Het opmaken van niet-commerciële balansen en boedelbeschrijvingen zou men licht als een eigenaardig-Nederlandse behoefte kunnen kenschetsen, waaruit dan de door Sticusa bevorderde publicatie van dit cultureel mozaïek van de Nederlandse Antillen - en het over Suriname handelende pendant -werden geboren, zoals dan ook de encyclopedieën over beide landen uit zulk een registratie-lust ontstonden of bezig zijn te ontstaan.
Maar misschien is een boek als dit, wat zijn ontstaanswijze betreft, alleen maar een zeldzaamheid in het Caribisch gebied, omdat de Fransen en Noord-Amerikanen een scheiding van hun Caribische boedels nog niet ernstig (hoeven te) overwegen, de Britten er door een teveel niet aan konden beginnen, en de Spanjaarden er door een haastig vertrek niet toe kwamen.
Drs. R.A. Römer, redacteur en mede-auteur van dit werk, heeft terecht het begrip cultuur zeer ruim opgevat, waardoor de lezer zich een beeld kan vormen van vrijwel alle maatschappelijke sectoren en hun sociale en culturele bedrijf en opvattingen. Anderen zullen hun oordeel geven over het hier gepresenteerde tableau en vertellen welke stenen van dit mozaïek hen toeschitteren, en welke hun wat doffer toelijken. Ik beschouw het als een eer - als niet-Antilliaan, zij het op verschillende wijzen met de regio vermaagschapt - gevraagd te zijn enige algemene notities aan de onderzijde van het tableau behoedzaam neer te krassen.
Binnen de grenzen van de Nederlandse Antillen lijken de eng-culturele verschillen tussen de Boven- en Benedenwinden opvallend groot: slechts een aantal vooral Nederlandse invloeden en oriëntatiepunten - plus natuurlijk een staatkundige structuur, die we voor ons doel even buiten de orde stellen -, zijn het die de twee tritsen van eilanden gemeenschappelijk hebben en die hen tevens van de Caribische omgeving onderscheiden. Deze laatste toevoeging lijkt me van belang. Immers, als men probeert de grenzen van een eigen cultuur aan te geven, zoekt men minder naar het gemeenschappelijke dan naar het gemeenschappelijk onderscheidende.
De Boven- en Benedenwinden hebben nog heel wat meer gemeenschappelijk dan een aantal Europese invloeden. Daar is een Indiaans substratum dat op de Benedenwinden vooral herkenbaar is gebleven in topografische benaming, maar ook uit andere, nu nog vaak onvoldoend nagespeurde aspecten van taal en cultuur kan worden opgediept; op de Bovenwinden, waar de vegetatie aansluit bij die van de Grote Antillen, zal men de Indiaanse herkomst van bepaalde cultuurelementen soms kunnen aantonen
door naar de etnologie van de Spaanse Antillen te verwijzen. Zo is de uit boomschors vervaardigde ‘mauby’, door Bunchi Römer in haar kostelijke bijdrage over de Antilliaanse keuken terecht als (binnen de Nederlandse Antillen) ‘specifiek Bovenwinds’ bestempeld, identiek aan de ‘maví’ nog steeds op de Spaanse Antillen gedronken en door de vroegste ‘cronistas’ als Indiaans beschreven.
Daar zijn verder tal van gemeenschappelijke trekken van Bovenwinden en Benedenwinden, ontleend aan slavernij en plantagesystemen, met hun culturele innovaties en hun Afrikaans- en Europees-beïnvloede gebruiken en voorwerpen. Maar voor dit alles geldt dat de Nederlandse Antillen de gemeenschappelijkheid ervan delen met het overige Caribische gebied, al zijn binnen die gemeenschappelijkheid vele variaties aan te wijzen, per regio en per sociale laag.
De wel eens verkondigde idee dat de oorspronkelijk-Afrikaanse herkomst van het merendeel der Boven- en Benedenwindse bevolkingen voldoende zou zijn om een eigen Antilliaanse culturele identiteit te omschrijven, is dan ook dwaas en gevaarlijk. Dwaas, omdat de bevolking der Antillen deze afkomst deelt met die van vele, zo niet alle, Caribische maatschappijen, waardoor het onderscheidend element ontbreekt (het zou anders liggen als alleen de Antillen zich door deze afkomst kenmerkten). Gevaarlijk, omdat op deze manier een lichtvaardig verband wordt gelegd tussen ‘ras’ en cultuur in de meest gebruikelijke zin. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen (zogoed als ik voor de Antillen niet de laatste was die het onderkende) dat er in de Caribische samenlevingen sprake is van cultuurelementen, gelijk of verwant aan Afrikaanse, en dat deze elementen in verschillende mate in de sociale strata en in de landen en eilanden onderling voorkomen.
Maar we moeten niet de vergissing begaan van die Hollandse pater op Curaçao die een uit een koud deel van de Verenigde Staten afkomstige zwarte bezoeker in augustus begroette met de zo wél gemeende verwachting dat de man zich in de hitte behaaglijk zou voelen. Huidskleur is geen garantie voor gewendheid aan de tropen, noch voor ‘Afrikaanse’ cultuur.
Iedere cultuur ontleent voortdurend, en waar de geschiedenis van die ontlening betrekkelijk jong is (en de subjectieve behoefte aan een eigen culturele identiteit navenant groot) daar is het begrijpelijk dat men zich vaak de vraag stelt: aan wie hebben we wat ontleend?
De meeste auteurs van dit mozaïek zijn, impliciet of expliciet, van mening dat culturele ontlening een even boeiend als universeel verschijnsel is, en dat de som van ontlening èn eigen culturele innovaties leidt tot een conglomeraat van unieke samenstelling en vormen, dat met het volste recht een eigen cultuur genoemd hoort te worden. Gelukkig weinig verbreid lijkt
de gedachte dat níet de collectiviteit op lange termijn zelf ‘bepaalt’ welke van elders komende elementen of stromingen, al dan niet in aangepaste vorm en inhoud, zullen worden geabsorbeerd en ‘zich eigen gemaakt’ (veelzeggende uitdrukking), maar dat een kleine elite in staat is nu al te bepalen wat ‘volksvreemd’ is, wat wel of niet aansluiting bij het ‘volkseigene’ gevonden heeft of, bij implicatie, ooit zal vinden.
Een eigen taal is een van de belangrijkste bindmiddelen van een cultuur. Geen wonder dan ook, dat het taal- (en trouwens ook het godsdienst-) verschil tussen Boven- en Benedenwinden als zo cruciaal wordt ondervonden.
Bezien we de Benedenwinden als eenheid, dan is deze linguïstisch uniek bevoorrecht in de regio. Geen andere Caribische bevolking kan bogen op een door alle sociale lagen gesproken, en elders níet gesproken, taal. Hier alleen is de taal gemeenschappelijk onderscheidend.
Daar staat tegenover dat een eigen afgegrensd territoor een bindmiddel is van dezelfde orde van belangrijkheid, en geen territoor is afdoender begrensd dan een eiland. Het eilandsgevoel, het ‘insularismo’ waarover veel al werd geschreven in de Caribische archipel kan, onder omstandigheden, uitéénbreken, wat de gemeenschappelijke taal aaneensmeedde.
In de Antillen werden en worden de hulpbronnen voor elk der eilandterritoren deels door een centraal gezag toegewezen. De economische krachtsverhoudingen en vooruitzichten hebben zich, vooral wat Curaçao en Aruba aangaat, in de laatste jaren gewijzigd, juist in een periode van staatkundige flux, waarin deze veranderende krachtsverhoudingen zich gemakkelijker - maar ook heftiger - dan eertijds in nieuwe politieke machtsverhoudingen laten vertalen. Een concurrentieverhouding tussen beide eilanden is de plaats van onderschikking gaan innemen. Hierdoor wordt de gemeenschappelijke taal en cultuur als minder bindend ervaren. De gemeenschappelijkheid ervan tegenover derden wijkt in belang terug voor het accent op, vaak minieme, verschillen die de concurrerende territoren van elkaar onderscheiden, en zo kan men, om een voorbeeld te noemen, op Aruba een ‘Curaçaose’ spelling afwijzen van een taal die op deze planeet verder alleen nog op Bonaire wordt gesproken. Ik stel hiermee alleen ten overvloede vast dat een gemeenschappelijke cultuur, zelfs een gemeenschappelijke, volstrekt unieke taal, nooit een voldoende voorwaarde is voor de instandhouding van een krachtig besef van collectieve saamhorigheid. Interne conflicten, hetzij van een klasse- of overeenkomstige soort (dus van het hoer-lager type) danwei, zoals hier, van het territoriale (tegenoverelkaar) type doen zich immers ook binnen een cultuur voor al zijn ze waarschijnlijk heftiger waar economische tegenstellingen met duidelijk herken-
bare culturele of etnische samenvallen. Waar de territoriaal-ecnomische spanning er eenmaal is zal men de neiging hebben enig gering cultuurverschil dat de ene partij van de andere onderscheidt te cultiveren en als argument te hanteren, om zo het wij-gevoel te versterken. Niet ieder cultuurelement leent zich daartoe: het dient een maximaal deel van de groepering te omvatten en met zekere consistentie van de ene generatie op de andere te worden overgebracht. De taal, of liever: het taalverschil, kan als zulk een argument dienen en daarbij is de objectieve grootheid van het verschil niet doorslaggevend: een herkenbare andere zinsmelodiek is voldoende.
Wat ‘volksvreemd’ is en wat ‘volkseigen’ (termen die ik juist vanwege het gevaar dat zij oproepen hier gebruik) wordt zo omschreven binnen de zeer ruime - hoewel niet volstrekt willekeurige - marge van een cultuur die steeds voldoende interne variatie bezit - per territoor, per sociale laag - om de benodigde culturele pretexten te leveren.
Hoe graag men ieder eiland zijn trotse insularisme gunt, toch zou de redelijkheid (die in dit soort zaken overigens niet steeds het laatste woord heeft, een eigenaardigheid die veel sociologen en economen weigeren te aanvaarden) graag willen dat door een nieuwe bevredigende toewijzing der economische en politieke hulpbronnen en posities, de onderlinge en onvermijdelijke eilandelijke concurrentie zich binnen door allen aanvaarde staatkundige regels zou blijven afspelen en niet tot een desintegratie van het land zou leiden.
De reden daarvoor is het gevaar van de kleine schaal waarop verschillende auteurs wijzen en dat nú al, voor de Antillen als geheel, door sommigen voldoende zwaar wordt geschat om voor een blijvende connectie met een groterschalige maatschappij te pleiten. Zeker is wel dat het voor het voeren van een verantwoorde politiek - economisch, sociaal, cultureel, ruimtelijk - op lange termijn alleen maar gunstig zou wezen als de maat waarmee gemeten moet worden, niet nog kleiner zou worden, de kracht naar buiten nog geringer, het statistische toeval nog groter.
Waar grote en internationale maatschappijen en activiteiten de eilanden een belang geven dat door grote buurlanden wordt erkend, is maximale politieke kracht-door-bundeling gewenst om zo tegenover externe belangen het welbegrepen eigenbelang zo duidelijk mogelijk te stellen, en de speelruimte voor zelfstandig optreden - als politieke eenheid, als culturele entiteit, als volk - zo groot mogelijk te doen zijn. Politieke versnippering leidt tot machtsverlies dat zich beter zou verdragen met een kleinschalige economie van landbouwers en vissers (die zowel politiek als economisch te verwaarlozen zou zijn), dan met een economie die grootschalig is en die een enorme dienstenverlenende sector - van gezondheidszorg tot onderwijs,
van overheidsadministratie tot Academie van Beeldende Kunsten - heeft te torsen. De overheveling van inkomen die voor dit laatste nodig is, en op straffe van steeds toenemende werkeloosheid en sociale onrust - ook op Aruba - steeds meer nodig zal zijn, kan alleen door een krachtige centrale overheid worden afgedwongen, en dan nog met de grootste moeite.
Uit vele geledingen en territoren van de Nederlands Antilliaanse samenleving zijn in de loop van de eeuwen en de jaren bijdragen geleverd tot de vorming van wat nu een eigen mozaïek is, waarop men met reden trots kan zijn. Stromingen en invloeden uit de omgevende regio, uit Afrika, uit Latijns Amerika, uit Europa, uit het Nabije en Verre Oosten en uit Noord-Amerika hebben de eilanden bereikt en zich bij de culturele maalstroom gevoegd, zogoed als in tegenovergestelde richting sommige bewoners en groeperingen erin geslaagd zijn het cultureel gezicht van de eilanden voor de buitenstaander scherper te profileren en daarmee invloed op anderen uit te oefenen.
Juist op de Antillen waar al zo lang zulk een druk contact met vele landen en culturen heeft bestaan, geldt sterker nog dan elders dat de ‘eigen’ cultuur, hoezeer ook onontkoombaar, voortdurend opnieuw wordt gedefinieerd.
De stenen van dit mozaïek zijn waardevolle momentopnamen van wat in werkelijkheid eerder een filmisch proces is, waarbij spelers, scenario en aankleding steeds wisselen, zonder dat de continuïteit van het verhaal ooit geheel zal kunnen teloor gaan, want iedere speler draagt kennis (en kan zich niet ontdoen) van al hetgeen zijn medespelers en voorgangers hebben verricht, gedacht en gevoeld.
Het is, in laatste instantie, dit subjectieve besef van continuïteit - ondanks alles wat op korte termijn als abrupt wordt ervaren - wat het eigene van een cultuur uitmaakt. Het eigene is dat wat was, zeker, maar altijd en onverbrekelijk gekoppeld aan dat wat bezig is te worden.
Si Dios ké, zal het laatste het eerste steeds met ‘orguyo i dignidát’ gedenken, bewaren en gebruiken, om vervolgens, het oog op de wijde omgeving gericht en de eigen verrichtingen daarnaar afmetend, door te koersen naar de bestemming die als het water is dat de eilanden omspoelt: Antilliaans, maar met eng-insulair; Caribisch, dus nooit stilstaand en verstollend; eigen en vertrouwd, maar zonder angst voor de verbinding met de wereldzeeën.
H. Hoetink