Toen Reve nog Van het Reve was


auteur: Hanny Michaelis en Henk Romijn Meijer


bron: Henk Romijn Meijer, Toen Reve nog Van het Reve was. Uitgeverij Joost Nijsen, Amsterdam 1985.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 47]

[VI]

Het komt er maar op aan in het leven om tot klaarheid te komen.’ Een uitspraak uit een van de brieven, of een die ik regelrecht uit zijn mond heb vernomen? Nee hoor. De wijsheid komt uit hetzelfde boek als de volgende overpeinzing: ‘Het land, ja, dat mag ik wel dadelijk zeggen, daar heb ik het nooit op begrepen gehad. Ik heb het altijd triest gevonden met zijn modderpoelen zonder eind, zijn huizen waar de menschen nooit in zijn en zijn wegen die nergens naar toe gaan. Maar wanneer daar de oorlog nog bijkomt, is het niet om te harden. Op de glooiingen was de wind, rauw, van alle kanten komen opzetten...’ Dit is de stem van Céline zoals hij doorklinkt in J.A. Sandforts meesterlijke vertaling van zijn Voyage au bout de la nuit. Het boek was een tijdlang Gerards tweede bijbel en het heeft sporen nagelaten in zijn werk. Ik vond de vertaling onlangs in een nieuw winkeltje in de Oude Hoogstraat, uitgave Mulder & Co, een kloek boekwerk waarover iemand een pot thee of zoiets moet hebben uitgegoten, Paul te Stroete misschien die zijn naam er onuitwisbaar in schreef (juli '75). ‘Hier is niet een alle schrijftrucs kennend auteur aan het woord,’ schrijft Prof. Dr. Valkhoff in zijn bewonderende inleiding, ‘doch een mens, een

[p. 48]

waarachtig mens, die zijn toorn, zijn droefheid en zijn haat uitstort als een ziedende bergstroom van woorden.’ En zo is het. Bij een grandioos boek hoort een ‘waarachtig mens’ en geen slechtaard die ‘alle schrijftrucs’ onder de knie heeft. Zo kun je een piano ook beter laten bespelen door een hart van goud dan een bandiet die zijn toonladders heeft gestudeerd.

Is Gerard een ‘waarachtig mens’, dat is de vraag. Dat hij ‘intelligent’ was stond toen al vast. De psychiater van het doctoraalfeest die ik de brandende kwestie had voorgelegd zei het, na enige aarzeling: ‘Ja, hij is wel intelligent.’ Adriaan Morriën zei: ‘Op één punt heeft hij natuurlijk een borende intelligentie,’ en vertelde in een moeite door hoe Gerard eens bij de fatsoenlijke Prinsen Geerligs een man ter sprake gebracht had, ‘en die man stak zo zijn penis in de mond van dat kleine meisje’ en zo verder. Koos Gerard ‘penis’ uit respect voor mevrouw Prinsen Geerligs die zelden of nooit moe werd van het uitdrukking geven aan haar legendarische afkeer van ‘vieze woordjes’? Of fatsoeneerde Morriën Gerards tekst? Misschien hoor ik het nog eens. Ik weet alleen dat Gerard zich, toen ik hem leerde kennen, al van het woord ‘intelligent’ meester gemaakt had en er een hoogst persoonlijke betekenis aan gaf. Nu hij zich het woord had toegeëigend was bijna niemand meer intelligent. Gomperts had ‘een zeer middelmatig verstand’, een andere oud-redacteur van Libertinage was een aardige man, ‘maar niet interessant. Wat hij zegt is niet interessant.’

[p. 49]



illustratie

[p. 50]

Vanwege mijn geestdrift voor De avonden en de rest probeerde ik om en nabij 1950 zoveel mogelijk aan de weet te komen. Ik ontmoette een jongen die Gerard eens met een stalen gezicht aan iemand de vraag had horen stellen: ‘Zeg, hebben jullie thuis ook zo'n lullofoon?’ Op de Amersfoortseweg kreeg ik een lift en ik vroeg de chauffeur of hij het boek had gelezen. Aan het stuur zat een goedaardige mijnheer die in Putten woonde, of in Oldebroek. Ik verhul de feiten een beetje, want het betreft hier een gereformeerde dominee in zo'n soort plaats. De avonden? Hij had het gelezen. ‘En vind jij dat mooi,’ daagde hij me uit, ‘zo'n jongen die zijn eigen vader en moeder zo aan de grote klok hangt?’ Zo had ik er nooit over gedacht, al had ik mijn vader horen zeggen: ‘ze verdenken hem ervan dat hij zijn ouders in dat boek uitgebeeld heeft.’ ‘Ja, ik heb hem daar ook wel ontmoet,’ zei de dominee. Daar was Amsterdam waar we vandaan kwamen. De ‘sfeer onder de studenten’ vond hij erg slecht in die stad. ‘Ze leven daar allemaal met elkaar,’ onthulde hij. ‘En laatst sprak ik zo'n jongen en ik zei tegen hem, Kun jij je zo slecht beheersen?’ De dominee zag Gerard als een van de hoofdschuldigen aan deze misstand, het toenemende gebrek aan beheersing. Zijn verontwaardiging was toch een groter blijk van respect dan de nonchalance van een goddeloze Amsterdamse arts die hem kende: ‘Gerard? O, dat is een lieve jongen’. Om Gerard zo te noemen moest je wel erg sterk in je schoenen staan. De vader van die dokter had veel

[p. 51]

schrijvers gehad als patiënt, vandaar die vertrouwdheid. ‘Kinderen zijn het,’ zei de dokter, ‘kinderen!’ Maar voor de jonge psychiater die hem ‘wel intelligent’ had genoemd en die altijd in Americain aan de leestafel werkte in de tijd dat Mulisch en Vinkenoog enzo zich geregeld door de huismicrofoon lieten oproepen, was hij een groot schrijver. Ik zat eens bij hem aan de tafel. Gerard liep binnen, op- noch omkijkend, een strakke blik, een snelle pas regelrecht op ons af. ‘Ik wist dat ik je hier kon vinden,’ zei Gerard tegen de psychiater. ‘Je weet dat ik je alleen opzoek als ik heel erg bedroefd ben.’ De kerk kwam ter sprake en Gerard kende geen genade. ‘Alle christenen moeten worden doodgeknuppeld, alle kerken platgebrand.’ De psychiater zei een smerig versje op waarin een dubbelzinnige fluit voorkwam en dat ik verder helaas ben vergeten. Gerard vertelde van een nacht die hij in Londen bij het Leger des Heils had doorgebracht. ‘En dan was er zo'n vent, die ging zo rechtop in zijn bed zitten en toen pakte hij zo zijn lul vast... Dat doe ik ook nooit meer.’ Ik wist waarover hij het had, want ik had zelf wel eens in zo'n tehuis geslapen, tussen rochelende en hoestende daklozen. Gerard vertrok, minder bedroefd, kort van afscheid.

Hij had dat vermogen tot onafhankelijk komen en gaan, ook bij zich thuis, bezoek of geen bezoek. Ik had bij ze gegeten en Hannie had hem een paar maal uitgescholden. ‘Jongen je bent belachelijk! Je bent walgelijk!’ Zijn verweer was niet verder gegaan dan: ‘Je moet niet

[p. 52]

denken dat je leuk bent, hoor.’ Gerard moest iemand van de trein halen en trok voor die iemand wat anders aan. ‘Ziet Gerardje er zo netjes genoeg uit?’ Het ging om een vriend, denk ik nu, maar een vriend was toen nog een geheim. Als hij weg was vertelde Hannie wel eens wat. Over de begintijd van hun huwelijk toen Gerard, kostenbewust als altijd, gebruikte kapotjes uitwaste en aan een lijn te drogen hing. Op Who's Who vragen over De avonden kreeg ik geen antwoord van haar. ‘Hoor es, dat moet je hem zelf maar vragen,’ zei Hannie. ‘Ik mocht er nooit iets over zeggen van hem en later merkte ik dat hij het zelf allemaal aan iedereen rondvertelde.’ Zelf vertelde Gerard me probleemloos wie model had gestaan voor de waanzinnige vrouw in Werther Nieland dat hij tot mijn voldoening ‘mijn zuiverste werk’ noemde. ‘Maar wat jij ervan hebt gemaakt!’ riep Hannie bij die gelegenheid. Nu hij niet in de buurt was gaf ze de vrije teugel aan haar ontzag voor hem. ‘Gerard kan denken.’ Andere schrijvers die dat konden waren er niet en dat waren trouwens geen schrijvers. Behalve Gerard was er natuurlijk alleen Hermans die zich toen nog niet als humorist en Afrika-kenner had ontpopt, godzijdank. Hermans belde eens uit Groningen op een avond dat ik er was, en het gesprek duurde twintig minuten, van Hermans' kant, voornamelijk. Ze kregen het over onze onberispelijke Cals die Gerard zijn prijs had onthouden, omdat ‘Melancholia’ een te vies verhaal was. ‘Hij is wel zeer ziek geweest,’ zei

[p. 53]

Gerard vergenoegd over Cals. Ze praatten als oude vertrouwden en Gerard pestte nu eens niet. Hij sprak Hermans moed in naar aanleiding van het een of ander. Hij grinnikte toen hij de telefoon neerlegde. ‘Hij had een paar borrels op en dan wil hij wel praten.’ Tot Hermans was moeilijk door te dringen, suggereerde Gerard in een paar onvolledige zinnen. Alleen als hij wat gedronken had, laat op de avond, gaf Hermans zich soms wat meer bloot. ‘Die vader van hem, zuster die zelfmoord heeft gepleegd...’ Gerard zette zijn bedroefde gezicht en mijn wantrouwende ik dacht aan theater in die droefheid. In ieder geval leek het niet denkbaar dat er nog ooit een generatie ontstaan zou die geen jeugd als een steen om zijn nek droeg.

Is Gerard een ‘waarachtig mens’? Zo gesteld is het een moeilijke vraag die nog maar een poosje vraag moet blijven. Gerard is hoe dan ook niet iemand die men licht vergeet. Zijn stem was zacht en toonloos, eentonig als het leven van stilstand dat hij beschrijft. Hij noemde me af en toe klootzak op een toon waaruit een zekere vertedering sprak. Over mensen bleef hij summier. Hij vertelde niet graag, had ik de indruk, zoals hij ook weldra de belangstelling verloor als je hem iets over iemand vertelde. ‘Ja, dat zijn nare mensen,’ gaf hij vaag en gemakkelijk toe, wanneer ik iemand bewogen verketterde. Wat deed het er verder toe? Wat we ook zeiden, het leidde toch immers tot niets.