Monumentenzorg en natuurbeheer vinden elkaar gezamenlijk terug in het ruime begrip ‘milieuzorg’.
De invloed van de mens op begroeiing, bodemstructuur en hydrologische toestand wordt nagegaan. Een vergaande degradatie in de laatste decennia wordt geconstateerd, mede in de hand gewerkt door verkeerde rapporten van allochtone ‘deskundigen’. Grondwateronttrekking voor industriële doeleinden leidde in het tweede district tot afsterving van de talrijke hofjes en penetratie van zeewater. Het oude complex van vele honderdtallen dammen ging teloor; de nieuw gebouwde dammen richtten meer kwaad aan dan goed, foutieve opvattingen over afvalwaterlozing hielpen mede aan de verslechtering van de hydrologische toestand.
Architectonisch is na de tweede wereldoorlog een schrücwekkend verval te constateren. Willemstad, eens architectonisch een parel van de Caribische eilanden, werd geheel overgeleverd aan de willekeur van particuliere korte termijn belangen. Ruimtelijke ordening en monumentenzorg, zowel door autochtone als allochtone deskundigen gepropageerd, kregen in de eigen gemeenschap nauwelijks voet aan de grond. Raamwetten op deze gebieden zullen weinig uitrichten tenzij serieuze milieuzorg in de ontwikkelingshulp wordt ingebouwd. Daartoe is echter o.a. nodig inzicht in de verwevenheid van milieu en economie, hetwelk ontbreekt.
In verband met het toerisme wordt ingegaan op de begrippen ‘strandmilieu’ en ‘achterlandmilieu’. Nagegaan wordt waarom, in tegenstelling op de toestand op Aruba, op Curaçao een complexe planologie conditio-sine-qua-non is voor een bestendig toerisme. Daarbij wordt ook aandacht geschonken aan het fundamentele belang van de ontwikkeling van het Otrabanda-Rifcomplex. Deze ontwikkeling wordt echter door de nieuwste stedebouwkundige plannen voorgoed onmogelijk gemaakt.
De toeristische afgang van Curaçao wordt gezien als een structureel probleem. Geconstateerd wordt dat zij, die zich in de Nederlandse Antillen in georganiseerd verband voor het milieu beijveien, hun doelstellingen niet verder durven uit te bouwen dan voor het behoud van een aantal ‘relieken’.
Een analyse wordt gegeven van het ontstaan van een invloedrijke milieubewustheid in Nederland. Een gelijke ontwikkeling in de Nederlandse Antillen wordt voorshands niet waarschijnlijk geacht. Een dóórgeven van moderne opvattingen over milieuzorg via de ontwikkelingshulp vindt niet plaats. Dit verzuim moet gezien worden in het licht van het gebrek aan gedegen methodiek, waaraan het gehele instituut van de ontwikkelingshulp mank gaat.
Monumentenzorg en natuurbeheer-‘bien étonnés de se trouver ensemble’? Ja en neen. Ja, indien wij uitgaan van de feitelijke toestand in de Nederlandse Antillen, waarbij de twee vormen van milieuzorg zich uitgekristalliseerd hebben in afzonderlijke organisaties die door waterdichte schotten van elkaar gescheiden zijn. Neen, indien wij ons moderne opvattingen eigen maken omtrent milieuzorg, opvattingen die elders krachtig beginnen door te dringen.
Natuur en architectuur vinden zich gezamenlijk terug in het begrip ‘landschap’ dat op zich weer een onderdeel is van het nog ruimere begrip ‘milieu’. In Nederland zijn binnenkort regelingen op komst betreffende de instelling van ‘landschapsparken’. Indien er ergens een gebied is waarbij landschapszorg in brede zin op zijn plaats is dan is het wel de Nederlandse Antillen. De redenen ervan zijn overduidelijk en hebben een nog stringenter geldigheid dan in Nederland. Het gebiedsdeel is klein - zeer klein - in oppervlak; het heeft te kampen met een voor agrarische ontwikkeling zeer ongunstig klimaat en met een snelle toename van de bevolking. Feitelijk is het voor een belangrijk deel economisch afhankelijk van het toerisme.
Woekeren met de aantrekkelijkheden die men heeft en bescherming daarvan zou een zaak moeten zijn die ‘hardboiled’ zakenlieden niet alleen aan esthetici zouden mogen overlaten. Helaas, de esthetici zijn weinig in getal, zij strijden alleen en zijn hopeloos verdeeld. Pogingen om hen samen te brengen mislukten tot nu toe jammerlijk. Wij zullen er later nog op terug komen maar zullen eerst de verschillende deelgebieden waaruit het landschap is opgebouwd en de factoren die op elk dezer deelgebieden invloed hebben, afzonderlijk bespreken.
Een moeilijkheid moet hierbij nadrukkelijk worden genoemd. De zes eilanden waaruit de Nederlandse Antillen bestaan hebben in het kader van de hier te behandelen onderwerpen wel allerlei punten gemeen, maar anderszins zijn er vele verschillen. Eigenlijk zou elk eiland afzonderlijk behandeld moeten worden, wil men recht doen aan de problemen die voor dat eiland specifiek zijn.
Daar dit niet mogelijk is binnen deze beperkte opzet heb ik mij als uitgangspunt voor de discussie de situatie voor ogen gesteld zoals die zich voordoet op Curaçao. Deze keuze werd niet alleen bepaald door het feit dat dit het grootste eiland is met de grootste bevolking, maar in belangrijke mate ook door het feit dat de problematiek daar het ingewikkeldst is en dus de meeste facetten vertoont. Vanuit deze situatie zal dan in het onder volgende zo nu en dan venvezen worden naar de andere eilanden.
Daar in het onder volgende het begrip ‘ecologie’ zal worden gehanteerd is het goed even in te gaan op een definitie daarvan.
Onder de ‘ecologie’ van een bepaald gebied kan verstaan worden de wisselwerking tussen de verschillende soorten componenten, die de structuur van de levensgemeenschap in dat gebied bepalen. Deze componenten zijn: eensdeels levende organismen en anderdeels dood substraat. Op de Nederlandse Antillen zijn bij bedoelde wisselwerking het meest opvallend betrokken: mensen, geiten, planten, grond en water. In het ecologische schema voor Curaçao dat in figuur 1 is afgebeeld en waarnaar in het onder volgende wordt verwezen, is in verband met het voorgaande de menselijke activiteit centraal geplaatst.
Op de vraag hoe de begroeiing er uit heeft gezien vóór het koloniale tijdperk is uiteraard niet met enige nauwkeurigheid een antwoord te geven. Eén ding is echter zeker: de eilanden moeten er véél groener hebben uitgezien, óók in de droge tijd. Deze gevolgtrekking is mogelijk zonder aan te nemen dat het klimaat ook maar enigszins veranderd is. Genoegzaam is bekend dat op grote schaal ontbossing heeft plaatsgevonden. Pokhout (‘guayaca’, Guayacum officinale) werd om wille van de slijtvastheid en bestendigheid gekapt en geëxporteerd, verfhout of Brazielhout (Haematoxylon brasiletto) om der wille van de verfstof, die er uit werd bereid.
Verder vond ontbossing plaats bij het gereed maken van landbouwgrondjes, voor de bouw van woningen, voor het branden van houtskool en kalk en voor de scheepsbouw. Deze ontbossing welke een toenemende erosie ten gevolge had, zou minder desastreus zijn geweest indien het natuurlijke herstel zijn gang had kunnen gaan. Aan de geitenhouderij is het te wijten dat dit niet het geval kon en kan zijn.
De invloed van het natuurlijke herstel op plaatsen waar de erosie niet al te erg toegeslagen heeft is duidelijk te zien wanneer een terrein lange tijd voor geiten afgesloten wordt gehouden. Hebben wij op dit terrein bijvoorbeeld enkele exemplaren van de ‘guayaca’ of capparis staan dan zal zich door natuurlijke uitzaai in een twintigtal jaren een bos ontwikkelen met vrij hoge bomen, die ook in de droogste tijd hun prachtige groene kleur behouden.
De totale invloed van de menselijke ingreep in het natuurlijke milieu zal thans aan de hand van een ‘ecologisch schema’ worden besproken.
Reeds werd gesproken over de invloeden van houtkap en geitenhouderij. Gezamenlijk leiden deze tot ernstige erosie: de humuslaag en de laag ver-

Fig. 1.
weerde diabaas worden weggespoeld bij heftige regens (fig. 1). He is zonder meer duidelijk, dat het verdwijnen van de ‘teellaag’ een herstel van de begroeiing in de weg zal staan. Dit niet alleen omdat het wortelschieten van zaden in de harde rotsbodem vanzelfsprekend niet gemakkelijk is, maar omdat dit de capaciteit van de grond om water vast te houden vermindert. Ontbossing leidt dus via erosie tot een hydrologische degradatie en deze op haar beurt werkt herstel van bebossing tegen... voorwaar een ellendige vicieuze cirkel (fig. 1)
De menselijke activiteiten, waar wij het zojuist over hadden en die tot funeste gevolgen voor het milieu leidden, hebben zich gedurende het hele tijdperk na de kolonisatie doen gelden. Naast deze voor het milieu als negatief, waren er echter ook als positief te waarderen activiteiten.
Voor zover de houtkap plaatsvond voor agrarische doeleinden kwam er iets voor in de plaats. Valleien werden van hun natuurlijke bomentooi beroofd, maar vruchtboomgaarden (hofjes) kwamen er voor m de plaats (fig. 1). Daar dit meestal ook gepaard ging met het bouwen van dammen, waren daarbij, ecologisch gezien, ook winstpunten te tellen. De hofjes met hun dammensystemen en de accumulatie van dikke lagen humus werkten mede aan een hydrologische revalidatie (fig. 1).
Het dammensysteem bleef niet beperkt tot de hofjes. Ook daarbuiten werden vele hondertallen, meest lage, dammen gebouwd. De bedoeling van deze was, om in goede regenjaren het afstromende water op vele plaatsen vast te houden. Op deze wijze werden in het landschap een groot aantal ‘natte plekken’ (ondiepe plassen) gecreëerd in de omgeving waarvan agrarische aciviteiten konden plaatsvinden. Hoe dicht de structuur van het dammenstelsel kon zijn zien wij in fig. 2: de topografische kaart van omstreeks de eeuwwisseling geeft in het afgebeelde gebied van ± 4 km2 meer dan 80 dammen te zien!
In de toestand zoals geschetst was er, ecologisch gezien, min of meer sprake van een evenwicht. ‘Negatieve’ menselijke activiteiten werden in zekere zin gecompenseerd door positieve. Dit moeizaam en ten koste van veel arbeid in stand gehouden evenwicht werd in de twintiger en dertiger jaren grondig verstoord door de komst van de industrie. De petroleummaatschappijen die zich op Curaçao en Aruba vestigden, hadden tot na de tweede wereldoorlog een groot tekort aan arbeidskrachten. Dat de weinig remuneratieve agrarische activiteiten daarbij het loodje zouden leggen laat zich gemakkelijk denken.

DAMMENSTRUCTUUR OP EEN GEBIED VAN ± 4 KM BIJ WEIS (omstreeks 1900)
Fig. 2.
De ‘positieve’ activiteiten waarvan boven sprake was, verdwenen. Maar dat niet alléén: op Curaçao voegden zich nieuwe negatieve activiteiten bij de oude.
De Shell en de Landswatervoorzieningsdienst begonnen op grote schaal grondwater te onttrekken. Daarnaast ontstonden buiten de oude stad uitgebreide nieuwe villawijken met een groot aantal watermolens.
Toch was de invloed van de bedoelde villawijken op de grondwaterstand op den duur nauwelijks negatief te noemen, hetgeen uit het volgende moge blijken. De Landswatervoorzieningsdienst immers ging hoe langer hoe meer over op destillatie van zeewater en stopte in de vijftiger jaren nagenoeg geheel met grondwateronttrekking. Door de particulieren in de villawijken werd veel grondwater onttrokken voor tuinbesproeiing: het huishoudwater echter was normaliter destillaatwater en hielp via beer- en zinkputten de grondwaterstand op peil houden. Ook hier dus weer een compensatiemechanisme.
Anders was het gesteld met de grondwateronttrekking door de Shell, waarbij het zojuist geschetste compensatie-mechanisme ontbrak. De Shellhuizen immers waren niet voorzien van beerputten. Zij waren aangesloten op een rioleringssysteem dat al het huishoudwater naar zee afvoerde! Het aanleggen van riolering daar waar het niet noodzakelijk is, wordt jammer genoeg ook nog steeds gevolgd bij de bouw van volkswoningcomplexen buiten de stad, ook daar waar de bodem zo weinig poreus is, dat men niet bang hoeft te zijn dat afvalwater ongefiltreerd zou wegstromen (in de stad is riolering natuurlijk vrijwel altijd onontbeerlijk). Goed aangelegde beeren zinkputten bij volkswoningcomplexen zouden de groenvoorziening in deze wijken zeer vergemakkelijken (beplantingen naast de putten) en een bijdrage leveren aan het op peil houden van de grondwaterstand.
Dat de grondwateronttrekking tot verlaging van de grondwaterstand aanleiding zou geven laat zich denken: dat dit voor de hofjes averechts zou uitwerken, evenzeer. Erger nog was het dat de verlaging van de grondwaterstand bij langdurige droogte kon leiden tot penetratie van zeewater. Deze verzilting is een verschijnsel dat zich overal in de eindstandige hofjes nabij het Schottegat, het Spaanse Water en de Piscaderabaai voelbaar heeft gemaakt.
Na de tweede wereldoorlog hebben een aantal verontruste Antillianen zich aaneengesloten om te protesteren tegen de grondwateronttrekking. De z.g. ‘Commissie Radulphus’ werd ingesteld, die in meerderheid op maatregelen aandrong. (De minderheid, bestaande uit vertegenwoordigers van Shell en
Landswatervoorziening meende, dat er geen enkele reden was tot ongerustheid.) Wat kon de gouverneur anders doen dan deskundigen laten uitkomen? Zij kwamen, bleven enkele maanden en maakten een dik rapport waarin een aantal hoogst heterodoxe opvattingen om de voorrang streden. Moeilijk kan immers tot de orthodoxe plantkunde gerekend worden de opvatting die men herhaalde malen in het rapport aantreft dat cacti diep wortelende gewassen zijn die veel grondwater onttrekken en dus moeten verdwijnen! Ze hadden tot dusver steeds gegolden als schoolvoorbeelden van vlak-wortelende gewassen met een uiterste efficiëntie aan waterverbruik en werden op de Antillen gebruikt als ‘ijzeren rantsoen’ voor het vee bij grote droogte. Even ingenieus als opzienbarend is de bij de rapportage toegepaste methode om de verdamping van de wilde begroeiing te schatten: de deskundige posteert zich op een hoog punt, overziet het landschap met veld-heersersblik en vergelijkt ‘op het oog’ het groen dat hij ziet met dat van een hofje. Als hij nu weet hoeveel water een hofje per dag verdampt ‘slaat hij een slag’ naar het waterverbruik van de wilde begroeiing. Van de heel bijzondere mechanismen van xerophyten om de waterverdamping te beperken heeft het rapport geen weet. Geen wonder dat dergelijke onconventionele opvattingen tot een even onconventioneel resultaat voerden: de begroeiing is de kwaaie pier - weg ermee! Het kaalkappen van Groot Piscadera-Mahoema wordt nu gerechtvaardigd! Klein Kwartier moet er nu ook aan geloven en als er nog meer water nodig is, welaan, er is nog meer dat gekapt kan worden! Het resultaat zal niemand die maar iets van ecologie en hydrologie af weet verrassen. Groot-Piscadera is aan hevige erosie ten prooi gevallen, de grondwatersituatie is vanzelfsprekend niets verbeterd en thans, bijna 30 jaar later, heeft alleen doornige ‘wabi’ (Acacia tortuosa) en de ‘palu di lechi’ (Cryptostegia grandiflora), een gevreesde plaag, zich er kunnen vestigen. Overal ter wereld wordt herbebossing toegepast om de hydrologische toestand te verbeteren. Op de Nederlandse Antillen komen Nederlandse deskundigen verklaren dat men juist moet ontbossen. Het is nauwelijks te geloven!
Op de kwestie van het bedoelde rapport ben ik iets dieper ingegaan, niet om oude koeien uit de sloot te halen, maar om te waarschuwen voor de vele jonge koeien die nog voortdurend in de sloot worden geduwd. Behoudens de hoogst merkwaardige opvattingen over biologie en hydrologie die in het genoemde rapport gehanteerd worden, was het rapport ook daarom merkwaardig omdat het in feite weinig met Curaçao te maken had. Het was een rapport over een niet bestaand spookeiland. Pompproeven werden genomen en berekeningen uitgevoerd op basis van hypothesen over de geologische structuur die niets met de werkelijkheid van doen hadden.
Ook in het rapport van de Grontmij-Sogreah, in 1968 uitgebracht door een 24-tal deskundigen en nog veel dikker dan het rapport Krul, heeft men te doen met ‘spookeilanden’. Een voorbeeld: op grond van uitvoerige berekeningen worden grafieken geproduceerd over afstromingspercentages. Maar ieder die met de situatie op de hoogte is, weet dat de werkelijkheid in een andere orde van grootte ligt. Op grond van deze grafieken echter kunnen miljoenen worden geïnvesteerd, miljoenen weggegooid geld. Wellicht zal het niemand verwonderen dat ook dit laatste rapport nadrukkelijk stelt dat aan verdere grondwateronttrekking door de industrie geen strobreed in de weg moet worden gelegd (in tegenstelling tot onttrekking door particulieren die onder controle moeten worden gebracht!).
In verband met dit rapport kan opgemerkt worden dat in de Antillen èn in Nederland een grote hoeveelheid kennis aanwezig was over de onderwerpen die daarin werden behandeld. Deze kennis werd niet gebruikt. Deskundigen ‘van buiten’ die met een boog heenlopen om mensen die op de betreffende gebieden jarenlange studies hebben verricht en over een schat van waarnemingen beschikken, kunnen geen gave rapporten maken wanneer het gaat om onderwerpen die grote plaatselijke kennis vereisen. Verwezen moge worden naar tabel 1, waarin een ‘codex’ wordt gegeven voor de methodiek van technische bijstand en ontwikkelingshulp.
Tabel 1
|
|
| 1. | Een zorgvuldige formulering van het probleem en coördinatie met andere deelproblemen. |
| 2. | Teruggrijpen naar vroegere rapporten. |
| 3. | Zorgvuldige keuze van uit te zenden deskundigen. |
| 4. | Juiste verblijfsduur van de deskundigen in proportie tot de complexiteit van het probleem. |
| 5. | Zo enigszins mogelijk contact maken met vroegere rapporteurs. |
| 6. | Zorgvuldig uitzoeken waar in het ontwikkelingsland werkelijk gedegen plaatselijke kennis over de problematiek aanwezig is en inschakeling daarvan. |
| 7. | Inschakeling van ‘permanente adviesinstanties’ die door voortdurend contact met het ontwikkelingsland ‘plaatselijke kennis’ bezitten, d.w.z. inschakeling van de ‘plaatselijke kennis’ over het ontwikkelingsland die aanwezig is in het ontwikkelingshulp biedende land. |
| 8. | Toetsing van de rapporten aan vroegere rapporten en met ‘permanente adviesinstanties’. |
| 9. | Duidelijke stellingname ta.v. ‘follow up’. |
| 10. | Voeling houden met de ‘follow up’ door daartoe aangewezen instanties. |

Fig. 3a.

Fig. 3b.
In het voorgaande werd de bouw van vele honderdtallen - meest lage - dammen als een positieve activiteit gewaardeerd bij de herstructurering van het landschap die in de pre-industriële tijd tot stand kwam. Deze dammen gaven meestal blijk van grote praktische vernuftigheid en ervaring om de topografie en bodemkundige gesteldheid van het terrein en de eigenschappen van afstromend water zo goed mogelijk te benutten. Zij zorgden in goede regenjaren niet alleen voor het ontstaan van vele, gedurende maanden vochtig blijvende verspreid liggende gebiedjes waar tuinbouw (in mindere mate ook landbouw) kon worden bedreven, echter door de opvang van organische ‘debris’ zorgden zij ook voor humusvonning.
In de hofjes hadden de dammen een additionele taak. Door de sterke verdamping van de fruitbomen accumuleerde zich zout in de bodem. Periodieke uitspoeling van dat zout in goede regenjaren vond plaats doordat de dammen zich vulden. Daar het water niet te lang in de hofjes mocht blijven staan (de bomen zouden anders door gebrek aan zuurstof van de wortels afsterven) waren de dammen voorzien van eenvoudige sluissystemen.
Mèt de achteruitgang van de agrarische activiteiten en mèt de inbeslagname van steeds meer grond voor woningbouw rond het Schottegat*) verdween het zo efficiënte dammenstelsel nagenoeg geheel.
Tabel 2 Het oude dammenstelsel op curaçao |
||||||||||
Functie:
|
||||||||||
Structuur:
|
||||||||||
De oude dammen waren ontworpen door, of in samenwerking met, mensen met grote praktische ervaring en plaatselijke kennis.
Door de Shell en het gouvernement werden in de veertiger en begin vijftiger jaren nieuwe dammen gebouwd. Deze echter hadden een geheel ander karakter dan de oude. In plaats van de vele honderdtallen lage dammen die het afstromende water zo goed mogelijk moesten spreiden naar zo veel mogelijk agrarisch bruikbare gebiedjes kwamen enkele tientallen zeer hoge, meest nabij agrarisch totaal onbruikbare arealen. De doelstelling was dan ook een heel andere, nl. verbetering van de grondwaterstand. Het is echter niet moeilijk te berekenen dat deze dammen voor de grondwaterstand, in het bijzonder in de kritieke droge perioden, nagenoeg géén zoden aan de dijk zetten.*) De gevolgen waren averechts voor de hofjes dicht bij zee gelegen aan het einde van de rooiensystemen. Daar de grote dammen ‘bovenstrooms’ alle water tegenhielden ontvingen deze hofjes in de goede regenjaren niet meer hun portie ‘ontziltingswater’, hetgeen hun achteruitgang slechts kon versnellen.
Voor een vergelijking van de oude en de nieuwe dammen zie verder fig. 3a, 3b en 4 en tabel 2.
Gezien de in het voorgaande gereleveerde feiten zal het geen verwondering baren dat de tegenwoordige begroeiingstoestand op het eiland Curaçao op armzalige wijze afsteekt tegen de toestand van een halve eeuw terug. Men kan zonder moeite een lijst opstellen van een zeventigtal eertijds prachtige hofjes; slechts van heel enkele dezer is nog iets over, maar niet veel meer dan een schim.
Het verdwijnen van de hofjes in de nabijheid van het Schottegat, het Spaanse Water en Piscaderabaai (in fig. 5 zijn een 40-tal aangegeven) en de reeds genoemde verzilting van de ondergrond heeft het landschappelijke beeld in de omgeving van Willemstad ingrijpend in negatieve zin veranderd. Een lichtpunt wordt gevormd door de tuinen die thans in de villawijken worden onderhouden. Echter sommige daarvan zijn geheel en vele zijn periodiek (bij langdurige droogte) afhankelijk van gedestilleerd zeewater. Bij stijgende energieprijzen en afnemende economische activiteit is dit een wankele basis voor behoorlijk onderhoud
De eilanden Aruba en Bonaire kenden nauwelijks hofjes, ook was er geen

Fig. 4.

Fig. 5.
sprake van het uitgebreide dammensysteem van Curaçao. Er was dus minder te vernielen.
Een belangrijk winstpunt voor Aruba is de landscaping in het aaneengesloten hoteldistrict, die met ‘recycled’ water uit waterzuiveringsinstallaties wordt onderhouden.
De souvenir-industrie op basis van het toerisme vormt op alle drie de eilanden een gevaar voor de karakteristieke ‘indjoe’ boom (Ar. ‘kwihi’: Prosopis juliflora), die vanwege zijn mooie hout tot tafels e.d. wordt verwerkt. De geiten en de langzame groei zijn een obstakel voor nieuwe opslag van deze prachtige boomsoort.
Door de geringe bevolkingstoename heeft Bonaire minder last van onoordeelkundig ‘schoonmaken’ van terreinen voor woningbouw.
De Stichting Nationale Parken (STINAPA) doet haar uiterste best terreinen aan te kopen en als natuurreservaat te beheren, maar heeft volstrekt onvoldoende financiële basis.
Op Saba is de noordwestelijke helft wat de begroeiing betreft bijna nog maagdelijk, evenals de ‘Quill’ op St.Eustatius. STINAPA ontbeert de middelen om hier conserverend op te treden.
Na het rapport Krul, dat ontbossing in plaats van bebossing aanraadde, zijn in de vijftiger en zestiger jaren schuchtere voorstellen en pogingen gedaan de wilde begroeiing weer enigszins te herstellen. Bij sommige dezer waren ongetwijfeld enkele goede grondgedachten te onderkennen, echter onvoldoende voorbereid en met volstrekt onvoldoende middelen en continuïteit kon hen geen ander lot beschoren zijn dan in het zand vast te lopen. Ditzelfde lot zal met alle zekerheid alle toekomstige pogingen treffen zolang niet de opzet zich verwijdert van dilettantisme en daarbij werkelijk deskundige instanties op alle deelgebieden die met herbebossing te maken hebben worden ingeschakeld en hun kennis wordt gecoördineerd. Nemen wij iemand als frater Arnoldo die zijn hele leven gewijd heeft aan studie over en experimenten met de Antilliaanse flora en zijn kennis in verscheidene boeken heeft vastgelegd. Nemen wij prof. Stoffers die met zijn studenten jarenlange studies heeft gewijd aan de plantensociologie van de Antillen; nemen wij verder de Wageningse hoogleraar prof. Mörzer Bruins, die rapporten maakte over natuurbescherming op de Ned. Antillen en prof. De Hulster, hoogleraar in de tropische bosbouw, die gaarne bereid zou zijn tot een permanente verbinding van zijn faculteit met de Nederlandse Antillen; vergeten wij ook niet de kennis die te raadplegen zou zijn bij de Natuur-
wetenschappelijke Studiekring Suriname en de Nederlandse Antillen. Waarom dan, vraagt men zich af, worden deze mensen niet ingeschakeld? De echt deskundige instanties zouden dus in organisatorisch verband voor het speciale doel tot samenwerking gebracht moeten worden. Dit eist inzicht in de totaliteit van de problematiek, dit eist ook intensieve, organisatorische arbeid.
Als tussenstap tussen het landschap en de architectuur in de stad is een bespreking op zijn plaats van de oude architectuur die het landschap verlevendigt. Men zal geneigd zijn daarbij in de eerste plaats te denken aan de monumentale landhuizen op Curaçao en aan de monumenten uit de glorietijd van St.Eustatius. Daarmede is echter net alles gezegd, de traditionele eenvoudige behuizingen op het platteland van Aruba, Bonaire, Saba en St. Eustatius, hebben een charme, die niet weg te cijferen is en maken een waardevol onderdeel van het landschap uit.
Het hoge woord is er uit: ‘waardevol’. Uit het voorgaande bleek dat de natuur als zodanig ‘waardevol’ werd geacht, thans volgt hetzelfde voor diens architectonische stoffering. Over welke ‘waarde’ hebben wij het? Dat in alle lagen van de maatschappij mensen te vinden zijn die beseffen, dat de mens alleen van brood niet kan leven en die de puur esthetische kant ‘waarde’ toekennen, is toe te juichen (wij herinneren slechts aan de sympathieke actie van de vakverenigingen voor ‘boomplantdag’). Maar lang niet iedereen is zo: voor hen kan er slechts van ‘waarde’ sprake zijn indien de economie een rol speelt. Het zijn o.a. dezulken die schamper vragen of men met bomen planten en landhuizen opknappen krotbewoners uit hun misère kan halen. Gelukkig kan het antwoord een volmondig ‘ja’ zijn. Zolang men aan toerisme een belangrijke plaats in de economie van de Nederlandse Antillen toekent, zal men alles moeten bevorderen dat een aantrekkelijke sfeer creëert!
Dat het historische en pittoreske karakter een belangrijk ingrediënt is voor toerisme is algemeen bekend. Veel fantasie is er niet voor nodig om in te zien dat de landhuizen met hun hofjes op Curaçao, de oude synagoge en protestantse kerk op St. Eustatius en dat de met fraai houtsnijwerk versierde huizen op Saba ‘toeristisch uitgebuit’ zouden kunnen worden. Helaas, deze fantasie heeft ontbroken; men liet ook de landhuizen in puin vallen. Het is slechts te elfder ure dat de Stichting Monumentenzorg (1954) werd opgericht. Dit toen men de bulldozer wilde zetten tegen het volgens de kunsthistoricus Ozinga mooiste landhuis op Curaçao: ‘Brievengat’. De be-
langstelling vanuit de Curaçaose gemeenschap - financieel en anderszins - was en bleef minimaal. Zonder een vorstelijke gift van de Nederlandse industrieel Van Leer zou op de Nederlandse Antillen zorg voor monumenten hélemaal niet hebben bestaan en zonder de financiële goochelkunst van de voorzitter der Stichting zouden de restauraties beperkt moeten zijn gebleven tot het ene reeds genoemde object! Door deze goochelkunst kon de Stichting door middel van leningen, hypotheken en borgstellingen andere objecten aankopen en herstellen (landhuis Ascension, gebouw Burg. Stand aan het Waaigat, complex De Rouvilleweg, landhuis Janwé, huis Penstraat, replica's van oude joodse grafstenen).
Even belangrijk als de restauratiewerkzaamheden van de Stichting zelf was de stimulerende invloed die deze werkzaamheden hadden op derden. Het idee Monumentenzorg ging leven bij enkelen in de gemeenschap. Het vond bij de toenmalige directeur Openbare Werken weerklank en in het kader van werkverschaffing werd Groot St. Martba gerestaureerd, werd Monumentenzorg bij de werkzaamheden aan Ascension geholpen en kregen de wallen van Fort Amsterdam een opknapbeurt. Het is mede aan de genoemde stimulerende invloed van de Stichting toe te schrijven geweest dat Casa Penha en de landhuizen Girouette, Kas Abao en Daniel zo fraai werden gerestaureerd en dat de regeringsgebouwen van Fort Amsterdam zo goed mogelijk in oude stijd werden vernieuwd.
Willemstad was een stad van grote architectonische schoonheid, verreweg de mooiste en meest karakteristieke stad op de Caribische eilanden. Ook hier weer was geen overmaat van visie nodig om in te zien dat daar niet alleen culturele doch ook toeristische zijde bij te spinnen zou zijn, een visie die slechts minimaal behoefde te zijn, daar allerlei voorbeelden elders ten dienste stonden van hen die nog mochten twijfelen.
Het inzicht in de noodzaak de stad te beschermen tegen ontluistering en verval brak in de veertiger jaren baan bij ambtenaren van de Dienst van Openbare Werken. Rapporten werden gemaakt, monumentenlijsten werden opgesteld en de noodzaak werd bepleit van regelingen betreffende de ruimtelijke ordening. Thans, dertig jaar later, is men nog precies even ver! Niets van de voorstellen werd verwezenlijkt!
Inmiddels was prof. Ozinga door Sticusa uitgezonden en had gezamenlijk met zijn toenmalige assistent Temminck GroII (thans hoogleraar in Delft) een ontzagwekkende hoeveelheid werk verzet voor zijn boek ‘De Monumenten van Curaçao’. Alle monumenten van enig belang waren op-
gemeten, in kaart gebracht, gefotografeerd en beschreven. Als motto had hij op de titelpagina kunnen vermelden ‘Ave Caesar, morituri te salutant’.
Het prachtige werk van Ozinga vermocht evenmin de gemeenschap wakker te schudden als latere lezingen van de directeur van Colonial Williamsburg en spasmodische betogen en requesten van de Stichting Monumentenzorg.
Bij het rapport van het ‘Tienjarenplan voor de Ontwikkelingshulp’ in 1962 uitgebracht werd nogmaals nadrukkelijk het economisch belang van Monumentenzorg uit de doeken gedaan en de vervlochtenheid daarvan met toerisme en stadsanering (Otrabanda!). De daarvoor opgebrachte post werd echter in Nederland geschrapt onder het motto: ‘monumentenzorg is cultuur en geen economie’. Dialoog was er niet bij.
Het is zonder meer duidelijk dat voor kleine eilanden, zoals die waaruit de Nederlandse Antillen bestaan, het milieu van zee en strand van het grootste belang is. Behoudens het belang voor welzijn d.w.z. als bron voor recreatie van de eigen bevolking bestaat er een direct verband met de economie (visserij en het toerisme).
Het beheer van zee en strand zal zich er vanzelfsprekend op moeten toeleggen dat deze hun functie zo optimaal mogelijk blijven vervullen. Zichtbare vervuiling dient te worden tegengegaan, maar ook niet zichtbare vervuiling die de mariene organismen aantast. Voorts moeten het strand en de onmiddellijke omgeving ook overigens in aantrekkelijke toestand worden gehouden. Dit impliceert een gedegen planologie voor de bebouwing en landschapszorg.
Onze aandacht nu eerst op het probleem van de vervuiling richtende kunnen wij het volgende opmerken. Dat de vestiging van de petroleum-industrie op Curaçao vervuiling van het Schottegat mede zou brengen is zonder meer duidelijk. Echter had deze vervuiling zo erg behoeven te zijn als het in feite hier werd? Deze vraag kan zonder meer met ‘neen’ worden beantwoord; toegegeven zij, in een achteraf redeneren op grond van een milieubesef dat pas in de laatste jaren m de ontwikkelde landen zich begint af te tekenen, en gelukkig is, dank zij interne anti-pollutiemaatregelen bij de Shell, de vervuiling in de laatste jaren sterk afgenomen. De opvattingen van eenieder - met uitzonderingen - was ‘waar gehakt wordt vallen er spaanders’ en het economische voordeel dat het eiland ontleende aan de vestiging was zo groot, dat niemand aanstoot nam aan het feit dat het rijke mariene leven van het Schottegat (belangrijke bron voor de visserij ook)
werd vernietigd evenmin dat een gedeelte van de stad in een afschuwelijke stank kwam te zitten. Doordat de Shell in de afgelopen jaren ettelijke miljoenen guldens stak om de vervuiling van het Schottegat en de luchtvervuiling tegen te gaan, is de situatie thans goddank veel beter dan tien jaar geleden.
Aruba kwam wat betreft de vervuiling door de olie-industrie van begin af in een veel gunstiger positie. De raffinaderijen werden daar geheel aan de zuidkust van het eiland gebouwd, gunstig t.a.v. de windrichting.
Bonaire had tot voor kort geen overlast van olie. Thans heeft men daar een bunkerstation gevestigd. De betreffende maatschappij heeft beloften afgelegd t.a.v. stringente maatregelen om olie-lekken te voorkomen. Ofschoon de situering wat betreft de normale windrichting niet ongunstig is, is de ligging aan de mond van het prachtige Gotomeer geenszins van bezwaren ontbloot. De tijd zal moeten leren in hoeverre de vestiging van het bunkerbedrijf en in het bijzonder de vestiging op deze plaats, verstandig is geweest, wanneer men de belangen van natuurbescherming en van toerisme mede in het geding brengt.
Naast vervuiling is overbevissing een groot gevaar voor het mariene leven. Voor een belangrijk deel is deze overbevissing te wijten aan de speervisserij en aan het wegvangen van koraalvisjes voor export naar aquariumhandelaren. Bij de schildpadden speelt bovendien het opgraven van de eieren een grote rol. Door onderzoekingen van het Caraïbisch Marien-Biologisch Instituut is een zeer aanzienlijke reductie van de vispopulatie geconstateerd. Tevens worden aanwijzingen gevonden dat deze reductie nadelige gevolgen zou kunnen hebben op de koraalformaties. Dat schade wordt toegebracht aan de beroepsvissers en aan het toerisme beide, scheen tot voor kort niemand te deren. Lustig werden er internationale speerviswedstrijden georganiseerd. Ook hier is thans eindelijk een kentering merkbaar.
Het eilandgebied Bonaire is het eerste geweest dat wettelijke maatregelen heeft genomen tot bescherming van de visstand. De vraag of de betreffende wetten ook voldoende nageleefd worden kan nog niet met een volmondig ‘ja’ worden beantwoord, maar men streeft er naar een meer doeltreffende controle.
Het CARMABI heeft voorstellen gedaan tot het instellen van ‘onderwaterreservaten’ bij Curaçao en Aruba. Uitvoering van de plannen wacht nog op de noodzakelijke wettelijke enkadrering.
Voor een optimaal functioneren van de stranden, óók in economische zin, is het nodig dat deze tezamen met hun achterland opgenomen worden in een omvattend plan voor ruimtelijke ordening. Wij zullen hierop terugkomen in de volgende paragraaf.
In tegenstelling tot hetgeen velen zullen menen, is ruimtelijke ordening volstrekt geen nieuw begrip. Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken, Romeinen, Maya's, Asteken, Inca's en Ghanezen (Benincultuur) deden er alle aan en niet zuinig ook. Het is in de moderne tijd (in het begin van de tweede helft negentiende eeuw en begin twintigste eeuw) geweest dat in de westerse cultuurwereld de ruimtelijke ordening een dieptepunt bereikte als correlaat van een hyperindividualisme dat onder het mom van ‘vrijheid’ het ‘laisser faire, laisser aller’ predikte. Van dit dieptepunt leggen o.a. tal van chaotisch gegroeide Amerikaanse provinciesteden getuigenis af.
In het dichtbevolkte Nederland heeft een herleving van de planologische gedachte zich betrekkelijk vroeg gemanifesteerd. Dit wil niet zeggen dat in Nederland thans gezonde ruimtelijke ordening overal tot zijn recht komt. De planologische gedachte in Nederland heeft zich eerst gemanifesteerd als een streven naar ‘orde en netheid’. Esthetica en milieubewustheid zijn jonge loten van de allerlaatste tijd. De afbraak van prachtige dorpskernen, de bouw van silo's en fabrieken midden in deze dorpen, supermarkten in weilanden, de schandalen van Metrobouw en Bijlmermeer in Amsterdam en Hoog Catharijne in Urecht zijn er bewijzen voor dat men ook in Nederland voor goede planologie een niet aflatende strijd dient te voeren!
Voor de Nederlandse Antillen nu is een goede ruimtelijke ordening van nog aanmerkelijk groter belang dan voor Nederland. Dit komt enerzijds door de kleinheid van hun grondgebied, anderzijds door de veel inniger vervlochtenheid van economie en planologie. De eilanden van de Nederlandse Antillen dienen letterlijk te woekeren met hun ruimte en met hetgeen zij aan unieks en aantrekkelijks te bieden hebben ‘t is op vóórdat men 't weet’.
Is begrip hiervoor voldoende doorgedrongen? Het antwoord dient helaas een ondubbelzinnig ‘neen’ te zijn. Aan ambtenaren en rapporterende ‘deskundigen van buiten’ ligt het ditmaal niet. Reeds is gereleveerd dat al dertig jaar geleden de Dienst Openbare Werken op Curaçao een goede planologie voor de stad op het oog had. Ook nadien heeft deze Dienst zich met plannen niet onbetuigd gelaten.
In het rapport van prof. Thijsse werd zeer dringend voor een behoorlijk ruimtelijk beleid voor de Bovenwinden gepleit, mede ha verband met het feit dat St. Maarten aan de vooravond stond van een snelle toeristische ontwikkeling. Ook in het z.g. ‘Driejarenplan’ voor Bonaire en de Bovenwinden en het in 1962 ingediende ‘Tienjarenplan’ voor de gehele Nederlandse Antillen werd veel aandacht besteed aan de ruimtelijke ordening. Bij de politici kwam dit alles echter onvoldoende over. Men dient zich hierbij voor
ogen te stellen dat de politici op de Nederlandse Antillen zich in dit opzicht in niets onderscheiden van hun Nederlandse collega's. Zonder de niet aflatende druk van talloze actiegroepen zou ook in Nederland nauwelijks iets terecht gekomen zijn van een milieusparende ruimtelijke ordening. Ook voor de toekomst moet nog zware strijd worden gevoerd om - althans gedeeltelijk - de doorvoering tegen te gaan van milieuverwoestende beslissingen die in het verleden werden genomen.
In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op de factoren die meegespeeld hebben bij de groei van de milieubewustheid in Nederland en zal worden nagegaan in hoeverre die factoren op de Nederlandse Antillen aanwezig zijn of alsnog tot ontwikkeling kunnen komen. Eerst zal echter een kort overzicht worden gegeven van de situatie zoals die zich op de verschillende eilanden voordoet, daarbij bijzondere aandacht schenkend aan de relatie tussen ruimtelijke ordening en het toerisme.
Dat hier voornamelijk op dit aspect van de noodzaak van ruimtelijke ordening en milieubeheer wordt ingegaan, vindt zijn verklaring in een tweetal belangrijke factoren. In de eerste plaats is de ontwikkeling van het toerisme op verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen een ernstige bedreiging gaan inhouden voor het milieu. Anderzijds is het toerisme een concreet, direct aanspreekbaar uitgangspunt om het belang van ruimtelijke ordening te laten uitkomen. Het is geenszins de bedoeling de betekenis van ruimtelijke ordening en milieubeheer voor een leefbaar milieu voor de Antilliaan zelf in de toekomst te bagatelliseren.
Op Aruba kan de situatie voorshands betrekkelijk gunstig worden genoemd. Dit is, behalve aan het inzicht van bestuurders en ambtenaren, ook voor een niet onbelangrijk deel te danken aan de eenvoud van de situatie. Aruba is in het gelukkige bezit van een uitermate mooi, lang strand vlak bij de stad en de formule was eenvoudig: Biedt de toerist een aaneengesloten keten van luxe hotels met goede ‘landscaping’, zorg voorts voor een schoon eiland en een luchthaven die even imposant van opzet is als prettig oogt. Aruba heeft vrijwel maximaal gebruik gemaakt van de natuurlijke mogelijkheden die het bezat. Het resultaat is niet uitgebleven: het toerisme, belangrijke bron van inkomsten, bloeide en blééf in volle bloei, ook toen de laatste recessie toesloeg. Het eiland heeft zich ongetwijfeld een sterke positie verworen in de strijd om de toeristendollar in het Caribische gebied.
Een geweldige toeristische ontwikkeling heeft ook St. Maarten doorgemaakt. Behoudens de mooie stranden was daarbij de nabijheid van de toeristisch reeds zeer sterk ontwikkelde (Amerikaanse) Virgineilanden en van Amerika zelve van groot belang. De verspreid liggende en ingewikkelde eigendomsverhoudingen van de grond der stranden stelden echter heel wat
meer eisen aan het ruimtelijk beleid dan dat op Aruba het geval was. Dit beleid is helaas uitgebleven zodat de natuurlijke schoonheid van het eiland aanmerkelijk méér geweld werd aangedaan dan noodzakelijk was.
Een ruimtelijk beleid had ingehouden een juiste grondpolitiek (ontwarring van de eigendomsverhoudingen en aankoop van gronden door de overheid), een bestemmingsplan, bouwverordeningen, verordeningen op het gebied van beschermde stadsgezichten, monumentenzorg en natuurbescherming. Deze maatregelen zouden een in de hand gehouden toeristische ontwikkeling in fasen mogelijk gemaakt hebben. Zowel door Antilliaanse ambtelijke instanties als door Nederlandse deskundigen is dit alles dringend aanbevolen. Bij het geven van ontwikkelingshulp hebben de van Nederlandse zijde door eigen deskundigen uitgebrachte aanbevelingen echter slechts de rol gespeeld de papiermand te helpen vullen!
Hierdoor konden nadelige sociologische gevolgen niet uitblijven. Op langere termijn gezien, wanneer scherpere toeristische concurrentie zich zal doen gelden zal blijken dat St. Maarten zich door een ongeplande explosieve ontwikkeling geenszins optimaal gewapend heeft om aan deze concurrentie het hoofd te bieden.
Kan reeds t.a.v. St. Maarten geconstateerd worden dat de strand-zee-zon formule - voor Aruba van zo alles overheersende betekenis - daar niet alléén zaligmakend is, maar dat het ‘achterlandmilieu’ een niet onbelangrijke rol speelt, voor St. Eustatius is dit in nog veel sterkere mate het geval. Kwantiteit en kwaliteit van de stranden van St.Eustatius kunnen het bij lange na niet halen bij die van St. Maarten. Ieder ontwikkelingsplan, waarin ook het toerisme een belangrijke plaats wil innemen, zal nog veel meer gebaseerd moeten zijn op het achterlandmilieu. De ‘totale aantrekkelijkheid’ van dit achterlandmilieu speelt hier een overheersende rol. Deze totale aantrekkelijkheid is samengesteld uit, naast het plezierige klimaat ook uit een groot aantal kleine aantrekkelijkheden die betrekking hebben op pittoreske architectuur, historische monumenten en natuurschoon. Zuiver uit het oogpunt van toeristische economie is daarom op St. Eustatius nog veel meer te bederven dan op St. Maarten. A fortiori geldt dus hetgeen gezegd is betreffende de noodzaak van een geplande ontwikkeling waarbij aan alle bovengenoemde deelgebieden van ontwikkelingsplanning grondige aandacht wordt gewijd. Ook hier echter zijn alle vroegere aanbevelingen van Antilliaanse ambtelijke en Nederlandse deskundige zijde de mist ingegaan.
Door de Sticusa werd voor St. Eustatius recentelijk een project gefinancierd waarin op advies van prof. Temminck Groll een tweetal bouwkundigen en een tweetal kunsthistorici werden uitgezonden ‘voor het verrichten van een historisch onderzoek, een architectonische documentatie van de
historische gebouen en ruïnes en het opstellen van een integraal conserveringsplan’. Een eerste rapportering hierover verscheen in maart 1974 van de hand van ir. de Roy van Zuydewijn. Reeds is inmiddels het waardevolste grondbezit op het eiland nagenoeg geheel in handen van Amerikaanse particulieren. Het had - wanneer tijdig was ingegrepen - ‘voor een krats’ in handen kunnen zijn van een met ontwikkelingsgeld gefinancierde Stichting, die een planmatige ontwikkeling in fasen had kunnen verzorgen. Ook op St. Eustatius is het milieu, zijn monumenten en natuur nog volkomen vogelvrij en is er - méér nog dan op St. Maarten - kans dat de toeristische ontwikkeling een op den duur zelfvernietigend karakter zal dragen.
Geldt bij St. Eustatius dat voor toekomstige ontwikkeling het ‘achterlandmilieu’ minstens even belangrijk is als het ‘strandmilieu’, bij Saba hebben wij door het wegvallen van het ‘strandmilieu’ uitsluitend te maken met het ‘achterlandmilieu’. Hier vallen bovendien als aantrekkelijkheidsfactoren de historische monumenten weg. Wat overblijft is een paradijselijk klimaat waarin alles groeit wat in de tropen en subtropen thuishoort, een pittoreske architectuur en even pittoreske als uitbundige en veelvormige flora. Lou Lichtveld, de bekende Surinaamse schrijver die familie op Saba heeft, pleitte niet lang geleden nog voor het tot ‘nationaal monument’ verklaren. Voor Saba, geheel in de lijn van de eerdere aanbevelingen van prof. Mörzer Bmins, ongetwijfeld de enige manier om te voorkomen dat voor zover zich hier een noodzakelijkerwijs kleinschalig - toerisme zou onwikkelen, dit op korte termijn het historisch gegroeide èn de natuur èn daarmede zichzelf, ten gronde zou richten. Daar dit de enige mogelijkheid lijkt om ook de belangen van de Sabanen zelf - zowel economisch als sociologisch - zeker te stellen, lijkt een met ontwikkelingsgeld te financieren Stichting die, met medewerking van de Sabanen, het eiland zou kunnen beheren als een ‘landschapspark’, op zijn plaats. Aangetekend moge nog worden dat de noordwestelijke helft van Saba onbewoond is en een prachtig natuurreservaat zou kunnen vormen.
Voor Bonaire geldt hetzelfde als reeds voor St. Eustatius is opgemerkt, nl. dat het achterlandmilieu zeker even belangrijk is als het strandmilieu. Ook hier geldt het dus de aantrekkelijkheid van het achterland zoveel mogelijk intact te houden en tot zijn recht te doen komen. De kwaliteit van het Bonairse strand is zeker minder dan die van het Arubaanse. Bovendien gaat het niet om een aaneengesloten geheel zoals op dat eiland. Dit laatste feit, gekoppeld aan het belang van de factor ‘achterland’ onderstreept de importantie van een goede ruimtelijke ordening.
Een van de belangrijkste attracties van het achterlandmilieu wordt gevormd door de internationaal befaamde flamingokolonie. Verder zijn van
belang de architectuur van Kralendijk en Rincon en de ‘koenoekoehuisjes’, de prachtige omgeving van het Gotomeer, de zeer schilderachtige kusten, de omgeving van Sorobon.
Bonaire krijgt zijn nieuwe startbaan, het EEG-ontwikkelingsfonds heeft in de beurs getast en 15 miljoen gulden is er uit te voorschijn gekomen. De Boeings zullen er dus kunnen landen. Maar de opbouw van een blijvend toerisme is een illusie indien niet maatregelen genomen worden om verval van het achterlandmilieu te voorkomen. Wanneer de EEG-ontwikkelingshulp zich dus bepaalt tot het financieren van een nieuw vliegveld en zich verder niet bekommert om de wijze waarop dit in de totaliteit van de gemeenschap wordt geïntegreerd is te vrezen dat zij minder dan half werk doet. Het paard kon wel eens achter de wagen gespannen worden. Grondspeculanten, promotors en bouwmaatschappijen zullen er als de kippen bij zijn. Voor hen geldt: winst op korte termijn. De gevaren echter die een onbesuisde korte termijn ontwikkeling zou kunnen meebrengen voor een stabiele lange termijn ontwikkeling zijn er niet weinige. Binnen korte tijd kan de vriendelijke sfeer van het eiland verdwenen zijn, de architectuur van Kralendijk en Rincon vervangen door betonblokpanden, de kusten door lintbebouwing van het achterland afgesloten, hotels van verkeerd type op verkeerde plaatsen neergezet, onnodige wegen nodig natuurschoon hebben geschonden, de flamingokolonie verjaagd. Hier dus ook ‘caveant consules’.
Terugblikkend op hetgeen in deze paragraaf behandeld is, kan het volgende geconstateerd worden. Op Aruba is de situatie het simpelst: een eerste kwaliteit standmilieu met eerste kwaliteit situering, toeristische ontwikkeling uitsluitend gebaseerd op het strandmilieu, ruimelijke ordening ‘wijst zich haast vanzelf’. Toeristische ontwikkeling en milieu bijten elkaar niet, integendeel de landscaping in de ‘toeristische area’ kan zelfs door natuurliefhebbers als een verbetering van het milieu ervaren worden. Op de eilanden St. Maarten, St.Eustatius en Bonaire is de strandkwaliteit van minder gehalte dan op Aruba en vereist mede door de situering zorgvuldiger planning. De toeristische ontwikkeling is mede (op Saba geheel) afhankelijk van het achterlandmilieu, vertoont daardoor een sterke tendens tot milieuvernietiging en dus op den duur tot zelfvernietiging. De laatste tendens bij St. Maarten het minst en bij Saba het meest uitgesproken, met St.Eustatius en Bonaire en daar tussen in.
Indien wij voor Aruba voor het strandmilieu aan de factoren kwaliteit en situering beide het cijfer 9 toekennen, dan zullen de verschillende voor strandtoerisme in aanmerking komende plaatsen op Curaçao zich zowel t.a.v. kwaliteit als van situering met een bescheiden zesje tevreden moeten stellen. Dit impliceert twee dingen. In de eerste plaats zal men de kwaliteit
van het strandmilieu kunstmatig moeten ‘opkrikken’, tevens zal men zwaar moeten leunen op het achterlandmilieu. De infra-structuur zal veel comflexer moeten zijn en veel zorgvuldiger planning vereisen dan op Aruba.
De grote fout op Curaçao is geweest dat men zich deze simpele waarheden niet gerealiseerd en alle vertogen over een zorgvuldige bezinning op het voor wie, wat, waar en hoe en overeenkomstige planning in de wind heeft geslagen. Hotelsitueringen waren ad-hoc beslissingen die niet binnen een totaalplan waren geïntegreerd. Wat het achterlandmilieu betreft heeft men zich uitsluitend verlaten op de functie van Curaçao als ‘shopping centre’. In de eerste plaats is deze functie belangrijk voor de ontwikkeling van het cruise-toerisme, maar ook voor het blijf-toerisme. De faam van Curaçao als ‘shopping centre’ is echter aan een belangrijke erosie onderhevig in verband met de concurrentie van ‘vrijhavens’ die elders in de Caribische landen als paddestoelen uit de grond rijzen. Een bijzonder gevaarlijke concurrent is natuurlijk het Venezolaanse eiland Marguerita, dat op 1 april 1975 tot vrijhaven werd verklaard! In verband met deze concurrentie en met de reeds gesignaleerde noodzaak om voor het blijf-toerisme zwaar te leunen op het achterlandmilieu, zou het voor de hand gelegen hebben voor de shopping centre van Willemstad juist die dimensie te behouden en en verder uit te bouwen waardoor het zich in aantrekkelijkheid van concurrerende shopping centra onderscheidt. Het gaat uiteraard om het bijzondere pittoreske karakter van Willemstad; de unieke ‘identiteit’, een bezienswaardigheid waarvan een grote mate van charme uitging, en van onschatbare propagandistische waarde. In het bovenstaande is echter reeds uiteengezet dat van bedoeld behoud en bedoelde uitbouw niets gekomen is: het tegendeel is het geval.
Gezien het gebrek aan planning om de ongunstige factoren voor de ontwikkeling van blijf-toerisme op Curaçao te compenseren, is het geen wonder dat, in navrant contrast met Aruba, na een aanvankelijke spurt waarbij het aantal hotelkamers tot ca. 1.000 opliep, het blijf-toerisme op Curaçao zeer ernstig aan het kwakkelen is geraakt. Dit gebrek aan planning komt op zijn rampzaligst tot uitdrukking t.a.v. het stadsdeel Otrabanda. Wil men ooit tot de succesformule van Aruba komen, waar zich vlakbij de stad een groot aaneengesloten toeristisch strandareaal uitstrekt, dan zal men zich als doel steeds het ‘Rifplan’ voor ogen moeten houden. De ontwikkeling van het Rif met een keten van hotels zal noodzakelijkerwijs met de aanleg van een kunstmatig strand gepaard moeten gaan. Daarachter aansluitend zouden de gerestaureerde gribussen van Otrabanda de functies van bezienswaardigheid, artistiek centrum en winkelcentrum in zich kunnen verenigen. (Een hotel in de geest van het ‘Pullitzer hotel’ in Oud-Amsterdam midden in
Otrabanda zou tevens een bijzondere attractie kunnen zijn). Dat revalidering van Oud-Otrabanda tevens zou bijdragen tot de noodzakelijke stadssanering is een bijkomende omstandigheid van niet te onderschatten gewicht. Maar, terwijl in Jaffa (Israël) een oude ‘soukh’ wordt nagebootst in nieuwbouw (!), om toeristen te trekken, laat men op Curaçao een authentiek stadsgedeelte dat zonder meer tot ‘soukh’ ontwikkeld zou kunnen worden, rustig verloederen!
Het Rif-Otrabanda-plan, van verscheidenerlei ambtelijke zijde zowel als door de Stichting Monumentenzorg en Amerikaanse interessenten gepropageerd, schijnt echter voorgoed getorpedeerd door de beslissing om de water- en electriciteitsfabriek op Mundo Nobo niet te verplaatsen maar integendeel uit te breiden! Daarmede is meteen voor Curaçao de mogelijkheid van de baan om ooit nog eens over een strandboulevard te beschikken, dat terwijl men toch dient te weten dat voor elke badplaats een strand-boulevard een ‘must’ is. Het alternatief om water- en electriciteitsproduktie naar de Slangenbaai of Blauwbaai te verplaatsen schijnt afgewezen, maar op grond van zeer weinig overtuigende argumenten. Het planalogische en en toeristische element is daarbij nagenoeg geheel buiten beschouwing gebleven. Alweer is hierbij gebleken hoe weinig de gedachte van een totaalplanning op lange termijn nog wortel geschoten heeft.
Alvorens in te gaan op een ‘milieuprognose’ voor de Nederlandse Antillen is het goed een analyse te geven van het mechanisme dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van de milieubewustheid in Nederland. Dit zal ons in staat stellen na te gaan of het ontstaan van een dergelijk mechanisme op de Antillen ook mogelijk zal zijn.
Bij de uitvoering van maatregelen, betrekking hebbende op een veelomvattend milieubeleid zoals boven besproken, blijken particuliere korte termijn belangen voortdurend in botsing te komen met lange termijn belangen van de gemeenschap. Men zal dan opmerken dat een vaste wil van de politici deze botsing in het voordeel van de gemeenschapsbelangen kan beslissen. Reeds is echter gezegd dat de ervaring heeft geleerd dat maar weinig politici vooraan lopen wanneer het er om gaat lange termijn milieubelangen te behartigen. Dit is nauwelijks een wonder te noemen gezien de korte termijn problemen waarmede zij dagelijks overstelpt worden en aan de oplossing waarvan hun hele politieke voortbestaan gekoppeld is.
Een forse aanpak van de milieuproblematiek breekt pas de laatste jaren baan in Nederland en is te danken aan de niet-aflatende strijd van talloze
actiegroepen die eindelijk enigszins behoorlijk vat hebben gekregen op de politiek. Deze actiegroepen zijn te voorschijn gekomen hoofdzakelijk uit wat men zou kunnen noemen de groep van - meest jonge - ‘progressieve intellectuelen’ die twee wegen hebben bewandeld om hun doel te bereiken. Penetratie van hun gedachten in de gemeenschap via de nieuwsmedia zorgde er voor dat ‘kiezerstemrnen’ bewuste politici op hun tellen gingen passen. Nog belangrijker echter was de penetratie in de partijen via partij-lidmaatschappen. Zo bestaat het ledenbestand van de Partij van de Arbeid niet voor het merendeel uit arbeiders, maar uit intellectuelen. (Rapport van Pauker e.a. over de Amsterdamse P.v.d.A.) Bij de in partijverband actieve leden is het overwicht van de intellectuelen nog veel groter. In nog sterkere mate is dit het geval bij de Politieke Partij Radicalen (PPR), de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) en de Democraten 66 (D'66). Het milieubeleid van de progressieve partijen in Nederland wordt daarom gegenereerd binnen dié kaders waaruit ook de actiegroepen voortkomen en men moet daarmede niet zelden heel voorzichtig manoeuvreren om niet in botsing te komen met de korte termijn wensen van de brede massa van de kiezers.
De activiteit van de actiegroepen is gesuperponeerd aan een veel oudere beweging, uitgaande van groepen die door de ‘progressieven’ met enig dédain ‘elitair’ worden genoemd (vergetende dat zij zelve, een in feite kleine voorhoede vormend van een nieuwe beweging, per definitie tot een ‘elite’ behoren). Ik doel hierbij op organisaties zoals de ‘Vereniging voor Behoud van Natuurmonumenten’ en de ‘Hendrik de Keyser Stichting’, die inderdaad voornamelijk voortsproten uit kringen die men moeilijk ‘links’ kan noemen. Terwijl echter op nationaal regeringsniveau de linkse groeperingen zich het drukst maken over het milieu, zijn op het dorpsniveau juist de veelal niet-linkse villabewoners (meest geëmigreerd vanuit de grote steden) die op de bres staan voor datzelfde milieu.
Men dient er zich goed van te doordringen dat de milieugedachte een reactie is, uitgaande van de urbaan-intellectuele centra, waar commercialisme en technocratie zich het langst en het diepst ingevreten hebben. Het roept ‘peripheer’ (dorpen en platteland) vaak grote weerstanden op, eenvoudig omdat dáár het milieuverval later op gang kwam en men nog niet ‘aan de reactie toe is’. De leden van de Waddenvereniging zijn voor Friezen en Groningers ‘die bemoeiallen uit de Randstad’, de actiegroepen die de verwoesting van prachtige dorpskernen trachten tegen te gaan zijn voor de autochtonen ‘dat stelletje intellectuelen die ons de wet willen voorschrijven’.
In de volgende paragraaf zal nagegaan worden in hoeverre het zojuist besprokene toepasbaar is op de situatie in de Nederlandse Antillen.
Het beeld waartoe wij na de vorenstaande beschouwingen kwamen is niet opwekkend. Recapitulerend, geeft een momentopname van de toestand op Curaçao het volgende te zien. Vèrgaande verwoesting van de wilde begroeiing, vooral in het tweede district; wijd verspreide erosie, verzouting van de ondergrond langs de - vroeger fraaist begroeide - randen van de baaien in dat district; totale vernietiging van het ingenieuze netwerk van de oude dammen; praktisch volledig afsterven van de talrijke hofjes; veel vervuiling langs de wegen; nieuwe dammen, stratenplan en afvalwaterlozing in het geheel niet aangepast aan de eisen van instandhouding en revalidatie van flora en hydrologie; rapporteringen over een dergelijke revalidatie in vele opzichten getuigend van grote oppervlakkigheid, met voorbijgaan van op het eiland en elders aanwezige gedegen plaatselijke kennis.
Wat het mariene milieu betreft: sterke vervuiling van de baaien aan de noordkust; vervuiling van het Schottegat; de stranden aan de zuidkust onvoldoende beschermd; het mariene leven aan de zuidkust zeer verarmd.
Wat het bouwkundige aspect betreft: Willemstad, eens architectonisch gezien een parel op de Caribische eilanden, nu reeds in planologisch opzicht sterk achteruit gegaan en straks verder verminkt bij doorvoering van nieuwe plannen; een snel om zich heen grijpend verval van de bebouwing in de oude stad; overal onaangepaste nieuwbouw.
Terwijl dit alles de bezoeker onmiddellijk opvalt, hem een nare smaak in de mond geeft dan wel - indien hij het eiland een goed hart toedraagt -met triestheid vervult, breken de promotoren van het toerisme op Curaçao zich het hoofd over de vraag hoe het komt dat ‘de goede toerist’ van Curaçao wegblijft, of - er eens geweest zijnde - niet meer terug komt en waarom de hotels stuk voor stuk failliet gaan.
‘A bit of Holland in the blue Caribbean sea’, zeggen de reclamefolders, maar wat men op het eiland al te vaak tegenkomt is ‘a bit of decay, flanked by a bit of new fangled garishness’.
Maar, zal de optimist zeggen, nu staat er eindeli'jk toch een wet op de ruimtelijke orde op stapel, plus een wet op de monumentenzorg. De genoemde wetten kunnen echter moeilijk anders zijn dan ‘raamwetten’; op de daadwerkelijke uitvoering, op het concreet aanwijzen en financieren van objecten komt het aan. Vergelijken wij dat eens met de situatie elders, b.v. in Nederland, dan blijkt dat voor een dóórwerking van dergelijke wetten tijd nodig is, veel tijd waarin de in deze wetten vervatte gedachten langzaam doordringen in de gemeenschap.
Zonder te willen zeggen dat op de Nederlandse Antillen geen politici
zouden zijn die niet de juiste inzichten hebben, dient te worden bedacht dat de steun, waarop zij zouden kunnen rekenen om deze inzichten te concretiseren, nog maar zeer gering is.
Het zojuist geschetste mechanisme, waarlangs de milieugedachte in Nederland zich met veel strijd baan breekt, bestaat op de Nederlandse Antillen niet. In Nederland is de milieubewustheid een reactie op een technocratische en commercialistische ontwikkeling die dáár veel ouder is dan op de Nederlandse Antillen. Dat de reactie op de Antillen pas later zal komen is geen wonder. Bovendien echter hebben wij te maken met de invloed van het grote verschil in ‘schaal’. De geïnstitutionaliseerde wetenschappelijke centra in Nederland zijn de bronnen geweest van waaruit de milieugedachte zich, via krachtig zich roerende groepen van meest jongeren, heeft verspreid. De Nederlandse Antillen nu missen de schaal om voldoende van dergelijke centra te herbergen. Dit is een van de voorbeelden waaruit blijkt dat een maatschappij van een dergelijke complexiteit en ver-westerst ontwikkelingsniveau als die op de Nederlandse Antillen uiteindelijk tot collaps komt indien zij geen innige aansluiting zoekt bij een maatschappij van veel groter schaal en oudere ontwikkeling. Deze aansluiting was er formeel wel via het Rijksverband, via de in het kader van dit Rijksverband verleende ontwikkelingshulp, maar uit al het hierboven besprokene volgt dat er aan bedoelde innigheid nogal het een en ander ontbrak. Door dit gebrek aan waarachtige belangstelling werden moderne begrippen die in Nederland tot ontwikkeling kwamen, o.a. ook op het gebied van grondpolitiek, planologie en een goed milieubeleid, niet via de ontwikkelingshulp dóórgegeven. Ondanks alle daartoe ondernomen pogingen liet Nederland de voorvechters van zulk een beleid op de Nederlandse Antillen rustig in de kou staan, of om een passender beeld te gebruiken: men liet ze rustig in de woestijn roepen.
Dit laatste is mede veroorzaakt door twee factoren.
In de eerste plaats hebben de groepen en personen die verschillende deelfactoren van het milieubeleid propageren, zich tot dusver nauwelijks kunnen opwerken tot een gezamenlijke omvattende milieuactie. Acties voor monumentenzorg, voor natuurbeheer, voor goede planologie, voor toeristische ontwikkeling, waren tot voor kort voor elkaar ‘terra incognita’. In de tweede plaats zijn de milieu-ijveraars nog behept met een Prikkebeenachtig minderwaardigheidscomplex; zij nemen zichzelf nog onvoldoende au sérieux en gedragen zich dienovereenkomstig. Toen het rapport Krul werd uitgebracht werd de schadelijkheid daarvan zeker door enkelen doorzien maar in recencies kwam slechts een zeer timide kritiek uit de bus. De schade is niet uitgebleven!


Boven: Vervallen kas di yerba Santa Cruz.
Onder: Landhuis Knip, Curaçao, 18de eeuw.
Foto's: C. Weeber.
(Afbeeldingen bij hoofdstuk 11)


Boven: Afstervend hofje op Curaçao.
Onder: Erosie door kaalslag, Curaçao.
(Afbeeldingen bij hoofdstuk 12)

Fig. 6.
Nog steeds onvoldoende wordt door de milieuvrienden in de Nederlandse Antillen benadrukt dat milieuzorg in de brede zin als hier bedoeld een integratieve aanpak vereist, voorts niet slechts aangezien kan worden als een esthetisch of wetenschappelijk hobbyïsme, maar nauw verweven is met nationaal zelfbewustzijn, geestelijke ontplooiing, recreatie, volkshuisvesting, stadssanering en, niet te vergeten, economie.
In fig. 6 is getracht de interrelatie tussen de verschillende deelfactoren die de ontwikkeling bepalen door middel van een grafiek duidelijk te maken.
Wat de vrienden van het Antilliaanse milieu bedrijven, ieder op hun eigen terrein, is in feite een ‘relieken-actie’: hier een stuk natuurterrein, dáár een onderwaterreservaat, hier een landhuis, dáár een huis in de stad, museum-stukken-in-het-veld om het nageslacht te laten zien ‘hoe het eens was’. De ideeën ‘landschapspark’ en ‘beschermd stadsgezicht’, het inzicht dat ‘milieubeleid’ geïntegreerd dient te worden binnen ‘ontwikkelingsbeleid’, is nog ver.
In het bovenstaande is gezegd dat het milieubeleid verstrengeld is met vele deelfactoren die de ontwikkeling van een land bepalen. Voor hen die de materiële welvaart op de voorgrond plaatsen is het goed zich te realiseren hoe sterk juist in de Nederlandse Antillen de integratie van het milieu is met de economie, zeker als men het toerisme als een der bronnen van welvaart beschouwen wil. Een radicale ombuiging van het milieubeleid, met name op Curaçao, is nodig om het toerisme een voldoende stabiele grondslag te geven.
Ten aanzien van de mogelijkheid van een dergelijke ombuiging kan men echter ook met de beste wil niet optimistisch zijn. Er is immers alle kans dat het toerisme en het milieu op Curaçao tezamen in een vicieuze cirkel terechtkomen die tot nog aanmerkelijk verdergaande aftakeling van beide voert. De zorgelijke toestand van het ogenblik leidt er toe dat alle aandacht opgeëist wordt voor korte termijn moeilijkheden, zoals het failliet der hotels. De fundamentele problematiek wordt daardoor nòg meer verwaarloosd dan die al is. In dit klimaat van teleurstelling en financiële moeilijkheden worden alle voorstellen voor essentiële lange termijn verbeteringen van het toeristisch milieu als onrealistisch en onrealiseerbaar ervaren en van de hand gewezen. Dit leidt weer tot een verder afglijden van toerisme en milieu en zo vervolgens. De juistheid van deze opvatting kan niet beter geadstrueerd worden dan aan de hand van het zoëven gegeven voorbeeld betreffende het Rif. De torpedering van elke mogelijkheid voor Curaçao om ooit nog eens over een strandboulevard en een aaneengesloten strandareaal nabij de stad te beschikken zou zonder twijfel onmogelijk zijn geweest in een klimaat van vertrouwen in het toerisme, maar deze torpedering zal op haar beurt weer verdere aftakeling van het toerisme met zich mede brengen.
Het begrip demografie is onafscheidelijk verbonden met het begrip milieu en uiteraard evenzeer met het begrip economie. Nergens zijn deze verbanden duidelijker dan juist in de Nederlandse Antillen: een klein areaal, geringe natuurlijke rijkdommen en tot voor kort een snel groeiende bevolking. Brengt een verdubbeling van het bevolkingscijfer in vijftig jaar, zoals in een ver ontwikkeld land met een zo grote mate van natuurlijke rijkdommen als Nederland, met betrekking tot milieu en economie al bijzondere problemen met zich mede, hoe veel te meer moet dit niet het geval zijn met de Nederlandse Antillen, waar in dezelfde halve eeuw de bevolking vervijfvoudigd is. Dat de bevolkingstoename onder de heersende omstandigheden binnen zeer afzienbare tijd de gemeenschap tegen een economisch plafond dreigde plat te drukken en aan het milieu onherstelbare schade zou toebrengen werd niet ingezien. Dienovereenkomstig was de zorg voor de demografische ontwikkeling, die bij de ontwikkelingshulp centraal had behoren te staan, zelfs niet marginaal te onderkennen, ofschoon het belang wel degelijk vanuit de Antillen (o.a. in het ontwerp Tienjarenplan 1962) naar voren was gebracht. Deze zorg kwam uiteindelijk niet van de zijde van de ontwikkelingseconomen. Het sinds 1965 van Antilliaanse zijde geïnitieerde en via de Rotary en anderen tot uitwerking gekomen family-plannmg-programma kon pas van Nederlandse zijde steun verkrijgen (‘too little and too late’) nadat men door het drama van mei 1969 opgeschrikt was! Dit programma is - gelukkig - niet zonder effect gebleven, maar een berekening leert dat voorlopig geenszins op een aflaten van de bevolkingsdruk te rekenen valt - met alle gevolgen van dien voor milieu zowel als voor economie, ja voor elk deerfacet van de ontwikkeling. Dit directe, dan wel indirecte, verband van de demografie met alle deelfacetten van de ontwikkeling is in fig. 6 aangegeven door een accolade, uitgaande van ‘demografie’, die de aanduidingen voor alle andere deelfacetten omvat.
De boven gegeven analyse van de factoren, die bepalend zijn voor een goede milieuzorg, leidde tot een op dit gebied sombere toekomstvisie voor de Nederlandse Antillen (met uitzondering wellicht van het eiland Aruba). Onstuitbaar neemt het proces zijn loop: het volstrekt prevaleren van korte termijn belangen (private zowel als publieke), de aanvechtbare rapporten van een bepaalde categorie deskundigen, de goede rapporten van een andere categorie waar niemand zich iets van aantrekt, de vicieuze cirkel waar men in terecht komt. Uitvoerig is beredeneerd waarom het voorshands
uiterst onwaarschijnlijk is dat, gezien schaal en ontwikkelingsfase, spontaan uit de Antilliaanse gemeenschap krachten gegenereerd kunnen worden, voldoende sterk om de hand over hand toenemende milieudegradatie een halt toe te roepen. Inbouw van ecologische en in het algemeen milieutechnische overwegingen in een integraal ontwikkelingsplan zou echter deze krachten tot groei kunnen brengen. De kernen voor deze groei zijn, zoals uiteengezet, zowel op de Nederlandse Antillen zelf als in Nederland zeker aanwezig. Het is een verheugend verschijnsel dat, dank zij de inzet van vele docenten, bij de jeugd een duidelijke verbetering ten aanzien van hun houding tegenover milieu-kwesties te zien is. Maar helaas is gebleken dat bij de meeste ouderen de vereiste dispositie in geen velden of wegen te bekennen was. Dit was ook al gebleken uit het feit dat doorgaans niet alleen van een integratieve aanpak van ontwikkelingshulp geen sprake was, maar ook aan de grondslagen van de methodologie (zie tabel 1) tot voor kort geen aandacht werd besteed.
De volgende bange vraag, die ver uitgaat boven de belangen voor het minuscule stukje aardoppervlak dat de Nederlandse Antillen heet en verband houdt met de ontwikkelingsstrategie in het algemeen, doet zich voor. Indien het bij een land als de Nederlandse Antillen waar men zóveel van af weet, waar de situatie relatief genomen zo overzichtelijk is, niet gelukt om een behoorlijk doortimmerd stuk ontwikkelingshulp te bieden, hoe moet het dan wel gesteld zijn met de ontwikkelingshulp die men elders geeft, elders, waar de situatie zo onnoemelijk veel moeilijker is? Dit ondanks het eindeloze getheoretiseer in alle soorten communicatiemedia. Wanneer men aan India en Afrika ontwikkelingshulp wil verlenen terwijl bij de Nederlandse Antillen reeds blijkt dat de eenvoudigste code waaraan goede hulp moet voldoen ontbreekt, is het alsof men hogere wiskunde wil bedrijven zonder de vier hoofdbewerkingen van de rekenkunde onder de knie te hebben.
En inderdaad, steeds talrijker - maar ook nog veel te schuchter - worden de berichten over rampen in de derde wereld door verkeerd gerichte technische hulp uit de industrieel ontwikkelde landen, niet in het minst veroorzaakt door ecologische onzorgvuldige fundering daarvan. Van kritische jongeren, in dienst bij allerlei machtige westerse ‘ontwikkelingsmaatschappijen’ die in de derde wereld bezig zijn, knaagt het geweten. Zij murmureren, maar slaan de verzenen tegen de prikkels! Met grote beklemming ervaart rüen dat nergens een aangrijpingspunt te vinden is om zelfs maar een dialoog over de gesignaleerde fundamentele problematiek op gang te brengen. Probeert men dit, dan komt men terecht in een doolhof, waarover bij voldoende literaire begaafdheid een Kafkiaanse vertelling te schrijven zou zijn. Iedereen
weet, dat het mis is en dat het zó niet kan, maar niemand voelt zich verantwoordelijk buiten de kring van de directe taak die hem is toebedeeld.
Bedenkt men dit alles, dan bloedt het hart, en heus niet alléén voor de Nederlandse Antillen!
P.C. Henriquez