Toen Reve nog Van het Reve was


auteur: Hanny Michaelis en Henk Romijn Meijer


bron: Henk Romijn Meijer, Toen Reve nog Van het Reve was. Uitgeverij Joost Nijsen, Amsterdam 1985.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 27]

[III]

‘...en toen ik hem voor het eerst leerde kennen, dacht ik: Is dat nou de grote schrijver? Zo'n jongen.’ Suzie heette degeen die dat zei en ze is uit mijn leven verdwenen. Het was november 1951. We hadden in de Koestraat bij een van de goedkoopste Chinezen gegeten, een stuk of zeven minder vermogenden aan een tafel, ik kende ze nauwelijks. Ik herinner me James Holmes en Hannie die iets schandaligs wist te vertellen over prins Hendrik en de bordelen die hij bezocht. Omdat er tijdens het eten treurige muziek uit de luidspreker vloeide, verzakte Gerard in treurigheid. ‘Kan dat ding niet af?’ vroeg hij zacht en iemand gaf het verzoek door. Gerard had een gave voor treurigheid die aanstekelijk werkt, zo aanstekelijk als zijn spreek- en schrijfstijl. De literaire tijdschriften stonden in die jaren vol Van het Reve en bij Reinders spraken de jongeren plechtig en landerig in de trant van Frits van Egters over al die lieve mensen, allemaal zeer lieve mensen enzovoort en dat nog wel in een tijd waarin Gerard zelf De avonden verdoemde als ‘journalistiek’. Tegen dat oordeel maakte hij later weer gegronde bezwaren die binnenlands nieuws werden, zoals al zijn uitspraken. Ik herinner me uit die voortijd een uitspraak van James Holmes: ‘Ik

[p. 28]

denk dat hij eigenlijk een gewone romanticus is, alleen is de manier waarop het eruit komt heel anders en ik denk dat dat waardevol is voor Nederland.’ James Holmes zei dit in een tijd waarin de romantiek nauwelijks mocht worden genoemd, zo'n dertig jaar voordat Reve min of meer officieel als ‘decadent romanticus’ zou worden geboekstaafd.

Hij veroordeelde zichzelf even hard als zijn collega's en zette zich alleen tot arrogantie wanneer schrijven ter sprake kwam. Toen ik hem vroeg of hij muziek maakte, zei hij: ‘Zo veelzijdig ben ik niet, kerel.’ Zo'n inschikkelijk antwoord zag ik als een teken van erkende wederzijdse verwantschap en zodoende draaide ik eens geestdriftig de plaat voor hem waarop Joyce het Anna Livia Plurabelle fragment uit Finnegans Wake voorleest. Gerard leende niet meer dan een half oor aan Joyce's wegebbende stem in het verhaal van de twee roddelende wasvrouwen die aan de oever van de Liffey langzaam veranderen in een boom en een steen. Zodra de plaat afgedraaid was, declameerde Gerard tot mijn ontsteltenis: ‘O geef mij buffels buffels buffels,’ daarmee een van Bert Schierbeeks vroege meesterwerken citerend, het fragment dat ik Schierbeek zelf had horen voordragen op een uitzonderlijk rumoerige Podiumavond waarop een Spaans doende zangeres in een regen van proppen papier van het podium weggehoond werd en W.F. Hermans krakerig stijf een stuk uit zijn Donkere kamer voorlas. ‘Ook mooi,’ zei een meisje dat voor me zat te-

[p. 29]

gen zoiets als haar verloofde. Schierbeeks kudde buffels was al gauw tot een gevleugelde spreuk geworden voor alles wat mateloos slecht was, onwaarachtig vooral, want dat was een woord dat Gerard geregeld gebruikte in die dagen. ‘Dat kan ik niet goedkeuren,’ verduidelijkte hij zijn oordeel over James Joyce. ‘Zoiets keur ik niet goed.’ Zijn oordeel was even snel als onwrikbaar.

Dat hij Joyce op dezelfde weggooiplank plaatste als Schierbeek haalde de grond van onder mijn voeten. Joyce was dus niks, evenals Vestdijk met wie ik destijds dweepte. Alleen zijn essays waren ‘mooi’ en dat mocht ook wel, gezien wat Vestdijk in zijn Zuiverende kroniek ter verdediging van Werther Nieland had geschreven. Mulisch was uiteraard helemaal niks en zijn succes maakte Gerard razend. ‘Hij is ook nog zo brutaal als de beul,’ vertelde hij in verband met een diner na afloop van een boekenweekverkoop in de Bijenkorf waarbij Mulisch en Van het Reve op een verkeerde plaats aan de tafel waren gaan zitten. ‘Toen die vrouw dat tegen me zei, sprong ik op als een veer,’ zei hij. ‘Maar Mulisch zei: Geen sprake van, ik blijf hier zitten!’ Een kop lag gauw gesneld in het zand en Gerard was niet nieuwsgierig naar de mening van andersdenkenden. Van werk dat hem niet onmiddellijk aansprak nam hij geen kennis. Om een of andere reden verklaarde hij Lucebert tot een groot dichter en een verstandig mens, ‘zeer hysterisch, maar daar kan ik wel inkomen’. Verder toonde hij zich in mijn bijzijn alleen geestdriftig over de grote Russen,

[p. 30]

Toergenjew voornamelijk. Hij las weinig boeken tot hun bittere eind, maar wat hij las kende hij zo'n beetje van buiten, zoals Sandforts vertaling van Célines Voyage au bout de la nuit, en later Lolita, waarmee hij opeens, tamelijk verbluffend, wegliep in een tijd waarin de jongens al meer voor hem betekenden dan een meisje van twaalf. Het was vooral het voortdurend suggereren van het verbodene dat hem aantrok in de virtuoze taal waarom hij Salinger ook waardeerde.

Lang voordat ik Gerard in het kantoor van Van Oorschot Lolita in details hoorde navertellen, had ik eens, op de Galerij nog, vóór het eten zijn verhaal ‘Gossamer’ moeten lezen, waaraan hij net de laatste hand had gelegd. Lezen in de nabijheid van anderen vind ik verschrikkelijk en ik werd daarbij nog gestoord door de omstandigheid dat Gerard zijn verhaal zonder meer als een meesterwerk beschouwde. ‘Heb je het uit?’ vroeg hij, ‘vind je dat niet schrijnend, hoe die jongen...’ ‘Wat een rotjongen hè,’ riep Hannie er doorheen. Ik wees hem op een zin in het verhaal die vrijwel letterlijk voorkwam in Werther Nieland en hij zei: ‘Jij kent mijn werk beter dan ik.’ Hij kon zulke kritiek makkelijk aanvaarden.

Nu weet iedereen zo'n beetje alles van hem, mijn herinneringen zijn kruimels. ‘Gossamer’ verscheen in The Acrobat dat in Engeland viel als een baksteen. Gerard gaf me korzelig een exemplaar van het boek dat hij zelf had gebonden in de kaft van het volledig vergeten Ik

[p. 31]



illustratie

[p. 32]

verkoos de vrijheid van Victor Kravchenko. Hij krabbelde weinig hoffelijk zijn handtekening in het boek en de datum in het Engels: 5 March, 1956. ‘Hier,’ zei hij en ik nam het boek van hem aan.

‘Moet hij nou dát exemplaar hebben?’ vroeg Hannie.

‘Ik heb al zo veel boeken weggegeven...’

Ik troost me zo goed mogelijk met de gedachte dat The Acrobat verpakt in Kravchenko's bewogen kunstwerk een unicum is, een postzegel waaraan een voortand ontbreekt of zoiets, en het boek was toch niet echt aan mij besteed. Ook nu, wanneer ik het inkijk op tamelijk willekeurige plaatsen, vind ik het Engels voornamelijk bizar. In het Engels is Van het Reve geen Engels en geen Van het Reve.