terug  begin  verderprepost
[p. 96]

Hoofdstuk V Verworvenheden en leemten van de Antilliaanse literatuur

De literatuurhistoricus, die zich voorneemt een aperçu te leveren van de literatuur uit een kolonie of een ex-kolonie, what is in a name?, wordt voor bepaalde moeilijkheden gesteld die deels met de literatuur in het algemeen en deels met de specifiek koloniale literatuur te maken hebben. Het verdient ter vermijding van misverstand aanbeveling allereerst met de algemene literaire fenomenen rekening te houden. Ik zou in het bijzonder de volgende willen noemen.

 

1. De stationaire en evolutionaire tendensen van de betrokken gemeenschap zoals onder meer beschreven in het meesterlijk werk ‘Prometheus’ van Carry van Bruggen. In deze studie kunnen wij niet nalaten eveneens te wijzen op de rede door Harry Hoetink bij de aanvaarding in 1965 van het buitengewoon hoogleraarschap in de sociologie van niet-westerse gebieden aan de hogeschool te Rotterdam uitgesproken over het ‘nieuwe evo-lutionalisme’ waarbij vooral de hem zo goed bekende structuren in het Caribisch gebied in de beschouwing werden betrokken.

 

2. De psychologische tendensen die in de kunstwerken tot uiting komen. Miguel de Unamuno heeft destijds gemeend deze min of meer volledig in de volgende vijfvoudige reeks te kunnen samenvatten: ‘las literaturas de devoción, erotismo, afección, realismo y cognición’. Ik wil gaarne deze voorstelling overnemen, zij het ook met toevoeging van enkele kanttekeningen. a. Inzake de devotie-literatuur. Men zou hier ook kunnen spreken van de literatuur van het ritueel, waaruit naar alle waarschijnlijkheid de literatuur van het vrome gemoed is voortgekomen en die in ieder geval beter bruikbaar is bij de behandeling der orale literatuur van de primitieve volken. b. Inzake de erotische literatuur. Het erotisme speelt ook in de Antilliaanse literatuur een belangrijke rol, zij het ook in de versluierde en niet m de naakte vorm zoals men die bij bepaalde Hollandse auteurs, Jan Cremer of Gerard Reve, aantreft. Voorts zij opgemerkt dat niet zelden vervlechtingen en verbindingen, men spreekt tegenwoordig graag van fusies en osmosen, plaats hebben zodat men dan genoopt wordt tot koppeling der termen, zoals romantisch-realistisch of affectief-cognitief, over te gaan.

[p. t.o. 96]



illustratie
Links boven: Alette Beaujon.



illustratie
Rechts boven: Charles Corsen.



illustratie
Links onder: Nicolas Piña.



illustratie
Rechts onder: Luis H. Daal.
(Afbeeldingen bij hoofdstuk 5)


[p. t.o. 97]



illustratie
Links boven: Amador Nita.



illustratie
Rechts boven: Diana Lebacs.



illustratie
Links onder: Pacheco Domacasse.



illustratie
Rechts onder: Edward de Jongh.
(Afbeeldingen bij hoofdstuk 5)


[p. 97]

3. Tenslotte moeten wij rekening houden met de esthetische implicaties. In het algemeen plegen de traditionele beoefenaars der literatuurwetenschap hun beschouwingen te baseren op de onderscheiding lyriek - epiek - drama of, eenvoudiger uitgedrukt, het lied, het verhaal en het toneel. Het essentiële der esthetische implicaties komt evenwel niet voldoende uit de verf met deze drie grondvormen die trouwens niet nauwkeurig kunnen worden afgegrensd. Het is verstandig oog te hebben voor de uiterlijke verschijningsvorm maar ook de intrinsieke samenhangen moeten aan hun trekken komen. Het verdient in ieder geval aanbeveling zich er telkens weer rekenschap van te geven dat de auteur niet zo maar een passieve plaat is waarop de werkelijkheid met meer of minder aandrang wordt uitgenodigd haar stempel te drukken. Hij kan evenmin vergeleken worden met een spiegel die het van buiten opgevangen beeld op zijn beurt met meer of minder succes op de buitenwereld reflecteert. De kunstenaar transformeert de werkelijkheid tot een nieuwe voorstelling die het best nog met een fatamorgana is te vergelijken. Vandaar het paradoxaal karakter van het kunstwerk, het is werkelijk en onwerkelijk tegelijk. Het is in deze zin dat men de woorden van Bertus Aafjes moet verstaan wanneer hij opmerkt dat de dichter niet de waarheid spreekt maar de waarheid liegt. Het is algemeen bekend dat het pleidooi tegen de dichters zoals geformuleerd door Plato, in wezen een pur-sang dichter, op een protest tegen zijn eigen natuur berustte. Nu is het ook weer niet zo dat iedere fantast als een kunstenaar moet worden beschouwd; losvaste fantasieën missen de coherentie van het kunstwerk. De beoefenaar der literatuur zal derhalve verplicht zijn een belangrijk deel van zijn betoog te wijden aan de intrinsieke samenhangen van het literatire werk, aan welluidendheid, ritme en metrum, aan beeldspraak, metafoor en mythe, en tenslotte aan stijl en stylistiek. Het is mede door toedoen dezer stijlmiddelen, die uiteraard geheel afhankelijk zijn van de aard van de auteur, le style c'est l'homme, dat het kunstwerk de coherentie verkrijgt die het onderscheidt van de fantasieën-zonder-meer. Aan de esthetische elementen wordt tegenwoordig weer de nodige aandacht besteed, mede onder invloed van de opvattingen van de Poolse literatuurtheoreticus Roman Ingarden die op bijzonder plezierige wijze zijn gepopulariseerd in het klassieke werk van de Amerikanen (?) René Wellek en Austin Warren, ‘Theory of literature’ sedert kort ook in het Hollands verkrijgbaar onder de letterlijk vertaalde titel ‘Theorie der literatuur’.

Voor de Antillianen kan worden verwezen naar de studies van B. Jos de Roo, thans leraar Nederlands aan het Radulphus College op Curaçao, met name naar zijn analyse van ‘Sarnami hai’ van de Surinaamse romanschrijfster Bea Vianen.

[p. 98]

De literatuurhistoricus uit de kolonie of ex-kolonie staat er ongetwijfeld niet zo gunstig voor als zijn collega uit Europa. Het materiaal is minder omvangrijk, het was ook niet anders te verwachten. De functionarissen van de W.I.C., een uitgesproken commerciële onderneming, interesseerden zich pas in de laatste plaats voor de aangelegenheden van cultuur en literatuur. Men dient te bedenken dat de eerste merkbare verandering in het Hollandse milieu zich pas in 1915 aftekent wanneer een uitvoerige linguïstische discussie in de kolommen van de ‘Amigoe di Curaçao’ wordt opgenomen. Hieraan werd deelgenomen door de dichter-priester P.J. Poiesz, de Arubaanse predikant ds. G.J. Eybers en de Neerlandicus W.J. Walboomers die pas kort daarvoor als hoofd van het toenmalig St. Thomas College was opgetreden. Deze polemiek is, ondanks het verloren gaan van het archief van de Amigoe tijdens de onlusten van 1969, door een gelukkig toeval bewaard gebleven. Het zou de heren van de betrokken culturele instantie sieren als zij er voor zouden zorgdragen dat dit document, dat voorlopig in de laden op Curaçao of Aruba ligt te verpulveren, op korte termijn wordt gepubliceerd.

De Antilliaanse schrijver stuit voorts, behalve op de schaarsheid van het materiaal, ook nog op de omstandigheid dat de documenten, en zeker de manuscripten, niet met de nodige zorgvuldigheid worden bewaard. Het kost soms de grootste moeite literaire documenten, niet alleen uit de periode van de W.I.C. maar ook uit de jongste tijd, op te sporen waardoor het in vele gevallen nauwelijks mogelijk is de authentieke teksten vast te stellen. Ja, wij hebben met genoeg moeilijkheden te kampen, maar deze zullen mogelijk toch wel kunnen worden overwonnen. Wij denken hierbij onwillekeurig aan de woorden die ds. WillemVolckring in 1664 in de toenmalige Fortkerk heeft gesproken: ‘zo klipachtig is de bodem niet, of hij brengt vruchten voort’.

De onderhavige beschouwing zal terwille van de overzichtelijkheid in twee gedeelten worden verdeeld waarin de ontwikkeling achtereenvolgens voor en na de bemachtiging in 1634 zal worden beschreven. Ik hoop in het bijzonder ook in het verloop van mijn betoog de vraag te kunnen beantwoorden of en in hoeverre de Antilliaanse literatuur binnen de context van de internationale samenhangen kan worden behandeld. Ik zal dan tevens in de gelegenheid zijn eventueel, impliciet of expliciet, de specifiek koloniale problematiek met het vereiste illustratie-materiaal aan de orde te kunnen stellen.

[p. 99]

?-1634

Wij weten niet veel maar toch wel iets van de Indiaanse (orale) literatuur, die door de tand des tijds werd geërodeerd, en van de Spaanse geschriften waarvan een belangrijk gedeelte, met name het werk van Lázaro Bejarano, de eerste dichter-gouverneur van de Benedenwindse eilanden, op last van de kerkelijke rechtbank van het Heilig Officie, meer bekend als de Inquisitie, werd vernietigd daar het in strijd werd geacht met de goede zeden en gewoonten van de ‘Hispanidad’. Wij zullen derhalve met de volgende kanttekeningen moeten volstaan.

De Curaçaose folklorist Nicolaas van Meeteren, die niet alleen voor Curaçao maar ook voor de andere eilanden een intense belangstelling koesterde, merkt op in zijn voortreffelijke ‘Volkskunde op Curaçao’ (1947) dat op Aruba mogelijk nog resten voorkomen van een primitieve orale literatuur waarin de ‘dori’, een bepaald soort kikvors met fantastische rode en blauwe vlekken op achterlijf en -poten, de rol van totemdier vervult. Het zijn vooral de Duitse anthropologen die de verhalen rondom de ‘dori’ binnen het veld hunner onderzoekingen hebben betrokken. Verwezen worde in het bijzonder naar de ‘Beitrage der Anthropologie, Etnographie und Archeologie NiederländischWestindiens’ opgenomen in de ‘feestgave’ namens de Nederlandse regering aangeboden aan het Internationale Amerikanïsten Kongress te Stuttgart (1914). Algemeen bekend zijn de rijmregels dïe de Arubaan in momenten van spanning, maar soms ook zonder aanwijsbare aanleiding, voor zich uit prevelt:

 
Mako mako dori, si mi muri ken ta derami?
 
Ami ami ami
 
Mako mako dori, si mi muri ken ta yorami?
 
Ami ami ami.

Mogelijk aldus te vertalen:

 
‘Kikvors lieve kikvors, als ik sterf wie zal mij begraven?
 
Ikke ikke ik
 
Kikvors lieve kikvors, als ik sterf wie zal om mij wenen?
 
Ikk ikke ik.’

De Duitse geleerden waren van zins het rituele karakter van de Arubaanse rijmen en verhalen aan te tonen, maar werden door het uitbreken van de oorlog (W.O.1) hierin verhinderd.

 

Van de Spaanse literatuur op de eilanden, vrijwel uitsluitend op Curaçao, zijn wij enigszins op de hoogte gesteld door werken van de Spaanse literatuurhistoricus Marcelino Menendez y Pelayo en de essayist Pedro Henriquez Ureña uit Sto Domingo. Aangenomen kan worden dat de literatuur

[p. 100]

op Curaçao voornamelijk beoefend werd in de decenniën van 1530 tot 1560, of, om precies te zijn, tot 1559, het jaar waarin het Santo Oficio zijn ketterjacht begon op de groep van ‘onordentelijke, ongezeglijke en ideologisch gevaarlijke individuën’ (los alborotados, indisciplinados y ideológicamente peligrosos) waartoe volgens de kerkelijke rechtbank ook Lázaro Bejarano, vaak aangeduid als ‘el señor de Curazao’, the gentleman of Curaçao, zou hebben behoord. Voor gedetailleerde gegevens omtrent dit proces met zijn vele sensationele momenten wordt men verwezen naar het desbetreffende hoofdstuk uit ‘Curazao hispánico’ van de Venezolaanse historicus Carlo Felice Cardot (1973). De literatuur, die op de Curaçaose rancho's, voornamelijk in de oasen van Ascención (Band 'Abao) en Sta Anna (bij het huidige Schottegat), werd beoefend, berustte naar alle waarschijnlijkheid op een drietal grondvormen die kunnen worden gekarakteriseerd resp. als elegisch-didactisch, picaresk en cognitief, c.q. intellectueel. Wij zijn verreweg het best op de hoogte van de didactische poëzie zoals zij tot uiting komt in de strofen die Juan de Castellanos aan Curaçao heeft gewijd en waarin ook een beschrijving voorkomt van Bejarano en zijn vrouw Doña Maria, door Johan Hartog vanwege een Hollandse associatie of allergie?, Doña Beatriz genoemd. Van de picareske en intellectuele literatuur, voornamelijk door Lázaro Bejarano beoefend, zijn, op enige cryptische fragmenten na, vrijwel uitsluitend de hiaten tot ons overgekomen.

Uit de gegevens, waarover wij momenteel beschikken, zou kunnen worden geconcludeerd dat Juan de Castellanos en Lázaro Bejarano in een vriend-vijandverhouding tot elkaar verkeerden, mogelijkerwijs samenhangend met de twee bekende varianten van de Spaanse cultuur. De Spaanse kolonisatie geschiedde enerzijds door vertegenwoordigers van het charisma of, zoals men in de middeleeuwen zei, het sacerdotium, en anderzijds door de representanten van het leven van de daad of, overeenkomstig middeleeuws taalgebruik, het regnum. Deze twee dichters leefden in de fascinatie van de polaire tegenstellingen. De mentaliteit van Castellanos vindt men duidelijk weerspiegeld in een merkwaardig episch gedicht dat gelukkigerwijs volledig is bewaard gebleven. Het wordt door sommigen aangehaald als ‘Elegía de Varones Illustres de Indias’ (C.Ch. Goslinga), door anderen als ‘Eligía de Claros Varones de Indias’ (Gandara-Miranda) wat waarschijnlijk geen relevant verschil oplevert. Het moet als een bijzondere verdienste van Goslinga en Hartog worden aangemerkt dat zij de aandacht van de Antillianen op dit werk hebben gevestigd, Hartog in het Spaanse hoofdstuk van zijn geschiedenis van Curaçao, en Goslinga in de eerste plaats door zijn vertaling in het Nederlands van de achttien Curaçaose strofen hoezeer het mij ook spijt dat ik niet in staat ben voor alle vertaalde strofen een evengrote appre-

[p. 101]

ciatie op te brengen. Het epos bestaat uit 150.000 elf-lettergrepige regels waarvan de welluidendheid slechts door de charme van de rijmen en enkele enjambementen wordt genuanceerd maar nergens door al te geprononceerde beeldspraak wordt gestoord. Het maakt de indruk van een onbekommerd voortvloeiende stroom langs steeds wisselende taferelen waarin bijzondere aspecten van de natuur en mensen tot leven worden geroepen. Het panorama opent met een topografische en politieke situatiebepaling die tot stand komt met een sobere trefzekerheid die wij node in de vertaling missen. Hier mogen enkele strofen, in origineel en vertaling, volgen:

 
Curazao y Aruba, que frontero
 
Desta costa son islas situadas,
 
Al Joan de Ampiés, factor ó tesorero,
 
En perpetuo gobierno fueron dadas,
 
Las cuales por aqueste caballero
 
Primeramente fueron conqiustadas;
 
Y pues son tan cercanas desta gente,
 
Quiero trataros dellas brevemente.
 
 
 
De la costa del mar que represento,
 
Hasta tres leguas estarán distantes;
 
Las gentes que las tienen por asiento
 
Son mucho mas que otras elegantes,
 
Y tanto que por otro nombramiento
 
Les llamaban las islas de Gigantes,
 
Por ser en general de su cosecha
 
Gente de grandes miembros y bien hecha.
 
Tegenover deze kust, niet ver van haar,
 
Liggen Aruba en Curaçao, omgeven
 
Door blanke baaien. Juan de Ampiés was daar
 
Factor en thesaurier voor 't ganse leven.
 
Een dapper man, hij schuwde geen gevaar
 
En nam in 's Konings naam hun stille dreven
 
Zo dicht liggen zij onder onze kust,
 
Dat mij iets meer van hen te zeggen lust.
 
 
 
Zij dromen in een eeuwig blauwe zee,
 
Slechts enkele mijlen ver van onze rede;
 
De mensen die er wonen, zijn tevree,
 
Sierlijk van gang en slank van lijf en leden.
 
Daarom betitelt men ook wel hun stee
 
Als ‘Reuzeneilanden’ en wel met reden,
 
Want hun bewoners zijn veel groter dan
 
Elk ander in dees' streek geboren man.

In de derde strofe vinden wij een anthropologische benadering avant la lettre van de Indiaanse samenleving.

 
No tienen para qué formar querellas
 
De natura por malas proporciones:
 
Son las mujeres por estremo bellas,
 
Gentiles hombres todos los varones;
 
Por consiguiente son ellos y ellas
 
De nobles y apacibles condiciones;
 
Tienen para la guerra gentil brío,
 
Y su lenguaje es el de caquetío.
 
Zij zijn zeer vredelievend; haat noch nijd
 
Kan hun geluk in het geringst verstoren:
 
Ook zijn hun schone vrouwen wijd en zijd
 
Beroemd, hun kind'ren welgemaakt geboren;
 
Daarom zijn deze mensen steeds verblijd
 
En willen zij van strijd noch oorlog horen;
 
Wat hun een gruwel lijkt; en allemaal
 
Spreken zij de ‘caiquetíos’ taal.

De strofen 4, 5 en 6 bevatten een cultureel-sportieve impressie van de jeugdige bewoners. Welhaast roerend is de tiende strofe die over een oude

[p. 102]

zwerfpriester handelt, het prototype van de ‘geestelijke herders’ die wij ook in de slaventijd op het eiland zullen aantreffen, en die bovendien naar mijn smaak voortreffelijk is vertaald.

 
Pero para buscar lo que consuela
 
Al ánima de máculas teñida,
 
Solía con alguna canohuela
 
En tiempo de bonanza conocida
 
El tal atravesar á Venezuela
 
Con harto detrimento de la vida;
 
Porque del mar cuando mayor bonanza
 
Se debe tener menos confianza.
 
Om troost te zoeken ging onze pastoor,
 
De bange ziel bezwaard doorzonde-daden,
 
Er in een kano meer dan eens van door,
 
Zodra een kalme zee hem kwam te stade.
 
De tocht kwam hem niet gevaarlijk voor
 
Naar Venezuela; doch het is geraden
 
De zee niet te vertrouwen, want zij is
 
Gevaarlijker naarmate zij gladder is.

In de laatste strofe wordt het eiland bezien vanuit het gezichtspunt van het echtpaar Bejarano-Ampíes waarna het panorama met een lofrede op Doña Maria wordt besloten.

 
Era con gran razón merecedora
 
De fiesta tan cabal y generosa,
 
Porque demás de ser esta señora
 
En avisa cabal y virtuosa,
 
Entre las otras era coma aurora
 
En todas buenas partes de hermosa.
 
Con esto concluyamos, y aquí pare
 
Lo de Aruba, Curazao y Buinare.
 
Doña Maria was dit zeker waard,
 
Want zij was goed en vriend'lijk; ieder achtte
 
Haar wijze raad. Ook was zij zacht van aard,
 
Deugdzaam en vroom zij alle leed verzachtte.
 
Een dageraad, die licht aan blijdschap paart,
 
Schoon was zij als zij sprak, schoon als zij lachte.
 
Hier eindige mijn lied op deze vrouw
 
En op Bonaire, Aruba en Curaçao.

Merkwaardig genoeg zullen wij nog in de twintigste eeuw in de Antillen dichters aantreffen van het type Castellanos die een zekere voorkeur aan de dag leggen voor het vloeiende weinig agressieve ritme, vooral niet staccato!, waarbij een uiterste soberheid der stijlmiddelen wordt betracht. Hierdoor wordt een affectieve sfeer gesuggereerd die in het Papiamentu met het woord ‘kariño’ wordt aangeduid. Castellanos heeft waarschijnlijk een indirecte invloed uitgeoefend, dus niet zozeer als vaardig versificateur maar in de eerste plaats door zijn geestelijke instelling die veel overeenkomst vertoont met de mentaliteit van de priesters die zich daarna met de zielszorg onder de slaven zouden belasten. De mentaliteit van Bejarano zou hiervoor zeker niet de geschikte zijn geweest. Hij vertegenwoordigde een individualisme dat pas drie eeuwen later, en ook dan nog slechts met mate, in de Antillen ingang zou vinden.

[p. 103]

1634-?

De informaties, die na de bemachtiging binnenstromen, bij tijden alleen maar binnensijpelen, zijn van twee geheel verschillende bronnen afkomstig, van de gouverneur en andere functionarissen van de West-Indische Compagnie in Willemstad en van de leden van de Venezolaanse inlichtingendienst in Caracas, die toen nog eenvoudig als spionnen werden gekwalificeerd. Deze informaties zijn, geheel anders dan de literaire kunstwerken, met minutieuze zorgvuldigheid bewaard gebleven in de archieven van Den Haag en Sevilla, waar zij steeds naarstiger bestudeerd worden door de koloniale kronikeurs die nu eenmaal veel meer belangstelling aan de dag leggen voor de Hollandse en Spaanse gauwdieven dan voor cultuur, folklore en literatuur. Het spreekt vanzelf dat deze rapporten en verslagen van zo verschillende herkomst ook vaak een tegenstrijdig karakter dragen, maar in bepaalde opzichten stemmen zij vrijwel woordelijk overeen, en wel in het bijzonder betreffende aangelegenheden van de samenstelling van de bevolking, de militaire en burgerlijke instellingen, de vesting- en stedebouw, alsmede de reorganisatie van de weide- en landbouwgronden, beiden gesitueerd rond de oasen die weldra door de Hollanders met hun merkwaardig penchant voor verkleinwoorden, ‘hòfi’ (hofje) werden genoemd. Weer geheel met elkaar in tegenspraak zijn de informaties inzake de economische ontwikkeling van de eilanden. De Hollandse rapporteurs klagen steen en been, men zou haast geloof hechten aan hun verklaringen dat zij een koorddans uitvoeren op de rand van het faillissement. Wat een depressie en déconfiture allemaal! De Venezolaanse informanten daarentegen prijzen niet zonder een zekere afgunst de welstand van de kolonisten, alsmede van hun sierlijk opgedofte dames die, volgens Caracas, door de Hollanders ‘wiven’ werden genoemd.

Het meest opvallende was zonder twijfel volgens beide inlichtingendiensten de heterogeniteit van de bevolking die volgens de gouverneur en zijn raad tezijnertijd wel tot een ernstig maatschappelijk gevaar zou kunnen uitgroeien. Wij zullen volstaan met een vluchtige impressie van de drie groepen die in meerdere of mindere mate tot de ontwikkeling van de Antilliaanse folklore en literatuur hebben bijgedragen die, gelijk bekend, niet steeds van elkaar kunnen gescheiden worden. Wij zullen in de eerste plaats de zwarte arbeiders van Afrika's westkust moeten introduceren. De Afrikaanse slaven waren van zeer uiteenlopende regio's afkomstig, van het tegenwoordige Nigeria tot Angola waar zij, alvorens gedwongen te worden tot de overtocht naar de Amerikaanse centra, het gaat hier dus om de beruchte ‘middlepassage’!, in de forten gevangen werden gehouden. Van het leven in deze forten, o.a. in St. George d'Elmina, kunnen wij een ooggetuige-indruk krij-

[p. 104]

gen uit de verzen van de dichter-arts Willem van Focquenbroch (A'dam 1635 - St. George d'Elmina 1675) die daar onder meer belast was met het aanbrengen van het brandmerk van inscheping, waarvoor om een nog onbekende reden de klaverbladvorm was gekozen.

Tot de jeugdwerken van W.F. Hermans behoort ook een bloemlezing van deze Slauerhoff-achtige figuur uit de zeventiende eeuw (G.A. van Oorschot 1946). Wij moeten aannemen dat de slaven niet alleen uit de jungle maar ook uit de hoge civilisatie-centra à la Benin afkomstig waren, waarvoor wij overigens momenteel geen bewijzen kunnen aanvoeren. Deze gedwongen immigranten hebben een belangrijke bijdrage geleverd zowel voor de gesproken als de geschreven literatuur. Het volksverhaal zou zonder deze volksgroep zelfs ondenkbaar zijn geweest. Als tweede groep moeten naar mijn oordeel de Venezolanen worden genoemd, niet alleen de zieleherders maar ook de twijfelachtige beoefenaars der legale maar vooral de illegale handel. De Venezolanen bleken bijzonder toegankelijk voor het gewone volk, de priesters door de charismatische instelling van het ‘sacerdotium’, de sluikhandelaars door hun zo niet charismatische dan toch joviale opvattingen en beiden door hun neiging de ontmoeting met de ‘ander’ niet infernaal à la Sartre maar met een accolade, een ‘abrazo’, te bezegelen. De zwerfpriesters herinneren aan de hoofdfiguur in de roman ‘The power and the glory’ van Graham Greene, waarbij vooral mag worden gewezen naar de Nederlandse vertaling waarvan de titel ‘Het geschonden geweten’ mij minstens even toepasselijk lijkt. Aangetekend zij dat vele dezer zielszorgers oorspronkelijk niet uit Venezuela afkomstig waren, men denke maar aan Schabel (de Venezolanen spreken van Chabel met de klemtoon op de laatste lettergreep) die als eerste van een nieuwe taal in wording op Curaçao gewaagt en Schink die de slaven tijdens de opstand van 1795 op zo ontroerende wijze bijstand heeft verleend. Daarom mogen wij ze ook zwerfpriesters noemen, zij waren langs vele meer of minder kromme wegen eerst in de Andes en ‘Ilano's’ en vervolgens op Otrabanda en in de kunuku terechtgekomen ‘opdat de genade des Heren met U zij’ of zoals zij het uitdrukten ‘que la gracia del Señor sea con vosotros’. Felice Cardot vermeldt in zijn ‘Curazao Hispánico’ de namen en mini-biografieën, uiteraard met de nodige leemten, van ruim vijftig zwerfpriesters. Uit de namen, waarvan verschillende nog in de bevolkingsregisters op de Antilliaanse eilanden voorkomen, kan worden opgemaakt dat zij niet alleen hartelijke maar ook intieme betrekkingen met bepaalde leden van de bevolking hebben onderhouden. Heden ten dage zou het nauwelijks indruk maken, maar toen, ja toen... De Venezolanen hebben vooral door hun omgang met leden uit alle lagen van de bevolking zo niet direct dan toch indirect een belangrijke bijdrage

[p. 105]

aan de ontwikkeling van de literatuur geleverd. Tenslotte moet de derde groep genoemd worden waartoe al degenen kunnen worden gerekend die als intermediair tussen de Nederlandse gezagsdragers en de zwarte arbeiders hebben gefungeerd. Deze personen behoorden tot een groot aantal etnische of sub-etnische groepen, voor een belangrijk gedeelte uit Noord- en Noordwest-Europa afkomstig, behalve uit Nederland ook uit Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Engeland, Schotland en de Scandinavische landen. Tot de sociale intermediairs moeten naar mijn oordeel ook de sephardieten (de ‘sephardics’ zeggen de Engelsen) worden gerekend die voor het grootste gedeelte uit Amsterdam en maar voor een zeer klein gedeelte uit Brazilië afkomstig waren. De blanke intermediairs en vooral ook hun nakomelingen hebben speciaal in de 19de en 20ste eeuw in belangrijke mate bijgedragen tot de vorming van een Antilliaanse literatuur.

Wij zullen de vraag naar de genese en ontwikkeling van de literatuur in de Nederlandse Antillen zonder veel moeite kunnen beantwoorden mits wij ons eerst een indruk eigen maken van de ontwikkeling van de heterogene samenleving waarvan de eerste informanten hadden gemeld. Wij kunnen deze evolutie, ondanks de vele verwikkelingen van het ‘nieuwe evolutionisme’, op de voet volgen omdat wij zo gelukkig zijn over een groot aantal berichten te beschikken.

Uit de documenten van de Haagse archieven en de Amerikaanse State Library in Albany hebben historici en juristen als J.H.J. Hamelberg (De Nederlanders op de West-Indische eilanden, 1909), H.W.C. Bordewijk (Ontstaan en ontwikkeling van het staatsrecht van Curaçao, 1911), B. de Gaay Fortman (Curaçao in de jaren 1804 tot 1816), J.A. Schiltkamp (Bestuur en Rechtspraak in de Nederlandse Antillen ten tijde van de W.I.C., 1969) e.a., een min of meer afgerond verhaal ontworpen van de institutionele en politieke wetenswaardigheden van de bemachtiging tot de restauratie, de ‘jaren van verwarring’ inbegrepen. Vervolgens kunnen wij kennis nemen van ervaringen met een meer persoonlijke tint van Nederlanders die langere of kortere tijd in de Antillen hebben doorgebracht. Ik zou dan in de eerste plaats willen noemen ‘De Nederlandse West-Indische eilanden’ (1836) van M.D. Teenstra, een beetje patjepeeërig maar niettemin in hoge mate boeiend; ‘Weemoedstonen uit mijn leven of mijn reis naar Curaçao’ (1834) van H.J. Abbring, een gewezen officier van de genie uit de Napoleontische legers met een neiging tot ernstige depressies; en tenslotte de herinneringen uit 1826 van M. v.d. Goes, de qualitate qua opgewekte adjudant van de q.q. minder blijmoedige gouverneur Cantz'laar. Van de woelige geschiedenis van het perswezen in de 19de eeuw worden wij op de hoogte gesteld door het overzicht van de Antilliaanse journalistiek van

[p. 106]

Johan Hartog, zonder twijfel een van zijn meest indringende boeken, en van de Curaçaose sluikhandel en sluikhandelaars door het proefschrift ‘De Internationaalrechtelijke betrekkingen tussen Nederland en Venezuela 1816-1920’ (1920) van K.H. Corporaal, een boek dat er werkelijk niet om liegt. Uit de formeel-juridische titel zou geen mens vermoeden dat wij in feite hier met een reeks detective-verhalen of beter nog, piraten-stories te maken hebben. Wie het Venezolaans-Antilliaans antagonisme in de 19de eeuw wil leren kennen, moet aanstonds deze dissertatie aanschaffen die ook wetenschappelijk als voorbeeldig moet worden beschouwd.

Na de emancipatie in 1863 en vooral na de inwerkingtreding van het Regeringsreglement van 1865 heeft de journalistieke explosie plaats waarin ook gewezen en toekomstige presidenten van Venezuela een belangrijke rol hebben gespeeld. Tenslotte worden wij geconfronteerd met de interpretaties van Nederlandse en Venezolaanse historici en kronikeurs uit de twintigste eeuw die elkaar in de armen vallen of in de haren vliegen, ongeveer op de wijze zoals dit ook in 1634 of daaromtrent moet zijn gebeurd. Wij mogen uit de aangeboden feitelijkheden in de eerste plaats concluderen dat ook de Antilliaanse geschiedenis zich heeft afgespeeld volgens een reeks van stationaire en evolutionaire tendensen die steeds meer van een heterogene naar een homogene samenleving leidden, zonder dat de homogeniteit ooit volledig tot haar recht kon komen. Het is trouwens de vraag of de homogeniteit ooit in een samenleving wordt gerealiseerd. Vervolgens kunnen wij vaststellen dat de sociale en culturele prestaties oorspronkelijk door de groepen afzonderlijk en niet door een interactie van de groepen tot stand komen. Van een zekere mate van interactie van de groepen kan men pas spreken nadat de creolisering zich heeft voltrokken. Aangetekend zij hierbij dat de creolisering niet steeds een biologische promiscuiteit vooronderstelt. Wij kennen een fysieke, wij kennen ook een mentale creolisering. Wie niet van buiten vernegert, meent de Cubaanse dichter Nicolas Guillén, vernegert wel van binnen. Wij kunnen eveneens het omgekeerde stellen, wie niet van buiten verbleekt, verbleekt wel van binnen. Kortom de Antillianen creoliseren allen zonder uitzondering, zij zijn allen ‘café au lait’, van buiten of van binnen. Dit stuivertje wisselen behoort tot de syndromen van creolisering die nog steeds niet in voldoende mate werden bestudeerd. Wij spreken van de evolutie van een heterogene naar een homogene samenleving, wij mogen ook van creoliseringstendensen spreken. Wanneer is de tropische mens zover gevorderd dat hij handelt à la criollo? Tijdens de bestuursperiode van de W.I.C., dus van 1634 tot einde 18de eeuw, kon men de vonken, de vuurspranken van inspiratie uitsluitend van de groepen in haar afzonderlijkheid verwachten. De inspiratie voor vesting- en stedebouw

[p. 107]

is van Europese vertegenwoordigers van de W.I.C. afkomstig. Wij zijn heden ten dage geneigd de prestaties op dit gebied te onderschatten, omdat wij met de groep in haar nadagen worden geconfronteerd, in de gedaanten van moreel of financieel aan lager wal geraakte sloddervossen van het type ‘djaka di batrei’ (garnizoensrat).

De organisatie van de buitendivisies, met haar prachtige landhuizen, oasen en bevloeiingswerken, dient op rekening van de blanke intermediairs te worden gesteld. De Venezolaanse missionarissen hebben vooral het geloof levendig gehouden in de mogelijkheid van een politieke of metafysische overschrijding van de door de wereldlijke en kerkelijke machten gestelde grenzen. De artistieke inspiratie, de danskunstige en muzikale maar ook de folkloristische en literaire, is in de eerste plaats van het Afrikaanse volksdeel uitgegaan. Deze oorsprong van de artistieke inspiratie vinden wij in alle gebieden van het Amerikaanse continent waar wij een samenleving van zwart en blank aantreffen. Men kan uitvoerige informaties hieromtrent verkrijgen uit het opus magnum, in dit geval ook letterlijk magnum, het boek telt ruim 800 bladzijden, van Eugene Genovese, ‘The World the Slaves made’ (Pantheon Books New York, 1974). Wij moeten er onmiddellijk aan toevoegen dat de evolutionaire tendensen er toe leidden dat de creativiteit niet tot het zwarte volksdeel beperkt bleef maar zich in de daarop volgende decenniën ook tot de andere segmenten van de samenleving uitstrekte. Voor wat de folklore en literatuur betreft moeten wij hier in de eerste plaats naar twee werken ‘della prima ora’ verwijzen, ‘Ainsi parla l'oncle’ van de Haïtiaanse etnoloog Jean Price Mars (1928) en de ‘Antologia de Poesía negra Hispano-Americana’ van de Cubaan Emilio Ballagas (1935).

Jean Price Mars wendt zich aanstonds af van het biologisch ‘indigenismo’ dat later als ‘negritude’ zou worden geëtaleerd. Hij stelt vast dat de artistieke inspiratie ook in de Haïtiaanse samenleving van het Afrikaanse volksdeel is uitgegaan, maar hij wijst daarbij eveneens op de latere interferenties van zwarte en blanke cultuurstromingen. Emilio Ballagas scheert ronduit de gek met de racistische pretenties, en wel vooral in de mini-biografieën waarmede zijn handzame bloemlezing wordt besloten. De meeste negerdichters blijken ‘de raza blanca’ te zijn, onder wie Alejo Carpentier, de auteur van de roman ‘Ecué-Yamba-O’, Luis Palés Matos, de Portorikeinse dichter van ‘Majestad Negra’, en Ballagas himself. Van de niet-blanken kunnen wij de volgende bijzonderheden lezen: Regino Pedroso ‘de raza negro-amarilla sin otra mezcla’ (van het zwart-gele ras zonder verder bijmengsel) en Nicolás Guillén ‘quien no demiente el color pigmentado de su piel’ (die niet zijn gepigmenteerde huidskleur verloochtent). Wij kunnen aannemen dat de genese en ontwikkeling van de literatuur in de Neder-

[p. 108]

landse Antillen zich op dezelfde wijze heeft voltrokken als op de grote Antillen, en in het bijzonder Haïti en Cuba. In de 17de en 18de eeuw ontwikkelt zich de literatuur uit de reminiscenzen van de Afrikaanse folklore, wat deze ook mogen zijn geweest na de gevangenschap in de forten van Afrika's westkust en de bejegeningen tijdens de middlepassage. Wij zullen achtereenvolgens de gesproken literatuur van de eerste twee eeuwen, de 17de en 18de, en vervolgens de geschreven literatuur van de 19de en 20ste eeuw behandelen.

De gesproken literatuur

Deze periode valt in twee fasen uiteen: 1. de fase van de shock waarin de immigrant zich in de eerste plaats in het nieuwe milieu tracht te oriënteren. 2. de fase van de renovatie van de Afrikaanse folklore.

Ad 1. de fase van de shock houdt niet in dat een toestand van algehele katatonie zou zijn ingetreden maar wel dat de immigranten zich duidelijk geremd gedragen. Wie bezettingen of daarmee gelijk te stellen situaties heeft medegemaakt zal geen moeite hebben met de herkenning van deze perioden van verminderde creativiteit. Op de Antillen liet zich bovendien het gemis gelden van een gemeenschappelijke taal als communicatiemiddel. De slaven zullen onder deze omstandigheden hun artistieke activiteit in de eerste plaats op de muziekinstrumenten hebben geconcentreerd, de benta, matrimonial, triangel, fluit en drum, een combinatie van instrumenten die fortissimo maar ook pianissimo kunnen worden bespeeld zodat de slaven niet het gevaar liepen de meester onnodig te prikkelen. De muziek zal ook in verband met het danstalent van de Afrikanen een belangrijke rol hebben gespeeld. Verder zullen zij zich bij gebrek aan een gemeenschappelijke taal in hoofdzaak van het mimisch en onomatopeïsch medium hebben bediend. Wij kunnen aannemen dat deze fase meer voor de folklore dan voor de literatuur van belang is geweest. Misschien stammen uit deze tijd enkele liederen in het oer-papiamentu, het ‘guene’, waaromtrent wij het zwijgen zullen toedoen omdat deze taal onvoldoende is ontcijferd.

Ad 2. Wij mogen aannemen dat in deze fase de culturele actualisering van een nieuwe gemeenschappelijke taal, het Papiamentu, begint en tegelijk daarmee ook de renovatie van de folkloristische literatuur. Nergens wordt een taal cultureel pasklaar geboren. De culturele actualisering van de Europese talen heeft plaats gehad tussen de 14de en 16de eeuw; de culturele actualisering van het Papiamentu is ook momenteel niet voltooid, het Papiamentu verkeert nog altijd in een stadium van wording. De renovatie van de literaire folklore uit Afrika kan slechts ten dele door ons worden be-

[p. 109]

oordeeld omdat ons uit bepaalde resten steeds duidelijker wordt dat een belangrijk gedeelte verloren moet zijn gegaan. Wij doen bovendien verstandig de volgende waarschuwing ter harte te nemen van de ‘Standard Dictionary of Folklore’ van Funk en Wagnall (1949): ‘collections of negro-folktales usually suffer from the suppression, deliberate or unintentional, of non-animal tales regarded as a-typical of non-negro, of variants considered inaccurate, and of so called “dirty stories”. Cronise and Ward, for exampe, assert that evidence was occasionally found of the existence of another class of stories such as the missionary would not care to hear or to record.’ Ik moge er op wijzen dat heden ten dage deze handelingen van censuur niet door missionarissen, maar in de eerste plaats door ambtenaren van departementen van cultuur en daarmee gelijk te stellen instanties worden uitgeoefend. Voor zoverre mij teksten van de orale literatuur bekend zijn, zou ik de volgende drie-deling willen voorstellen 1. de feest-, voornamelijk oogstliederen, 2. de verhalen, voornamelijk spinvertellingen, die afwisselend als dierfabels, wat ze tot op zekere hoogte ook zijn, of als sprookjes, waar ze in ieder gval niet toe behoren, aan de man worden gebracht, 3. de volksliteratuur van het intermezzo tussen de 18de en 19de eeuw.

Ten aanzien vayn de oogstliederen en de spin-vertellingen menen bepaalde onderzoekers dat bij de renovatie, c.q. transpositie van de Afrikaanse vertellingen in het Amerikaans milieu een verschuiving van het sacrale naar het profane heeft plaatsgehad. Wat betreft de oogstliederen zou ik deze opvatting onder bepaalde reserve kunnen delen, voor de spin-vertellingen acht ik haar weinig overtuigend. Ik meen dat de liederen ter gelegenheid van het oogstfeest (in het Papiamentu met een grote verscheidenheid van namen aangeduid: ‘korta maishi’, naar het snijden van de maïs, ‘wapa’, naar de bijbehorende dansen, en ‘seú’ of ‘simadan’, woorden die de totaliteit van het feest aanduiden) inderdaad zowel elementen van het Afrikaans verleden als het Antilliaanse heden inhouden. Elementen van het verleden voor zover zij zich, althans bij flarden, van het oer-Papiamentu, het ‘guene’, bedienen en voor zover zij de vormen van het sacrale oogstlied nabootsen. Elementen van het heden voor zover de rituele tekst door hyperrealistische wendingen wordt onderbroken.

Enkele citaten uit het bekende oogstlied ‘Bawan Simadan’ kunnen het een en ander verduidelijken. Het lied, waarschijnlijk een meerstemmige zang, begint met een inleiding die men met enige goede wil sacraal zou kunnen noemen.

[p. 110]
Bawan Simadan
 
kunuku grandi a kaba
 
bawan simadan
 
kunuku a kaba wé
 
bawan simadan
 
wapa bunita mi muchanan
 
dam simadan
 
poko poko muchanan
 
dam simadan é
 
pa Tat'i shelu no rabia
 
bawan simadan.

Mogelijk als volgt te vertalen:

 
de grote akker hebben wij leeggemaaid
 
bawan simadan é
 
daar staat geen stengel meer op het veld
 
jongens en meisjes neem je draai
 
bawan simadan
 
rustig aan jongelui
 
simadan é
 
dat wij niet de toorn opwekken
 
van de Vader in de Hemel
 
bawan simadan.

In de laatste strofe wordt al spoedig door enkele hyperrealistische opmerkingen terzijde aan andere fascinatie-mogelijkheden herinnerd.

 
esaki ta un simadan
 
ku hopi mama ta pèrdè yu,
 
bawan simadan
 
kompa mes a yamami
 
bin mira papa di su yunan,
 
bawan simadan
 
mester zak abao pa kinipyé,
 
bawan simadan.

Mogelijk als volgt te vertalen:

 
zo'n simadan vrienden
 
heb je nooit eerder gezien
 
het is de beurt aan de moeders
 
om haar dochters prijs te geven
 
bawan simadan
 
niemand heeft ooit eerder
 
zo'n simadan gezien
 
laat ons bukken jongens
 
om op de juiste plek te knijpen
 
bawan simadan.
[p. 111]

Spinvertellingen (kuenta di nanzi)

Het is bekend dat ten aanzien van deze vertellingen een drietal hypothesen zijn opgesteld die elkaar niet aanvullen, zoals sommige auteurs ons willen doen geloven, maar elkaar wel degelijk uitsluiten: a. de vertellingen hangen samen met de verering van de spin als totemdier; b. de spin, in het midden van zijn web, moet worden beschouwd als symbool van de levenwekkende zon; c. deze vertellingen zijn ontstaan uit sympathie voor het kleine dier zoals wij die ook in vele andere literaturen aantreffen.

Als ik het betoog van Lou Lichtveld over de spin als een wezen, dat zich tussen hemel en aarde bevindt, juist heb begrepen, zou ik moeten aannemen dat in de Surinaamse teksten elementen voorkomen die op een sacrale oorsprong wijzen. Volgens mij heeft zich in de Antilliaanse verhalen de evolutie van het sacrale naar het profane tot een ‘point of no return’ voltrokken, indien het sacrale al ooit aanwezig is geweest, wat ik voorshands ernstig betwijfel. Het is niet onmogelijk dat Lichtveld, die zijn betoog als een speurtocht naar de spin beschouwde, het heet ‘op zoek naar de spin’, in feite op zoek was naar de identiteit van zijn eigen ik. Of eigen X?

Van de ruim dertig spinvertellingen, die tot nu toe werden opgetekend, kennen wij een groot aantal versies, in het Nederlands, Engels en Papiamentu, van zeer uiteenlopende auteurs, onder wie H. van Capelle (Mythen en Sagen uit West-Indië), M.D. Latour (in verschillende jaargangen van de West-Indische Gids), Nicolaas van Meeteren (Volkskunde van Curaçao), J. Droog (Biba Nanzi! dat in de nadagen van de onlusten in 1969 verscheen en heftige kritiek heeft uitgelokt van het radicale weekblad Vito), Nilda Pinto (Cuentanan di Nanzi) en de Amerikaanse Papiamentist (= Papiamentu-kenner) Richard Wood. Een voortreffelijke Nederlandse versie van A. Jesurun van het geraffineerde ‘Temekoe Temebè’ werd destijds in het eerste nummer van de ‘Antilliaanse Cahiers’ opgenomen (1955). De teksten van Hollandse auteurs maken in het algemeen, ook als zij in het Papiamentu zijn geredigeerd, een enigszins moraliserende en houterige indruk die weinig past bij deze vertellingen waarvan de fascinatie juist uitgaat van de machiavellistische en soepele opvattingen die het publiek in het algemeen tegelijk veroordeelt en bewondert. Voor de buitentaander is het van belang dat hij aanstonds kennis maakt met de meest adequate versies, naar mijn oordeel de Papiamentse van Nilda Pinto en de Engelse van Richard Wood. Van de vertalingen in het Nederlands zou ik op dit ogenblik alleen het voortreffelijke ‘Temekoe Temebè’ van A. Jesurun kunnen aanbevelen. De uitgave van Richard Wood werd op bijzonder originele wijze geïllustreerd door de Curaçaose graficus José Capricorne die er zich blijkbaar van bewust was dat de ‘kuentanan di nanzi’, meestal in een Curaçaose transpositie, tot

[p. 112]

de belangrijkste verworvenheden van de Antilliaanse literatuur behoren. Zij doen in vele opzichten niet onder voor de Vlaamse Vos Reinaerde. En dat is geen kleinigheid!

Volksliteratuur van het intermezzo

Van deze periode zijn een groot aantal rijmen en vertellingen bekend waarvan enkele van weinig vriendelijkheid en andere van iets minder onvriendelijkheid getuigen. Van weinig vriendelijkheid: ‘Mi shon, ta ken lo karga koprá awó?’ (Wie zal nu de vuilnisemmer dragen?). Van iets minder onvriendelijkheid: ‘Bende waha, laga kochero sosegá’ (Verkoop je rijtuig, gun de koetsier eindelijk rust). Tot de meest essentiële creaties behoren de ‘luango’ (luango = Angola?) en de Bonairiaanse vertellingen. Zij handelen steeds weer over de gewezen slaaf die zich afvraagt of communicatie mogelijk zal zijn tussen de geëmancipeerde en de meester. Het antwoord van de ‘luango’ luidt dat iedere ‘luango’ van het zout van de meester afstand zal moeten doen om zo naar zijn land van herkomst terug te kunnen vliegen. De Bonairiaanse storyteller Lourens (Louchi) Sanjacobo vertelt van twee engelen, een zwarte en een blanke, die langs ijldunne draden, door de spin Nanzi gesponnen, naar de aarde zijn afgedaald en daar vergeefs naar elkaar blijven zoeken. Sanjacobo heeft een meer positieve benadering, maar dat belet hem niet zijn verhaal op Afrikaanse wijze te onderbreken en enkele snerpende vragen te stellen waarop hier in verband met de nakomelingen van de beschreven personen niet verder zal worden ingegaan. Het is begrijpelijk dat noch de ‘luango’ van Band' Abao op Curaçao noch de storyteller van Rincón op Bonaire bij machte was het antwoord te geven. Het waren de beoefenaars der geschreven literatuur die een indruk zouden moeten geven van de wijze waarop de creolisering had plaats gehad. Voor nadere gegevens omtrent de ‘luango’-vertellingen wordt verwezen naar de folkloristische sprokkelingen ‘Curaçaoënsia’ van P.Brenneker (Uitg.Boekhandel Augustinus, Curaçao 1961) en voor de vertellingen van Lourens Sanjacobo naar de dichtbundel ‘Tussen de grijze lijnen’ van mijn naamgenoot Cola Debrot (G.A. v. Oorschot, 1976).

De geschreven literatuur

Het begin van de ontplooiing van de kunstliteratuur in de twintigste eeuw kan in het fin-de-siècle worden gesteld. Wij zouden zelfs een nauwkeurig jaartal kunnen aangeven, 1886, het jaar van de oprichting van het tijdschrift voor muziek en literatuur ‘Notas y Letras’, onder redactie van de meest bekende dichter van de Nederlandse Antillen, Joseph Sickman Cor-

[p. t.o. 112]



illustratie
Shon A. Rei van José M. Capricorne, uit Nanzi Stories, Stichting Wetenschappelijke Bibliotheek, Curaçao, 1972.

(Afbeeldingen bij hoofdstuk 5)




illustratie
John de Pool en de eerste druk van ‘Del Curaçao que se va’, 1935.

(Afbeeldingen bij hoofdstuk 5)


[p. t.o. 113]



illustratie
Cola Debrot (foto George Verkuil, Bijlmermeer) en de eerste en vijfde druk, resp. Rotterdam 1935 en Amsterdam 1975, van ‘Mijn zuster de negerin’.
(Afbeeldingen bij hoofdstuk 5)




illustratie



illustratie

[p. 113]

sen (1855-1911) en de Hispanist Ernesto Römer. Wij kunnen deze ontwikkeling in twee perioden verdelen, de eerste van voorbereiding en de volgende, van ontplooiing. In de periode van voorbereiding doen zich een drietal tendensen voor die zich ook in de verdere ontplooiing zullen voortzetten. Ik denk om te beginnen aan de tendens tot verruiming van het gezichtsveld waardoor ook communicatie met buiten-Antilliaanse situaties en stromingen plaats heeft. Vervolgens aan een steeds meer groeiende belangstelling voor de geschreven tekst, waaruit tevens volgt dat het luisterpubliek voor een belangrijk deel door het lezend publiek wordt vervangen, conditio sine qua non voor de groei van een literatuur. En tenslotte een merkwaardige bereidheid tot co-existentie van de drie talen, het Papiamentu, het Spaans en het Nederlands, die tot een drie-talige literatuur zou leiden, een bijzonderheid die verder slechts in enkele Aziatische gebieden wordt aangetroffen. De schrijver met Papiamentu, een taal in wording, als moedertaal zocht onwillekeurig steun bij degenen die een taal bezigden die reeds cultureel volledig was geactualiseerd. Hierbij dienden zich onwillekeurig twee talen aan, het Spaans, de taal van de intellectuele geëxileerden uit Venezuela en Sto Domingo, en het Nederlands, de taal van de administratie, het onderwijs en de missie die inmiddels niet langer uit het bisdom van Caracas, met zijn charismatische zwerfpriesters, maar uit de Nederlandse kerkprovincies met haar geïnstitutionaliseerde missionarissen werd gedirigeerd. De invloeden van buitenaf zijn vooral afkomstig uit de Franse en Spaanse regio, met name Haïti, Venezuela en Sto Domingo, en Hollandse, vooral van de Nederlandse congregaties, van priesters, fraters en zusters, die zich inmiddels op Curaçao hadden gevestigd. Deze contacten manifesteerden zich vooral in de folklore, een enkele maal ook in de volksliteratuur zoals in de volgende copla die duidelijk haar herkomst van de Venezolaanse llano's verraadt:

 
Si shon pastol hera sabi
 
kon bo dushi sa yanga
 
ate ta los sotana
 
ate ta chercha i changa.
 
 
 
Wist mijnheer de pastoor
 
hoe heerlijk je meisje kan ‘dansen’
 
hij wierp de soutane van zich af
 
en ging aanstonds met haar chancen.

De belangstelling voor de geschreven tekst hangt samen met de intensivering van de journalistiek waarbij een groot aantal vraagstukken aan de orde werden gesteld die een uitdaging opleverden niet alleen voor bepaalde personen of groepen maar ook voor de gemeenschap in haar geheel. Een groot aantal

[p. 114]

dag - en weekbladen werden in de jaren zestig en zeventig in het leven geroepen. Naast de ‘Civilisadó’, in het Papiamentu, van de bekwame en strijdvaardige Casten Meyer, kunnen wij de ‘Noticioso’, in het Spaans, en ‘De Onafhankelijke’ in het Nederlands noemen. De meest uiteenlopende sympathieën en antipathieën komen in de pers tot uiting, pro- en anti-Venezolaans, pro en anti de maçonnerie, pro en anti de clerus, pro en anti gouvernementeel en daarnaast meer of minder heftige tegenstellingen die vooral op het persoonlijk vlak tot uiting komen. Deze duels speelden zich niet alleen af in de krant maar ook in de pamfletten, die als losse brochures werden uitgegeven; liederen die in en buiten de tambú- en taraylokalen werden gezongen; en tenslotte de ‘banderitas’ (vlaggetjes) die zo werden genoemd omdat de meestal sterk gepeperde epigrammen op smalle strookjes papier om een stokje werden gewikkeld en aldus tegen een geringe vergoeding aan de man werden gebracht. (Zie ook ‘Muziek en dans’.) Deze typen van expressie, die de beoefenaars der literatuurwetenschap tot de ‘triviaalliteratuur’*) plegen te rekenen, laten zich vooral gelden als de officiële pers en literatuur dusdanig zwaar op de handse vormen aannemen dat zij niet meer voor de ‘gewone man’ genietbaar zijn.

Tot de meest bekende pamfletten uit het fin-de-siècle moet de brochure worden gerekend van de Curaçaose advocaat A.M. Chumaceiro met de sensationele titel ‘Zal het kiesrecht Curaçao tot kannibalisme voeren?’ (1895) die Curaçao overigens meer kwaad dan goed heeft gedaan omdat de Haagse parlementariers, die ook toen reeds als experts par excellence werden beschouwd, de titel letterlijk hebben opgevat waardoor nog in mijn studententijd in de jaren twintig van onze eeuw de Antillianen als gevaarlijke lieden met een voorkeur voor bepaalde spijzen werden beschouwd.

Het zogenaamde ‘worsteltijdperk’ der Curaçaose pers (het woord is afkomstig van de journalist Hipolito Aumaillon) is op tweeërlei wijze van belang geweest voor de ontwikkeling der literatuur. Het heeft in de tweede helft van de 19de eeuw verschillende auteurs in de gelegenheid gesteld zich vertrouwd te maken met hun specifieke instrumenten, de taal en de pen. Deze worsteling met de engel, het publiek en de tegenstanders heeft nog in andere opzichten een stempel op de auteurs gedrukt. Het was niet alleen een kwestie van vingeroefeningen, het was ook een kwestie van inzet of, zoals men later zou zeggen, van engagement, van ‘empeño’. De eerste generatie van auteurs is in het engagement van de journalistiek geboren. Verschillende auteurs waren trouwens zoals ook elders als journalist werkzaam.

[p. 115]

Dit betekent dat zij op den duur niet alleen het belang maar ook de betrekkelijkheid van dit type engagement leerden kennen. Vooral als men gelieft te bedenken dat het puur ideële engagement in verreweg de meeste van de gevallen op puur commerciële binduigen uitloopt. De journalisten begonnen in de voorste rijen van de voorhoede en eindigden als de ‘kataoli's*) van de achterhoede. Vooral in de armoedige, in de tentakels van enkele rijkaards verstrikte kolonies. Een van de meest geëngageerde journalisten, de eerder genoemde Aumaillon, deelde in 1902 mede dat hij zich voorgoed uit de journalistiek terugtrok, en wel ‘om dezelfde reden die als lood zo zwaar drukt op alle persondernemingen op dit eiland van nare onverschilligheid voor alles wat niet zuiver mercantilisme is’. Het archaïzerend begrip ‘mercantilisme’ was uiteraard een euphemistische waardering van een commercialisme van vaak dubieuze aard. Johan Hartog, die het beter meent te weten!, rekent Aumaillon tot de ‘vuige schrijvers’, de ‘muckrakers’ van de Curaçaose pers. De vuige man behoort intussen tot de weinigen die zich met een zekere openhartigheid hebben uitgesproken. De dichters van de eerste generatie moesten in dit commerciële entrenous wel steeds meer tot de innerlijke overtuiging komen dat het sociale, c.q. culturele leven van het eiland zich voornamelijk in het spanningsveld van droom en daad afspeelde.

Het is dan ook allerminst verwonderlijk dat men in de Antilliaanse literatuur, zowel de Spaans- als de Papiamentu- en Nederlandstalige, een voortdurende wisselwerking aantreft tussen romantische en realistische, alsmede daaraan verwante of daaruit voortvloeiende stromingen. Ik zal hier enkele tendensen vermelden die karakteristiek zijn voor de Antilliaanse literatuur, waarmede uiteraard speciaal de literatuur van de Nederlandse en niet tevens die van de andere Antillen wordt bedoeld. Het gaat hier niet om een veelheid, laat staan een volledigheid van namen; het gaat er hier om de belangrijkste intenties met haar geheel eigen achtergronden, zoveel als doenlijk in een betrekkelijk kort bestek als dit te doen uitkomen. Tenslotte zij erop gewezen dat hier tendensen zullen worden geregistreerd, die vervlechtingen en verbindingen met elkaar kunnen aangaan, en niet nauwkeurig geprofileerde fenomenen die afstandelijk na of naast elkaar bestaan.

I. Het romantisme

De vertegenwoordigers van de eerste generatie, met haar hartgrondige afkeer van alledaagse beslommeringen, waren veelal aanhangers van het romantisme, zoals beoefend door Adolfo Bécquer (vermoedelijk een verbas-

[p. 116]

tering van de Hollandse familienaam Bekker of Beker), ook wel de Spaanse Heinrich Heine genoemd, maar dan een pseudo-Heme zonder de ironie van de Duitse dichter die door de Fransen als een ‘romantique défroqué’, een afvallige romanticus, werd beschouwd. In de Antilliaanse literatuur komen vrijwel geen afvallige romantici in de zin van Heinrich Heine voor. Voor zover de romantici zich van de Spaanse taal bedienden hebben zij vrijwel allen gepubliceerd in de tijdschriften ‘Notas y Letras’ (1886-1888) onder de eerder genoemde redacteuren en ‘Poema’ (1895-1896) dat blijkbaar besmet was met het Hollandse penchant voor verkleinwoorden en zijn voorkeur voor diminutiva zelfs in de namen der redacteurs, Panchito Arvelo en Ramoncito Ayala, tot uitdrukking bracht.

Tot de belangrijkste vertegenwoordigers van het Spaanse romantisme behoren A.A. Wolfschoon (‘Poesías’ 1894, uitg. Augustin Bethencourt), David M. Chumaceiro (‘Crisálidas’ 1898 en ‘Adelpas’ 1902, uitg. Bethencourt) en Dario Salas (‘In Memoriam’ en ‘Rimas’, uitg. Tipografía Moderna 1911). In het algemeen worden Joseph Sickman Corsen en John de Pool eveneens tot de romantische club gerekend. Dit is maar ten dele juist. Joseph (Jo) Corsen, met zijn typische expressies van lucide melancholie, kan eerder als de eerste exponent van het Antilliaanse existentialisme worden beschouwd. De herinneringen van John de Pool, met de bijzonder tekenende titel ‘Del Curazao que se va’, vertonen het stempel van de nostalgie en kunnen derhalve zonder twijfel tot de romantische ontboezemingen worden gerekend. Van velen dezer Spaanstalige romantici zijn geschreven portretten in het society-weekblad ‘Miniaturas’ (1925-1926) opgenomen. De Papiamentse romantiek, die de voetsporen volgt van haar Spaanstalige voorgangers, wordt onder meer vertegenwoordigd door romanschrijvers als W. Kroon met Jambo bieew ta bolbe na wea (Oude liefde roest niet) en S.M. Suriel met ‘Muhé Culpabel’ (In het Hollands waarschijnlijk het best te vertalen als ‘De Zondares’). Tot in het Papiaments romantisme kunnen ook verschillende dichters en dichteressen van het nostalgisch verlangen worden gerekend die o.m. in de bloemlezing ‘Di Nos’ van Pierre Lauffer (1971) aan het woord komen. In dit verband moet zonder twijfel eveneens worden genoemd de hispanist Luis H. Daal, een neoromanticus die de fascinatie der literatuur opvat als een uitnodiging à titre personnel tot een reis van de hachelijke actualiteit, het naturalisme van zijn ‘Altá Mayó’ of het realisme van zijn ‘Palabras Intimas’ naaf de pantheïstische participatie met de elementen der natuur in zijn latere verzen van ‘Ku awa na wowo’ en ‘Sinfonía di Speransa’.

De Nederlandstalige romantici, met figuren als J.K.Z. Lampe en A.J.C. Krafft, teren op typisch Hollandse grootheden uit de 19de eeuw als Elias

[p. 117]

Anne Borgers en Jan Pieter Heye. Tot het contemporaine Nederlands romantisme behoort de ‘Berceuse voor teleurgestelden’ van Carel de Haseth met de bijzonder ontroerende illustratie van de verhouding grootvaderkleindochter op het omslag. Misschien zouden wij hier van visuele poëzie moeten spreken. Nicolás Piña, die zowel het Nederlands als het Spaans en Papiamentu beheerste, maar wiens voorkeur steeds meer naar het Papiamentu uitging, kan men evengoed vanuit een vitalistische als een romantische levensopvatting benaderen. Hij heeft bovendien een bijzonder belangrijke rol gespeeld als oprichter van de Papiamentse periodiek ‘Simadán’ op Curaçao en als mede-oprichter van het ‘Ateneo literario’ op Aruba. Ik zou deze afdeling willen besluiten met het gedicht dat door Tony Piña, de zoon van Nicolás Piña, op zijn vijftiende jaar werd geschreven. De vertaling van Alette Beaujon lijkt mij bijzonder geslaagd, temeer omdat dit gedicht met zijn uiterste eenvoud en precisie nauwelijks voor vertaling in aanmerking komt.

Poesia
 
Mamá está comiendo
 
la comida de Dios
 
Afuera estan jugando
 
El baby está jugando
 
con placer
 
Yo estoy escribiendo
 
una poesía
 
El baby está jugando
 
otras
 
Afuera están trabajando
 
Para conseguir plata
 
para vivir
 
Y hasta la muerte
 
trabajando duro
 
Pero la vida es bonita
 
Eso si, hay gente que
 
come sabroso, pero hay
 
gente que come pan duro
 
Yo estoy escribiendo
 
esto en la mesa de comer
 
Nosotros no estamos mal
 
de plata, pero no estamos
 
bien tampoco
 
pero el amor está en
 
todas las cosas.
Poezie
 
Moeder zit te eten
 
wat God gegeven heeft
 
buiten spelen de kinderen
 
hoe blij speelt
 
ook de baby
 
en ik
 
ik schrijf een gedicht
 
terwijl de baby speelt
 
buiten werken de anderen
 
voor het geld
 
om van te leven
 
en hard
 
moeten ze werken
 
tot aan het eind
 
hun dood
 
maar het leven is mooi
 
dat wel, er zijn er
 
die heerlijk eten
 
en droog brood
 
is voor de anderen
 
en ik
 
ik zit te schrijven
 
aan de tafel
 
om van te eten
 
wij hebben het niet slecht
 
maar zeker ook niet goed
 
en toch, overal is de liefde.
 
 
 
(vert. Alette Beaujon)
[p. 118]

Ik denk bij het lezen van dit gedicht onwillekeurig aan de woorden die door de Venezolaanse actiegroepen tijdens de presidentsverkiezingen van 1963 in de straten van Caracas werden gescandeerd: ‘pedimos pan, nos dan plomo’ (wij vragen om brood, zij dreigen met lood).

2. De existentialisten

Wij moeten wel een duidelijk onderscheid maken tussen de Europese en Antilliaanse existentialisten. De Europeanen leggen het accent op het échec, de Antillianen zijn aanzienlijk minder nadrukkelijk in dit opzicht. Zij zijn er zich van bewust dat de mens in een precaire situatie verkeert maar zij beseffen eveneens dat een mogelijkheid van elucidatie steeds aanwezig is. Het is best mogelijk dat de zogenaamde paradijselijke toestand niet anders dan een toestand van geestelijke verheldering voorstelt, menen zij. Zij delen het standpunt van de Europeanen in zover als zij van oordeel zijn dat de toestand van elucidatie nauwelijks langer dan enkele momenten kan aanhouden, momenten duren immers maar een ogenblik, om vervolgens door veel langer durende fasen van blackout te worden gevolgd.

Wij kennen de mystieke, wij kennen ook de existentiële ‘noche oscura’. Het Antilliaanse existentialisme wordt het duidelijkst vertegenwoordigd door Joseph Sickman Corsen, de dichter van ‘Atardi’, en de auteurs die hebben gedebuteerd in de periode van de ‘Antilliaanse Cahiers’ (1955-1967). Wij kunnen niet nalaten hier het beroemde gedicht over te schrijven, alsmede de vertaling, waarvan slechts de eerste twee coupletten mijn volledige instemming kunnen wegdragen.

Atardi
 
Ta pakiko, mi no sa;
 
ma esta tristu mi ta bira,
 
tur atardi ku mi mira
 
solo baha den laman.
 
 
 
Talbes ta un presintimentu,
 
o ta un rekwèrdo kisas;
 
podise n' ta nada mas
 
ku un kos di temperamentu.
 
 
 
P'adilanti podisé
 
mi ta mira na kaminda
 
un doló ku n' nase ainda
 
ma ku lo mi konosé?
Schemer
 
Het wordt mij droef te moede,
 
al weet ik niet waarom.
 
Ik zie de zon verbloeden
 
diep aan de horizon.
 
 
 
Spreekt hier een voorgevoelen
 
verward en onbestemd,
 
of slechts een niet vermoede
 
zwakheid van temperament?
 
 
 
Wij zien soms in 't verschiet
 
een pijn, nog ongeboren,
 
die aanzwelt tot verdriet
 
en alles zal verstoren.
[p. 119]
[Atardi (vervolg)]
 
Tin kisas den mi memoria
 
un doló masha skondí,
 
masha bieu, ku mi sintí
 
no por rebibá su istoria?
 
 
 
O talbes mi nèrvionan
 
tin, sin kausa, oror di pretu
 
i dje abismo skur i ketu
 
mei-mei dj'awe ku mañan?
 
 
 
Mi no sabi ki armonía,
 
ki sekretu relashon
 
tini den mi kurason
 
ku kabamentu di un dia.
 
 
 
Ma spiritu di doló
 
mi ta sinti kana ku mi
 
ora solo ta bai drumi
 
i ta bisa: Te aworó.
 
 
 
Te aworó? Ma henter anochi
 
Esta largu anochi ta;
 
kwantu kos ku nos no sa
 
e ta skonde den su skochi.
 
 
 
Te aworó? Ma te mañan.
 
Hopi ora falta ainda;
 
kwantu istoria na kaminda
 
sin ku nos sabi di nan.
 
 
 
Promé solo bolbe hari,
 
tempu tin pa hopi kos;
 
i Dios sa kwantu di nos
 
morto den anochi a bari.
 
 
 
Kausa mi doló no tin;
 
ma esta tristu mi ta bira
 
semper ku mi para mira
 
dia yega na su fin.
[Schemer (vervolg)]
 
Ook smeult het sintelvuur
 
van oude herinneringen
 
die in het schemeruur
 
zich nodeloos verdringen.
 
 
 
Hoe is het uit te maken
 
welke diepverborgen snaar
 
herinnering weet te raken
 
met haar verstild gebaar?
 
 
 
Wij raken doodeenvoudig
 
met angst vervuld voor 't zwart
 
dat nadert, grauw en grauwer,
 
en ons bedrukt, benart.
 
 
 
Want boordevol gevuld
 
van pijn blijkt geheel ons wezen.
 
Wij zijn in nacht gehuld,
 
gehuld in waan en vreze.
 
 
 
De nacht duurt slechts één nacht.
 
Hoe lang kunnen nachten duren!
 
Wie weet wat ons nog wacht
 
in deze stille uren?
 
 
 
Een nacht duurt soms wel eeuwen,
 
hoe langzaam schrijdt hij voort.
 
't Is nodeloos gillen en schreeuwen,
 
wij worden toch niet gehoord.
 
 
 
Voordat zijn tijd is verstreken
 
kan veel treurigs zijn geschied.
 
Ook zij, die nog niet zijn bezweken,
 
storten des nachts in het Niet.
 
 
 
Bedenkt, zonder tegenspreken,
 
wij zijn kinderen des doods,
 
al lokt het glanzend teken
 
van iets schoons of oneindig groots.
 
 
 
Het wordt mij droef te moede,
 
al weet ik niet waarom.
 
Ik zie de zon verbloeden
 
diep aan de horizon.
 
 
 
(vert. Cola Debrot)
[p. 120]

Wij kunnen gemakkelijk een romantische binding aantonen door een vergelijking van het eerste couplet met de beginregels van het bekende Loreleigedicht van Heine:

 
ich weisz nicht was soll es bedeuten
 
dasz ich so traurig bin.
 
ein Märchen aus alten Zeiten
 
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

De pur-sang romanticus, die Heine was, kon zich een ‘Märchen für alles’ veroorloven, de existentialist Corsen moest zich tot een blik in het innerlijk bepalen. Tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de Antilliaanse existentialisten kunnen worden gerekend de romanciers Tip Marugg (‘Weekend Pelgrimage’ en ‘In de Straten van Tepalka’), Boeli van Leeuwen (‘De rots der struikeling’, ‘Een vreemdeling op aarde’ en ‘De eerste Adam’) en Alette Beaujon (‘Gedichten aan de Baai en elders’). Met minder overtuiging worden in dit verband ook de namen van Frank Martinus Arion en ondergetekende genoemd. Nadere gegevens omtrent bovengenoemde auteurs kunnen worden gevonden in het ‘Handboek tot de moderne Nederlandse letterkunde’ van Gerard Knuvelder (1964), ‘Autonoom’ van C.G.M. Smit en W.F. Heuvel (1975), alsmede de besprekingen van Pierre Dubois, K. Fens en andere recensenten die vrijwel allen vermeld staan in de laatste Bibliografie van Sticusa onder redactie van Walther Gordijn (1975).

Wij zullen deze afdeling besluiten met een van de Engelse gedichten van Alette Beaujon dat met haar wisselende stemmingen van licht en duister typisch is voor het Antilliaanse existentialisme.

Mood
 
I had a glad thought just now
 
out then it disappeared
 
I had a fond dream a moment ago
 
but I can't find it any more.
 
Beauty slipped into my mind
 
and coloured every corner of my life
 
and happiness was mine
 
I had a feeling all was fine
 
I had a feeling all was free
 
I had a gladness
 
all agreeing
 
accepting all
 
 
 
A joyful sound rang through my head
 
I glanced the truth
 
the goodness of all being
 
All this is dead
 
All this is gone
 
and only this the memory I have
 
the beauty of a flower
 
seen so very long ago
 
the scent of seas
 
so very far
 
the undiscovered dream
 
when morning has her way
 
Having been
 
and vanished
 
now this feeling slowly dies.
[p. 121]

3. Het ultraïsme

Het ‘ultraismo’, oorspronkelijk geponeerd door twee zo verschillende auteurs als Pablo Neruda en Jorge Luis Borges, die respectievelijk een emotioneel extremisme en een extremisme van de verbeelding voorstonden, kan worden beschouwd als een begrip waarmede door de Zuid-Amerikanen alle literaire uitingen worden gekarakteriseerd die op enigszins geprononceerde wijze de conventionele barrières doorbreken. Het heeft aanknopingspunten met het Europese expressionisme en surrealisme of het Mexicaanse ‘estridentismo’ (de literatuur van de snerpende uitingsvormen), maar kan toch niet daarmee worden geïdentificeerd. Wij kennen in de Antillen een Nederlandstalig en een Papiamentstalig ultraïsme. Het eerste wordt vertegenwoordigd door auteurs die voornamelijk in het tijdschrift de Stoep (ca. 1945), het tweede door auteurs die voornamelijk in de avant-gardistische tijdschriften ‘Kambio’ en ‘Watapana’ hebben gepubliceerd. Tot de bekende Stoep-dichters behoren Luc Tournier (pseudoniem van de medicus Christiaan Engels), Oda Blinder (volgens de prachtige karakteristiek van Nicolás Piña ‘la pasionaria de la escalinata’*) en Charles Corsen. Als de voornaamste Watapana-dichters worden beschouwd: Federico Oduber en Henry Habibe. Het merkwaardige van de ultraïsten is wel dat zij in vele gevallen hun meest ontroerende verzen schrijven in de zeldzame momenten van stilte waardoor zij in hun emotioneel bewogen leven worden verrast. Ik zou hier twee gedichten willen overschrijven, een van Charles Corsen en een van Federico Oduber, die door hun vervlechting van eenvoud en verfijning tot de bijzondere verworvenheden van de Antilliaanse literatuur kunnen worden gerekend.

 

Van Charles Corsen:

Morgen
 
Morgen
 
zal je weer bij me zijn
 
morgen
 
als de papaya ritselig zingt,
 
morgen
 
als paarse hanen de zon toekraaien,
 
morgen
 
als ik er niet meer ben?
[p. 122]
 
Morgen!
 
 
 
Wat al niet ligt er in één
 
woord verscholen;
 
wat nauwe straten, waarin
 
wij moeten dolen,