Surinaamsche mengelpoëzy


auteur: Paul François Roos


bron: Paul François Roos, Surinaamsche mengelpoëzy. H. Gartman en P.J. Uylenbroek, Amsterdam 1804


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 7]

Lierzang.

 
Ik, ik zing Suriname's strand,
 
Myn heil, myn lust, myn levensstand!
 
Een ander zing' het vaderland
 
Een lied ter eere!
 
Ofschoon men hier geen lente voelt,
 
Geen zomer brand, geen herfsttyd koelt,
 
Geen barre winter vreeslyk, woelt,
 
Als in Europe;
 
Ofschoon men hier geen hiacinth,
 
Of tulp, aan teedre staakjes bind,
 
Vioolen noch renonkels vind,
 
Met frissche geuren;
 
Ofschoon men hier geen Philomeel
 
Hoort gorglen uit eene orgelkeel,
 
Op 't kruintje van een lustprieel,
 
In schoone hoven;
[p. 8]
 
Schoon op geen malsche klaverplant,
 
Of boterbloem, in 't grasryk land,
 
Het rundervee als watertand,
 
In onze dreeven;
 
Schoon hier de smaak niet word gestreeld
 
Door karper, die in 't water speelt,
 
Door hombaars, tarbot, schol, of zeelt,
 
En andre visschen;
 
Ofschoon geen persik, abrikoos,
 
Geen peer, geen appel, geen flamboos,
 
Geen pruimpje, met een purpren bloos,
 
Hier willen groeijen;
 
Ofschoon hier, in den jagttyd, niet
 
De vink door 't vinkje word bespied,
 
De lyster zich verschalken ziet
 
Door looze strikken;
 
Ofschoon men dit hier missen moet,
 
Vervult natuur, in overvloed,
 
Dit al door ons ontbeerde zoet
 
Op andre wyzen.
 
Ik, ik zing Suriname's strand,
 
Myn heil, myn lust, myn levensstand!
[p. 9]
 
Een ander zing' het vaderland
 
Een lied ter eere!
 
Want hier, hier heerscht een eeuwig groen:
 
Geen boom zien wy van 't loof ontdoen,
 
Door 't woeden, van een bar saisoen,
 
Als in Europe.
 
Tjo! Tjo! het orglen van uw keel,
 
By de aankomst van het daggareel,
 
Beschaamt de stoutste Philomeel,
 
In onze huizen.
 
Bannielje langs den zilvren stroom;
 
De bloeisein van d'oranjeboom,
 
Verspreiden, langs den gantschen zoom,
 
Een keur van geuren.
 
Ons rundvee, kiesch op kruidgewas,
 
Kent geen bevrozen waterplas,
 
Maat smaakt, jaar uit jaar in, het gras,
 
In onze dreeven.
 
Een keur, een' schat van blanken visch,
 
Tot sieraad van den gullen disch,
 
Verschaffen beek en wildernis,
 
In duizend soorten.
[p. 10]
 
Nooit, nooit word hier de boom beroofd
 
Van rinsch, van zoet, van smaaklyk, ooft;
 
ô Neen! want ieder dag belooft
 
Ons nieuwe vruchten.
 
De jager heeft zyn' vollen zin:
 
Ons bosch heeft hier een' wildschat in;
 
De jagttyd heeft hier geen begin,
 
Noch ook een einde.
 
Dus zing ik Suriname's strand,
 
Myn heil! myn lust! myn levensstand!
 
Een ander zing' het vaderland
 
Een lied ter eere!