Toen Reve nog Van het Reve was


auteur: Hanny Michaelis en Henk Romijn Meijer


bron: Henk Romijn Meijer, Toen Reve nog Van het Reve was. Uitgeverij Joost Nijsen, Amsterdam 1985.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]

Ja, zo was het wel ongeveer

Er zijn waarschijnlijk weinig schrijvers die in hun werk zo gul omspringen met ontboezemingen over hun persoonlijke situatie als Gerard Reve. Zijn ‘geliefd publiek’ komt niet alleen aan de weet hoe hij denkt over religie, erotiek, politiek en veel wat daarmee verband houdt, maar ook met wie hij zijn leven deelt, hoe hij zijn dagen doorbrengt, welke mensen hij ontmoet en wat hij van hen vindt, welk voedsel zijn voorkeur heeft en door welke herinneringen hij wordt bezocht (in beide betekenissen van het woord). Wie daar nog niet genoeg aan heeft, kan terecht bij de ontelbare interviews waaraan hij zich met verbazingwekkende bereidwilligheid blijft onderwerpen. Op grond daarvan zou men zich kunnen afvragen of het zin heeft dat een ander het allemaal nog eens dunnetjes komt overdoen. Eerlijk gezegd denk ik om allerlei redenen van wel.

Ten eerste hoeft de voorstelling die iemand van zichzelf heeft of aan de buitenwereld toont, lang niet altijd samen te vallen met de indruk die hij op anderen maakt. Dat geldt eens te meer voor een schrijver als Reve die er, aangespoord door een barokke fantasie en een niet minder barok gevoel voor humor, een bijna satanisch behagen in schept, mensen op een dwaalspoor te brengen

[p. 6]

door zich te omspinnen met een web waarin feiten en verzinsels kunstig zijn verweven tot een moeilijk te ontraadselen geheel.

Ten tweede betreft het in dit geval geen willekeurige babbelkous die zich interessant probeert te maken op rekening van andermans roem, maar een schrijver van naam met een solide literaire reputatie.

Daaruit vloeit onmiddellijk de derde reden voort: de lezers worden niet onthaald op een ratjetoe van leutige voorvallen en dubieuze achterklap noch op de aan blinde bewondering ontlokte lofzangen die even welgemeend als dodelijk vervelend zijn. Ze maken daarentegen kennis met een heldere en in veel opzichten verhelderende visie op Reve als mens en schrijver. Dat lijkt me, vooral als het gaat om een figuur die de scheiding tussen zijn persoon, zijn levensomstandigheden en zijn werk welbewust heeft neergehaald, de enig juiste benadering. Loze complimenten of goedkope roddelpraat, die veel ‘herinneringen aan...’ onverteerbaar maken, komen in dit boekje niet voor. Uit een schijnbaar luchtig van de hak op de tak springend relaas, waarbij lakonieke humor, bedachtzame waardering en kritische nuchterheid elkaar in evenwicht houden, ontwikkelt zich een genuanceerd en soms verrassend portret dat - voor zover ik me tot oordelen bevoegd mag achten - recht doet aan het bizarre origineel. Dat de accenten net even anders worden gelegd en de contouren wat minder zwaar zijn aangezet dan men van Reve zelf gewend is,

[p. 7]

tast de herkenbaarheid op geen enkele manier aan.

De vierde reden waarom deze terugblik althans in mijn ogen de moeite van het lezen dubbel en dwars loont, heeft te maken met Henk Romijn Meijer zelf. In tegenstelling tot Reve is hij allesbehalve scheutig met onthullingen van persoonlijke aard. Hoewel hij ook ditmaal niet meer over zichzelf loslaat dan strikt noodzakelijk is voor het doel dat hij zich heeft gesteld, komt hij voldoende uit de verf om te kunnen spreken van een dubbelportret. De lezers van Reve èn die van Romijn Meijer, aangenomen dat het om twee gescheiden categorieën zou gaan, zullen er ongetwijfeld veel plezier aan beleven.

Het kan niet de bedoeling zijn dat ik deze gelegenheid misbruik door op mijn beurt in herinneringen aan de beide schrijvers los te barsten, al was het alleen maar omdat dit boekje zo overtuigend voor zichzelf spreekt dat het elke toevoeging van mijn kant overbodig maakt.

Onder het lezen betrapte ik me herhaaldelijk op de gedachte: ja, zo was het wel ongeveer. Dat slaat ook op de - terecht tot een minimum beperkte - plaatsen waar ik mezelf tegenkom. Alleen bij de passage die er op zinspeelt dat Reve destijds voor mij de enige schrijver was, keek ik een tikje verbaasd. Het is waar dat ik voor Reve als schrijver grote bewondering had (die is trouwens niet geslonken), maar die had en heb ik in niet mindere mate voor W.F. Hermans. In de periode die Romijn Meijer terugroept, zag ik hen als de enige jonge Neder-

[p. 8]

landse schrijvers van internationale betekenis. Daarom noemde ik hen toen steevast nadrukkelijk in één adem.

De titel van dit boekje is een parafrase op het vroeger (nu misschien nog wel) overbekende kinderliedje Toen onze mops een mopsje was, was 't aardig om te zien, nu bromt hij alle dagen en bijt nog bovendien. In hoeverre het laatste op Reve van toepassing is, wil ik in het midden laten. Wel schiet me te binnen dat hij dat zelfde liedje meer dan dertig jaar geleden te pas en te onpas onberispelijk ten beste placht te geven door met zijn nagels ritmisch op zijn gebit te roffelen waarbij het beurtelings vernauwen en verwijden van de mondholte voor de melodie zorgde. Het deed me altijd denken aan Tristram Shandy's uncle Toby, ‘whistling Lillabullero’ in voor- en tegenspoed (pas na jaren ben ik er achter gekomen dat de World Service van de BBC met dat wijsje zijn nieuwsuitzendingen aankondigt). Hoe dan ook blijft het een weergaloos knappe prestatie van iemand die nog altijd niet bij machte is om zelfs maar het eenvoudigste deuntje anders dan in atonale versie na te zingen. Vrienden en kennissen hebben er meer dan eens versteld van gestaan en bij de tandarts was het een steeds terugkerend verzoeknummer. Ik ben me er pijnlijk van bewust dat ik door dit te vermelden het risico loop zonder pardon te worden ingedeeld bij de babbelkousen over wie ik me zo juist met gestrengheid heb uitgelaten. Als Henk Romijn Meijer zijn herinneringen anders zou hebben genoemd, was deze irrelevante anek-

[p. 9]

dote, die met Reve's schrijverschap hoegenaamd niets van doen heeft, de lezers bespaard gebleven.

Natuurlijk zijn er andere interpretaties van het controversiële verschijnsel Reve denkbaar. Ook is het mogelijk met Romijn Meijer op sommige punten - bij voorbeeld over de door hem en anderen verkondigde stelling dat Reve's z.g. bekentenisliteratuur kwalitatief voor zijn vroegere boeken onderdoet - van mening te verschillen. Daar staat tegenover dat hij nergens is vervallen in de pretentie van de opperste wijsheid en het laatste woord. Overigens is dat bij lange na niet het enige waardoor zijn boekje zich van academisch proza en journalistiek aangenaam onderscheidt.

 

Hanny Michaelis