|
|
|
| | | | | |
[II]
‘Lief Wonderkind,’ schreef hij me in 1956, ‘Op 28 Juli, Zaterdag, te 20.00 uur, is er een afscheidsbij-eenkomst van de Letterkundige Salon van Mejuffrouw Frielink. Al de mensen van heel, heel vroeger komen. Ik was heel bij met Consternatie. Vooral dat ene verhaal, met die door zonde bezeten vader, is sterk, al is het jammer dat het een pointe heeft...’
Het was de eerste Literaire Salon van mijn leven en mijn verwachting was grandioos. Ik had gehoord dat Lucebert zijn eerste en terstond onsterfelijke verzen bij Mejuffrouw Frielink had voorgedragen en dat het oproer van onze vijftigers daar min of meer was voorbereid.
Het was dan ook schitterend weer op die zaterdag. Twee mensen hingen wuivend naast elkaar uit het zomerse raam van het huis in de Valeriusstraat: Gerard en zijn vrouw Hannie. Omdat we precies ‘te 20.00 uur’ waren aangekomen, was er behalve de Van het Reves en de rustige Mejuffrouw Frielink geen mens. Haar huis was zo maar een huis en bij het handjevol mensen dat op den duur binnenliep was geen enkele afgezant van ‘al de mensen van heel, heel vroeger’.
Het literaire gedeelte van de avond begon om een uur
| | | |

Links: P.
(‘... een zeer geleerd en ontwikkeld man, maar, zo mogelijk, nog eigenwijzer dan mijn grootvader van moederszijde.’ Gerard Reve, Op weg naar het einde. Amsterdam, 1963, pag. 99.)
| | | |
of negen. Gerard leidde het gebeuren. Hij noemde een paar lezers en stelde na een uur een korte pauze voor van vijf à zes minuten. In die pauze sprak Hannie iemand die zich een mening veroorloofd had weergaloos tegen. Gerard vond het wel leuk, dat geschetter. Hij kwam op haar toe en legde even zijn handen op haar schouders. ‘Ik heb een intelligente vrouw,’ zei hij. heerlijk vond Hannie zulke hooglopende discussies. De pauze woekerde voort tot een minuut of veertig en tijdens al die minuten drong Gerard er bij me op aan dat ik op de fiets zou stappen om ‘werk’ te gaan halen. ‘Dan lees je dat verhaal van die door zonde bezeten vader...’ Ik deed het niet, want ik zag tegen de hele wereld op als tegen een berg in die tijd. Mijn gebrek aan lef bood een eerbiedwaardige aanwezigheid alle kans om zijn toehoorders het volle pond te geven.
Zijne Eminentie was een gepensioneerde leraar klassieke talen, witte snor, witte sik en een vrouw die breeduit in zijn buurt zat in een pikzwarte japon. Zodra Gerard hem als dichter aan ons voorstelde ritselde het boven de bank waarop we zaten dat deze man bij welke gelegenheid dan ook zijn verzamelde werk in zijn schooltas bij zich droeg, honderden en honderden kwatrijnen waarvan er nog nooit ergens een afgedrukt was. Gerard las ons de les: na het lezen zou een tweede, enigszins kortere pauze worden gehouden ‘van laten we zeggen vier à vijf minuten’ om adem te scheppen voor een vruchtbare uitwisseling van gedachten.
| | | |
Al gauw nadat de leraar zijn tas had ontsloten, werd onze bank in de achterkamer een schoolklas. De kwatrijnen gaven ons eerst onderdrukt en daarna onhoudbaar de slappe lach, ook al gingen ze over het Leven. Onze rood bezwete zomergezichten brachten de oudleraar niet van de wijs, integendeel, ze gaven hem kracht om na zo'n vierhonderd regels over te gaan op het voordragen van zijn vertalingen van de Duineser Elegien die hij in hun totaliteit bij zich droeg.
Gerard had zich keurig beheerst en hij leidde de discussie waardig. Hij zei dat hij de vertalingen heel erg mooi had gevonden, de betekenis mooi weergegeven, het ritme, de klank. ‘Maar wat ik mis is de continuïteit,’ hield hij ons voor en zijn arm maakte een verklarend gebaar. ‘De continuïteit,’ herhaalde hij, bij wijze van verduidelijking.
‘Wel,’ zei de dichter en ging zwaar verzitten. ‘Voordat ik ze aan iemand liet zien heb ik ze aan mijn vrouw voorgelezen, want ik heb een goede critica in mijn vrouw...’
‘Beter één critica in de hand dan tien in de lucht,’ zei Gerard begrijpend en daarop liep de discussie spaak. Bij de wanorde die volgde trok de dichter eindelijk een beteuterd gezicht.
‘Fijne Zachte Boy,’ schreef Gerard me. ‘Ik moet je namens de gehele redactie van Tirade nadrukkelijk vragen om toch vooral weer iets te maken. Kom eens langs en neem een paar maatjes goedkope oude jenever mee.
| | | |
Veel kusjes van Gerard.’ De afzender op de envelop heette G.K. Van Het Reve Doornbusch, Oudezijds Achterburgwal 55.
Op die Oudezijds zocht ik hem af en toe op in de tijd dat hij verklaard had nog uitsluitend in het Engels te zullen schrijven. Tegenover zijn werkende huisvriend Wimie legde hij verantwoording af van zijn dag: boodschappen gedaan, brief-geschreven, aan de kunst gewerkt. Tijd werd nuttig besteed. Wanneer het bezoek hem 's avonds lang genoeg had geduurd, gaf hij dat aan door zich uit te kleden voor het slapen gaan. Toen hij nog op de Galerij woonde had hij al die gewoonte. ‘Even mijn lul laten zien,’ dreigde hij eens voor mijn vertrek en hield, bij Hannies kreten van afkeer, een enorme peen bij zijn gulp, als compromis. Hij werkte verwoed aan toneelstukken en ontwikkelde een toneeltheorie die hij me eens heet van de pen voorlas zodra ik een voet binnen de deur had gezet. Af en toe onderbrak hij zichzelf opgewonden met een ‘zo zit dat’ of ‘dat is de theorie die ik hier ontwikkel’. Ik hoorde er niet meer in dan een verstoppende brei platitudes, maar Gerard was bloedserieus. Toneel, God, politiek, wat ook, zijn ernst is altijd zijn minst opbeurende kant gebleven.
Hij was arm in die tijd en het toneel was een van de bierkaaien waartegen hij vocht. ‘Ik heb altijd hard gewerkt. Altijd veel weggegooid, veel verscheurd,’ had ik hem in 1954 horen zeggen, ten huize van de familie Prinsen-Geerligs waar ik een wereldfestijn had ver- | | | | | | | |
wacht in plaats van een kopje thee. Hij had me een hand gegeven, omdat ik de prijs had gewonnen die hij als eerste gewonnen had. ‘Ben jij de gelukkige?’ had hij achteloos gevraagd.
Op het dak van het oude huis aan de Oudezijds waar hij soms stucadorend op de grond zat heb ik foto's van Van Het Reve Doornbusch gemaakt in houdingen die hij zelf bepaalde. Hij had een donker pak voor de gelegenheid aangedaan en vond het heerlijk om te worden gefotografeerd.
Bij die prijsuitreiking in 1954 vertelde hij nog dat hij zelf niets had voorgelezen, indertijd, maar in plaats daarvan een ‘brallerige speech’ had gehouden over zijn visie op de literatuur. Ook zei hij nog dat het jaar waarin hij en Hannie de prijs hadden gekregen ‘toch wel’ een hoogtepunt was gebleven. Hoogmoed misschien, maar hoogmoed komt niet altijd voor de val. Wat hij toen zei is nog steeds tamelijk waar. |
|
|