse volk in '98 nauwelijks beter waren dan in '48.
De opzet was niet nieuw. Hij deed het Sherard na die ter gelegenheid van het
diamanten jubileum van koningin Victoria het jaar tevoren in zijn Blanke Slaven voor Engeland hetzelfde had gedaan. Maar
stof en uitwerking was het wel. Aan het slot spreekt hij de jonge vorstin
weer toe en hij haalt daarbij de regels van koningin Louise uit
Vorstenschool
aan, ‘maar moeder men kan pogen, strijden/En als de taak te zwaar
is voor z'n schouder/Dien overdragen op wie sterker zijn/Of... met het
kwijnend volk vergaan.’ Heeft koningin Wilhelmina een kleine vijftig jaar
later in de Londense ballingschap zich die woorden herinnerd...
Het tweede geschrift was zijn Geschiedenis van het
Socialisme, die in de jaren 1901-'02 in drie delen
uitkwam. Het was vlak na de
Socialisten
van Quack, die zoveel meer studax was,
een hachelijk ondernemen, hetgeen de schrijver zich ook niet ontveinsde.
Maar het boek van de volksleider heeft in zijn meer systematische opzet
tegenover de zuiver chronologische van de hoogleraar ook enig voordeel. Dat
het oppervlakkig zou zijn, is een historische legende, verzonnen door zijn
politieke vijanden. Zij behoeft evenzeer correctie als die andere legende,
dat tactisch doorzicht en theoretisch inzicht louter en alleen bij Domela's
tegenstanders te vinden zouden zijn geweest. Domela's anarchistische
utopieën mogen al in rook vergaan zijn, de profetieën der marxisten zijn ook
niet stuk voor stuk uitgekomen. Nieuwenhuis' Geschiedenis
berust óók op eigen lectuur van de besproken schrijvers. Ook hij had al heel
wat voorwerk gedaan en in aantekeningen of artikelen vastgelegd vóór hij
zich tot het schrijven zette. En althans het derde deel met de behandeling
van het Vrij Socialisme of Anarchisme, ter onderscheiding van het
gezagssocialisme der marxisten, met zijn hoofdstuk over de Internationale
vooral, dat de neerslag vertoont van ervaringen uit het serail, die Quack
miste, behoudt naast diens boek een eigen onvervangbare waarde.
Voor de schrijver betekende dit boek, ja een afrekening met zijn
sociaaldemocratisch verleden, maar slechts om verder te kunnen gaan op de
nieuwe weg naar het anarchisme. De ‘schuld’ was ook in een leven van arbeid
en opoffering, van verguizing, laster en - het ergste - van teleurstelling
niet gedelgd en zíjn beweging omstreeks 1900 in omvang niet veel groter dan
toen hij haar in 1880 begon. En juist dat wat de historie ziet als het werk
waarvoor hij mede de grondslagen gelegd heeft: het algemeen kiesrecht, de
sociale wetgeving, de verbetering van de materiële positie en de verhoging
van het morele en culturele peil van de Nederlandse arbeidersklasse, gold
hem, als even zovele geforceerde dagmarsen op de heirbaan, niet naar de
vrijheid, die | | | | zijn leidstar was, maar naar de - slavernij.
‘Lettende op de teekenen des tijds,’ schreef hij in het Besluit van zijn
Van Christen tot Anarchist
in aansluiting aan gedachten van Herbert Spencer, ‘zien wij
duidelijk hoe de maatschappij zich ontwikkelt in de richting van het staats-
en gemeentesocialisme, waar meer en meer de takken van bedrijf gebracht
worden onder staats- of gemeentebestuur. Dit schijnt een fase van
ontwikkeling te zijn, die wij door moeten maken. Noemt haar vrijelijk
staatsslavernij.’
Dan, dit inzicht deed hem niet versagen. Het verdubbelde alleen zijn ijver
voor het ideaal, dat vrijer, maar ook vager werd. Zijn grondgedachte bleef
hij na zijn nederlaag even trouw en hij streed er even moedig voor als
tevoren. En hoezeer daarvoor naast zedelijke ook lichamelijke moed nodig
was, bewijst menige anekdote uit zijn daaraan rijke leven. Het meest wel
getuigt daarvan zijn verweer tegen de dronken bekkesnijders van Baarn, waar hij de zomer van '98 doorbracht, die de
kroningsfeesten van dat jaar niet méér in stijl meenden te kunnen vieren dan
door een aanslag op de woning van de gehate socialist. Zijn vierde vrouw,
als de drie vorige een Johanna, Johanna Godthelp waarmee hij in '91 getrouwd
was (de derde, Johanna Schingen Hagen was in '84 gestorven) hielp hem,
zijner waardig, door die bange nacht.
Doch hoe vol jonge moed hij omstreeks 1900 ook nog mocht wezen en hoe vol
oude trouw de bijna twintig jaar die hij nadien nog te leven had, hij ook
nog mocht zijn, zijn politieke rol was sindsdien uitgespeeld. Er schuilt
waars in het stukje dat Wilhelmina Drucker in
1916 in het
Gedenkboek
ter ere van zijn 70ste verjaardag schreef en waarin zij betoogde
dat Nieuwenhuis, voor de keus gesteld, zich omhoog te heffen langs de ruggen
van hem die hem verafgoodden óf wel voorgoed afstand te doen van alle
regeermacht, met daarvoor in ruil slechts dit ene: behoud van zelfrespect,
dit laatste gekozen heeft. Maar óók in wat zij daarop liet volgen: ‘Dat hij
tot het laatste besloot, geeft aan zijn figuur voornamer reliëf, dan ooit
een ministerszetel, zelfs een presidentschap zou hebben kunnen doen.’
Nog tweemaal in zijn leven leek desondanks, zo al niet een ministerszetel,
laat staan een presidentschap, maar dan toch een stuk ‘regeermacht’ voor hem
in het zicht te komen, wanneer men althans de historie niet, zoals
gewoonlijk gebeurt, bekijkt met de kennis van later, maar daarvan afziende,
zich geheel in het destijds verplaatst. De eerste keer was, tijdens de
spoorwegstaking in 1903, toen het zaad der revolutie door hem in
vijfentwintig jaren uitgestrooid eindelijk scheen op te schieten. Ofschoon
niet rechtstreeks bij de lending betrokken maakte hij de opwindende
gebeurtenissen dier dagen van dichtbij mee en hoe gemakkelijk het zoals
gezegd, nú ook is de naïeve illusie waarin hij toen verkeerde, te doorzien,
wie voldoende kennis ervan draagt en over genoeg verbeelding beschikt, om
als het ware voor een ogenblik zich er ook in opgenomen te voelen, begrijpt
de juichtonen van de oude kampvechter. ‘Nu laat gij, o Heer, uw dienstknecht
naar uw woord in vrede heengaan, want mijn oogen hebben uw heil gezien, dat
gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren.’ In die bijbelse
woorden drukte hij later zijn stemming van die eerste maanden van het jaar
1903 uit, waarvan hij getuigde nooit in zijn leven zo'n jaar te hebben
doorgebracht.
| | | |
Des te hoger de verwachting gerezen was, des te dieper moest, verwacht men,
de teleurstelling zijn. Maar de gedenkschriften vertonen er,
merkwaardigerwijze, amper de sporen van. Wanneer hij op de een-mei-dag van
dat jaar, als de tweede staking al verlopen is, naar de ‘feest’-vergadering
in het Paleis voor Volksvlijt gaat, is zijn stemming nog gedrukt, maar toen
hij onder de nooit falende bekoring van zijn rede ‘het doffe oog van den
werkman weer vurig en geestdriftig zag tintelen’, toen ‘wist hij weer te
hebben weergegeven de hoop die daar woonde in menig hart’. En deze
een-mei-dag werd voor hem ‘de bevestiging dat de beweging nu ja tijdelijk
een klap had gehad, maar dat zij spoedig weer in volle kracht op de beenen
zou staan’. En wat er aan desillusie nog overgebleven mocht zijn, werd het
volgend jaar weggevaagd door het feest ter herdenking van het
vijfentwintigjarig bestaan van Recht voor
Allen, waar hij in het zonnetje ener kinderlijk-oprechte
aanhankelijkheid gezet werd. Honderdtachtig organisaties, de buitenlandse
niet meegerekend, deden eraan mee. Cornelissen hield de feestrede en een Gedenkboek getuigde ervan. ‘Zoo zal de naam,’ dichtte
Frederik van Eeden daarin - na een
vergelijking met de Marathonloper, die bode te zijn van vrijheids zegepraal
met zijn leven bekocht - ‘Zoo zal de naam niet sterven van wie 't eerst (in
ons arm land, aan ons arm lijdend volk) de konde van een beter toekomst
bracht.’ O, illusie, tot hoeveel onbezonnenheid hebt gij al niet verleid,
hoeveel nederlagen met uw gazen sluier bedekt, maar óók, hoe zou er ooit één
strijd volstreden en één overwinning behaald zijn zonder u!
Toen de tweede en laatste keer voor hem de dageraad van een nieuwe dag scheen
te gloren, was het vijftien jaar later en Domela al een grijsaard van in de
zeventig. Bij het in de wereldoorlog gevormde ‘Revolutionair Socialistisch
Komitee tegen den oorlog en zijn gevolgen’ waren ook Domela Nieuwenhuis en
zijn ‘vrije socialisten’ aangesloten en op weinige van de grote
vergaderingen in het woelige jaar 1918 gehouden, ontbrak zijn besneeuwde kop
met de nog altijd als brandende kolen fonkelende ogen. Maar bij 1903
vergeleken was toch én de verwachting én de teleurstelling gedempt. De
bliksem van 1914 was ook in dit gevoelig hart geslagen. Maar de
ontgoocheling over de onmacht der internationale sociaal-democratie was
getemperd door het gevoel van zelfs in zijn vinnigste kritiek op haar gelijk
te hebben gekregen. En omgekeerd werd zijn triomf over de Russische en
Duitse revoluties van '18 versomberd door zijn bange verwachtingen voor de
naaste toekomst. ‘Waar gaat ge heen arbeiders? Ge schudt aan het oude
ondragelijke juk. Maar ziet ge het nieuwe niet dat men u wil opleggen en dat
nóg ondragelijker zal zijn?’ En zoals er in de jaren '80 van de vorige eeuw
bijna nog niemand naar het woord van de apostel geluisterd had, zo luisterde
nu bijna niemand meer naar deze Cassandra.
‘Mijn slotsom van het leven is dat in den arbeid alles te vinden is wat een
mensch behoeft tot troost,’ had hij in het voorwoord van zijn Van Christen tot Anarchist geschreven. De troost voor de
teleurstelling van 1903 zocht hij onder andere in de arbeid voor deze
gedenkschriften. Want zij zijn wel pas in 1910-'11 verschenen, maar hij
hield ze drie jaar lang in portefeuille.
Geeft dit boek de rechte richtlijn in zijn leven te zien, die hij er langs de
li- | | | |

Ferdinand Domela Nieuwenhuis en zijn echtgenote Johanna Egberta
Domela Nieuwenhuis-Godthelp omstreeks 1915 in hun woning te
Hilversum. Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum,
Amsterdam.
| | | | niaal van zijn herinnering in trok? Wij geloven het
niet. Wij menen eer dat de stelling zich laat verdedigen, dat dit leven een
kringloop was, waarbij hij aan het einde ervan even ver scheen als aan het
begin. Men krijgt de indruk, dal er sinds zijn zestigste jaar ongeveer een
laatste omslag in zijn denken plaats greep, die hem schijnbaar weer dicht
bracht bij zijn uitgangspunt van liberaal. Wie het
Besluit
van zijn gedenkschriften leest, zonder te weten in welk boek hij
bladert, zou inderdaad kunnen wanen de memoires van een liberaal voor zich
te hebben, zij het dan van een oud en wijs geworden en derhalve waarlijk
ruimdenkende liberaal. ‘Leven en laten leven, denken en laten denken, doen
en laten doen - als dat 's levens stelregel wordt, dan heeft en geeft ieder
vrijheid en het geluk is verzekerd.’ Het egoïsme, schrijft hij een paar
bladzijden verder, moet niet onderdrukt worden, het moet veeleer ‘de
reddende engel voor de toekomst’ zijn. En dan: ‘Het eigenbelang, dat wil
zeggen het belang van den individueelen mensch staat niet tegenover het
algemeen belang.’ En: ‘Het minste wat een mensch voor de gemeenschap kan
doen, zal wel zijn, te zorgen dat hij niemand tot last zij.’ En weer: ‘wie
het best zijn roeping als individu vervult, strekt daardoor het meest der
menscheid tot eer.’ Met als klap op de vuurpijl: ‘het aloude voorschrift:
hebt uw naaste lief als uzelf, is de grootste onzin, die er ooit is verkocht
geworden.’ Is dit Stirner met zijn ‘mij gaat niets boven mij’ of Bakoenin?
Kropotkin is het in elk geval niet. Trouwens reeds in zijn
Geschiedenis
had hij Stirner tegenover Marx en Quack
in bescherming genomen en hem alle eer gegeven die hem als onafhankelijk
denker toekomt.
Men zou kunnen wanen de memoires van een liberaal te lezen, zeiden we. Verder
gaat het evenwel niet, want wie aandachtig leest, hoort een ander accent.
Terwijl de liberale grondgedachte zich laat omschrijven als ‘mijn eigen
slagen verzekert dat van de anderen’, vraagt Domela andersom ‘hoe kan ik gelukkig zijn als mijn geluk is
opgebouwd op het ongeluk van anderen?’ In die kleine accentverschuiving van
het economische naar het ethische en van het ‘ik’ naar ‘de anderen’ ligt een
leven van aanhoudende strijd verscholen. Zij getuigt van een jarenlange
worsteling om gelijkberechtiging voor de ontrechten, zij betekent zijn
erfenis voor de onterfden der Nederlandse natie.
Zo trokken zijn sociaal-ethische gedachten op de keper beschouwd niet een
kring, maar een spiraal. Het eindpunt ligt niet ín maar bóven het beginpunt
en onzentwege kan men het Nieuwenhuis' consequentie-zucht dan ook vergeven,
dat hij beide punten door zijn rechte lijn verbonden zag.
Kwam hij de teleurstelling van 1903 door de arbeid aan zijn gedenkschriften
en onverflauwd voortgezette propagandatournees in de slinkende kring der
libertaire socialisten nog te boven,
Van Christen tot Anarchist
was toch zijn eigenlijk testament. Na 1911 ging het onweerkeerbaar
bergafwaarts. Zijn aanvankelijk niet onaanzienlijke vermogen was o.a. ook
door alle eisen die de beweging hem of beter: die hij zich zelf voor de
beweging stelde, in 1912 geslonken tot op een punt waar het faillissement
dreigde. Hadden de arbeiders hem niet door de stichting van een ‘Domela
Nieuwenhuis-Fonds’ gesteund met de offervaardigheid die alleen de armoede
kent, hij, die uitgetogen was om hun welvaart te brengen, zou op zijn oude
dag ook nog in dat opzicht | | | | hun ervaringen hebben moeten delen.
Had hij tevoren nog zijn woord gesproken op internationale congressen, zoals
het anti-militaristische in Amsterdam, en de
vrijdenkerscongressen in Parijs en Rome, eind '18 was ‘de krater toch
uitgeblust’ gelijk Rijnders, een geestverwant uit
zijn latere jaren, in zijn
Wie was Domela Nieuwenhuis?
het zegt. Trouwens die titel - het voorwoord van dat boek is van
'29, dus van tien jaar na Domela's dood, is ongewild wel zeer welsprekend.
De teleurstelling over het uitblijven van de wereldrevolutie en over de
Russische die niet ging, zoals Bakoenin zich dat indertijd en hij nu nog
zich voorstelde, is hij niet meer te boven gekomen. Zijn lot was harder nog
dan dat van Mozes die het beloofde land althans nog zag, al mocht hij er dan
niet binnentrekken. Zelfs de enige troost - de arbeid, naar zijn eigen
zeggen - was de tweeënzeventigjarige ontvallen. Hij kon niet meer werken.
‘Dagenlang’ vertelt dezelfde getuige van zoëven, ‘zat hij huilend voor zijn
werk. Hij wilde dit schrijven en dat schrijven, hier heen en daar heen, maar
zijn rechterhand en zijn beenen weigerden verderen dienst’... ‘Zijn
kameraden en huisgenoten’ - de laatste Johanna en zijn achtste kind, zijn nu
negentienjarige zoon Cesar - ‘probeerden hem te troosten: je hebt toch
genoeg gedaan!’ Zij wisten niet van de ondelgbare schuld in zijn hart. Hij
wel: ‘hij schudde het hoofd: er was nog zooveel werk! Wij zijn nog zoo ver
van het doel! En zijn moede ogen richtte hij naar zijn lijfspreuk boven zijn
bed “Terar dum prosim” - Moge ik vergaan, als ik maar nuttig ben.’ Nuttig
zijn - de schuld delgen.
In oktober 1919 wierp een totaal verval van krachten hem op het ziekbed.
Begin november raakt hij in een toestand van verdoving. ‘Ferdinand, daar is
Rijnders.’ ‘O, zoo ... Rijnders ... het kon met de beweging wel wat beter
gaan hè?’ Het waren de laatste woorden die deze uit zijn mond opving. In de
vroege ochtend van de 19de november was zijn leed geleden, de schuld,
eindelijk afgelost.
Die 19de was een woensdag. Zaterdag was de dag van zijn verassing.
Nieuwenhuis was geen Spinoza. Diens woord dat de
wijze aan de dood niet denkt, was voor hem niet geschreven. Domela's
gedachten hadden er vaak ómheen gecirkeld. Aan het slot van zijn
gedenkschriften staat Een fantastische
satyre: beschrijvingen door hem zelf van zijn begrafenis, voor
het geval hij gestorven zou zijn in 1884, '88, begin '93, '98 en 19-zoveel.
In de laatste daarvan lezen we: ‘Geen bloemen of kransen versierden zijn
graf en op uitdrukkelijk verlangen van den overledene werd er geen woord
gesproken, want hij wenschte niet dat voor de zooveelste maal bewaarheid zou
worden het woord: hier liggen de dooden en hier liegen de levenden.’
Gesproken is er inderdaad niet en de tranen der levenden logen niet. Bloemen
daarentegen waren er wel, meer misschien dan er ooit bij de uitvaart van
enig Nederlander geweest zijn. De legende, dat Domela Nieuwenhuis reeds vóór
zijn dood vergeten zou zijn, heeft de stille taal dier bloemen welsprekend
weerlegd.
‘Ûs verlosser’ was, als die andere, dood en toch niet dood. Hij leefde in het
hart van de achtentwintig stoere bootwerkers, die veertien om veertien de
dierbare last op hun sterke schouders droegen van Concordia op het Wees- | | | | perplein, waar het lijk de voornacht opgebaard had gelegen,
langs Sarphatistraat, Oosteinde, Stadhouders- en Nassaukade over de
Rozengracht naar het Centraal-Station. Zouden zij de dode niet dragen, deze
drie uren, die, levend, hun leed gedragen had, een mensenleeftijd lang? Hij
leefde in het hart van de dubbelrij van vierentwintig kransdragers vóór dit
centrum van verering, van de koetsiers der drie open landauers vol
bloemstukken en van de dubbelrij van weer vierentwintig kransdragers
daarachter. Glimmend-groene grafkransen en palmtakken, blinkend witte leliën
en bleek-gele chrysanten, ongeteld. Hij leefde in het hart van de honderden
vaandeldragers van heinde en ver gekomen als de vertegenwoordigers van even
zoveel tienduizenden als zij honderden telden, vóórop de veteraan De Boer,
de timmerman die ondanks zijn ouderdom zijn felrode vlag de hele wege lang
stram hoog óphield. Felrood en onomfloerst deze, als gold het te getuigen,
dat boven de rouw om wat heengegaan was, de strijd ging, die kwam.
Hij leefde in het hart van de zangerskoren, hier en daar opgesteld, die de
dodenzang zongen. Hij leefde in het hart van de tienduizenden die twintig en
meer rijen dicht stonden aangetreden langs de trottoirs waar de rouwstoet
voorbij trok; waar wenende moeders hun kinderen optilden om hun dit ééns te
laten zien en nooit te doen vergeten; waar wit-gehandschoende agenten, diep
onder de indruk van dit ongedachte, onwillekeurig het saluut brachten. Hij
leefde in de harten van die weer andere tienduizenden die zwijgend, schouder
aan schouder geschaard, het Stationsplein tussen beide viaducten en tot op
de kade over het water vulden. Hij leefde in heel die onoverzienbare zee van
vlaggen, vaandels en banieren, rood, met goud en zilver bestikt en gedoft
door het rouwcrêpe, wijnrood, purperrood, gladiolenrood, hoog en hoger boven
de mensenzee uit, uitvlammend tegen het gedekte grijs van de druilige
novemberhemel. En die alle neigden ten laatsten groet, toen de eikehouten
kist, omwonden met één enkele baan van kardinaalrood dundoek werd opgedragen
tot vóór de rouwtrein die hem naar Westerveld brengen zou.
Daar, in het crematorium, werd het ‘Agnus Dei’ gezongen, bij het dalen van de
kist door het orgel begeleid. ‘Agnus Dei, qui tollis peccata mundi.’ Lam
Gods, dat de zonden der wereld gedragen heeft. Nog weer de schuld. Maar
gedelgd nu door déze woorden van Henriëtte Roland
Holst uit haar Opstandelingen, die
er werden voorgedragen: ‘Toen... toen zijt gij gekomen en hebt ons met
windselen verbonden/Van broederschap, en uw hart heeft het woord
gevonden/Dat de verstijving der wanhoop brak.../Daarvoor dank!’
|
|
|