|
|
|
| |
| | | | | |
Recollections of a distant past, like these of mine, include distortions, misinterpretations and factual errors; anyone who believes otherwise about his reminiscences is being beguiled by his good intentions.
D.W. Harding
| |
| | | |
[I]
Voor wie een zekere leeftijd bereikt heeft is vrijwel alles opeens twintig jaar geleden. Meer dan twintig jaar zelfs, om precies te zijn. ‘Om precies te zijn’: wat klinkt dat al weer ouderwets! Vandaag de dag zegt men het pregnanter. Precies, zegt men, precies, of nog preciezer: exact. Hora ruit, tempus fluit, zeiden we vroeger op zijn plat zwols, toen we de waarheid van de spreuk nog niet aan den lijve hadden ondervonden.
Precies, precies, precies... Het woord suist als een hand grint om mijn oren, het grint van de rotjongetjes die elkaar bestookten aan de zonnige oever van de rivier waar ik probeerde om mij in een bocht te wringen die lezen mogelijk zou maken. De jongetjes gooiden mijn bril zowat stuk, niet uit kwaadaardigheid, maar omdat ik binnen de vuurlinie van twee vijandige partijen terecht was gekomen. Ze gooiden zoals jongetjes twintig jaar geleden al gooiden, zelfs meer dan twintig jaar.
Zo'n twintig jaar geleden maakten de kinderen uit Onder schoolkinderen een indruk van onnavolgbare bestialiteit, zelfs op critici die het boek konden waarderen. Vinden de mensen na alles wat er gebeurd is die kinderen nog zulke beesten? Mij lijken ze eerder sereen. Want denk je eens in: je bent leerling in een uithoek van
| | | |
Melbourne, je vader slacht overdag koeien en schapen, en voor je klas verschijnt een man in een zwart pak die geboren schijnt te zijn in een uithoek van iets dat zich Europa noemt. Die man gaat oreren over een taal die hij Frans noemt en die met zich meebrengt dat ‘a house’ plotseling ‘une maison’ heet. Moet een leerling een man die dat zegt dankbaar zijn? De kinderen die ik van deze en dergelijke deerniswekkende feiten op de hoogte moest stellen hebben mij nooit over een zorgvuldig geplaatst voorwerp laten vallen. Ze hebben me zelfs nooit met messen bedreigd.
Over Gerard van het Reve wilde ik het hebben. Meer dan twintig jaar geleden was hij redacteur van Tirade. Ik was net uit Australië terug en hij belde mij of ik iets had voor zijn blad. Ik bracht hem een verhaal dat hij me tamelijk hardhandig uit handen nam. ‘Wat heb je meegebracht?’ vroeg hij tiranniek. ‘Kom op met je kunst. Als het niks is kun je het meteen weer meenemen.’ Hij ging het verhaal onmiddellijk lezen en nam het tot zich in een tempo dat mij, trage lezer, verblufte. Ik hield een oog standvastig op hem gericht en ik zag dat hij na een bladzij al lachte. Verderop lachte hij harder, innerlijk harder, want zijn lachen gaf geen geluid. Ik kan me niet voorstellen dat Gerard ooit, bij welke gelegenheid dan ook, hoorbaar gelachen heeft.
Het verhaal heette ‘Onder schoolkinderen’ en het speelde zich af in Australië waar Gerards moeder geweest was, heel lang geleden, in de tijd dat daar een
| | | |
gebrek aan vrouwen bestond. Ze kon er niets over vertellen, zei Gerard, wel alles over prijzen en zo, onbeduidende dingen, ‘maar als je haar vroeg, geef nou eens een gedegen overzicht van de flora en fauna van dat land, dan moest je niet denken dat er wat kwam.’ Gerard stuurde het verhaal dadelijk door naar zijn mederedacteuren, vergezeld van zijn beoordeling: erg goed. Zo deed de kopij toen omslachtig de ronde, want kopieermachines waren er niet.
Ik had Gerard voor het eerst ontmoet op het doctoraalfeest van een psychiater, in 1950 of 1951, de tijd, in ieder geval, toen De avonden nog mijn lijfboek was. Ik kende het uit mijn hoofd en mijn ogen rolden uit hun kassen toen ik iemand zo in het openbaar hoorde spreken, geheel in de trant van het boek. De auteur stelde zich voor in een virtuoze reeks schuttingwoorden en mengde zich daarna in een gesprek. Twee doktoren bespraken vakkundig een hartkwaal en Gerard ging op de leuning van een van hun stoelen zitten. Hij mengde zich in de discussie. ‘Komt van het trappenlopen,’ zei hij, ‘alsmaar de trap op en af, dat wordt te veel, dat is slecht...’ Het gesprek was verziekt en Gerard begaf zich naar de bar.
Zo'n twee weken daarna zag ik ze weer in Kriterion, Gerard en Hannie. Hij herkende me niet. Hannie herinnerde hem een paar keer aan het feest, toen schoot ik hem weer te binnen. Ik leerde ze kennen en bezocht ze af en toe in het huis aan de oude Galerij. Een enkele keer
| | | |
bleef ik eten. Vóór het maal gaf Gerard instructies hoe de gast zich aan tafel diende te gedragen. Belangrijk was onder meer dat hij zijn bord niet te dichtbij de rand van de tafel zou plaatsen, want de katten moesten tijdens het eten een zo vrij mogelijke doorgang behouden. Gerard hield van harde bokking en maakte de vis vóór het broodmaal zelf zo toegewijd schoon dat de poes er krols van werd. Hij kookte een Turks gerecht waarvan je ging boeren en demonstreerde de juiste manier waarop je die boeren moest laten: de rechterarm opgeheven, de vuist gebald. Hij bestudeerde de rode plek in mijn hals die ik aan het vioolspelen dankte. ‘Heb je nou een of andere geslachtsziekte opgelopen, kerel?’ wilde hij weten en vroeg of mijn migraines ‘spychologisch’ waren. ‘Heb je niet een of andere menstruatiepil?’ vroeg hij Hannie. Hij wist iets beters, een natuurlijk geneesmiddel tegen de kwaal: ‘Aftrekken, minstens vijf maal per dag.’ ‘Van aftrekken krijg je juist hoofdpijn,’ zei ik en Hannie zei: ‘Dat zegt Hermans ook.’ Waarop Gerard beloofde dat hij een vrouw voor me zou zoeken. Hij had er dadelijk twee op het oog, een met kleine harde tieten en een met grote zachte, ik kon kiezen, het kwam voor elkaar. Dat mijn been als gevolg van mijn ongeluk op den duur stijfgemaakt zou moeten worden inspireerde hem tot een opbeurende gang door de kamer als stijfpoot. Hij knipte voor mij een regenjas uit een lege aardappelzak op een dag van plotselinge regen, toen ik niets beschermends bij me had en schoof hem eigenhandig over mijn
| | | |
hoofd. ‘God zegen je, kerel,’ zei hij als altijd bij het afscheid.
Tirade ging hem ter harte. ‘Henk Meijer,’ zei hij, ‘dat is geen naam voor een schrijver. Hoe heet je moeder,’ zei hij. Het was meer een bevel dan een vraag. ‘Romijn. Dat zetten we ervoor.’ Hij nam een stuk papier en hij schreef. Hij beschouwde de indruk die de nieuwe naam maakte op meer dan leesafstand. ‘Een half pseudoniem,’ zei hij, ‘dat is modern. Zullen we het zo dan maar doen?’ Hij had het zo al gedaan. Hij was een gewetensvol redacteur. ‘We hebben nu iemand,’ vertelde hij me eens, ‘dat is een beeldhouwer en die is ook literair begaafd. Enigszins literair begaafd,’ zei hij, om preciezer te zijn. ‘Die brengt af en toe een verhaal en dan zeg ik, Waarom doe je dit niet een beetje anders en bekijk dat begin toch nog eens goed...’
De beeldhouwer heette natuurlijk Jan Wolkers en dat ‘enigszins literair begaafd’ lijkt me nog steeds een redelijk oordeel over het fenomeen op rupsbanden dat zo graag volhoudt dat het nooit enige steun heeft ontvangen, nooit niet, van niemand.
Meer dan twintig jaar geleden, dit alles, en nog veel meer. Nu spreekt Gerard zich uit over de zwarten. In een wereld die meende dat alle taboes waren verdwenen heeft hij nog een taboe aan het licht gebracht. Nog steeds slaagt hij erin om de mensheid te tergen. Hij is de pestkop gebleven die hij altijd al was. |
|
|