Toen Reve nog Van het Reve was


auteur: Hanny Michaelis en Henk Romijn Meijer


bron: Henk Romijn Meijer, Toen Reve nog Van het Reve was. Uitgeverij Joost Nijsen, Amsterdam 1985.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 55]

[VII]

Ik denk toch niet dat zijn droefheid theatraal was, bij nader inzien, al stak hij ze niet onder stoelen of banken. In De avonden ziet Frits een ruzie tussen zijn ouders van dichtbij: ‘Hij werd wakker en hoorde een kreet, vervolgens een geluid of iets ergens tegenop viel en stemmen. Hij sprong uit bed, snelde de huiskamer binnen, waar hij licht ontstak en opende de schuifdeuren. Zijn vader zat rechtop in bed en keek naar zijn moeder, die huilend zich heen en weer wentelde en telkens met het hoofd in het kussen dook. Ze had een zakdoek half in de mond en stiet kreten uit. “Dat is nieuw”, dacht Frits. “Ik zal water halen”, zei hij, nam een glas uit het buffet en kwam er in een oogwenk mee uit de keuken terug. Zijn moeder dronk op zijn herhaald aandringen een klein slokje...’ Het drama staat er in een paar regels, het is ‘gezien’, in het herhaalde aandringen, het kleine slokje. De ironie van ‘Dat is nieuw’ beschermt Frits tegen de gevoelens waarvan Van het Reve zijn lezers deelgenoot maakt. De onbevangen manier waarop het kleine incident wordt verteld is even onthullend als de langere tirades over de moeder waarin Frits zich tegen het eind van het boek laat gaan. Taal is een machtig middel tegen onmacht. Hannie bewonderde hem mate-

[p. 56]

loos, schreeuwde tegen hem, bespotte hem wanneer hij zich bizar gedroeg, of onhandig. Was Gerard onhandig? ‘Ina je weet, dat ik over veertien dagen ga leren autorijden?’ vraagt Frits in De avonden. Zo'n vijftien jaar later kon Gerard het nog niet. Wanneer zijn vriend hem naar het huisje in Friesland reed, mocht hij niet harder dan negentig rijden, anders raakte de poes voorin op schoot de draad van het uitzicht kwijt. ‘Dan gaat het te snel,’ zei Gerard en zwiepte zijn hand om aan te duiden hoe vlug het landschap dan aan de poes voorbijstoof. Poezenogen kunnen niet meedraaien zoals mensenogen, vandaar het probleem. ‘Hij kan het niet leren,’ vertelde Hannie van dat autorijden, ‘hij is er te traag voor.’ Ze schaterde. En van een journalist van Het Parool met wie ik vroeger wel eens uit stappen ging hoorde ik dat Gerard vroeger ook even bij die krant had gewerkt. ‘Maar dat was niks,’ zei de jongen. ‘Dan stonden er steeds allerlei berichten twee keer in de krant en zo.’ Wijst zoiets op onhandigheid?

‘Hij vindt het meeste gewoon niet de moeite waard,’ zei James Holmes. Gerard was trots op zijn bedrevenheid in het stucadoren. Ik had bij hem de ideale boekenkast zien staan, zelf gemaakt van planken en aluminium buizen. Zo'n kast wenste ik mij en dat verlangen wekte bij Gerard een werkelijke belangstelling voor mijn persoon. Hij nam me in vertrouwen, wees me op onoplosbare problemen en kansen op tegenslag waarvan ik geen notie kon hebben. Wist ik bijvoorbeeld dat

[p. 57]



illustratie

[p. 58]

de gaten in de planken waar de buizen doorheen moesten niet meer dan de kleinst mogelijke fractie van een milimeter groter dan de buisomtrek mochten zijn? Anders kreeg je speling en speling was fataal. ‘Dat luistert ontzettend nauw, kerel, dat luistert zo ontzettend nauw.’ Zijn bekommerde blik verried een gebrek aan vertrouwen in mij als uitvoerder van zulk nauw luisterend werk. Hij onderwierp me aan een verhoor. Besefte ik hoe nauw de gaatjes voor de palletjes luisterden waarop de planken rustten? Wat er gebeurde wanneer die niet op precies gelijke hoogte zaten? De palletjes moest je zelf op lengte zagen en dat ging nog wel, want ze waren van zacht materiaal, maar wat dacht ik te doen wanneer ik toe was aan het in elkaar zetten van de kast? Had ik zoiets eerder gedaan? De bodemplank liet zich bedrieglijk gemakkelijk leggen. De volgende vergde al meer van de maker en daarna werd het een onvoorstelbaar wrikken en schuiven, beetje links, beetje rechts, heel langzaam, veel geduld, telkens stevig aandrukken op de pallen, zodat de planken zichzelf in toenemende mate klem zetten. Begreep ik wat hij bedoelde? ‘Dat is heel erg moeilijk, kerel.’ Zijn handen schetsten het aandrukken. Als het niet moeilijk en stroef ging, wist je dat je de gaten te groot had gemaakt en dan kon je de kast verder vergeten. Nieuwe planken kopen was dan de enige oplossing. Omdat hij alles nog veel beter in zijn hoofd had dan hij mij uitleggen kon, nam hij me mee naar het bedrijfje waar de buizen en staven te krij-

[p. 59]

gen waren, op het Oudekerksplein, geloof ik. Gerard voerde het woord in de winkel, inspraak had ik niet meer. Mijn kast gaf Gerard een tijdelijke levensvervulling en ik heb reden tot dankbaarheid. ‘Je moet zorgen dat hij een beetje achterover tegen de muur komt te staan,’ zei hij. Je moest onder de voorste buizen een paar stukjes linoleum leggen bijvoorbeeld. Ik nam elk woord in acht en mijn kast staat nog steeds overeind, ondanks wat speling in het ensemble. Veel later, toen ik eens een ogenblik alleen op zijn kamer was, ontdekte ik minstens zo veel beweging in zijn samenstel van planken. Van zijn planken zijn de hoeken afgerond, terwijl de mijne scherp zijn gebleven, omdat ik niet zo'n speciale zaag had. We hebben dit punt nooit besproken. Wat de algemene afwerking betreft is Gerards kast superieur aan de mijne.

Als ik een poos niets had opgestuurd voor Tirade belde Gerard me op, dat wil zeggen, dan ging de telefoon al heel vroeg in de ochtend en kreeg mijn slaperig hallo als antwoord een druk mandolineorkest waaruit zich na verloop van tijd de grafstem losmaakte waarover Gerard kon beschikken. In het vroege interview dat hij aan de heer R.J. Gorré Mooses toestond staat een beschrijving van deze wijze van opbellen die aan de opgebelde vrij hoge eisen stelde. Wees maar eens snedig, zo vroeg op de dag! Ik heb iemand gekend die door Gerard werd besnuffeld wanneer hij hem zag. ‘Jongen wat stink jij toch,’ zei hij dan. Weinig mensen hebben op zo'n mo-

[p. 60]

ment een kruidig antwoord op de tong.

Hij liet me zijn ‘Lezing op het platteland’ lezen. ‘Het is vermakelijk,’ zei hij, ‘maar verder heeft het geen waarde.’ Bij het lezen schoot ik telkens in de lach en telkens als ik lachte wilde hij weten waarom. Zo groeide Gerards waardering voor zijn verhaal. ‘En het mooie is dat het nog allemaal waar is ook,’ zei hij.

Melle speelt er een rol in en Gerard vertelde me over Melle dat hij en zijn vrienden tegen het eind van de oorlog nog bruine bonen hadden bewaard. ‘En die waren zo hard als een bikkel geworden en toen hebben ze die met een hamer stuk geslagen en...’ Zijn stem zakte weg in een soort hopeloosheid en het verhaal was ten einde. Hij was schrijver, geen verhalenverteller. In De avonden onderbreekt Frits zijn ‘gruwelijke’ verhalen vaak met ‘eigenlijk is het flauw’ en ondermijnende binnenge-dachten in die geest.

Hij leefde een beetje tegen het wereldje aan in de jaren vijftig, hij hield er niet erg van en er was niet veel anders. Hij vertelde dat hij en Hannie af en toe gingen eten bij een schilderende mevrouw die mensen van naam op haar atelier ontving. Gerard beschreef de gerechten tot in details, alles piekfijn. ‘En als ze dan later op de avond wat gaat praten dan hoor je wel waar het om gaat. Dan zegt ze dingen als, Dat is de grote schrijver van De avonden...’ Zulke uitroepen maakten hem verlegen. ‘Maar toch mag een beetje snobisme er wel bij,’ zei hij. ‘Zo veel aandacht krijgt de kunst niet in Nederland.’

[p. 61]

Zo kreeg ik nog een wijze les die me shockeerde. Snobisme als verdienste? Ik was nog zo zuiver als een glas bronwater en het zou nog jaren duren tot ik de waarheid van zijn bewering zou begrijpen.