|
|
|
| |
| | | |
[V]
Ik liep eens bij Van Oorschot binnen toen Gerard er zat te vertellen over zijn breuk met Pannekoek. Het verhaal liep op zijn einde en ik hoorde weinig details. Het ging over lenen, geloof ik, en het niet teruggeven van het geleende. Gerard had doorslaggevende bezwaren tegen het ‘vrolijke kunstenaarsleventje’ waaraan Pannekoek vrijheden ontleende ten opzichte van persoonlijk bezit. ‘En ik zeg tegen hem, Jij gaat jouw weg, ik ga de mijne,’ vertelde hij. ‘Ach ja, leven en laten leven zeg ik altijd, leven en laten leven...’ Hij keerde zich naar mij. ‘Hoe gaat het? Ik heb hem zijn pseudoniem bezorgd,’ zei hij tegen Geert van Oorschot, ‘en tot dank krijg ik niets dan slechte recensies.’ Hij grinnikte om mijn stuk in Hollands Maandblad dat minder uitbundig was dan de juichkreten die bij het verschijnen van zijn ‘brieven’ waren losgebarsten. ‘Het ligt jou niet, dat soort werk,’ zei hij. ‘Al dat moderne gedoe...’ Hij deed een greep naar zijn kruis in het gebaar van wat hij de ‘masturbatio sine qua non’ noemde. Hij zag geen kwaad in het stuk waarop ik veel boze reacties kreeg en waarin bedenkingen staan die nu de halve wereld tegen zijn latere werk heeft geopperd. Hij praatte over het succes van de ‘brieven’ alsof hij het van woord tot
| | | |
woord had berekend. ‘Je moet zo schrijven dat het nog nèt kan, dat ze je nèt niet kunnen pakken.’ Over een interview van Iemand - was het soms Hermans? - zei hij: ‘Het was wel goed, maar was het nu ook zo dat het de mensen meteen naar de winkel deed hollen?’
Gerard was een koploper, een trendsetter die de nostalgie had ontdekt lang voordat de Nostalgie werd geboren. Aan de muur van zijn kamer hing een foto van het treurigste echtpaar dat ik ooit vereeuwigd gezien had. Gerard wist altijd waarnaar je keek, waarnaar je luisterde. ‘Die hebben het niet slecht getroffen,’ zei hij met een vertederende blik op het neerslachtige bruin. Diane Arbus bestond toen nog niet. En wanneer vriendin Fritsie in geldnood verkeerde stuurde hij haar een royale postwissel met een specificatie als ‘wegens overspel’ om haar gang naar het postkantoor te verzwaren.
‘Een zeer zakelijke jongen,’ zei Geert van Oorschot meer dan eens. Ik merkte wel eens iets van die zakelijkheid. De uitgever van vandaag had van hem zowel als van mij een verhaal opgenomen zonder toestemming te vragen. Als antwoord op ons protest stuurden die mensen excuses, twee bewijsexemplaren en een karig loon. Gerard spoorde me aan om, net als hij, naar de advocaat van het VVL te gaan, en ik ging. Het was de eerste advocaat die ik bezocht, ik hoorde hem aan. Natuurlijk moest ik die excuses niet accepteren, geen enkele sprake van. Bruisend van energie stelde de advocaat zich op aan mijn kant. ‘Dan zullen we het de heren eens laten
| | | | | | | |
weten,’ enzovoort enzovoort. Een week later belde ik hem. Hij had contact gehad met vandaag en hij had zich beraden. Nu vond hij opeens even energiek dat ik, voor dit ene speciale geval, het excuus beter zou kunnen aanvaarden, onder handhaving van het ongelijk van de uitgever. Enigszins verbluft zei ik dat het zo zou gebeuren. Ik sprak Gerard later. Had hij het herziene advies opgevolgd? Geen sprake van. Hij had niets aanvaard en hij won het geding. Hij kreeg ƒ500,-, als ik het bedrag goed heb onthouden. Dat was een hoop geld in die tijd.
Zelf liet Geert van Oorschot zijn eigen zakelijkheid wel eens verdringen door zijn bemoeizucht. Geert deelde graag cijfers uit aan zijn schrijvers. ‘En ik zeg tegen Gerard, Nou ga je schmieren,’ zei hij eens tegen mij, toen de brieven al bandeloos verkochten. Ik denk niet dat ‘schmieren’, zakelijk gezien, het juiste woord was op de juiste plaats. Gerard ging weg bij Van Oorschot. Misschien stak er een zekere wraak in dat ‘schmieren’, wraak op de Tirade-redacteur Van het Reve die mij vermaakt vertelde dat Geert van Oorschot steeds verhalen inzond onder steeds weer een ander pseudoniem dat terstond als het zijne herkend werd. ‘En die verhalen weigeren wij dan steeds,’ zei hij. Wat waren dat voor verhalen? ‘Heel hevige drama's altijd en dan ook nog zonder enige humor.’ Deze weigeringen hebben het succes van Van Oorschots verhalen overigens al even weinig in de weg gestaan als mijn kritiek het succes van de ‘brieven’.
| | | |
Voor een groep Amerikaanse studenten heb ik ergens in Scheveningen lang geleden eens een lezing gehouden over de verwantschap tussen J.D. Salinger en Van het Reve, ‘both writers whose comparative smallness of output is matched by the extreme refinement of their technique’. De vergelijking bood mij de kans om Van het Reve te introduceren aan de hand van iets bekends, maar het was lang niet allemaal sales-talk. Ze lijken in veel opzichten op elkaar. Nine Stories vertoonden na The Catcher in the Rye eenzelfde verstrakking van vorm als Werther Nieland na De avonden, eenzelfde virtuositeit in het schrijven van onthullende dialogen, een verwante humor, bij wat mij een ‘thinning of material’ leek. ‘Signs of repetition began to be seen in their work,’ vertelde ik die studenten op de man af. Ze waren op een of andere rondreis die niet in werkeloosheid mocht ontaarden, vandaar de lezing die ze weghield van het strand. ‘There came a sense of strain in their writing and one began to wonder whether the sources that had never been very rich might run dry altogether.’ Beiden schreven werk dat naar niets vooruitwees, ze waren afgoden van een generatie, kinderen en pubers stonden centraal en een religieuze betrokkenheid deed zich steeds duidelijker gelden. Wat Irving Howe schreef over Salinger, zou ook voor Van het Reve kunnen gelden: ‘There is religiosity, but little of precise religious thought or that struggle with the demons of disbelief which all serious believers know.’
| | | |
Van het Reves vermogen om zich te vernieuwen heeft mij vaak verbaasd. Zijn doorbraak naar de ‘brieven’, de bevrijding van de strenge wetten die hij zichzelf had gesteld kon misschien enigszins worden voorzien door wie hem wel eens op dreef hadden gehoord in de huiskamer. Zelf geloof ik dat Fritsies exuberante spraakwater een zekere invloed heeft gehad op ‘the transition from strict functionalism to a kind of glorified irrelevance’ waarin bijzaken opeens tot hoofdzaken werden verheven, zoals in Salingers Zooey gebeurt, en sterker nog - of zwakker, als je wilt - in Seymour, an Introduction. ‘A similar I-know-what-you're-going-to-say-about-me attitude characterizes Van het Reve's Letters, the same self-defence implicit in the irony, the same halfmocking reference to God, which I suspect is a deliberate playing down of the writer's basic seriousness.’ En mijn spijtige conclusie, zo dicht bij de eeuwige zee, was dat de thema's, dat van de Glass familie bij Salinger, en sex-dood-religie bij Van het Reve, de uitputting nabij waren en dat beide schrijvers een punt hadden bereikt ‘beyond which there is little hope, a point of writing with ever greater virtuosity about writing about whatever cannot really be written about, or, in other words, about nothing at all.’
Die woorden sprak ik toen uit tegen dat groepje mij onbekende studenten. Ze kwamen me na afloop bedanken, want Amerikaanse studenten zijn beleefder dan Nederlandse. Dat Salinger al in geen jaren iets meer van
| | | |
zich heeft laten horen is evenmin een gevolg van die woorden als de hardnekkigheid waarmee van Reve het ene boek na het andere blijft verschijnen. |
|
|